De meest eenzame
Kim Crabeels & Sebastiaan Van Doninck
walvis ter wereld
Papa is weer thuis. Van heel lang weggeweest. Ik begraaf mijn neus in zijn trui. Hij ruikt naar ver. Naar zon en avontuur en naar iets zouts. ‘Naar vis’, zouden de buren zeggen, als we die al hadden. ‘Naar zeemeerminnen!’ zou ik hem verdedigen. Papa zou zijn hoofd schudden om zoveel fantasie. Hij zou de hele buurt uitnodigen om bij ons aan het vuur worstjes te roosteren op zijn behouden thuiskomst. Maar hier op het schiereiland hebben we geen buren. Ik was al die tijd alleen.
‘Ik heb je gemist’, fluister ik. ‘Het leven stond hier stil.’ ‘Onzin!’ lacht papa. Zijn schrift is het bewijs. ‘Zo lang was ik weg. En kijk.’ Zijn vinger volgt een lijn. ‘In die tijd werd jij groter, zwaarder én sneller, Lilja.’ Papa knipoogt: ‘De cijfers liegen nooit.’ Maar ze zeggen lang niet alles, denk ik.
Als papa op ontdekking is, ren ik elke ochtend. Snel als het springtij. Van onze vuurtoren naar de halfbevroren oever van de fjord. De kans dat papa’s boot opduikt, wordt groter met de dag. Daarom word ik sneller. Bij de baai maak ik me lang. Ik speur het water af op de toppen van mijn tenen. Daarom groei ik. Meestal zie ik niks. Ik zucht ‘waar blijf je?’ in een schelp. De schelp verdwijnt naar zee en ik slenter terug naar huis. Verdriet dat duurt, weegt door. Daarom word ik zwaarder.
‘Niet zo sip!’ Papa grabbelt in zijn tas. ‘Ik heb iets voor je meegebracht.’ Zelfs zonder te kijken weet ik wat het is. Papa doet niet aan verrassingen, alleen aan zeker weten. Hij meet de zee. Hij weegt het water. Hij telt de vissen, de dieren, de planten en schrijft alles in zijn schrift. Ik krijg een schelp na elke zeereis.
13
‘Niet zomaar een schelp.’ Papa glundert. ‘Het is een wulk. En wat voor één!’ We lachen allebei. Papa om zijn vondst en ik om papa. ‘Weet je, Lilja, een wulk draait steeds rechtsom. Alleen deze draait naar links. En dat maakt hem bijzonder.’ Papa kriebelt door mijn haar. Ik sluit mijn ogen en geniet. Hoe vaak heb ik me zijn stem niet voorgesteld? En nu is die hier, vlak bij mijn tintelende oren.
14
‘Speciaal voor jou’, fluistert papa. Hij sluit mijn vingers om de schelp. ‘Helemaal uit de Stille Zuidzee.’ Ik druk de wulk aan mijn oor. Ik hoor de golven ruisen. En ergens in de verte … Ik druk mijn oor harder tegen de schelp aan. Met mijn vrije hand houd ik tegelijk mijn andere oor dicht. Ja, daar is het weer! Een langgerekt, verdrietig huilen. Verbaasd kijk ik op: ‘Maar die zee is helemaal niet stil!’ Papa’s ogen worden groot. Zijn mond vormt een ‘O’. Hij schudt zijn hoofd en lacht: ‘Ik weet veel over vissen. Maar ik krijg kop noch staart aan jou!’ Toch is het eenvoudig wat ik wil.
Als papa thuis is, vult onze vuurtoren zich met schelpen en verhalen. Ons huis lijkt dan nog kleiner. Ik herinner me een avond. Er was soep, verse, niet eens uit een pakje. Papa vertelde me over de heremietkreeft. ‘Zo’n kreeftje hangt niet vast aan een eigen huis. Het kiest gewoon een leegstaand huisje van een ander uit. Een slakkenhuis of een mooie mosselschelp. Waar dat kreeftje op dat moment de meeste zin in heeft. Het is tenslotte toch maar voor een poos. Tot het kreeftje zo is gegroeid dat zijn geleende huis te krap komt te zitten.’ ‘Te krab’, grinnikte ik en ik trok aan papa’s mouw. ‘Wat dan?’ ‘Dan werpt dat kreeftje zijn huis van zich af en gaat op zoek naar iets nieuws.’ ‘Zomaar in zijn blootje?’ ‘Nog bloter dan een naaktslak!’
Ik meet en weeg mijn schelpenverzameling met mijn ogen. Mijn hart maakt een sprongetje. Nog maar een paar schelpen. Een stuk of wat verhalen‌ Dan zit ook ons huis te krap!
De wulk krijgt een plek tussen mijn luipaardkegel uit de Filipijnen, de glanzende Japanse abalone en een grote tritonshoorn die echt toetert. Die grote zijn de blijvers. Die krijgt de zee niet terug. De kleintjes zijn voor schelpenpost. Papa brengt ze van zijn reizen mee naar huis. En zodra hij weer weg is, stuur ik ze naar hem op. Dat saaie, lege slakkenhuis bijvoorbeeld. Daar woonde eerst nog zo’n heremietkreeftje in. Maar toen dat kreeftje mijn schelpenverzameling zag, wist het niet waar het moest kijken. Zoveel mooie huizen, zomaar voor het uitkiezen!
18
Het kreeftje wachtte geduldig tot ik sliep… Maar zodra ik lag te ronken als een vissersschuit, krabbelde het er met mijn allermooiste schelp vandoor. Mijn koninginnen schelp uit de Caribische Zee! Ik heb niks aan papa verteld. Stel je voor dat hij terug naar de Caraïben wou om een nieuwe voor me op te vissen.