Skip to main content

9789401452915

Page 1

Ik heb altijd

mijn eigen koers gereden


Gianni Wespelaer Ik heb altijd

mijn eigen koers Biografie van een onverbeterlijke coureur

gereden


www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Omslagbeeld | Sassafras De Bruyn Omslagontwerp | Studio Lannoo Zetwerk | Banananas.net Elke gelijkenis met bestaande gebeurtenissen en/of personen berust op louter toeval. Als u opmerkingen of vragen heeft, dan kunt u contact nemen met onze redactie: redactielifestyle@lannoo.com D/2018/45/229 – NUR 480-491 ISBN: 978 94 014 5291 5 Š Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2018 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


Inhoud

Voorwoord 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19

Mijn jeugdjaren Mijn eerste klassieker Mijn eerste herinnering Wanneer ik renner werd Innerlijke tweespalt aangaande Marco Pantani Mijn eerste keer Ten behoeve van de lezers die later inschakelen Waar het misliep tussen Parijs-Roubaix en mezelf Berichten uit een ander universum Het middelpunt zijnde ikzelf Enkele misverstanden uit de weg geruimd De Tour die Lance eerst niet won, dan wel en uiteindelijk niet Wat betreft de urgentie van wielerjournalisten In de geest van de kopman De filosoof van het peloton Podium in de Tour met maar één bloedzak Ach, doping Niño de Bugno Een kleine geschiedenis van (niet alleen) Operación Puerto

5


20 San Davide di San Bonifacio 21 Renner worden, de droom 22 Mijn vriend, Riccardo 23 Don’t mention the jaren negentig 24 OkÊ, het is al goed: de geruchten kloppen (en kloppen niet) 25 Ha, Tour 26 Verloederd tot waterdrager 27 Tourdagboek 28 Mijn renaissance 29 Aanvullingen en correcties 30 Een jaar, twee gezichten 31 Open brief 32 Vogelvrij 33 Vogelvrij (2) 34 Een verloren jaar 35 Ode aan de twijfel 36 De Giro uit mijn dromen 37 De beste renner van mijn tijd 38 Tussen lijden en zweven 39 Het afscheidsinterview 40 En dan nog dit Epiloog Palmares

6


Voorwoord

Ik hoor eigenlijk te zeggen dat u hier de feiten en niets dan de feiten zult lezen. Of ambitieuzer nog: dat u een unieke inkijk krijgt in het onzichtbare universum achter deze feiten – in eender welk ander geval verboden terrein voor u, wielerliefhebber. Niets van dat. Wat u mag verwachten is een mogelijkheid aan feiten, noem het alternative facts, mocht u dat opwinden. Ik hoef u de spelregels van deze biografie niet uit te leggen. Ze zijn die van een wielerwedstrijd. U leest. Ik dicteer. U volgt slaafs. Ik besteed uw tijd. U roept, jouwt, fluit, klapt, verdenkt. Ik hoor u niet. Ik blaas mijn zeepbel, u de uwe. Maar we vermaken ons naar beste vermogen, ondanks onze soms onverenigbare belangen. Ja, ook dat is koers. Het is u wellicht opgevallen dat ik het voorwoord van mijn eigen autobiografie schrijf. Zoiets besteed je normaliter uit aan een persoon met autoriteit, die dan meteen de toon zet met een al dan niet krankzinnige interpretatie en u daarmee ook meteen op een vals spoor zet. Ik heb niets liever dan dat u de eerste letters van deze autobiografie onbevangen aanvat zonder dat u al te lezen krijgt wat u ervan moet denken. U kunt zelf denken. Overigens stelt me dat in de gelegenheid het voorwoord te laten samenvallen met het dankwoord. Dat scheelt een hoop overbodigs.

7


Ik heb niemand te bedanken. Waarom ik dit doe, vraagt u zich dan misschien af? Ben ik zo vol van mezelf dat ik een heel boek aan mezelf wijd? Dat is het niet, dat kan ik nu toevallig van mezelf wel zeggen. Heb ik met mezelf of met een ander in het reine te komen? Zo zou ik het niet formuleren. Is het soms uit geldingsdrang? Dat het in uw hoofd opkomt dat te insinueren! Doe ik het uit onbaatzuchtigheid om u inzicht te verschaffen in de duistere wereld die u van kindsbeen af al doet dromen? Klinkt niet slecht. Of als eerbetoon aan al mijn fans? Misschien wat te klef. Doe ik het voor het geld, is het dat? Uiteraard, maar dat hoort u me hier niet erkennen. Hoe dan ook, er zijn renners die hier schijnbaar zo mee worstelen dat ze het niet bij één autobiografie houden. Waar sommigen openheid verschaffen, of op zijn minst de schijn ophouden, zijn er anderen die suggereren dat de wielerwereld een sprookje is met zichzelf als goddelijke middelpunt. Alleen de idiootste wielerfans – het zijn er ondanks alles niet weinig – zullen denken dat ook ik hier even het achterste van mijn tong zal laten zien. Mooi niet. Of toch? Zijn al die autobiografieën trouwens niet gestoeld op een monsterlijke contradictie? Een verhaal dat in 200 à 300 bladzijden zowat het hele leven van deze of gene sterveling tracht te behelzen? En dat allemaal voor het nageslacht? Als renner, als ingewijde, zelfs als wielerjournalist weet je wat voor baarlijke nonsens telkens opnieuw verkondigd wordt in naam van de onsterfelijkheid. Het menselijk geheugen is bovendien altijd al een toonbeeld van selectiviteit geweest – voor wielrenners geen nieuws – dus een honderd procent eerlijke autobiografie pretenderen te schrijven is bij voorbaat bedrog.

8


Zoals ik al zei, een autobiografie is dus als wielrennen: het maakt niet uit of het echt is, belangrijker is dat het zo lijkt. Zolang u als lezer niet struikelt over onwaarheden zo manifest dat zelfs een wielerliefhebber ze zou detecteren, zult u mij geloven. Er rest u ook weinig keus. Wat ik schrijf is te nemen of te laten. Ik heb altijd mijn eigen koers gereden, dat zult u nooit kunnen ontkennen, ook al zult u moord en brand schreeuwen over wat u hierna te lezen krijgt. Daarom is het des te essentiëler om een gevoel van authenticiteit te scheppen, alsof wat ik hier schrijf voor mezelf en niemand anders bedoeld is, en om de indruk te wekken dat u een document zo intiem als een dagboek in handen heeft, waarin u als bevoorrecht persoon kunt snuffelen. En dat u bevoorrecht bent, zal u snel duidelijk worden, wees gerust. O ja, ik vergeet het haast. Het is misschien een detail, maar laat ik me toch even voorstellen. Noem me voor het gemak ­Gianni Wespelaer. Naar mijn grote held van weleer Gianni Bugno, de wereldkampioen van 1991 en 1992, gesel van Johan Museeuw in de Ronde van Vlaanderen van 1994, winnaar van de Giro d’Italia en Milaan-San Remo. De meeste wielerliefhebbers zijn op de hoogte van mijn werkelijke identiteit. Het gaat alleen niet over mij, maar om mijn verhaal. In dat verhaal heb ik altijd mijn eigen koers gereden.

9


1 Mijn jeugdjaren

Mijn jeugd zou geheel anders zijn verlopen als ik in mijn vroege tienerjaren geweten had dat ik ze ooit op papier zou zetten. Ik zou van huis zijn weggelopen, in gesloten instellingen zijn beland, het residu van de maatschappij hebben gevormd, wat mijn woede alleen maar zou doen toenemen, ik zou door dom toeval zijn gaan fietsen, waarschijnlijk een oom die me eens heeft meegenomen tijdens een tochtje, ik zou hebben ontdekt dat fietsen een manier is om opgekropte razernij te kanaliseren, en het vervolg leest u even verderop. Ik zou als kind zwaar ziek zijn geworden, de dood in de ogen hebben gekeken, maar in plaats van een anonieme dood te sterven zou ik het door stom geluk, dat men graag verwart met heldhaftigheid, hebben overleefd en zou men mij verdiensten hebben toegeschreven die niet de mijne zijn. Van misplaatste heroïek naar wielrennen is het slechts één stap en ook het vervolg hierop leest u even verderop. Helaas niets van dat alles. Lang heb ik geaarzeld om mijn jeugdjaren te beschrijven. Ik was niet meer dan die gewone jongen die alleen door zijn moeder als hoogst uniek werd beschouwd – al zag ik haar ook soms twijfelen. Zou ik net als al mijn collega-wielrenners-autobiografieënschrijvers die bescheiden komaf beschrijven? Zou ik in elk

11


nietig voorval een causaliteit ontwaren? Aan de hand van algemene en volstrekt willekeurige karaktereigenschappen die met de blik van nu profetisch blijken, bewijzen dat het geen toeval is dat ik renner werd? Wat vaststaat: ik zag het levenslicht op 15 oktober 1980 te Kontich – een gebeurtenis die mijn leven mogelijk maakte, vervolgens leerde ik eten, kruipen, praten, lopen en fietsen (ik kan me moeilijk voor de geest halen of het exact die volgorde was). Het fietsen werd almaar fanatieker, zodanig dat ik niet langer de schroom voelde dit wielrennen te noemen. Het wielrennen had mijn verbeeldingskracht danig aangetast. Vluchtheuvels werden Alpencols. Scheefliggende straatstenen met aan weerszijden een incidentele boom het Bos van Wallers. Een zigzaggend omaatje met twee overvolle boodschappentassen aan het stuur voorbijsnellen was een onhoudbare demarrage in het zicht van de vaste camera’s. Enkele kilometers in het wiel van een bejaarde wielertoerist hangen en achter diens rug wegsprinten om, net voordat het licht op oranje zou springen, de straat over te steken heette tactisch meesterschap. En ieder verkeersbord zorgde uiteraard voor een tussensprint. De festiviteiten braken pas echt los toen ik vanaf mijn twaalfde dagelijks naar buurdorp Hove mocht fietsen, waar ik de komende zes jaar naar school ging. Ik beconcurreerde de wielerhelden van die tijd afhankelijk van de periode van het jaar. In het voorjaar bokste ik op tegen Johan Museeuw en Edwig Van Hooydonck. Meestal won ik. Die laatste klopte me weleens, omdat ik onderweg een licht hellende kasseistrook moest overwinnen die me enigszins deed denken aan de Bosberg, ook toen hij, zo dacht ik, destijds een schim was van zichzelf. Dat hij dat helemaal niet was, maar als een van de weinigen níét in

12


de ketel met toverdrank sprong, moest ik nog leren, ofschoon het wielrennen nooit zekerheid duldt, ook dat zou ik nog leren. Mijn imitatiedrang ging zover dat ik in 1994 een week lang op een damesfiets naar school reed. En inderdaad, Museeuw had gelijk, ik kwam geen poot vooruit. Rond Luik-Bastenaken-Luik zag ik alleen Italianen, Evgeni Berzin of Dirk De Wolf om me heen. En tijdens de Ronde van Italië smeedde ik met Claudio Chiappucci en Gianni Bugno complotten tegen Miguel Indurain, die er in 1992 en 1993 in slaagde de Giro te winnen en drie weken later te starten in de Tour, om die ook te winnen. Willekeurige dingen die spannender waren dan de Touredities die Indurain won: de eerste 250 kilometer van Milaan-San Remo in slow motion. Dat het wielrennen Indurain overleefde, bewijst de weerbaarheid ervan. Deze sport overleeft elke crisis. Ik zei het toen al. U moet dat maar geloven. Als primaire bron kan ik bevestigen dat het klopt. Zijn werkwijze was eenvoudig. In individuele tijdritten pakte hij minuten en in de bergen sleurde hij zijn 1,88 meter en 80 kilogram naar boven op het tempo van de dartelste klimmers. Hij nam mij – zo oordeelde ik – mijn jeugd af. En wat ik gelukkig toen nog niet wist, is dat het buitengewoon bloeiende tijden voor de geneeskunde in Italië waren en dat Indurain een stille, maar hondstrouwe sympathisant was. Ik heb Indurain nooit kunnen vergeven. Niet omdat zijn hematocrietwaarde sneller dan ik kon tellen van 32 naar 64 schoot, maar omdat hij in ruil voor deze gave er niks mee deed.1 Zijn verantwoording volgde toen hij zijn – wat ik toen nog niet wist – laatste Tour won: ‘Je kunt de mensen blij maken met Behoudens vijfmaal de Tour winnen, wat op zich wel een voetnoot waard is.

1

13


een mooi spektakel, je kunt een fantastisch mooie etappe rijden, je kunt de prachtigste dingen op de fiets laten zien, maar wanneer je ’s avonds alleen bent, zeg je tegen jezelf: wat heb ik uiteindelijk gepresteerd? Je hebt geklommen, dus moet je ook weer dalen.’ Het mocht allerminst op mijn begrip rekenen, misschien omdat ik niet meteen steil achteroversloeg van zijn poging tot filosofisch vertoog, misschien omdat ik doorzag dat dit het werk was van de fantasie van een wielerjournalist (als Indurain twee zinnen na elkaar zei, was het omdat hij zich versprak), of misschien omdat ik wielrennen destijds verwarde met spektakel en ik me dit zonder woorden liet vertellen door Big Mig (het is binnen de sportjournalistiek een trend om uit een soort van vermeende creativiteit te pas en te onpas bijnamen te hanteren, maar voor mij vormt het een eenmalige aanleiding om uit te varen tegen vermoeiende gewoonten, dat kan ik u verzekeren). Hoe hij me ook op de proef stelde, in mijn hoofd bleef ik met hem worstelen. Omdat de Vuelta, een ronde die Indurain overigens nooit won, in die tijd plaatsvond voor de Giro, keerde hij in september terug. Weinig buitenstaanders die het zagen, maar dan reed ik tussen mijn ouderlijk huis en school de Tour, met vertraging. Er valt niet min over te doen. Vier jaar lang (in 1991 zat ik op de lagere school en de hegemonie van Indurain scheen nog niet voor de eeuwigheid, ik was jong en wist niks) bedacht ik de waanzinnigste scenario’s hoe Indurain te kloppen. Pech hoort nu eenmaal bij de wielersport, leerde ik van het wielercommentaar op televisie. En jammer voor hem, maar het noodlot trof Indurain opvallend vaak. Lekke banden, valpartijen, waaiers, een keer werd hij bergop aangereden door een motor en ging hij in zijn drang om te winnen al lopend verder zonder

14


het stuk schroot dat voortijds zijn fiets was. Ja, het vergde zulke mentale krachttoeren om een Belg de Tour te laten winnen dat uiteindelijk Indurain alsnog aan het langste eind trok in mijn geest. Het was onmogelijk hem te ontlopen. Zelfs binnen de schoolmuren niet. Het moet 1994 geweest zijn, ik zat in de derde klas van de middelbare school, toen we voor Frans een opstel dienden te fabriceren over robots. Ik behaalde 9 van de 10 punten, ‘briljant absurd’, ‘waar haal je het toch vandaan’ en ‘ook tamelijk goed geschreven’, luidde het oordeel van mevrouw Prudence, mijn leerkracht Frans destijds, die zich liet ontmaskeren als niet-wielerliefhebber. Ik hield bij het schrijven permanent Indurain in gedachten. Meer niet. U zult me hem hiervoor ook niet horen danken. Ik zie het als een kleine wederdienst voor al dat leed. Het werkelijk wonderbaarlijke, zelfs enigszins fascinerende aan dit hele verhaal is dat ik iedere dag, werkelijk zonder uitzondering, de bus nam naar school. U was onze afspraak mogelijk vergeten, maar ik dien u eraan te herinneren. Een mogelijkheid aan feiten is hetgeen u te wachten staat. U bent manipuleerbaar. Vergeet dat niet. Vergeten zult u het doen. In wielrennen tellen niet de beelden, maar de woorden. Niet de daden, maar de interpretaties. Niet de feiten, maar de sentimenten. U wilt het eens van een ander horen? ‘Er zijn geen feiten, alleen interpretaties’, aldus Friedrich Nietzsche (een wielerliefhebber). De enige zekerheid is twijfel. Hoewel ik dat niet kan bewijzen. Iemand anders. Waarom blijft u toch lezen?

15


U wilt geloven. Desnoods bedrogen worden, hysterisch tekeergaan wanneer dat geloof door omstandigheden waar u geen vat op hebt aan het wankelen wordt gebracht, het bedrog overwinnen, als weleer zorgeloos opgaan in een realiteit die u echt acht, en opnieuw en opnieuw en opnieuw. Gelooft u me niet? Ik kan wel enkele voorbeelden uit de recente wielergeschiedenis aanhalen, desgewenst. Of u wacht natuurlijk op het antwoord op de vraag of ik altijd die gewone jongen ben gebleven die zijn bescheiden afkomst nooit zou verloochenen. Jazeker.

16


2 Mijn eerste klassieker

Ik was pas negen toen ik aan de start stond van mijn eerste klassieker, die ik ook terstond uitreed. Mijn talent bleef echter onopgemerkt. Nu moet een beetje renner moeite doen om zich niet te laten omstuwen door camera’s, maar destijds was het heel gewoon om Lint-Kontich Kazerne-Lint te winnen zonder op alle voorpagina’s te worden geïdentificeerd als de nieuwe Merckx. Andere tijden. Roger heeft gelijk. Met een passage over de IJzermaalberg, de plaatselijke Haute Levée vanwege die gruwelijke uitloper, en de dubbele spoorwegbrug die steiler oogt dan de Berendries op televisie, ooit een begrip op de vierde woensdagmiddag van april in bepaalde voorname delen van Kontich en Lint. Elke gemeente in de nabije omgeving had zo haar eigen klassieker, maar het stelde ons inziens allemaal even weinig voor. Neem nu buurdorp Edegem, waar men zo pretentieus was iedere zomervakantie de Ronde van Frankrijk voor -12-jarigen te organiseren. Ridicuul genoeg zou geen laureaat daar ooit profwielrenner worden. Wist ik dat toen maar. Op mijn tiende en elfde won ik Lint-Kontich Kazerne-Lint en wanneer ik tussen neus en lippen door hieraan ruchtbaarheid gaf, was steevast de eerste en vrijwel altijd ook enige opmerking dat ik nog alles te bewijzen had; men wilde zeggen dat ik

17


eerst de Ronde van Frankrijk voor -12-jarigen moest winnen alvorens spreekrecht te bezitten. Het is in de hoofden van de mensen altijd een hiaat op mijn palmares gebleven, wat ik ook vermocht en wat ik ook poogde in te brengen. Ik kan nu wel opperen dat de jaarlijkse gezinsvakantie in juli viel en mijn deelname in de weg stond. Maar het oogt niet bepaald professioneel en we hadden hiervoor de financiĂŤle middelen niet. Let op, mijn broer en ik kwamen niets tekort, maar reizen deden we nooit. Ja, die bescheiden komaf, die ik vaker moet vermelden. Uiteindelijk bleken we thuis niet armlastig genoeg om me van de fiets te houden. Wat het wel was: ik kende al vroeg mijn toekomst. Waar leeftijdsgenoten bleven hangen bij brandweerman, piloot of gewoon beroemd, zou ik wielrenner worden, niet zomaar wielrenner, maar een renner gespecialiseerd in eendagswedstrijden. Uniek in Vlaanderen. Ik wilde niet de zoveelste zijn die zich verbrandde aan ambities die door anderen waren aangepraat. Dat ik werd uitgescholden voor laffe hond omdat ik nooit aan de start stond van de Ronde van Frankrijk voor -12-jarigen? Het zij zo. Ik wist dat mijn tijd nog zou komen. Of zo lijkt het met terugwerkende kracht althans. Nu zou het me sieren gedempt euforisch te schrijven over die twee zegepralen in Lint-Kontich Kazerne-Lint, te zinspelen op mijn talent en boven alles op mijn niet te temmen wilskracht die zich voor het eerst zichtbaar aan het oppervlak manifesteerde. Ja, zelfs terloops melding te maken van mijn bedremmelde excuses achteraf omdat ik gewonnen had, ten bewijze dat ik altijd al de nederigheid zelve was. Liever keer ik terug naar mijn debuut in Lint-Kontich Kazerne-Lint. Het moet 1990 geweest zijn. Nee, het was dat met stellige zekerheid. Greg LeMond won de Tour met 8 seconden

18


voorsprong op een individu dat ik destijds als ronduit glad kenschetste, al is het aannemelijk dat ik niet over de capaciteiten beschikte om genuanceerder te oordelen dan ‘goed’, ‘slecht’, ‘leuk’ en ‘stom’. Er viel dat jaar een, zo merkte ik scherpzinnig op, niet onbelangrijke muur in Berlijn en op school herdachten we het begin van de Eerste Wereldoorlog, 75 jaar eerder. Vroeger was misschien niet alles beter, maar dat hoefde toen niet gepaard te gaan met een musical. Nu ik er een nachtje over geslapen heb, zie ik dat ik dit niet zonder toelichting kan laten passeren. Misschien denkt u dat hij (ik dus) doelbewust deze grove fout niet corrigeert om u in het ootje te nemen. Mogelijk beticht u me zelfs ervan te spelen met de grenzen van fictie en non-fictie. Te veel eer. Andere opties strekken me dan weer tot minder eer. U kunt twijfelen aan mijn intellect. Dat het niet bij één gebeurtenis uit 1989 blijft, maar dat ik om zogezegd te demonstreren dat mijn herinnering uit 1990 dateert, er welgeteld drie weergeef die vastgeroest zitten in het collectieve geheugen, leidt niet tot twijfel over deze these, maar maakt me alleen des te achterlijker. Als u dit niet plausibel acht, dan zult u me knulligheid verwijten. U weet het wel zeker dat ik het jaartal 1990 in 1989 ben vergeten aan te passen. Wat het ook moge zijn, de kans dat ik zonder deze toelichting het juiste effect bewerkstellig, lijkt me gering. En dat ligt niet aan u, het is er nu eenmaal in gepompt: de Berlijnse Muur viel in 1989, de Eerste Wereldoorlog ving aan in 1914 en Greg LeMond versloeg Laurent Fignon met 8 seconden in de Tour van 1989. Wie iets anders beweert, dwaalt. Maar is dat in wezen het geval? Er is knulligheid in het spel, dat geef ik toe. Ik stond er op mijn negende (of achtste) onvol-

19


doende bij stil dat ik me later zou verliezen in mijmeringen over het toenmalige nu, dat ik op dat moment schijnbare trivialiteiten ooit zou ervaren als dierbare herinneringen. Heb ik twee herinneringen buiten mijn bewustzijn samengevoegd? Stond ik soms viermaal aan de start van Lint-Kontich Kazerne-Lint? Moest het succesrecept geëxploiteerd worden en hield men in een bepaald jaar twee edities? Was ik niet negen, maar acht bij mijn eerste keer? Klopt de geboortedatum op mijn identiteitskaart wel? Heb ik mijn eigen jeugd beleefd? U ziet, als eenmaal de twijfel toeslaat, is er geen houden aan. Wat me als kind te onbelangrijk scheen om er acht op te slaan, zie ik nu graag opgehelderd om mijn anekdotische vertelling feitelijk te situeren, zodat ze u geloofwaardig genoeg oogt. Voor mezelf hoef ik het niet te doen. De herinnering is wat ze is. Het was in het voorjaar van 1990 – ik was negen en de Berlijnse Muur zou dat jaar vallen – dat ik mijn eerste klassieker betwistte. Of moet ik deze herinnering deleten uit mijn geheugen, is die plots waardeloos omdat een pedant feitje er zo over beslist? Maar waartoe ik wil komen. Over mijn debuut in een grote klassieker kan ik zeggen: er werd nog lang over gepraat. Lint-Kontich Kazerne-Lint (1990) (of 1989) 1 Juan Pelota 2 Jan De Winter 3 Bas Ivanovic 7 Gianni Wespelaer

20


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401452915 by Uitgeverij Lannoo - Issuu