HUGO LUIJTEN HUGO LUIJTEN
voor Jolanda
www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Omslagontwerp: Wil Immink Design Stramien en zetwerk: Studio Lannoo Elke gelijkenis met bestaande gebeurtenissen en/of personen berust op louter toeval. Als u opmerkingen of vragen hebt, dan kunt u contact opnemen met onze redactie: fictie@lannoo.com © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2019 D/2019/45/388 – NUR 330-332 ISBN: 978 94 014 5247 2 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in eenvgeautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Episode 1 Zondag 7 december, 17.15 uur, Altiero Spinelligebouw Europees Parlement, Brussel Hoe vaak was hij hier nu niet binnengewandeld? Honderden keren? Duizenden? En het verbaasde hem telkens weer hoe weinig moeite het kwaadwillenden zou kosten om tot in de werkkamers van het Europees Parlement door te dringen. Natuurlijk had hij de juiste clearance, al vond hij dat een afgrijselijk woord. Persoonlijk vond hij admissie een woord dat veel beter paste bij die typische zweem van belangrijkheid waarmee de meeste mensen zich door dit labyrint van gebouwen spoedden. Maar zelfs mĂŠt het door velen begeerde pasje dat aan een blauw canvas lint om zijn nek hing, moest hij altijd inwendig grinniken over de nauwelijks verholen desinteresse van het veiligheidspersoneel, dat met nurkse karpatenkoppen platvoeten stond te kweken. Als je een bierviltje in hetzelfde formaat zou knippen en laten plastificeren, zou je ook al een heel eind binnen kunnen komen, het was de uitstraling die het belangrijkste was. Maar dat begreep de meute een eindje verderop bij het Berlaymontgebouw niet. Door dranghekken tegen paleizen te smijten kwam je er nooit binnen, wist hij. Of hooguit letterlijk, met het
5
hysterische geweld dat de lompe massa doorgezopen heethoofden kenmerkte. Maar binnen, in de zin van: erbij horen, er deel van uitmaken, oneindig worden gespiegeld in het glas en marmer, waartussen honderdduizenden woorden per minuut oplosten in evenzoveel omfloerste conversaties, dat zou voor hen onbereikbaar blijven. Voor altijd. Zijn pas verzoolde leren schoenen klakten hol in de gigantische entreehal en het geluid verdween in het lichte geroezemoes dat openbare ruimtes kenmerkt. Slechts heel in de verte, als hij zijn hoofd een beetje schuin hield, kon hij de sirenes horen die de zoveelste revolte in de geschiedenis trachtten te beteugelen. Laat ze maar razen, het zou nog veel erger worden. Hij besloot alleen trappen te nemen, de minst opvallende manier om zich naar grote hoogten of duistere diepten te bewegen. De eeuwigdurende seconden samen met iemand in een lift zouden ervoor kunnen zorgen dat die iemand zich je gezicht kon herinneren. Of anders zou dat onvermijdelijk gebeuren terwijl je wachtte voor de set stompzinnige lichtgevende knopjes, waarbij je altijd op het verkeerde gedrukt leek te hebben en het alleen maar langer duurde voor de lift kwam. Na een schijnbaar doelloze tocht over glijdende trappartijen en lange corridors stopte hij bij een kruispunt dat naar verschillende werkruimtes leidde. Hij keek door een gang met beigig tapijt, met aan de muur oude stadskaarten in bijpassende terracottatinten. Aan het einde bevond zich het kantoor van parlementair medewerkster Lotte Craeynest. Hij zag haar zitten door het binnenraam, waarvan de lamellen niet helemaal gesloten waren. Voorovergebogen achter haar bureau, nauwgezet en in een stemmige verlichting de holle frasen van juridisch geleuter doornemend, met opzij van haar een smal venster dat uitzag op die wondere wereld buiten de Europese instellingen. Hij liet wat mensen passeren die op weg waren naar de uitgang. Hier werken betekende niet dat je een nine-to-fivejob had, dus was er zelfs op een zondagavond rond vijf uur genoeg beweging in de
6
gangen en tussenruimtes om zo meteen onopvallend te verdwijnen. Of hij moest plan B in werking zetten, maar daar ging hij niet van uit. Hij deed zijn zwartleren handschoenen aan, opende de deur van Lottes ruime werkkamer, stapte naar binnen en sloot de deur weer. Lotte keek op. ‘Wat kom jij hier doen?’ vroeg ze enigszins verstoord. Ze had hetzelfde arrogante toontje als al die wijven hier die zich schoksgewijs omhoog neukten. Moesten neuken, omdat ze dan wel het toonbeeld van ijver, vlijt en plichtsbetrachting waren, maar verder elke soort van intellect misten. Hij zou haar natuurlijk nog even kunnen… Nee. Geen tijd. Hij zei niets, keerde zich van haar af naar het raam dat uitzicht op de gang had en draaide de lamellen dicht. ‘Zeg! Wat ben jij van plan?’ Lotte kwam achter haar bureau vandaan en liep zijn kant op. Precies zoals hij het had verwacht. Hij stapte naar voren, duwde haar zo hard van zich af dat ze wankelde, greep haar pols en trok haar weer hard naar zich toe. Door dit manoeuvre was ze zo verbaasd dat ze vergat te schreeuwen. Ze miste inderdaad elke vorm van intellect. Toen ze uiteindelijk wel wilde schreeuwen, was het te laat, omdat hij haar in een macaber soort dansmanoeuvre had omgedraaid en zijn gehandschoende hand strak voor haar mond hield. Zelfs met één hand voor haar mond was hij te sterk voor haar, al probeerde ze zich te ontworstelen. Maar dit frêle vrouwtje was niet bepaald het wilde varken dat hij laatst nog had moeten verslepen. Hij greep in de diepe zak van zijn trenchcoat, haalde het mes eruit en tastte nog even over haar dijbeen tot in haar lies. Hierop begon ze nog wilder te kronkelen en een gesmoord geluid probeerde zich door zijn vingers te persen, samen met kwijl en snottebellen. Het was grappig om vast te stellen dat opgedirkte dametjes in chique pantalon en satijnen overhemd elk decorum verliezen als ze bang zijn.
7
Maar hij was niet van plan te doen wat zij dácht dat hij van plan was. Maar goed ook dat ze dat niet wist, want dan zou ze misschien nog harder geprobeerd hebben zich los te wringen en dat gaf alleen maar meer troep. ‘Sorry schat, dit moet even’, zei hij. Hij plantte het mes diep in haar lies en voelde het lichaam verstijven, waarna een gedempte brul tussen zijn gehandschoende vingers resoneerde. Meteen trok hij het mes met een diepe haal door haar pezen en liesslagader. Alsof je een stuk harde kaas moet afsnijden, echoden in zijn oren de woorden van zijn grootvader die hem de truc geleerd had. Alleen ging het toen over het uitbenen van reeën of zwijnen. Terwijl hij haar mond in een ijzeren greep afgedekt hield, liet hij het mes vallen, sloeg zijn arm om Lottes middel en tilde het lichaam een klein stukje van de grond. De neerwaartse druk op haar onderlichaam nam hierdoor fors toe en werd nog vergroot door het gespartel en de met kracht uitgestoten, maar onhoorbare kreten. Het bloed spoot schoksgewijs bij hem en Lotte vandaan, in steeds kleiner wordende boogjes, verlicht door een avondlijk Brussel met de welhaast feeëriek blauwe gloed van de zwaailichten in de verte. Tientallen seconden bleef hij zo staan en de tegenstand verminderde bij elke, steeds zwakker wordende hartslag. Wonderlijk hoe snel het leven uit een lichaam kon stromen. Hij haalde de hand voor haar mond weg en haar bleke gezicht knakte opzij. Hij legde haar op de grond. Voorzichtig, om niet te veel bloed op zich te krijgen, al camoufleerde zijn donkere kleding dat perfect. Bon, nu snel doen waarvoor hij gekomen was. Hij stapte over Lotte heen naar haar bureau, schoof de laden een voor een open en dicht en bladerde in de mappen die daar lagen. Toen begon hij met zijn bebloede handschoenen op het toetsenbord te rammelen.
8
Zondag 7 december, 22.12 uur, Altiero Spirelligebouw, Europees Parlement, Brussel Ilse Lemmens wendde haar gezicht af van het felle geflits van de camera’s die in het kantoor van Lotte Craeynest bezig waren. Ze stopte haar telefoon in de borstzak van haar spijkerjack en liep naar haar chef, hoofdcommissaris Verelst. ‘Cools is onderweg’, zei ze tegen hem. Verelst wreef gespannen over zijn voorhoofd. ‘Maar waar blijft hij dan zo lang? Hij was toch al geland?’ ‘Hij moest wel helemaal uit Dublin komen, hè. En met dat gedoe daarbuiten is hij misschien opgehouden.’ Verelst keek haar geïrriteerd aan. ‘Dat weet ik allemaal wel, hoofdinspecteur Lemmens. Maar hij was toch al in het gebouw? Waarom is hij dan niet hier? We hebben die ene kerel toch gestuurd om hem te halen… kom, hoe heet hij?’ ‘Mertens. Raf Mertens, toch?’ ‘Welja, die Mertens. Maar waar blijven ze nu? Ik moet vanavond nog terug in Antwerpen zijn en…’ ‘Ah, dáár zijn jullie!’ bulderde de stem van Cools door de gang. Gekleed in zijn onafscheidelijke zwarte leren jack, T-shirt en jeans trok hij zijn rolkoffer achter zich aan en sjokte naar hen toe. Zoals altijd was zijn lange, slungelige gestalte een beetje ineengedoken en stond zijn volle kop haar alle kanten op. Achter hem torende het forse lichaam met de brede borstkas van Raf Mertens boven hem uit. ‘Cools’, zei Verelst afgemeten. ‘Je nam er nogal de tijd voor.’ ‘Heb je een idee wat daarbuiten gaande is? Nu al meer vuurwerk gezien dan met oudjaar en de avond moet nog beginnen!’ Hij wees met zijn duim een onbestemde kant op. ‘Zelf hebben we aan de algemene vreugde bijgedragen door de blauwe op het dak te zetten. Ook omdat we er anders nooit doorgekomen waren. Ik kan het traangas onderhand tot hier ruiken.’ ‘Fijne vakantie gehad, Stef?’ onderbrak Ilse Cools’ relaas op een vriendelijke manier.
9
Cools grijnsde. ‘Dank je, Ilseke. Op het feit na dat ik uit mijn vredige toestand van een eeuwigdurend Iers alcoholroesje gehaald werd, was het een mooie trip met veel dorst.’ Ze hoorden een paar flarden van sirenes. ‘Waar gaat het trouwens nu weer over?’ wilde Cools weten.’ Verelst zuchtte. ‘Een anti-Europese demonstratie die compleet uit de hand is gelopen.’ ‘Neonazi’s’, bromde Cools. Hij klikte de grip van zijn rolkoffer omlaag. ‘Iets anders. Waarom zijn wij eigenlijk hier, Ignace? Kunnen die van Brussel dat zelf niet oplossen?’ ‘Het zoveelste couplet van het aloude liedje dat de welluidende titel “Onderbezetting” draagt’, legde Verelst uit. ‘Hier praktisch om de hoek vliegen er dranghekken en verkeersborden door de ramen van het Berlaymontgebouw van de Europese Commissie, het hart van de Europese Unie. Nog meer onrust is de komende weken niet uitgesloten, iedereen is in staat van paraatheid. Oók de stillen van de recherche die zich onder het publiek moeten mengen. De beveiliging van hooggeplaatste personen is vanwege de onrust ook nog eens opgevoerd en door een tweetal stakingen van de cipiers staan er honderden overuren bij de politie die de gevangenisbewaking overnam.’ Cools nam een pakje tabak uit zijn jaszak en begon kalm een sigaret te rollen. Verelst wees giftig naar Cools. ‘Je gaat hier toch niet…’ ‘Ik geloof er geen barst van’, onderbrak Cools hem onverstoorbaar. ‘Minstens de helft van wat je nu noemt is zaak voor de lokale politie.’ Hij keek Verelst aan terwijl hij aan de gomrand likte en de sigaret behendig dichtrolde. ‘Normaal hakken die Brusselaars liever hun rechterarm af, dan een case af te staan. Is het omdat Denaeyer mij uit Antwerpen weg wil hebben?’ ‘Laat de burgemeester van Antwerpen er alsjeblieft buiten, Cools. Dit is een dienstbevel, het komt regelrecht van boven.’ De hoofdcommissaris wees naar het plafond en keek daar zo plechtig bij dat hij leek te geloven dat de order van God de Vader zelf kwam.
10
‘Ik weiger zomaar aan te nemen dat een of ander opperhoofd speciaal om mij gevraagd heeft’, zei Cools. Hij stopte de gerolde sigaret in het pakje en frommelde het in zijn jaszak. ‘Hou het nu maar op een serieuze onderbezetting van de federale in Brussel. Of geloof wat je zelf wil, ik kan daar niet van wakker liggen.’ Verelst wierp een blik op zijn horloge. ‘Bon, mijn tijd is beperkt, die van jullie zo mogelijk nog meer.’ Hij knikte naar het kantoor van Lotte Craeynest achter hem. ‘Dit moet zo snel en zo discreet mogelijk worden opgelost. De technische is bijna klaar, ik nam aan dat je op zijn minst een blik op de plaats delict wilde werpen.’ Verelst greep naar de beschermende sloffen en mondkapjes die een politie-inspecteur al klaarhield en zwijgend trokken ze de spullen aan. De hoofdcommissaris stapte als eerste het kantoor van Lotte Craeynest binnen, Cools en Ilse volgden hem. Op de grond lag het lichaam van Lotte in een enorme bloedvlek die in het tapijt getrokken was. Rond de plek stonden flink wat voetstappen, die naar de deur leidden en daar bij een paar schoenen ophielden. ‘Lotte Craeynest, 28 jaar, een van de assistenten van Maxim Verbauwhede, voorzitter van de libertijnse fractie in het Europees Parlement. De security trof Verbauwhede om even voor halfzes hier aan, achter haar bureau. In zijn winteroverjas met handschoenen, alles vol bloed.’ Cools’ blik bleef op Lotte hangen. ‘Wat is zijn verklaring?’ ‘Naar eigen zeggen vond hij haar zo toen hij nog even gedag wilde zeggen. Hij probeerde nog eerste hulp toe te passen en is ondertussen blijven roepen, maar er waren te weinig mensen hier vanwege de kalme zondagavond. Toen heeft hij met de telefoon op haar bureau de hulpdiensten willen bellen en op dat moment kwam de beveiliger binnen die hem meteen gefixeerd heeft. Voor Lotte was het echter al te laat.’ Cools keek het vertrek rond en knikte naar de schoenen. ‘Zijn die van Verbauwhede?’
11
‘Ja’, antwoordde Verelst. ‘Om de verspreiding van bloedvlekken door het hele complex te vermijden hebben ze hem die daar laten uittrekken.’ ‘Caught red-handed’, mompelde Cools. ‘Letterlijk zelfs’, en hij wees naar Lottes computer en bureau, die allebei vol bloedvlekken zaten. Hij keek Ilse aan. ‘Wat zou hij daar nog hebben gemoeten?’ ‘Daar komen we misschien achter als we die pc leegtrekken’, antwoordde Ilse. ‘De afdrukken moeten in elk geval van de dader zijn, zijzelf zal niet veel meer getypt hebben.’ Cools ging op zijn hurken zitten en trok zijn rubberhandschoenen aan. ‘Waarom staat hier geen nummerbordje bij?’ vroeg hij, terwijl hij naar iets wees dat op de grond lag. Hij reikte zijn arm naar achteren en Ilse gaf hem een zakje voor bewijsmateriaal en een plastic pincet. Toen hij weer overeindkwam, hield hij het zakje met inhoud tegen het licht. ‘Het lijkt wel zand. Een minuscuul kluitje. Rechthoekig, moet onder een schoen vandaan komen of zo.’ Hij liep naar de vergadertafel in de andere hoek van de kamer, waarop een flightcase met het tot dan toe verzamelde bewijsmateriaal stond, en nam met zijn mond het dopje van een stift. Hij hopte met twee vingers over de zakjes, las de code op het laatste zakje, schreef de juiste vervolgcode in het tekstvak en stopte het in de flightcase. ‘Er moeten meer van die kluitjes zijn’, zei hij tegen een van de technici. ‘Zoek er zo veel mogelijk, al moeten jullie het hele complex uitkammen met een tandenborstel.’ ‘Hola hola!’ onderbrak Verelst. ‘Denk je wel aan het budget? Weet je hoe groot het hier is? Je gaat toch geen kostbare manuren verspillen aan de zoektocht naar wat kruimels die van eender wie kunnen zijn? De dader is op heterdaad betrapt, het is alleen nog een kwestie van een motief vinden en upreppen die case.’ Cools keek naar Verelst met een mengeling van verbazing en weerzin. ‘Up-wátte…?’ ‘Up reppen. Oprollen, afronden. Toe rep it up.’
12
‘In plaats van naar managementcursussen te gaan volgde je beter een fatsoenlijke cursus Engels’, vond Cools. Verelst trok een verongelijkt gezicht. ‘Die managementsemienaars zijn anders wel uitstekend voor mijn netwerk. Ze genereren vooral bekenden, die op cruciale momenten iets voor je kunnen betekenen. Zou jij ook eens aan moeten denken.’ ‘Zo? Hoofdcommissaris Verelst denkt receptiegewijs naar de post van korpschef te kunnen drijven, in een beek van sherry en fruitsap?’ Cools wachtte het antwoord niet af en wendde zich weer tot de technicus. ‘Ik wil ook dna van iedereen die deze week een afspraak met Lotte Craeynest had.’ ‘Cools! Wat heb ik nu daarnet gezegd? Luister je überhaupt wel als ik iets te vertellen heb?’ ‘Mocht dat ooit het geval zijn, dan zal ik dat zeker doen’, zei Cools en hij grijnsde naar Verelst. ‘Maar we kunnen niets uitsluiten. Als Verbauwhede tóch onschuldig blijkt, is er hier al twintig keer een tapijtreinigingsmachine overheen geroffeld. En naar het dna van de echte dader kunnen we dan gaan zoeken op een of ander tropisch eiland waarmee België geen uitleveringsverzoek heeft.’ ‘Ja maar je kunt toch niet in het wilde weg…’ ‘Dat kan ik zeker, ik heb de leiding in deze zaak. Van hogerhand nog wel, heb ik zojuist begrepen.’ Verelst liep de gang op en trok de slofjes van zijn schoenen. ‘Als je maar resultaat levert, Cools. Verhoor die Verbauwhede en kom met een fatsoenlijke aanklacht. Eentje die in de Kamer van Inbeschuldigingstelling langer dan een halfuur overeind blijft. En waarvan de media diep onder de indruk zijn. Zo eentje dus.’ Cools knikte vaag. ‘Hoe zit het eigenlijk met zijn parlementaire onschendbaarheid?’ ‘Bij heterdaad geldt dat niet’, antwoordde Verelst. Hij nam zijn overjas aan van dezelfde inspecteur die hen de mondkapjes en sloffen had aangereikt en sloeg die over zijn arm. ‘Waar zit hij nu?’ wilde Ilse weten. ‘Formeel aangehouden in een cel in het hoofdkantoor.’
13
‘Die aanhouding kan wel een tijd duren, hè. Waarom dan in zo’n kleine cel met schuimrubberen matras?’ ‘Geloof me: dat is beter dan de overvolle cellen van het arresthuis in Vorst.’ Hij keek Cools en Ilse aan. ‘Tot zo meteen op kantoor.’ Cools keek zijn baas na, die door de gang wegbeende, en draaide zich toen naar Ilse. Die haalde haar schouders op. ‘Ik zal jullie naar het bureau brengen’, klonk achter hen de diepe bas van Mertens. ‘Een appartement is ook al geregeld, voor de duur van het onderzoek.’ ‘Kantoor is prima’, sprak Cools afwezig, terwijl hij naar de technici staarde die het lijk van Lotte op een draagbaar tilden. ‘Maar een appartement hoeft niet, ik pendel vanuit Antwerpen.’
14
Zondag 7 december, 23.45 uur, hoofdkantoor van de federale politie, Koningsstraat, Brussel Ondanks dat Verelst vóór hen was vertrokken, waren Cools, Ilse en Mertens eerder op het hoofdkantoor van de federale politie stad Brussel. Hun tijdelijke werkruimte was weggemoffeld op de bovenste verdieping van het grote complex en bestond uit een groot vertrek op de hoek van het gebouw. Het kantoor was kort ervoor ingericht met een viertal bureaus en computers. Op elke tafel stonden lege dossierbakjes en zelfs aan een buxusachtige kamerplant was gedacht. Er was ook een klein aanrechtje met koffieautomaat en koelkast. Die laatste was leeg, hetgeen Cools als een tegenvaller opvatte. Het aanrecht stond in een nis, en om de hoek stonden de tafels opgestapeld die ze niet nodig hadden. Het aantal van vier bureaus die wel ingericht waren, leek hem nogal royaal bemeten voor een piepklein team van twee personen. De tl-buizen weerspiegelden zich in de lange ramen die van het plafond tot op de grond doorliepen, en van een afstand was er van Brussels by night niet meer te zien dan een paar oranje lichtpuntjes die als sigarettenpeuken oplichtten in het donker. Cools slenterde naar de glazen wand en met een hand tegen het raam kon hij wat contouren waarnemen. Hij vond dat de stad maar een rommelige uitstraling had. De huizenzee werd overal onderbroken door lukraak neergesmeten flatgebouwen en het enige wat hij in de verte meende te herkennen, was de verlichte basiliek van Koekelberg. Op een enkel blauw zwaailicht na leek het nu rustig. Hij schoof met zijn voet over het linoleum en tikte een paar keer op het dekseltje in de vloer, waaronder zich waarschijnlijk een stopcontact bevond. Zijn blik dwaalde naar Ilse en Mertens, die wat onwennig naast elkaar stonden. Net toen hij wilde voorstellen om maar weer te gaan, zwaaide de deur open en stapte Verelst gehaast binnen.
15
‘Mijn excuses, ik moest nog een aantal zaken regelen. Jullie hebben ondertussen al kwartier kunnen maken?’ ‘Wij zijn al meer dan een halfuur kwartier aan het maken’, bromde Cools. ‘Nu ja’, zei Verelst licht hijgend. ‘Dat is dan ook meteen geregeld.’ Cools slofte naar een van de bureaus, die op een computer na nog volstrekt maagdelijk waren. ‘Ik heb jou nog nooit zo lang op een plaats delict zien rondhangen’, bromde hij en hij liet zich op een bureaustoel vallen. Verelst legde zijn goudgebiesde pet op een bureau en hing zijn jas over een stoelleuning. ‘Ik moet dan ook een groot aantal ballen tegelijk in de lucht houden.’ Hij leek daadwerkelijk vermoeid en Cools kreeg zowaar bijna medelijden met hem. Bijna. ‘Dat dit een bijzonder delicate kwestie is, hoeft verder geen betoog. Daarnaast ben ik net als jullie ook maar gedetacheerd en moet ik de zaken in Antwerpen ook nog in goede banen leiden.’ ‘Nu we het daar toch over hebben: hoe zit dat nu eigenlijk?’ wilde Ilse weten. De hoofdcommissaris keek naar Mertens, die nonchalant tegen de hoek van een bureau geleund stond. ‘Doet die koffieautomaat het al?’ vroeg Verelst hem. ‘Het onmogelijke doen we hier direct, maar toveren lukt nog niet al te best. Beneden is er koffie.’ Mertens had een opvallend lage stem, zelfs voor zijn bovengemiddeld lange postuur. Hij droeg een donker pak en zijn stropdas was strak geknoopt. ‘Kun jij daar dan misschien voor zorgen? Ik kan het wel gebruiken.’ Mertens stond langzaam op en keek met zichtbare tegenzin naar Verelst. ‘Ja’, vulde Cools aan. ‘Koffie, met wat bier erin, en dan zonder de koffie.’ Het gezicht van Mertens klaarde op en hij liep grinnikend de ruimte uit.
16
Verelst keek hem na. ‘Veiligheidskorps, hè’, zei hij, alsof hij zich voor Mertens wilde verontschuldigen. ‘Bon, jullie werken van hieruit. Rapporteren doe je aan mij, Mertens zal in principe geen onderzoeksdaden stellen, al is dat natuurlijk niet verboden.’ Ilse stroopte een elastiekje van haar pols en maakte een paardenstaart. ‘Heeft hij wel nog een taak in het team?’ ‘Natuurlijk. Hij is de liaison tussen jullie en alles wat je van de Europese of nationale instellingen nodig hebt. Hij organiseert ook de briefings met de pers en houdt indien nodig de federale regering op de hoogte.’ ‘Zozo, een druk baasje’, zei Cools en hij drukte op de knop van de computer, die echter geen teken van leven gaf. Hij rammelde kort met een kabel en probeerde het nog eens. ‘Maar als ik het dus goed begrijp, Ignace,’ zei hij langzaam terwijl hij met de kabels bezig bleef, ‘dan mogen Ilse en ik hier een bijzonder delicate kwestie oplossen, terwijl de rest van het land klaar zit om ons onder de guillotine te leggen zodra de uitkomsten niet zijn wat de publieke opinie ervan verwacht. En ik krijg al koppijn alleen al bij de gedachte aan de politieke opinie.’ ‘Jullie kunnen nog terugvallen op het veiligheidskorps, dat ook onder leiding van Mertens staat. Twintig man heb ik daar kunnen vrijmaken voor klussen die meer mankracht vergen, zoals het ondervragen van getuigen, eventuele huiszoekingen, het checken van camerabeelden, dat soort dingen.’ Cools keek op van zijn kabels. ‘Aha, het veiligheidskorps! Zijn dat die gasten die instaan voor de bewaking van de tsunami aan diplomaten en politici die Brussel in hardnekkige vlagen overspoelt? Oud-militairen, die eenzelfde visie op een getuigenverhoor hebben als een pooier op een liefdesrelatie, die dienst?’ Cools zocht naar een pennenbakje waar hij giftig een potlood in zou kunnen smijten, maar los van het feit dat hij geen potlood vasthad, stond er op het zeldzaam propere bureau nog geen pennenbakje. ‘Ik ben inderdaad oud-militair’, baste Mertens achter hen, terwijl hij met vier bekertjes koffie tussen zijn enorme handen de deur
17
met zijn hiel dichtdeed. Hij keek naar de koffie. ‘Als pooier had ik beter vier coupes goedkope champagne meegebracht’, zei hij en hij reikte de bekertjes naar Cools, die er met een rood hoofd eentje aanpakte. ‘Sorry,’ knipoogde Mertens, ‘het bier was op. Die verdomde secretaresses ook, die zuipen als een Lada. Ik heb er cappuc cino van gemaakt, dat schuimt ook.’ Hij drukte op de knop van Cools’ computer, gaf de andere twee bekertjes aan Ilse en Verelst en leunde onder de tonen van het Windows opstartmuziekje met een geamuseerde blik weer tegen zijn bureau. Cools blies in zijn bekertje en nam voorzichtig een slok. ‘Ik wil Thomas en de Cif ook stand-by’, zei hij. ‘Desnoods blijven ze in Antwerpen, maar ze moeten voor mij dingen kunnen checken.’ ‘Akkoord’, antwoordde Verelst en keek op zijn horloge. ‘Cifuentes de la Paz is een uitstekend it’er, geknipt voor deze zaak. Wat je met Degraet vanuit Antwerpen wil aanvangen weet ik niet, maar zolang jij hem zelf vertelt dat hij zijn overuren niet betaald krijgt, vind ik het best. Anders nog iets?’ ‘Je wijst Lieve aan als wetsdokter in deze zaak. Zij weet wat ik wil weten en vertelt dat zonder een half medisch handboek op te dreunen.’ ‘Een wetsdokter als lief’, zei Mertens. ‘Is dat nog spannend, zo tussen de lakens?’ Cools verslikte zich bijna in zijn koffie en Ilse keek woest naar Mertens. ‘Zeg, gaat het een beetje?’ Mertens spreidde zijn handen in een teken van onschuld. ‘Excusez-moi, voor een mooie dame met alles erop en eraan bind ik graag wat in…’ ‘Ik geloof het allemaal wel’, onderbrak Verelst hem. ‘Ik zit op hete kolen, er wachten nog een rij dossiers op me in Antwerpen en morgen is het evengoed weer vroeg dag. Cools, jij verwittigt wetsdokter Dierckx zelf?’ ‘Doe jij dat maar, Ignace. Jouw gezag, hè…’ Verelst ging wat rechter staan en kreeg een waas van fierheid
18
over zich. De truc werkte altijd, dacht Cools inwendig lachend. ‘Bovendien bespreek ik met Lieve andere dingen aan de telefoon’, ging hij verder. ‘Olala… een halfuur op kantoor en dan al over telefoonseks beginnen?’ zei Mertens. Ilse keek verongelijkt naar Verelst en wees met een handpalm naar Mertens. ‘Maar enfin! Hoofdcommissaris, alstublieft…’ ‘Commissaris Mertens, is er een eerste update?’ vroeg Verelst zuinig. ‘Er zijn al onderzoeksdaden gesteld, begreep ik?’ Mertens zette zijn bekertje op het bureau en nam een notitieboekje uit de binnenzak van zijn zwarte colbert. ‘Voor de edelachtbare heer Verbauwhede, Vertegenwoordiger des Volks in het Europees Parlement voor het kiesarrondissement Dendermonde-Sint-Niklaas, ziet het er niet zo mooi uit. Hij werd bij het lichaam van Lotte Craeynest aangetroffen en het leek wel of hij zich in haar bloed gewenteld had.’ Cools snoof. ‘Dat is niet zo gek veel, hè. Weten we niks over het moordwapen?’ ‘Keukenmes, roestvrij staal, lemmet van 12,5 centimeter, lijkt op een vrij professionele uitvoering.’ ‘Ik hoop dat je meer hebt dan dat’, zei Cools. ‘Zo niet, dan kan het hele dossier meteen in het ronde archief.’ Hij stootte tegen de lege prullenbak waar het prijskaartje nog aan zat, om zijn woorden kracht bij te zetten. Mertens maakte een bezwerend gebaar. ‘Getuigen melden ook nog dat Verbauwhede een boos telefoontje met Lotte Craeynest pleegde, vlak voordat ze vermoord werd.’ ‘Hoe weten die getuigen dat hij met haar sprak?’ wilde Ilse weten. ‘Een andere fractiemedewerkster stond in Verbauwhedes kantoor toen hij haar belde. Zij heeft zich toen discreet verwijderd, maar kon vanaf de gang duidelijk horen dat het er ruig aan toeging.’ Ilse keek Cools aan. ‘Crime passionel? Hadden ze een verhouding die een van beiden wilde verbreken?’
19
Cools keek op zijn beurt vragend naar Mertens. ‘Er gaan geruchten dat…’ ‘Geruchten, geruchten… daar koop ik bij een onderzoeksrechter niets voor. Op dit moment is het Verbauwhedes woord tegen het onze. Als wij al een woord hebben. We hebben niets namelijk, hooguit een reeks indirecte bewijzen die als een versleten fietsketting van ellende aan elkaar hangen.’ ‘Zo straf zou ik het nu ook weer niet willen zeggen’, mengde Verelst zich in de discussie. Hij had tijdens de hele uitleg van Mertens met driftige bewegingen op zijn telefoon getokkeld, maar borg het ding nu op. ‘Is er nog een eerste verhoor geweest?’ Mertens stopte zijn notitieboekje weer in zijn binnenzak. ‘Jawel, zij het kort vanwege de shocktoestand waarin Verbauwhede verkeerde. Hij ontkent in elk geval in alle toonaarden dat hij een verhouding had met Lotte. Verder beriep hij zich op zijn zwijgrecht, zolang hij het onderzoeksdossier niet mocht inzien. Als dat dossier er al geweest zou zijn, wist ik niet eens dat het vooraf inkijken ervan een recht was. Maar daar hielp zijn advocaat mij vlug genoeg aan herinneren.’ Cools zuchtte. ‘Dat bedoelde ik daarstraks dan ook met getuigenverhoren die door… enfin. Het was misschien niet al te diplomatiek gesteld, maar zo zie je maar weer wat er kan gebeuren. Ilse en ik doen voortaan de verhoren, oké?’ Mertens knikte. ‘Bon, niets verder?’ vroeg Verelst. ‘Dan ben ik ervandoor.’ Hij nam zijn uniformpet en jas en liep met vaste tred de gang op. ‘Hij heeft zijn koffie nog niet eens aangeraakt’, zei Mertens toen Verelst weg was. Hij pakte het bekertje en goot de hete koffie in één keer naar binnen. ‘Heel imposant, collega Mertens. Maar we organiseren hier geen freakshow.’ Cools stond op en liep naar het raam, zijn geliefde positie als hij al pratend over iets wilde nadenken. ‘Deze zaak stinkt erger dan een stuk pecorinokaas dat een week onder de verwarming heeft gelegen.’
20