Nellie ďœŚCezar ďœŚ Cezar
De D e vier seizoenen Ingrid Godon Bette Westera
Winter ‘Kijk Cezar, het heeft vannacht gesneeuwd. Ik wil naar buiten. Dan gaan we met ons sleetje naar de heuvel in het bos.’ Het hele bos is wit, de sneeuw komt bijna tot hun kuiten. Waar is het pad gebleven? Nellie laat het sleetje los. Ze zijn al bij de heuvel en de slee glijdt naar beneden, tot bij een grote eikenboom. Daar botst hij tegenaan. De slee is in z’n eentje van de heuvel af gegleden! Cezar gaat zitten in de sneeuw en glijdt erachteraan. ‘Is dat niet koud?’ roept Nellie uit. Cezar lacht: ‘Wel een beetje. Probeer het maar, het is haast even leuk als op een sleetje!’
Ze sleeën wel een uur, soms op de slee, soms op hun billen. Dan hollen ze naar huis. Daar brandt de kachel, dat is fijn. ‘Ik ben weer warm’, zegt Nellie. ‘Weet je wat ik wel zou willen? Een sneeuwpop maken. Zouden er nog winterwortels zijn? Die heb ik nodig voor zijn neus. Cezar, je moet me helpen. Het rollen van zo’n grote bal is echt ontzettend zwaar.’ De ogen zijn kastanjes en de knopen worden schelpen. Nu nog een bezem en een hoed, dan is de sneeuwpop klaar. Wat is ie groot geworden! Groter nog dan Fons misschien. Cezar wil hem meteen aan al hun vriendjes laten zien. ‘Ik denk dat bijna niemand nog zo laat naar buiten mag’, zegt Nellie. ‘Maar dat geeft niet, morgen is er weer een dag.’
Maar ’s morgens ligt er in het gras alleen een zielig hoopje gesmolten sneeuw. Daarbovenop een natte wortelneus, een hoge hoed, een bezem en zo hier en daar een knoopje. ‘Het was de mooiste sneeuwman van het bos,’ zegt Nellie, ‘heus!’ ‘Niet huilen, Nellie’, zegt Cezar. ‘Het is vannacht gaan dooien. We wachten wel op nieuwe sneeuw en maken weer zo’n mooie!’
Lente ‘Ik zie een tulp!’ roept Nellie. ‘Hoi, de lente is gekomen! Een rode tulp, een gele tulp, een krokus, een narcis… Er zitten ook weer mooie, groene blaadjes aan de bomen, een heleboel! Nu weet ik zeker dat het lente is, nu wil ik lentedingen doen!’ ‘Kamperen!’ roept Cezar. ‘Al is dat vast nog wel wat koud in deze tijd van ’t jaar…’ Hij haalt een tentje uit de schuur. Een tentje met een rits. ‘Ja, leuk!’ roept Nellie. ‘Zet maar op. De nachten zijn nog fris, maar dat is niet zo erg, we trekken dikke pyjama’s aan en nemen onze dekens mee. Dan zal het heus wel gaan. Ik haal alvast de kussens en de dekens van het bed.’