Algoritmen voor onderzoek De sociale werkelijkheid ontcijferd
Johan De Clus Stijn Van de Perre
Uitgeverij Academia Press Ampla House Coupure Rechts 88 9000 Gent BelgiĂŤ www.academiapress.be Uitgeverij Academia Press maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv.
isbn 978 940 14 5367 7 D/2019/45/2 nur 133 Stijn Van de Perre & Johan De Clus Algoritmen voor onderzoek. De sociale werkelijkheid ontcijferd Gent, Academia Press, 2020, 494 p. Eerste editie, 2017 Tweede, herwerkte editie, 2020 Vormgeving cover: Studio Lannoo Vormgeving binnenwerk: Studio Lannoo Zetwerk binnenwerk: Studio Lannoo Š Stijn Van de Perre, Johan De Clus & Uitgeverij Lannoo nv, Tielt
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, onder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Inhoud
INLEIDING. Taal kan zo mooi zijn
13
DEEL I  
15
ONDERZOEK VOOR SOCIAAL WERKERS
HOOFDSTUK 1. Uitnodiging tot nadenken 1. Ik weet het 2. Ik heb het met mijn eigen ogen gezien 3. Opnieuw leren vragen stellen 4. Vragen stellen: de basis van reflecteren, de basis van een wetenschappelijke ingesteldheid 5 Sociaal werk is ingrijpen in de werkelijkheid 6. Uitspraken 7. Een nuchter hoofd en beide voeten op de grond 7.1. Wetenschap 7.2 Meten is weten?
HOOFDSTUK 2. Onderzoeksvaardigheden ĂŠn een wetenschappelijke ingesteldheid 1. Onderzoek in de praktijk van de sociaal werker 1.1 De Brusselse Noordwijk: hoe het grote geldgewin de leefbaarheid verpulvert 1.2. Dienstencentrum: een dienstenverlening voor senioren, ontwikkeld door samenlevingsopbouw 1.3. Een vergadering van de Raad van Bestuur in 1993: de probleemvraag 1.4. Klein detail: ook het huis wordt verkocht! 1.5. Complexe problemen, meerdere onderzoeksvragen 1.6. Onderzoek bleek de redding 2. De mens en zijn omgeving 2.1. De omgeving 2.2. Brussel in beeld 2.3. En die mens dan? 3. Feitenkennis
17 17 18 19 19 20 21 29 29 30
33 33 34 35 36 37 37 40 42 42 45 49 52
6
3.1. 3.2. 3.3.
DEEL II
‘Superstitie’ Dwalingen Feitenkennis en het op feiten gebaseerde wereldbeeld: tien redenen waarom we een verkeerd beeld van de wereld hebben...
OMGAAN MET BRONNEN
HOOFDSTUK 3. Het theater van de tovenaarsleerling HOOFDSTUK 4. De waterput van de wetenschap 1. Inspiratie vinden: hoe kies je een thema? 2. Start de queeste in de doolhof 3. Tijd voor het echte werk: heuristiek 3.1 Het belang van relevante zoektermen 3.2 Een combinatie van zoekstrategieën 3.3 Trucs en tips: gerichter zoeken 3.3.1. Maak gebruik van dubbele aanhalingstekens 3.3.2. Maak gebruik van booleaanse operatoren (AND, OR, NOT) 3.3.3. Maak gebruik van wildcards of jokertekens 3.3.4. Maak gebruik van beperkende zoekoperatoren 3.3.5. Maak gebruik van ‘geavanceerd zoeken’ 4. Aan de slag: bibliotheken en catalogi 4.1 Bibliotheken en catalogi 4.2 Catalogi 4.3 Soorten bibliotheken 4.3.1. Openbare bibliotheken 4.3.2. Nationale bibliotheek 4.3.3. Onderzoeks- en onderwijsbibliotheken 4.3.4. Speciale bibliotheken en documentatiecentra 5. Aan de slag: zoekmachines en databanken 5.1. Wetenschappelijke zoekmachines 5.2. Bibliografische en full text databanken 5.3. Databanken voor ‘grijze literatuur’ 6. Een eindeloze zoektocht? 7. Een status quaestionis maken 8. Van bericht tot bronnenonderzoek: een concreet voorbeeld 8.1. ‘Het staat in de gazet’ 8.2. Googelen naar de ‘vakpers’ 8.3. Beleids(voorbereidend) werk
i nhoud
52 55 61
65 67 75 75 81 84 84 85 86 86 87 88 88 89 90 90 91 93 93 94 95 96 98 98 99 103 105 106 108 108 110 112
i nhoud
7
8.4. Het bronnenonderzoek verdiepen 8.5. Relevant voor het sociaal werk? 8.6. Referentielijst (bij dit voorbeeld)
113 114 117
HOOFDSTUK 5. Leren uit literatuuronderzoek
121 121 122 122 123 123 124 125 125 126 128 130 131
1. 2. 3. 4. 5. 6.
Een rondleiding Waarom een literatuurstudie? 2.1. Een literatuurstudie als aanzet en verkenning 2.2. Een literatuurstudie als inspiratie voor het onderzoeksopzet 2.3. Een literatuurstudie als fundament voor het onderzoeksrapport Soorten literatuuronderzoek Hoe een literatuurstudie aanpakken? 4.1. Een woordenwereld creëren 4.2. Kijk uit naar reviews 4.3. Zelf referenties verzamelen De literatuurstudie structureren Aandachtspunten en valkuilen bij een literatuurstudie
HOOFDSTUK 6. Op de weegschaal van de waardebepaling 1. 2.
Kritisch evalueren van informatie Enkele praktische toepassingen 2.1. Hoe schat je de waarde in van een (papieren) publicatie? 2.2. Hoe herken je een wetenschappelijk artikel? 2.3. Hoe schat je de waarde in van informatie op het internet?
HOOFDSTUK 7. De routine van het refereren 1. 2.
APA: alle publicaties aangeven Knutselen of knoeien met knippen en plakken? 2.1. De vloek van de internetgeneratie? 2.2. De aard van het beestje 2.3. Even uw aandacht voor een opsporingsbericht…
HOOFDSTUK 8. Bouwen met bronnen 1. Het idee begint vorm te krijgen: ik wil er helemaal tegenaan 2. Ik weet waar ik naartoe wil, maar hoe geraak ik daar? 3. Wat kan me verder op weg helpen? 4. De knopen zijn doorgehakt, de eerste steen kan worden gelegd 5. Eerst de ruwbouw, dan de afwerking 6. De oplevering van je onderzoekshuis 7. Checklist
135 135 136 136 137 140 145 145 146 147 149 150 155 155 156 158 159 161 162 162
8
DEEL III
VEELEER ONT-CIJFEREN DAN BE-CIJFEREN. KWANTITATIEF ONDERZOEK
HOOFDSTUK 9. De basis van het ontcijferen 1. 2. 3. 4.
Jongeren en ontbijtgedrag Met statistiek kun je alles bewijzen Van vragenlijst, naar datamatrix en codeboek Het bierkaartje Verklarende woordenlijst
i nhoud
165 169 170 172 173 174 176
HOOFDSTUK 10. De kern en de verdeling der dingen
179 1. Jongens gelukkiger dan meisjes 179 2. Schoenmaat 180 3. De middelste of de mediaan 182 4. Boxplot 186 4.1. Gemiddelde 188 4.2 Standaardafwijking 190 5. Grafische voorstelling 193 6. Gemiddelde en standaardafwijking, een perfect huwelijk 196 7. Appels met peren vergelijken, de z-score 198 8. Z-scores of z-transformaties 199
HOOFDSTUK 11. Verhoudingen 1. Referentiewaarde 2. Index 3. Evolutie 4. Vermenigvuldigingsfactor 5. Terug naar Telenet 6. Uitbarstingen
HOOFDSTUK 12. Zoeken naar verbanden
205 208 209 209 211 212 213
217 1. Als ze maar gelukkig zijn 217 2. Kruistabel (nominaal en ordinaal) 220 3. Chi-kwadraat en andere maten (op basis van statistische onafhankelijkheid) 221 4. Toetsingsmaten 226 4.1. Is er sprake van een verband? 227 4.2. Hoe zeker willen we zijn? 227 5. Rangcorrelatie (ordinaal en kwantitatief meetniveau) 230 6. Rangcorrelatiecoëfficiënt van Spearman 231 7. Kendalls Tau 234
i nhoud
9
8. Verbanden op kwantitatief meetniveau 9. Puntenwolk of puntendiagram 10. Correlatiecoëfficiënt van Pearson 11. Lineaire regressievergelijking 12. Trendlijn
HOOFDSTUK 13. Over de schreve: van beschrijvend naar verklarend onderzoek 1. Veralgemeenbaarheid van de resultaten 2. Populatie en steekproef 3. Biljarten met Ruud 4. Steekproevenverdeling 5. Standaardfout 6. Betrouwbaarheidsinterval 7. Significantietoets 8. Tweezijdig of eenzijdig toetsen? 9. Hypothesetoetsen 10. Toetsen van chi-kwadraat, correlatiecoëfficiënt van Pearson… 11. Overige aandachtspunten
HOOFDSTUK 14. De ‘gestandaardiseerde vragenlijst’, de achillespees van het kwantitatief onderzoek 1. De brief van de professor 2. Hoe het niet moet 3. Een gestandaardiseerde vragenlijst… een kunst én een kunde!
HOOFDSTUK 15. De ruimtelijke dimensie van de armoede 1. 2. 3.
Armoede in kaart gebracht Het belang van de sociale zekerheid Gentrificatie en de ‘uitdijende effecten van het grootstedelijk gebied’ 3.1. Is er sprake van gentrificatie? En wat is dat dan precies? 3.2. Stadsvernieuwing om een rijkere middenklasse aan te trekken 3.3. Wat is er aan de hand in de Denderstreek?
DEEL IV
237 238 240 242 243
251 251 254 257 258 261 263 265 267 267 272 272
285 285 287 290 295 295 305 309 310 311 313
VEELEER BE-GRIJPEN DAN BE-SCHRIJVEN. KWALITATIEF ONDERZOEK 319
HOOFDSTUK 16. Kwalitatief onderzoek 1. Kwalitatief onderzoek: vanzelfsprekend? 2. Wat is kwalitatief onderzoek?
321 321 322
10
i nhoud
3. Wat is kwalitatief kwalitatief onderzoek? 323 3.1. Objectiviteit en neutraliteit 323 3.2. Betrouwbaarheid 325 3.3. Geloofwaardigheid 326 3.3.1. De stempel van een onderzoeker 327 3.3.2. Reflexiviteit als basishouding 327 3.3.3. Strategieën om vertekening zoveel mogelijk te vermijden 329 3.4. Overdraagbaarheid, generaliseerbaarheid en herkenbaarheid 330 3.4.1. Grounded theory approach 330 3.4.2. Data saturation 331 3.4.3. Sampling en representativiteit 332 3.5. Authenticiteit 334 3.5.1. De positie van de deelnemer 335 3.5.2. Machtsverhoudingen in een onderzoek 335 3.5.3. Community-based participatory action research 337 3.5.4. Motivaties voor deelname 338 3.6. Relevantie 340 3.6.1. Kenmerken van sociaalwerkonderzoek 341 3.6.2. Praktijkgericht onderzoek 342 3.6.3. Evidence-based, evidence-informed of practice-based? 343 3.6.4. Effectonderzoek en registratiedruk 344 4. Hoe kwalitatief onderzoek evalueren? 345
HOOFDSTUK 17. Kwalitatieve onderzoeksmethoden 1. Observatie & gesprek, de basis van kwalitatief onderzoek = de basis van sociaal werk 1.1. Iedereen is van de wereld 1.2. Ik heb het met mijn eigen ogen gezien (We nemen waar) 1.3. Hij heeft het mij toch gezegd (We communiceren met de medemens) 1.4. Wij weten toch allemaal (We maken deel uit van groepen) 1.5. Ga terug naar START! (dossierkennis) 2. Lezen – Vertrekken van geschreven teksten 2.1. Meta-analyse: wetenschappelijke teksten 2.2. Documentanalyse 2.2.1. Documentanalyse: user generated content-teksten 2.2.2. Qualitative Secondary analysis (QSA) 2.2.3. Content analysis 2.3. Discoursanalyse 3. Converseren – Vertrekken van interactie met getuigen 3.1. Diepte-interviews
349 350 352 352 353 353 353 354 357 360 360 362 364 366 370 372
i nhoud
3.1.1. Kenmerken 3.1.2. Kwalitatieve vragenlijst 3.1.3. Interviewen is meer dan alleen maar ‘vragen stellen’ 3.1.4. Doorvragen is in de diepte gaan 3.1.5. Verwerking (transcript en analyse) 3.2. Interviews met hulpmiddelen 3.2.1. Ondersteund door foto’s (‘photo elicitation’) 3.2.2. Ondersteund door schema’s (‘graphic elicitation’) 3.2.3. Ondersteund door kaarten (‘mental mapping’) 3.3. Levens(loop)verhalen 3.3.1. Onderzoek naar levensloop (‘life course research’) 3.3.2. Onderzoek naar levensgebeurtenissen (‘life events research’) 3.4. Werken met groepen 3.4.1. Focusgroepen 3.4.2. Delphi-methode 3.4.3. Graphic Facilitation 3.4.4. World Café 4. Observeren – Vertrekken van veldwerk 4.1. Etnografisch onderzoek 4.1.1. Fysieke benadering 4.1.2. Virtuele benadering 4.1.3. Netwerkbenadering 4.2. Observeren 4.2.1. Observatie en participatie 4.2.2. Wat observeren? 4.2.3. Observatie via beelden 4.2.4. Observatie via kaarten 4.3. Shadowing 5. Creëren – Onderzoek op een interactieve en participatieve manier opzetten 5.1. Arts-based research 5.2. Digital storytelling 5.3. Beelden die spreken 5.3.1. Photovoice 5.3.2. Participatieve fotografie 5.4. Body Mapping
Referentielijst Register Woorden van dank
11
372 373 378 380 383 386 386 386 388 389 390 395 397 397 408 411 414 415 415 415 419 419 422 423 427 429 434 435 440 440 446 449 449 455 456
461 479 493
INLEIDING: TAAL KAN ZO MOOI ZIJN Deel I. ONDERZOEK VOOR SOCIAAL WERKERS Deel II. OMGAAN MET BRONNEN Deel III. VEELEER ONT-CIJFEREN DAN BE-CIJFEREN. KWANTITATIEF ONDERZOEK Deel IV. VEELEER BE-GRIJPEN DAN BE-SCHRIJVEN. KWALITATIEF ONDERZOEK
INLEIDING
Taal kan zo mooi zijn REKENKUNDE Wat ik aan u voor wil leggen, is een vraagstuk van niveau. Kunt u mij het antwoord zeggen, klinkt mijn welgemeend ‘chapeau’. Zeven vieze vliegen liepen op mijn tafel in de kroeg, tot ik snel mijn hand liet zwiepen en er twee te pletter sloeg. Nu wil ik als opdracht geven: noem het aantal vliegen dat na mijn zwieperd van zo-even levend nog op tafel zat. ‘Vijf?’ hoor ik iemand wagen. Na zo’n poeier? Het idee! Voor mij op tafel lagen enkel nog die dooie twee! Drs. P, & Kool, M. (2001). Wis- en natuurlyriek. Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar.
Wat is taal? We denken dan misschien spontaan aan onze moedertaal. Of aan exotische talen waarbij we wegdromen naar verre bestemmingen. Zo is muziek ook een taal, net zoals wiskunde. Bestaat er dan niet zoiets als een talenknobbel tegenover een wiskundeknobbel? Ingrid Daubechies, een van de grootste wiskundigen ter wereld trekt tegen dit vooroordeel van leer in een interview met Joël De Ceulaer in Knack (2006, p. 68): Dat een wiskundig bewijs perfect kan worden vergeleken met een gedicht, werd haar duidelijk toen ze eens met een dichter zat te praten. ‘Hij vroeg mij hoe dat werkt, iets bewijzen’, vertelt ze. ‘Dus legde ik hem uit dat ik begin met een hunch, een intuïtie: ik heb een stelling waarvan ik intuïtief aanvoel dat ze waar is, maar ik ben er niet zeker van. Dus zoek ik een tegenvoorbeeld, begin
14
inleiding
ik te graven en te peuteren, tot ik uiteindelijk het bewijs heb.’ ‘Nou’, zei die dichter mij, ‘als ik een gedicht schrijf, ga ik op precies dezelfde manier te werk: het begint met de intuïtie dat er iets moois naar buiten gebracht kan worden en na lang graven en peuteren is daar het gedicht.’ Het maken van een wiskundig bewijs en het schrijven van een gedicht zijn dus vergelijkbare processen, toegepast op verschillende dingen. Dat toont aan dat wiskunde een heel ménselijke activiteit is. Wiskunde is onze manier om rationeel te denken. In dit boek over onderzoek ligt de nadruk op taal, het instrument dat sociale wetenschappers in het algemeen en de sociaal werker in het bijzonder hanteren. Deze taal is een mengelmoes van woorden en cijfers. Het is niet onze ambitie om een cursus te schrijven, maar wel een boek. En vanuit de taal behandelen we ook de cijferwereld. Dit betekent dat we symbolen en formules ook proberen uit te leggen in goed Nederlands. Een basiskennis met betrekking tot optellen en aftrekken en het kunnen hanteren van een eenvoudige rekenmachine moet voldoende zijn om dit boek te begrijpen. Het eerste symbool dat we aantreffen is de frequentie. Daarvoor gebruiken wij het logische symbool f (de f van frequentie). De nadruk ligt op het begrijpen, het kunnen vatten van de sociale realiteit en dat ook zelf – sprekend – onder woorden te kunnen brengen. www.arteveldehogeschool.be/wdes Bij dit boek hoort ook een website. Op deze website leggen we alle lesmodules op een interactieve manier uit. Verder bevat deze website ook oefeningen met interactieve verbeteringen, video’s van een aantal lessen, achtergrondmateriaal en de bundel Ontcijferen in zeven keer vallen en opstaan.
Nota 1: In onze teksten maken we veelvuldig gebruik van Engelstalige begrippen. Maar het is geenszins de bedoeling de formulering moeilijker te maken of uit te pakken met blitse terminologie. Dat we vaak beroep doen op Engelstalige omschrijvingen, heeft in essentie te maken met twee afwegingen: • In nogal wat gevallen bestaat er niet echt een accuraat Nederlandstalig equivalent en dan zou een vertaling op zich verwarring kunnen opleveren. • De Engelstalige kernwoorden kunnen helpen om meer gericht toegang te krijgen tot de relevante internationale literatuur. Nota 2: Omwille van de leesbaarheid werd in plaats van ‘hij/zij’ of ‘zijn/haar’ telkens ‘hij’ en ‘zijn’ gebruikt’, ook al willen we geen onderscheid maken tussen gender.
DEEL I
Onderzoek voor sociaal werkers
INLEIDING: TAAL KAN ZO MOOI ZIJN Deel I. ONDERZOEK VOOR SOCIAAL WERKERS Hoofdstuk 1.
Uitnodiging tot nadenken 1. Ik weet het 2. Ik heb het met mijn eigen ogen gezien 3. Opnieuw leren vragen stellen 4. Vragen stellen: de basis van reflecteren, de basis van een wetenschappelijke ingesteldheid 5. Sociaal werk is ingrijpen in de werkelijkheid 6. Uitspraken 7. Een nuchter hoofd en beide voeten op de grond
Hoofdstuk 2.
Onderzoeksvaardigheden én een wetenschappelijke ingesteldheid
Deel II. OMGAAN MET BRONNEN Deel III. VEELEER ONT-CIJFEREN DAN BE-CIJFEREN. KWANTITATIEF ONDERZOEK Deel IV. VEELEER BE-GRIJPEN DAN BE-SCHRIJVEN. KWALITATIEF ONDERZOEK
HOOFDSTUK 1
Uitnodiging tot nadenken
1.
IK WEET HET
‘Ik weet het!’ ‘Wat weet je?’ ‘Hoe weet je het?’ ‘Weet je het heel zeker?’ ‘En hoe kun je er zo zeker van zijn?’ ‘Waarom?’ ‘Daarom!’ Iedereen heeft dit soort uitspraken al zelf gedaan of is ermee geconfronteerd. Welnu, hiermee gaan we ons bezighouden in dit boek. Wat weten wij? Hoe
18
onderzoek voor sociaal werkers
krijgen we zekerheid dat wat we zeggen of wat we anderen horen vertellen ook enige waarheidsgrond heeft? Hoe kunnen we wat we beweren ook staven? Leren onderbouwen van stellingen met argumenten is ons doel. Want al te dikwijls horen wij immers beweringen die beginnen met: • Veel mensen … • Sommigen … • Meestal … • De meesten … • Iedereen weet toch dat …
2.
IK HEB HET MET MIJN EIGEN OGEN GEZIEN Waarnemen is zeer belangrijk. Observatie, waarneming is het vertrekpunt van elke wetenschappelijke vraagstelling. Toch is die waarneming niet steeds te vertrouwen. Zelfs de natuurwetenschappen hebben een hele ontwikkeling ondergaan en ze evolueren steeds verder. Voorbeeld Onze taal doet zeer lyrisch over de zonsopgang en zo mogelijk nog dichterlijker wordt er over de zonsondergang gesproken. Het heeft tot de vijftiende eeuw geduurd vooraleer men is gaan inzien dat het niet de zon is die opgaat of ondergaat, maar de aarde (die bolvormig is en rond haar as draait, waardoor het lijkt alsof de zon om ons heen draait). De werkelijkheid is dus het omgekeerde van wat wij op het eerste zicht menen waar te nemen. Nog een voorbeeld De appel valt van de boom. Alles valt naar beneden … Of niet soms? Maar wat is beneden? Heb je er al ooit bij stilgestaan dat onder de evenaar de appel naar boven valt? Dat dit vallen een fenomeen is dat alles te maken heeft met de aantrekkingskracht van de aarde? Wij willen je uitdrukkelijk uitnodigen om na te denken over de dingen. Niet om alles te relativeren, maar om minstens te proberen de werkelijkheid te doorgronden. De sociaal werker houdt zich natuurlijk niet bezig met vallende appels. De mens- en maatschappijwetenschappen waar het sociaal werk zich op baseert, zijn van veel recenter datum dan de natuurwetenschappen. Het debat is nog volop gaande en wij nodigen je dus uit om je stem te laten meeklinken in dit wetenschappelijk debat.
uitnodiging tot nadenken
3.
19
OPNIEUW LEREN VRAGEN STELLEN Pieter is drie jaar. Op een ochtend gaat hij mee naar de bakker. ‘Papa, wat is dat?’, vraagt hij, nadat hij enkele huizen verder een kraantje heeft zien zitten in de muur. ‘Dat is een kraantje’, antwoord ik. ‘Waarom?’ ‘Opdat de mensen die hier wonen de stoep kunnen poetsen.’ ‘Ah.’ Even verder staat een bestelwagen geparkeerd. Het prototype klusjesmancamionette. Vuil. Met een stukje van een zak pleister dat nog door de schuifdeur naar buiten steekt. ‘Papa, hoe komt dat zo is?’ ‘Omdat de meneer die hier aan het werken was, dat niet goed heeft opgeruimd, jongen.’ ‘Waar meneren werken?’ ‘Misschien is hij hier in een huis aan het werken.’ ‘Waar is Bob de Bouwer?’ Enzovoort. Van ’s morgens tot ’s avonds gaat dat zo door. Maar dit is geen verhaal over Pieter. In niets onderscheidt dat ventje zich van andere kinderen. Eens ze met wat woorden overweg kunnen, stellen kinderen vragen. Ze zagen je als het ware de oren van het hoofd. Spontaan, net als ademen, komt elk kind ertoe om zich vragen te stellen over de wereld om hem heen.
4.
VRAGEN STELLEN: DE BASIS VAN REFLECTEREN, DE BASIS VAN EEN WETENSCHAPPELIJKE INGESTELDHEID We nemen dingen uit de buitenwereld in ons op en stellen daarbij vragen. Net als bij ademen vindt er vervolgens een hele bewerking van dit materiaal plaats. Het valt ons op hoe moeilijk velen het hebben om zich pakweg vijftien jaar later nog te herinneren wat dit vragen stellen is, hoe vanzelfsprekend reflecteren is voor het fenomeen ‘mens’. We willen je uitnodigen om terug aan te knopen bij dit spontane, argeloze vragen stellen. Dit veronderstelt nieuwsgierigheid en de zin, de goesting, de drive om op zoek te gaan naar antwoorden. Een zekere verwondering ook wanneer we ontdekken dat de wereld rondom ons meer is dan wat wij oppervlakkig opmerken. Om vervolgens uit de euforie die gepaard gaat met de surprise – de
20
onderzoek voor sociaal werkers
verrassing van de ontdekking – nieuwe energie te putten om de zoektocht verder te zetten: patronen, structuren, verbanden te ontdekken, inzichten en verklaringen te vinden en vooral nieuwe vragen te stellen. Dieper en dieper graven, dat is het leidmotief en de drijfveer van de wetenschap. Het is bekend dat elk gevolg zijn oorzaak heeft, en dit is een universele waarheid, echter, inschattingsfouten of zelfs herkenningsfouten zijn soms niet te vermijden, want het komt voor dat we menen dat dit gevolg hier voortvloeit uit die oorzaak daar, terwijl er eigenlijk een andere oorzaak is, die een heel eind buiten ons bevattingsvermogen en onze zogenaamde kennis ligt. Saramago, J. (2006). Het stenen vlot (p. 13). Amsterdam: Meulenhoff.
5.
SOCIAAL WERK IS INGRIJPEN IN DE WERKELIJKHEID De sociaal werker heeft een karakteristiek beroep: hij intervenieert in de sociale werkelijkheid. Het minste wat we dan kunnen verwachten, is dat deze interventie tot een verbetering leidt: meer welzijn, een rechtvaardiger samenleving. Dit betekent ook dat dit ingrijpen met de nodige voorzichtigheid en omzichtigheid plaats moet vinden. Iedere sociaal werker moet dus permanent de waaromvraag stellen, moet kunnen beargumenteren wat de motieven van het ingrijpen zijn. Een wetenschappelijke ingesteldheid is hierbij dan ook een uitdrukkelijke voorwaarde.