Skip to main content

9789401452922

Page 1

Dichters op reis Moderne Nederlandstalige poĂŤzie over het buitenland


Lage Landen Studies Lage Landen Studies is de reeks van de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek. In deze serie verschijnen monografieën en thematische bundels die het resultaat zijn van zowel individuele studies als van samenwerkingen tussen wetenschappers werkzaam op het gebied van de neerlandistiek. De reeks bevordert internationaal onderzoek naar de taal, literatuur en cultuur van de Lage Landen. Laatst verschenen: LLS 8

Minoes, Minnie, Minu en andere katse streken. De internationale receptie van Annie M.G. Schmidts Minoes Jan Van Coillie & Irena Barbara Kalla (red.) ISBN 978 94 014 4493 4

LLS 9

Denken over poëzie en vertalen. De dichter Cees Nooteboom in vertaling Désirée Schyns & Philippe Noble (red.) ISBN 978 94 014 5245 8

LLS 10

Tussen twee stoelen, tussen twee vuren. Nederlandse literatuur op weg naar de buitenlandse lezer Lut Missinne & Jaap Grave (red.) ISBN 978 94 014 5211 3

LLS 11

Dichters op reis. Moderne Nederlandstalige poëzie over het buitenland Irena Barbara Kalla & Dirk de Geest (red.) ISBN 978 94 014 5292 2

Centrale redactie Annika Johansson, Universiteit Stockholm, Zweden Irena Barbara Kalla (voorzitter), Uniwersytet Wrocławski, Polen Lut Missinne, Westfälische Wilhelms-Universität, Duitsland Franco Paris, Università degli Studi di Napoli “l’Orientale”, Italië Olf Praamstra, Universiteit Leiden, Nederland Alfred Schaffer, Universiteit Stellenbosch, Zuid-Afrika Internationale Vereniging voor Neerlandistiek Universiteit Utrecht Trans 10 / kamer 2.37 3512 JK Utrecht Nederland bureau@ivn.nu


Dichters op reis Moderne Nederlandstalige poĂŤzie over het buitenland Irena Barbara Kalla & Dirk de Geest (red.)

Lage Landen Studies 11


Inhoud Vertrekkensklaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . IRENA BARBARA KALLA & DIRK DE GEEST

3

Metamorfosen: beeld en woord over Berlijn . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . JAAP GRAVE

17

Menno Wigman in Berlijn: autofictie in poëzie?. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . RALF GRÜTTEMEIER

33

‘een of ander Oostenrijk’ . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Oostenrijk in de Nederlandstalige poëzie, een geval van januskoppigheid CARL DE STRYCKER

47

Ver weg dicht bij huis . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Dwalen in Praag ALBERT GIELEN

63

Reisgids voor Arcadië. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . De Franse gedichten van Hedwig Speliers PETER THEUNYNCK

85

Dichters onder de Italiaanse zon. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 101 JOHAN REIJMERINK Het koninkrijk van dit Extremadura in de gedichten van Sacha Blé. . . . . 123 MARÍA JOSÉ CALVO GONZÁLEZ ‘Hetzelfde // is anders’ . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 139 Universalia in Hester Knibbes gedichten over Griekenland BRAM LAMBRECHT ‘Reizen’ naar Indonesië in Nederlandse gedichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 157 IDA MURSIDAH 1


I NHOUD

Reizen met Awater . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 175 YVES T’SJOEN & CARL DE STRYCKER Over de auteurs . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 189

2


V ERTREKKENSKLAAR Irena Barbara Kalla & Dirk de Geest (Wroclaw – Leuven, heen en terug)

Reisliteratuur is de jongste decennia niet alleen big business geworden in de boekenverkoop, het is ook een van de meest intrigerende genres om de functie en de werking van literatuur in onze (laat)moderne tijd te onderzoeken. Belangrijke kwesties die daarbij aan de orde komen, zijn onder meer de relatie tussen informatie en verhaal, tussen feit en fictie, tussen amusement en lering. Literairwetenschappelijk gaat het daarbij lang niet enkel meer om studies van bepaalde teksten of oeuvres, maar om een heuse bloei van interdisciplinaire Tourism Studies. Ook in het Nederlandse taalgebied is de belangstelling voor reportages en reisverhalen de jongste jaren aanmerkelijk toegenomen. In die zin mag het toch wel verwonderlijk heten dat aan reisgedichten nauwelijks enige aandacht is geschonken. Ook internationaal betreft het een corpus dat stiefmoederlijk is behandeld. Tijdens het IVN-congres in Leiden lanceerden wij daarom het voorstel om een bundel samen te stellen met essays rond actuele Nederlandstalige dichters over buitenlanden. Bij die eerste verkenning van een veelzijdig genre opteerden wij doelbewust voor een brede benadering – zonder veel theoretische dwang of een vooraf nauwlettend afgebakend corpus –, maar tegelijk wel voor een coherent perspectief. Het moest gaan om poëzie waarin dat ‘buitenland’ een expliciete rol speelt, meer dan een louter occasionele verwijzing dus. Het ligt voor de hand om daarbij te denken aan gedichten met een soort van ‘toeristisch’ karakter, geschreven tijdens of naar aanleiding van een bezoek. Verzen die bepaalde toeristische trekpleisters of belangrijke historische en geografische mijlpalen oproepen, zijn vanzelfsprekend uitgelezen voorbeelden, maar er kan evenzeer sprake zijn van gedichten die ontmoetingen met mensen beschrijven, die expliciet verwijzen naar kunstenaars of schrijvers, die poëtisch reflecteren op monumenten of bepaalde historische gebeurtenissen. Geografisch mikten wij op een aantal Europese staten, maar ook andere ruimten konden aan bod komen, zeker landen die historisch verbonden waren en blijven met Nederland en België. Hoe dan ook wilden wij dit verkennende boek bewust niet beperken tot uitsluitend gecanoniseerde 3


I RE N A B ARBARA K ALLA & D I RK

DE

G E ES T

dichters en overbekende gedichten. Ook in dit opzicht hebben wij gestreefd naar een stimulerende mix van gevestigde namen en nieuwe of minder bekende geluiden. Op die manier hopen wij aandacht te vragen voor dichters die minder in de kijker lopen maar toch een boeiend oeuvre hebben gerealiseerd. Tegelijk hangt deze verzameling essays daardoor een gevarieerd maar samenhangend beeld op van de actuele Nederlandse literatuur. Tot slot is er de kwestie van de temporele afbakening. Dit boek legt de klemtoon op de hedendaagse periode door (vrijwel) uitsluitend gedichten te presenteren die na 1989 werden gepubliceerd. De val van de Berlijnse Muur beschouwen wij als een historische cesuur, ook al door de daaruit voortgekomen hertekening van de Europese kaart. De actuele geografische opdeling van Europa in staten en regio’s als basisindeling van deze bundel wordt echter meermaals gecompenseerd door de bewust ‘internationale’ belangstelling van heel wat dichters. Voor hen zijn ‘internationale’ (Europese of zelfs mondiale) perspectieven niet strijdig met een ‘nationaal’ of zelfs een ‘lokaal’ perspectief. Het plaatselijke opent niet enkel de ogen voor geheel particuliere decors, monumenten en gebruiken. Vaak biedt het een spiegel op wat elders gebeurt. In dit opzicht is het boeiend om na te gaan hoe een soort van ‘retoriek van het regionale’ tot stand wordt gebracht, met topoi en formules die als het ware zo concreet mogelijk worden ingevuld maar die tegelijk zoveel mogelijk herkenbaar gemaakt worden voor buitenstaanders.

Eenheid in verscheidenheid Het opgeroepen beeld mag dan wel verschillend zijn, dat neemt niet weg dat enkele aspecten in (vrijwel) alle bijdragen aan bod komen. Die hebben deels betrekking op poëticale kwesties, deels op historische omstandigheden, deels op methodologische aanzetten. Wij vermelden ze hier kort bij wijze van eerste smaakmaker. In de eerste plaats lijkt het aannemelijk dat er een zeker verband bestaat tussen enerzijds de keuze en de uitwerking van bepaalde ‘buitenlandse’ gedichten en anderzijds de literatuuropvatting van een auteur en de literaire constellatie en traditie waarbinnen hij of zij werkzaam is. Een bepaalde geografische ruimte (een plaats, een monument, een kunstwerk) kan bij verschillende dichters leiden tot sterk uiteenlopende interpretaties en gevoelens. Zo een confrontatie kan ons veel leren over de specifieke invalshoek van dichters, maar ook over de relatieve onbestemdheid of de meerduidigheid van locaties en gebeurtenissen. Belangrijk is daarbij zeker het postuur van de dichter in kwestie, de wijze waarop een dichter zichzelf aanwezig stelt in zijn poëzie en in de communicatie daarover. Het dichterlijke ik is vaak expliciet aanwezig in wat wordt opgeroepen, maar niet altijd treedt het daarbij even sterk op de voorgrond. Ziet of ‘gedraagt’ het dichter4


V ERTREKKEN SKLAAR

lijke ik zich bijvoorbeeld allereerst als een toerist, een buitenlander, iemand die als vreemde in een andere wereld terugkomt? Wil hij die wereld begrijpen of volstaat het niet-begrijpen (zoals bijvoorbeeld in een postmodern perspectief nogal eens het geval is)? Leidt dat misschien tot een vertekening of een vervorming, waarbij het ‘andere’ als het ware vertaald wordt in het ‘bekende’ en het ‘eigene’? Een boeiende uiting hiervan vormen uiteraard de talrijke stereotypen rond een land, rond bepaalde landschappen, rond mensen, een cultuur en een geschiedenis. Een volstrekt andere houding is daarentegen die van de ‘antropoloog’, die zoveel mogelijk als neutrale waarnemer optreedt of tot een soort van diepe inleving tracht te komen in het andere. Soms bewaart het dichterlijke ik een zekere afstand, beperkt het zich tot een quasiwetenschappelijke observerende dan wel analytische blik. Omgekeerd komt het evenzeer voor dat het lyrische ik zoveel mogelijk wil samensmelten met dat ‘andere’, zich de cultuur en de (beelden)taal eigen maakt (en zijn oorspronkelijke identiteit zelfs gedeeltelijk lijkt te vergeten). In plaats van een toeristische brochure of een historisch verhaal komt dan een zo rechtstreeks mogelijke getuigenis, misschien zelf via de mond van een personage en diens oorspronkelijke taal. Tussen die uitersten zijn er uiteraard allerlei schakeringen en combinaties mogelijk. In de praktijk stellen wij inderdaad vast dat dichters op sterk uiteenlopende manieren omgaan met het materiaal dat de buitenlandse ervaring hun aanbiedt. Sommigen opteren voor herkenbare realia, maar zelfs dan kunnen die verzamelde indrukken erg verschillen. De toeristische blik concentreert zich vooral op het pittoreske en exotische detail, de antropologische blik gaat veeleer op zoek naar het eigene van een exotische samenleving, de historische blik richt zich op de sporen van het verleden in het landschap. Dit zijn uiteraard niet alle manieren om naar ‘een buitenland’ te kijken. Daarbij reikt het oog van de dichter dieper en ziet meer dan andere toeristen, wat in de gedichten meermaals expliciet wordt uitgedrukt. De zintuigelijke indrukken zijn vaak een aanleiding tot reflecties over het eigen perspectief ten opzichte van dat van andere toeristen, over de eigen (dichterlijke) identiteit in relatie met het andere en de ander en over het eigen verleden.

Bestemming Midden-Europa: de reis naar het verleden en andere confrontaties onderweg Om dat complexe beeld van de reiziger te illustreren kijken wij kort naar enkele gedichten waarin de regio van Midden-Europa, en met name Polen, aan bod komt. Een van de steeds terugkerende thema’s in de Nederlandstalige gedichten over Polen is niet verwonderlijk de turbulente geschiedenis van het land. In veel gedichten over Polen, en zeker in teksten die voor de val van de Muur werden geschreven, 5


I RE N A B ARBARA K ALLA & D I RK

DE

G E ES T

is de traumatische Tweede Wereldoorlog een constante. Tot bij de jongste generatie vormt de confrontatie met de concentratiekampen en de verwoeste getto’s een nauwelijks te vatten realiteit. Een recent voorbeeld van die historische fascinatie, gekoppeld aan de manier waarop de samenleving achteraf met die inzichten omgaat, vormt de tweedelige reeks ‘Ergens in Polen’ uit de jongste bundel van Charles Ducal (De buitendeur, 2014). Het eerste gedicht heet ‘Zomer 1941’, het tweede gedicht draagt de titel ‘Zomer 2011’. De dichter projecteert zo als het ware twee tijdlagen op dezelfde, niet nader geconcretiseerde ruimte (‘ergens in Polen’). Enkel de kat die de beide gedichten met elkaar verbindt, lijkt tijdloos, net als de herinnering aan mensen die in de Tweede Wereldoorlog omgekomen zijn. Zoals vaak bij Ducal wordt die actualisering van het verleden nauw verbonden met het geloof in de kracht van de poëzie: Zomer 2011 Onder de linde op de ligstoel slaapt de kat op een zomerjurk, lang uit de tijd. Het ratelt op het spoor, maar zonder trein. Iedereen opgestapt, naar een of ander doel. In het café staan glazen nog halfvol getapt, hoeden wandelen in de lucht over het plein op zo’n vertrouwde hoogte dat ze er nog zijn, en toch weer niet. Begrijp je dat? Een schroothandel rijdt door de lege straat met in zijn laadbak kachels, wastrommels en radio’s waaruit muziek, geklots en vlammen slaan. Ook een rol prikkeldraad, gloednieuw. Voor hen die niet kunnen volgen is er een winkeltje met ansichten en poëzie. Spoel daar je ogen. Misschien dat je dan ziet. De mensen die hier woonden zijn verzwolgen. Maar verdwijnen kunnen ze niet. (Ducal, 2014, p. 62)

Interessant is wel hoe het ik zich hier positioneert buiten de doordeweekse toeristen, die ‘niet kunnen volgen’. Hij ziet het winkeltje met poëzie wel en hij weet dat poëzie helpt om buiten de tegenwoordige tijd heen te kunnen kijken. Het illustreert treffend de dubbele (om niet te zeggen, dubbelzinnige) positie van de dichter: hij maakt deel uit van de gemeenschap en de mensheid, maar tegelijk moet hij 6


V ERTREKKEN SKLAAR

zich daarvan losmaken om de werkelijkheid te kunnen doorgronden en poëtisch overbrengen. Dat geldt ook voor Michel Bartosik, die in zijn bundel Sunt lacrimae (1990) op zoek gaat naar zijn familiale wortels. In het gedicht ‘Ostrów Tumski’ gaat het bijvoorbeeld om het Kathedraaleiland in Wrocław. De Kathedraal en de kleine Mariakapel corresponderen met de ik-figuur en zijn zoon, met wie hij over het eiland wandelt, maar ook met het kind dat hij zelf ooit geweest is, want plots waant het ik zich zo klein als zijn zoon. De houding van het lyrische ik (hij heeft geen verwachtingen) en de omgeving maken deze ervaring des te intenser: […] ik zocht niets, gestorven tramsporen bloeiden gewillig uit in distels en dagdagelijks gras, kasseialleeën omarmden beschaduwd gedachteloos een kathedraal die samenhield met een mariale kapel […] (Bartosik, 2013, p. 192)

Het ik stelt zich hier duidelijk op als een toerist met een open houding. Hij zoekt niet naar de loutere bevestiging van een tevoren al gevormd beeld van het land dat hij bezoekt. En toch, wat hij registreert in zijn gedicht spreekt deze bewering eigenlijk tegen. Hij ziet distels in doodlopende tramsporen en heeft geen bewonderend oog voor de monumenten, reflecteert niet op bijvoorbeeld de rijke geschiedenis van het Kathedraaleiland. Het gedicht is, met andere woorden, geen gids door Ostrów Tumski. Het bezoek aan het Kathedraaleiland resulteert vooral in de intense confrontatie met het eigen verleden en met het verlies van het geloof. Die spanning tussen het lyrische ik en de geografische omgeving is een wel vaker voorkomend verschijnsel in poëtische teksten over Midden-Europa. De toenmalige, als ouderwets, vervallen en veelal ook als achterlijk gestereotypeerde ‘Oostbloklanden’ lijken bij uitstek geschikt voor dergelijke confrontaties bij dichterstoeristen uit het Westen, want de maatschappij en het landschap daar lijken nog sprekend op hun eigen, verloren gegane kindertijd. Dat observeren wij bijvoorbeeld in het volgende gedicht van Joris Denoo over Hongarije, ‘dood van vijftigers’: Het was mijn Hongarije, lijdensweg en fuik. En wat ze verborgen hield voor de dichter en dromer in mij: een Fransman die zerken kapte, een koppel overlevende joden, twee vrouwen aan de drank, een hoedenmaakster en een hoer, een blinde, een mager dood meisje in een sportwagen. 7


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401452922 by Uitgeverij Lannoo - Issuu