Skip to main content

9789401453400

Page 1

w i l l e m

d e

b o c k

d o s s i e r

stadion Hoe (ont)komt ons topvoetbal aan de achterstand?


www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Redactie

Jan Vangansbeke Wim De Dobbeleer

Grafisch ontwerp

Dit boek kwam tot stand met de steun van het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek. Als u opmerkingen of vragen heeft, dan kunt u contact nemen met onze redactie: redactielifestyle@lannoo.com © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2018 d/2018/45/260 – nur 480 – 489 isbn 978 94 014 5340 0 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


INHOUD Inleiding

9

Deel 1. Verleden

Gemiste treinen en de sneltreinvaart 1. Weg EK, weg WK en stilaan weg subsidies

13

2. De inhaalbedoelingen van de Voetbalbond

18

3. De voetbalwereld in volle bouwwoede

22

Deel 2. Brugge

Een topclub wil de 21ste eeuw in 1. Van een rijk Club-verleden naar een rijkere toekomst

27

2. Op onzekere grond

33

3. Alle hens aan dek voor het WK

38

4. Geen vergunning maar een verse voorzitter

42

Deel 3. Brussel

Dromen en zoeken 1. De ongewilde hoofdrol in een Brusselse nachtmerrie

51

2. De UEFA-baas heeft een droom

56

3. Het oude stadion kan niet meer

60

4. Na Euro 2000 wisten ze het al

64

5. De zeer moeizame zoektocht

71

Deel 4. Euro 2020

Iedereen mee 1. De Bond bedenkt het ideale stadion

81

2. Haalbaarheid als understatement

89

3. Amsterdammers rekenden iedereen rijk

93


Deel 5. Euro 2020:

UEFA en Anderlecht vallen ervoor 1. UEFA roept niet snel eureka

101

2. Gebonden aan wat je hebt geboden

104

3. Binnen! Brussel gekwalificeerd

107

4. Ghelamco wint en Anderlecht hapt toe

110

5. Kortom, alles kits in Brussel

116

Deel 6. Brugge

Een nieuw elan en plan 1. Nieuwe bezems keren anders

121

2. Building apart together

125

3. Eigenaars tegen onteigening

129

4. Spelers en supporters tussen schimmels

132

5. Een burgemeester als een schoenmaker

139

6. Het kan nog lukken tegen 2022

145

Deel 7. Brussel

De wind draait 1. Van het stuur naar de achterbank

151

2. Nog eens met de grond gelijkgemaakt

156

3. Beslissers verdwijnen of bekvechten

161

4. Hoe Anderlecht de klemtoon anders legt

164

Deel 8. Brussel

Fatale klappen en bittere pijn 1. Begraven buurtweg ondergraaft de plannen

173

2. UEFA blaast lauw en ijskoud

178

3. Een hard en kritisch eindrapport

182

4. Vlaamse ministers wuiven met wetten

187


Deel 9. Elders

Paddenstoelen, giftige en lekkere 1. De spilzuchtige Russen en het betonnen Boedapest 195 2. Witte olifanten of bloeiende business

205

3. Het ‘elk-nadeel-heb-zijn- voordeel’-stadion

210

4. De Gentse ‘gelukzakken’

221

Deel 10. Brussel

Wat kan er nog? 1. Een niet-geconsumeerd huwelijk in ontbinding

235

2. Officieel wil de Bond nog

239

3. De Heizelplannen gaan hun gang

243

4. Anderlecht weet niet waarnaartoe

253

5. Toch nog op de parking of een luchtspiegeling?

260

Deel 11. Het loodzware hindernissenparcours 1. Eén kans op tien bij de Raad

267

2. Onderzoeken en regels te over

271

3. Wat Weyts weet

275

4. De procedure doet het proces duren, en duren

278

Deel 12. De voetbalwereld:

Iedereen wil wel 1. Bouw niet groot maar slim

285

2. De architect die iedereen verleidt

293

3. De ideale voetbalwereld volgens Verhaeghe

298

4. Bouwers willen bouwen

306

Slotbedenkingen: wat als we het anders bekijken?

309

Nawoord

317

Dankwoord en aanmoediging

319


INLEIDING

Stadions moeten Rode Duivels zijn 1 oktober 2012. De Rode Duivels lanceren hun derde Duiveluitdaging: Maak van je huis of stamcafé een Koning Boudewijnstadion! Bedoeling is dat er zich duizend van zulke ‘stadions’ aanmelden, plekken waar supporters samenkomen en samen de komende interland tegen Schotland beleven. Hoe klinkt dit vandaag? Ironisch, sarcastisch, misplaatst zelfs, als je bedenkt dat ons nationaal stadion in het oog van een heuse storm terechtgekomen is. Iedereen vindt het verloederd; er kwam een plan om in Brussel een vervanger te bouwen. We zijn nu enkele jaren later en er is nog steeds niets van in huis gekomen. Daarnaast is er dat andere, concrete plan voor een groot, nieuw voetbalstadion, dat van Club Brugge. Dat zit na twaalf jaar proberen nog steeds in de wachtkamer. We namen een risico toen we onze nationale voetbalploeg ‘de Rode Duivels’ begonnen te noemen. Als je dan op de grasmat sportief onderuitgaat, sta je voor schut met zo’n bijnaam. Maar de Rode Duivels hebben zich voor vele voetballiefhebbers over de hele wereld tot de morele wereldkampioen gekroond. Zij zijn van onschatbare waarde geworden voor ons hele voetbalimago. Meteen leggen zij de lat hoog, voor wie professioneel met voetbal bezig is. Maar qua stadionbouw lijkt ons land een manke hoogspringer, die de lat van het internationale niveau niet eens kan aanraken. Elders in de voetbalwereld is er echter wel enorm veel gebouwd. Nieuwe stadions of minstens heel grondig vernieuwde stadions schoten als paddenstoelen uit de grond en werden nationale monumenten. Dat is lang niet altijd een succes, maar vele stadions doen hun bijzonder nuttige ding voor de club en soms ook voor de federatie die er een ploeg comfortabel heeft ondergebracht. Ook tal van Belgische profclubs hebben stadionvernieuwingen en -uitbreidingen gerealiseerd. Inleiding 9


De thuisstadions voor ons topvoetbal zijn te klein voor hun populariteit. Maar erger is dat ze vooral te oud en te moeilijk aanpasbaar zijn aan de vereisten van de huidige voetbalbusiness. Zij kunnen niet mee in de vaart die de stadionbouw internationaal heeft genomen. Dus missen ze die hefboom voor hun ontwikkeling, terwijl ze die zo hard nodig hebben om internationaal te blijven meedraaien. Het is de hoogste tijd – eigenlijk is het al te laat – om van onze stadions Rode Duivels te maken: echte aantrekkingspolen voor het voetbal, verbindend en van topniveau. Onze topclubs hebben moderne stadions nodig om te bloeien en groeien. Niet groots, maar vooral aangepast aan de huidige behoeften van publiek, sponsors en sporters, net als aan de noden van clubs, competities en federaties. Er zijn plannen, initiatiefnemers en geldschieters genoeg. Lokale overheden scharen zich achter de initiatieven. Toch lukte het tot dusver bijna nooit. Brugge en Brussel zijn twee sterk verschillende dossiers, maar ze doen vragen rijzen over de vertragingen en het mogelijke afstel. Zijn zij ten prooi gevallen aan een andere variant van dezelfde ziekte? Welke ziekte, welke varianten en welke genezing of voorkoming mogelijk is, hopen we in dit boek in kaart te brengen. Het zal blijken dat de club­ eigenaars, stadionbouwers en voetbalbonzen uiteraard een rol van betekenis spelen, maar dat ook politieke, administratieve, economische en juridische factoren van belang zijn. Het is een ingewikkeld verhaal, maar de knopen die doorgehakt moeten worden, zullen aan het eind van dit boek wel degelijk zichtbaar zijn. Niet alleen voor het voetbal, maar voor de brede samenleving. De dynamiek die de Rode Duivels op gang hebben getrokken kan een verlengstuk krijgen in onze stadions. Zij kunnen het WK-effect helpen omzetten in nog meer uitmuntende voetballers, sterkere clubs, een leukere beleving van de sport en een positievere samenleving.

10 Dossier stadion


deel 1

Verleden:

gemiste treinen en de sneltreinvaart


1.WEG EK, WEG WK EN

STILAAN WEG SUBSIDIES

Eind 20ste eeuw werden al voetbalstadions van een nieuwe generatie gebouwd, ook voor clubs uit competities die vergelijkbaar waren met de Belgische. De Amsterdam ArenA had al in 1996 haar poorten geopend. Daar hadden ze de kans tot radicale vernieuwing van de infrastructuur niet gemist, die werd aangereikt toen Nederland en België samen het Europees Kampioenschap van 2000 mochten organiseren, EURO 2000. Het Europees kampioenschap voetbal 2000 was de elfde editie en vond plaats in vier Nederlandse en vier Belgische stadions. Het was voor het eerst dat een EK in twee landen werd georganiseerd. Meteen was het ook een gedroomde kans om de belangrijkste voetbalstadions van het land te vergroten en ze naar een hoger niveau van veiligheid, comfort en aantrekkelijkheid te tillen. In Nederland was de gloednieuwe en bijzonder vernieuwende Amsterdam ArenA al in 1996 klaar. In Arnhem kwam een nieuw stadion, de indrukwekkende GelreDome. In Eindhoven werd het stadion van PSV grondig vernieuwd en in Rotterdam onderging De Kuip een renovatie. Zo stelde Nederland een modern kwartet van stadions beschikbaar. Het enige van het viertal Belgische stadions dat toen niet veel aanpassingen vergde en nog voor redelijk modern kon doorgaan, was het Brugse Jan Breydelstadion, dat toen zowat 25 jaar oud was. Toch moest het ook worden aangepast. De stadions van Standard Luik en Charleroi kregen een opknapbeurt en een uitbreiding. En in Brussel gebeurde eigenlijk niet veel meer. De verbouwing van het Heizelstadion was wel wat meer dan cosmetisch, maar maakte van de infrastructuur toch niet Verleden: gemiste treinen en de sneltreinvaart  13


bepaald een duurzaam stadion voor voetbal en ander vermaak in de 21ste eeuw. België beperkte zich tot het hoogstnoodzakelijke om te voldoen aan de toenmalige eisen van de Europese Voetbalbond UEFA. Ons land greep niet de kans om stadions op te trekken die na het event zouden dienen als hefboom voor de clubs en het voetbal.

Tien jaar later, de WK-misser Tien jaar later bood zich een nieuwe gelegenheid en sterke aanmoediging aan om onze grotere stadions te verbeteren, en vooral om nieuwe stadions te bouwen. In juni 2008 beslisten de Belgische en Nederlandse Voetbalbond om een gezamenlijke kandidatuur in te dienen voor het WK 2018, dat in Europa plaats zou vinden. Andere kandidaten waren Engeland, de combinatie Spanje-Portugal en Rusland. De toenmalige Belgische premier, Yves Leterme, een voetbalfan in zijn vrije uren, zette er zijn schouders onder. Vrij snel ondertekenden alle bevoegde overheden de benodigde garanties. Voor het bod zelf werd een fiks budget van 10,5 miljoen euro uitgetrokken. België zou voorzien in vijf stadions, die tegen 2018 aan de FIFA-eisen zouden voldoen, vier voetbaltempels met 40.000 zitplaatsen en eentje met 60.000. Zes steden werden bereid gevonden om voor een stadion en alle bijbehoren te zorgen, met name Brugge, Antwerpen, Genk, Brussel, Charleroi en Luik. Ironisch genoeg werd het enige nieuwe stadion dat toen al was gepland en intussen ook werd gebouwd, wegens zijn kleine capaciteit slechts als trainingsaccommodatie geselecteerd, met name het nieuwe stadion van KAA Gent. De zes ‘volwaardige’ kandidaat-speelsteden zouden veel grotere stadions neerpoten of hun bestaande infrastructuur fors vernieuwen en vergroten... in hun dromen. Begin december 2010 gaf het team van de HollandBelgium Bid naar verluidt een zeer geslaagde en indrukwekkende presentatie van haar kandidatuur. Het Russische team sloeg met zijn voorstelling een belabberd figuur. De Belgisch-Nederlandse en de Russische delegaties logeerden in hetzelfde hotel. De avond na de presentaties kwam de Russische delegatieleider bijna uithuilen bij de Belgen en de Nederlanders, omdat hij en zijn team er zo’n knoeiboel van hadden gemaakt. Hij zei ervan overtuigd te zijn dat Rusland geen schijn van kans meer maakte op de 14 Dossier stadion


WK-organisatie. Na een nachtje slapen volgde de beslissing: het WK ging naar Rusland. Dit had niemand zien aankomen, behalve misschien ergens een nachtelijke tovenaar in het Kremlin. Het vliegtuig met Vladimir Poetin aan boord landde al één uur na de bekendmaking in Zürich, waar de luchthaven van Kloten zelden een toepasselijker naam had. Dat is verdacht snel, gezien de vliegafstand van Moskou. Laten we zeggen dat deze beslissing toch al in de lucht hing. De ontgoocheling was groot in ons kamp. Weg was de boost die het WK had kunnen en zelfs moeten geven aan de stadionbouw. Zowat alle plannen werden op de lange baan geschoven of afgevoerd, behalve in Brugge en Brussel. België had inmiddels twee kansen gemist om de stimulans van een groot evenement te gebruiken voor nieuwe of fors vernieuwde stadions. Drie keer is scheepsrecht, luidt het gezegde. Dus bij een derde kans op een groot toernooi zou het wel lukken, zeker? Toch? Wat er gebeurde met de Brusselse deelname aan EURO 2020, is bekend.

Europa sloot het net rond subsidies Belgische geïnteresseerden in de stadionbouw hadden intussen nog een andere trein gemist. De overheidssubsidiëring voor professionele voetbalclubs en hun infrastructuur werd gaandeweg steeds meer ingeperkt. De voornaamste beperking in dit verband kwam niet van de Europese Voetbalbond UEFA of de wereldVoetbalbond FIFA, maar van de Europese Unie. Europa had al beperkingen opgelegd, die erop neerkwamen dat voetbalclubs op eigen financiële benen moesten staan en het daarmee moesten rooien qua investeringen, ook in stadions. De gezagsgetrouwe Duitsers werkten al begin deze eeuw strikt volgens deze regels en gebruikten nagenoeg geen overheidsmiddelen voor hun grote investeringen, maar in landen als Frankrijk en Spanje bleven nieuwe voetbaltempels verrijzen met behulp van fikse overheidsinbreng. De Duitsers bonden de kat de bel aan en klaagden deze praktijken aan bij Europa als een serieuze vorm van concurrentievervalsing op de Europese voetbalmarkt. Zij hadden in principe gelijk en kregen ook gelijk. Dat leidde onder meer tot een veroordeling van Real Madrid. De Spaanse topclub had onder meer van de stad Madrid een prachtig trainingscentrum cadeau gekregen. Verleden: gemiste treinen en de sneltreinvaart  15


Europa greep ook structureel in. Om de mazen van het subsidiëringsnet te sluiten scherpte Europa zijn regelgeving en controle verder aan. Dat overheden professionele voetbalinfrastructuur financierden, moest stoppen. Zij mochten er zich ook niet meer borg voor stellen of op gelijk welke andere manier de vrije markt verstoren met financiële ondersteuning. In 2014 werd de piste van de stadionsubsidiëring waterdicht afgesloten toen Europa besliste om professionele voetbalclubs voortaan te beschouwen als wat ze ook echt zijn: bedrijven. En Europa hanteerde al jaar en dag de regel dat bedrijven of sectoren nooit financieel mogen worden bevoordeeld. Dat was de Europese manier om te waken over iets wat voetballiefhebbers heel goed kunnen begrijpen: een gelijk en eerlijk speelveld voor al wie op een markt actief is. Daarom treedt Europa ook op tegen prijsafspraken tussen bedrijven en tegen een te dominante marktpositie van één bedrijf of een paar bedrijven om concurrenten uit de markt te drukken. Er mag evenmin sprake zijn van leningen, belastingvoordelen, verlaagde prijzen voor goederen en diensten of overheidsgaranties die voor andere niet weggelegd zijn. Alle steun die bedrijven een oneerlijke voorsprong op concurrenten zou kunnen geven, werd en wordt gebannen. Wie een beetje de evolutie van het Europese beleid tegen concurrentievervalsing had gevolgd – ook in de Belgische voetbalwereld – kon de bui al lang zien hangen. Wie op zware stadionsubsidiëring had gerekend, had zich al vele jaren terug moeten reppen. Velen vonden deze ontwikkeling maatschappelijk een prima zaak. Het gevolg was dat de nodige middelen voortaan moesten worden gezocht bij privé-investeerders, die de stadions rendabel zouden willen maken. Deze financieel gezonde houding hadden overheden ook wel mogen beogen met hun investeringen op kosten van de belastingbetaler.

‘Faciliteren’ kan nog Dit alles belette niet dat de financiële participatie van de overheid vandaag nog altijd tot de mogelijkheden behoort. Dit gebeurt dan via de randvoorwaarden voor de realisatie van een stadion, zoals het aanleggen van toegangswegen, het verbeteren van het openbaar vervoer naar de locatie, en dergelijke meer. Maar direct publiek geld in stadions 16 Dossier stadion


pompen zou gedaan moeten zijn, al is de voorbije jaren gebleken dat Europa duidelijk nog geen prioriteit heeft gemaakt van het toezicht op de toepassing van deze principes. Er zijn misschien minder mazen in het net, maar het net wordt lang niet altijd uitgegooid.

Verleden: gemiste treinen en de sneltreinvaart  17


2. DE INHAALBEDOELINGEN VAN DE VOETBALBOND

Eind 2010 kiest de Belgische Voetbalbond voor vernieuwing aan zijn top. Er is een frisse wind nodig in het beheer van de bond en zijn werking, in de visie en de strategie waarmee ons voetbal van top tot bodem wordt beredderd. Begin 2011 krijgt die benadering concreet gestalte, wanneer Steven Martens wordt benoemd als CEO van de KBVB. Martens laat er weinig gras over groeien. Al gauw ontwikkelt hij met zijn team een strategische visie, neergepend in een lijvig document met de veelbelovende titel Groeien en Winnen. Deze ‘visienota’ telt elf doelstellingen. Zo wil hij precies weten hoe het met het imago of de perceptie van het Belgische voetbal gesteld is en hij bestelt meteen een onderzoek hierover. De Rode Duivels klimmen in 2011 en 2012 wel uit een dal omdat de gouden generatie begint te presteren. Maar het onderzoek legt bloot dat het Belgische voetbal op het punt van ‘positieve perceptie’ een heel povere 4,9 op 10 scoort. Martens wil in vier jaar tijd van een gezakt voetbal naar een voetbal dat ruim voldoening schenkt: 6,5 op 10 is het streefcijfer tegen juni 2016. Dat is zijn doelstelling Nummer 6. Het zou kunnen helpen als we in die tijdspanne ten minste al werk beginnen te maken van nieuwe, moderne stadions waarin supporters en klanten beter dan ooit aan hun trekken komen, vervolgt de redenering. Onder meer daarom luidt strategische doelstelling Nummer 7: ‘Stadionvernieuwing in het ganse land kracht bijzetten door een op te richten “public affairs”-cel, in samenwerking met de Pro League.’ En verder, concreter: ‘Vijf nieuwe stadions ontwikkelen, waaronder een multifunctioneel nationaal stadion tegen 2020.’ Op de bijbehorende landkaart 18 Dossier stadion


van België zijn de locaties bewust vaag gehouden. Luik, Charleroi en Brussel zijn nog behoorlijk duidelijk, maar of er in Oost- dan wel in WestVlaanderen een nieuw stadion moet komen, is niet precies aangegeven, evenmin als in Antwerpen of Limburg. Brugge of Gent, Antwerpen of Genk, dat zien we nog wel. Voor Steven Martens is op dat moment vooral belangrijk dat hij de steun van zijn raad van bestuur heeft voor elk punt van zijn visienota. Een paar maanden na Martens’ nota, in augustus 2012, ziet een Werkgroep Stadions het daglicht. De Voetbalbond en de Pro League, de vereniging van Belgische profvoetbalclubs, richten die samen op met als doel een globaal masterplan voor stadionvernieuwing uit te werken. Aan de top staat Ronny Verhelst, voorzitter van de Pro League. Didier De Baere wordt ‘stadionprojectmanager’. De werkgroep wil de voetbalclubs ondersteunen bij hun stadionprojecten, meer kennis opdoen van stadionbeheer, de clubadministratie naar overheden ondersteunen en een nota over de benodigde investeringen in stadioninfrastructuur opstellen. De positieve houding van de Voetbalbond giet een scheut optimisme in het Belgische voetbal, al zijn het cynisme en de weerstand niet van de lucht. Onder voetbalkenners en -beslissers is echter een consensus gegroeid dat moderne stadions de basis zijn om de supporters het comfort te bieden dat ze verwachten en verdienen. De meesten zien ook wel in dat een stad en een gemeenschap een sterke dynamiek kunnen puren uit een bruisend stadion, dat ook extra sociaal leven in de brouwerij brengt. Verder wint het inzicht veld dat een stadion een inkomstenhefboom kan betekenen voor de ploeg. Clubs die de stap naar een veel beter stadion hadden gezet, konden forse inkomstenstijgingen voorleggen, haast altijd met meer dan de helft boven de vroegere omzet. Alle signalen wezen erop dat België vertrokken was voor een inhaalbeweging in het bouwen van nieuwe voetbalstadions. Er viel dan ook veel in te halen.

Een toenemende nood aan stadions In de periode waarin Steven Martens aan de macht kwam bij de Voetbalbond stonden de sterren gunstig om een beleid uit te werken dat stadionbouw en grondige verbouwingen bij Belgische profclubs een Verleden: gemiste treinen en de sneltreinvaart  19


flinke duw in de rug moest geven. In de gesprekken die Martens en zijn team al tijdens zijn verkenningsronde voerden met economen, journalisten en andere voetbaldeskundigen, dook steeds weer die behoefte naar betere stadions op. Brugge was al met concrete plannen bezig, in Gent schoot het dossier stilaan op, in Sint-Truiden stond de vernieuwing op Stayen in de steigers, Waregem was al klaar, bij Antwerp liep de toenmalige eigenaar met grootse plannen rond, vanuit Luik weerklonken steile ambities op dit vlak, Anderlecht wilde uitbreiden, enzovoorts. Ook lokale overheden bekommerden zich om de thematiek, al waren grootsteden als Antwerpen en Brussel nog niet veel verder geraakt dan wat ideeën. De bonds-CEO stelde vooral veel goede intenties vast, maar nog weinig realisaties. De stadiondoelstellingen van Martens kregen ook de steun van de Pro League. Het was voor Martens en co. wel meteen duidelijk dat de Voetbalbond geen stadionbouwer kon worden. De Bond kon wel knowhow aantrekken om de stadionnieuwbouw te begeleiden op bouwtechnisch gebied, qua noodzakelijke voorbereidingen en economische haalbaarheid. Om die knowhow te helpen opbouwen kwamen twee extra krachten in dienst van de Voetbalbond, met name Didier Debaere voor de juridische kant en de aanpak van aanbestedingen en Dimitri Huygen voor de zakelijke en economische aspecten. Zij komen later in dit relaas nog aan bod. De tandem Debaere-Huygen ging op zoek naar experts in deelaspecten van de stadionbouw, uiteraard niet het minst naar ervaren bouwheren. In die tijd waren dat Bart Verhaeghe, die nog niet de plak voerde bij Club Brugge maar wel al grondig in de materie ingewerkt was; Patrick Vanoppen, die Beerschot leidde en een Groot-Antwerps stadion wilde bouwen; en Roland Duchâtelet, die STVV bezat en het Truiense stadion ombouwde. Deze laatste vond die begeleiding vanuit de Bond naar verluidt maar ‘zever’. ‘Wij trekken ons plan wel’, repliceerde hij. Minder bekend is dat in die tijd, toen Marc Coucke daar nog niet als reddende investeerder in zicht was, KV Oostende best wat hulp kon gebruiken. Ook andere clubs, waaronder Lokeren en KV Mechelen, konden terugvallen op begeleiding vanuit de Bond.

20 Dossier stadion


Het aparte geval Brussel Het geval Brussel was een ander paar mouwen. De stad en de Voetbalbond gingen ervan uit dat een stadion op de Heizelvlakte niet meer zou kunnen, vooral niet als er thuisclub zou gaan spelen. De stad zat met de grote vernieuwingsoperatie NEO voor het hele gebied in haar hoofd en wou op de plek van het oude Koning Boudewijnstadion niet zo’n dertig keer per jaar grote massa’s publiek aantrekken. Het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest volgde de piste van een andere locatie. Didier Debaere stak toen al veel voorbereidend werk in het onderbouwen en uitwerken van dat standpunt. Wat later zou de Voetbalbond onder Martens vaak de wind van voren krijgen omdat ze een ‘nationaal stadion’ wilde bouwen, maar een zeer nauw betrokken bron hamert erop dat de initiatiefnemers vanaf het prille begin van deze omschrijving af wilden raken. Het was de bedoeling om een privéstadion te bouwen, waarin RSC Anderlecht onderdak zou vinden. Het zou worden gebouwd door een privé-investeerder en een privé-eigenaar hebben. En het stadion zou geschikt zijn voor interlands van de Rode Duivels.

Verleden: gemiste treinen en de sneltreinvaart  21


3. DE VOETBALWERELD IN VOLLE BOUWWOEDE

Het idee dat België een achterstand had opgelopen tegenover zowat de rest van Europa en zelfs de wereld, speelde een belangrijke rol in de discussies over nieuwe stadions. Er was en werd in de landen rondom ons veel meer gebouwd. De enige profclubs die de laatste decennia in ons land de poorten van een nieuw stadion konden openen, waren KV Oostende en KAA Gent. In Nederland is al meer dan twintig jaar een proces van stadionnieuwbouw over het hele land ingezet, dat nog steeds niet is stilgevallen. Nu krijgt bijvoorbeeld ook Feyenoord een nieuwe Kuip. In heel wat landen werd de organisatie van een internationaal voetbaltoernooi de aanleiding voor een fikse vernieuwing van het stadionarsenaal. In Portugal gaf EURO 2004 de aanzet, in Zwitserland en Oostenrijk EURO 2008, in Polen en Oekraïne EURO 2012, in Frankrijk EURO 2016. Kortom, het enige land dat de laatste twintig jaar de kans van een EK-organisatie niet had gegrepen om meerdere nieuwe stadions te bouwen, heet België. Uiteraard waren ook WK’s hefbomen voor een stadionbouwwoede. Dat was in Frankrijk al deels het geval voor het WK 1998, maar zeker in Duitsland (2006), in Zuid-Afrika (2010), in Brazilië (2014) en in Rusland (2018).

De investeringen kunnen renderen Heel zacht uitgedrukt zijn de stadions die louter omwille van deze toernooien zijn gebouwd lang niet altijd de beste investeringen gebleken. Niet zelden draaiden ze uit op financiële aderlatingen waarvoor in de eerste plaats de samenleving en dus de plaatselijke belastingbetaler 22 Dossier stadion


moest opdraaien. In sommige landen werd de toernooibouw echter aangegrepen om de nieuwe infrastructuur zo efficiënt mogelijk te benutten voor het voetbal en voor het rendement dat de eigenaar en de thuisclub maar al te graag zouden boeken. Het was natuurlijk op deze trein dat Belgische voetbalbonzen, clubs en overheden wilden springen. De nieuwgebouwde stadions fungeerden niet alleen als thuisbasis voor een voetbalclub en als locatie voor grote en kleine events. De investeringen werden en worden ook op een andere manier afgeschreven. Zo wist Frankrijk de organisatie van het WK vrouwenvoetbal voor 2019 en het WK rugby 2023 binnen te halen. De nieuwe voetbalinfrastructuur hielp daarbij uiteraard en kon op deze manier extra renderen. Iets vergelijkbaars gebeurde eerder al in Duitsland. Na het WK van 2006 ontvingen de oosterburen in hun nieuwe infrastructuur ook andere internationale toernooien. Volgens voorstanders van toernooikandidaturen heeft de komst van zo’n evenement ook een niet gering effect op het professionalisme dat federatie en clubs vanaf dat moment aan de dag moeten leggen. De UEFA en FIFA leggen de lat bijzonder hoog met hun eisen qua veiligheid, comfort en alle andere denkbare aspecten van een toernooi. Zo zou UEFA in geval van een Brusselse deelname aan EURO 2020 een 42-koppig team hebben afgevaardigd om onder meer de ticketing en het verlenen van accreditaties aan media en andere gasten te regelen. In landen als Frankrijk en Duitsland werden lokale voetbalorganisaties op een professionelere leest geschoeid, er werd gewoon meer kennis opgebouwd in het voetbal in het hele land en meer jongeren meldden zich aan als voetballers. Maar de opmars van nieuwe voetbalstadions bij een hele rits profclubs stond deels ook los van de grote toernooien. Steeds meer clubs zagen in dat de toeschouwersaantallen in de stadions de laatste decennia bepaald niet afkalfden, ook al konden steeds meer mensen via de media de matchen perfect volgen, een ontwikkeling die eind vorige eeuw nog volop werd verwacht en gevreesd. De massa’s supporters blijven toestromen naar de stadions waar het betere voetbal te beleven is, met als gevolg dat veel oudere stadions qua capaciteit ruim tekortschieten om dat potentieel aan inkomsten te benutten. Verleden: gemiste treinen en de sneltreinvaart  23


De beste zitjes brengen het meest op Dat is niet eens in de eerste plaats een kwestie van kwantiteit, het gaat minstens zoveel om kwaliteit. De business-seats, loges, lounges en andere vipfaciliteiten waarmee bedrijven hun gasten in voetbalstadions steeds meer wilden verwennen, werden een zeer gulle geldkoe voor de clubs. Deskundigen zijn het erover eens dat de helft van de inkomsten van een club verband houdt met hun stadion. De clubs met stadions die een dergelijk potentieel maximaal benutten, worden rijker en sterker en bouwen een concurrentievoordeel op tegenover de clubs die hier niet over beschikken. Vroeg of laat vertaalt dat financieel voordeel zich natuurlijk in een sportief voordeel, want de clubs kunnen zich duurdere en in principe betere spelers veroorloven. De sportieve voorsprong gaat zich vertalen in betere inkomsten, via Champions League, tv-rechten en nog meer publieke belangstelling. Zo krijgt de club mét modern stadion een opwaartse spiraal van voordelen en troeven op gang, tegenover de clubs zonder die infrastructuur. Een goed vergelijkingspunt is wat de Zwitserse clubs hebben weten op te bouwen na hun grote stadionvernieuwingen begin deze eeuw en de manier waarop de Belgische clubs het zonder die motor in hun ontwikkeling moesten stellen. Het is voor een Europees land niet onbelangrijk dat het zich onder de vijf grote landen nog in de Europese top tien kan handhaven. Zo kan het meer en betere kwalificaties en kwalificatiekansen in de Europese liga’s versieren dan wanneer het lager gequoteerd staat. Dat wordt des te moeilijker als een nationale competitie moet concurreren met ‘stadionrijke’ landen zoals Nederland, Portugal, Zwitserland, Polen, om maar deze landen te noemen. Kortom, er waren heel wat motieven om in ons land werk te maken van de bouw van nieuwe stadions voor profclubs. Toch liep het de voorbije jaren fout, op een kleine uitzondering links en rechts na. België heeft nog altijd haast geen nieuwe, moderne en grotere stadions. Wat gebeurde er?

24 Dossier stadion


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook