René de Clercq
De noodhoorn en andere gedichten Bezorgd door Els van Damme en Yves T’Sjoen Literatuur in Vlaanderen 1900–1950
LiV-deClercq-binnen.indd 3
19/01/18 14:56
Inhoudsopgave
Toortsen 7 Uit de diepten 83 De noodhoorn 155 Nawoord (Joost Vandommele) 201 EDITIEÂVERANTWOORDING 219
LiV-deClercq-binnen.indd 5
19/01/18 14:56
Toortsen [1909]
7
LiV-deClercq-binnen.indd 7
19/01/18 14:56
Nachtronde
9
LiV-deClercq-binnen.indd 9
19/01/18 14:56
Nachtronde
Den nacht des volks doorijlt de zanger. ’t Is zwart en hard en botte baan. Zijn stap is lood. Hoe zou hij langer De trippels van een dansdeun gaan? De kermisroes, de krans, de rozen, Verwaaid al; beuk en eik ontblaard. Hij heet nog brandend, maar vervrozen De jacht des adems in zijn baard. Wien gold zijn lied ook? Leege straten De rijke rust; de rest is koud! Daar zijn er die vandaag niet aten En die de huiv’ring wakker houdt. Wien gold zijn lied? Een boomenbende, Beweegloos, zonder kruin of galm! De sterren staren op ellende. Het schamel schouwken loost geen walm. Hoe nijpt, na weelde en zoelen Zomer, De gure nood, de Winter, straf! Bejaarde menschen worden vromer En stromplen suffend naar hun graf. Ik weet een heele volk dat kwijnde, Oud, bibb’rig, bijgeloovig, bang. Is dat nu ’t einde van het einde? En sterft gij, Vlaand’ren, al zoo lang? Voorbij het heerlijk luid verleden, Het sterke, stoute, trotsche Dietsch! Voorbij, voorbij wat ouders deden! Wat zonen klagen strekt tot niets. Op glans van zonnelichte namen Vlekt donker onze kleinheid uit. Wat hen versiert moet ons beschamen Als blank gebloemte onreine bruid. 11
LiV-deClercq-binnen.indd 11
19/01/18 14:56
Slechts de arme is ons nog. Vreemd daarboven, Gestarnten over winterland, De vorsten in hun schitterhoven, En de adel, die den burger bant. De burger, in dien ban geboren, Verbergt zijn afkomst al te gaarn; En waant, met even koud te gloren, Een ster te zijn – die straatlantaarn! De landaard? Iets gemeens, iets minders De moedertaal? Pas klaar genoeg Voor ketellappers, bezembinders, Voor ’t ruw bedrijf met egge en ploeg. En klinkt ze ooit in uw monden, meesters, Dan vloekt ze, bot en averechts, Kortaf, als jachtgefluit in heesters, Tot vliegend afgerichte knechts. De honden! Port hen aan met stekels! Geeft drank die stinkt en vleesch dat rot! Maakt dol en razend al die rekels, Dat zij u springen naar den strot! Onmooglijk! Machtloos neergemispeld, Daar kruipt de meeste al, morrensmoe, Zwijgt, hijgt en staart en staartekwispelt Zijn barschen beul nog dankbaar toe. Van hier, die heerenbrooden nutten, Die pralen met een huislivrei! De donkre man der donkre hutten Is naakt, is hongerig, maar vrij! Zijn lijf en hart behoort geen ander. Zijn open blikken stuit geen muur. Hij staat, in Vlaandren Vlaanderlander, Een wilde boom, een brok natuur! Wie heft hem op, den grooten Lijder, Die hongert om zijn rijke taal? Wie maakt hem beter, hooger, blijder? Wie smeedt, uit roestig ijzer, staal? 12
LiV-deClercq-binnen.indd 12
19/01/18 14:56
Wie schopt, uit vuile vodden, vorsten? Wie werpt, reusachtig, vóór het rijk Een levend bolwerk op van borsten? Wie stelt den sterke vóór ’t gelijk? Den mensch eerst, dan het volk ontvoogden Brenge arbeid breeder arbeid voort! Wie slechts de taal te redden poogden, Krakeelden om een ijdel woord. En wie daar traden in de stulpen Met afval van hun overvloed, Ontzenuwden met halve hulpen Den naasten nood die opstaan doet. Brood, brood den arme! Brood is vrijheid! Geen aalmoes, loon voor eerlijk werk. Licht, licht den arme! Licht is blijheid, En blijheid maakt de geesten sterk. Te wapen! Al die durft te durven. Uit zwaren slaap en zwarten nacht! Geen handen over asch van turven! Vóór legervuren houdt de wacht! Of vindt gij ’t kwaad uzelf te ontwringen Aan pluimen bed of gouden band? Door vrouw en vriend vooruit te dringen En slag te slaan in eigen land? Wat dan, als hamers wederbotsen Van ’t aambeeld der onwilligheid, En ’t klein geloof bezwijkt vóór rotsen Van schimpende onverschilligheid? Wie held is, hopen en volharden! Niet reek’nen wat de zege kost! Wanhopig om des vaandels flarden, Gekampt, gesneefd en ’t land verlost! Slaan door de scheemring roode wolken Ter kim uit, sterf en jubel dan: De wereld viert de kleinste volken Die groot zijn in den minsten man!… 13
LiV-deClercq-binnen.indd 13
19/01/18 14:56
IJl voort, o zanger! Richt uw ronde Door kouden nacht naar morgengloed. Uw stap zij staal! Uw kreet verkonde Den dag die dringt uit uw gemoed! Roep: Harop! om een heer dat sliep te Verschrikken tot bewuste kracht. Nu moet het lichten uit de diepte Of eeuwig, eeuwig blijft het nacht. Nacht over u en over allen, Die ijdel schoon voor dooden schept. Want met uw volk zult gij ook vallen, Die uit zijn taal uw leven hebt. De tijd verbrokkelt al die beelden, Gebeiteld in te broos arduin. Uw kindren, achterlijk misdeelden, Verschoppen ze om den woesten tuin. Doch worden lijden, dulden, troosten, Eens kracht en arbeid, vreugd en lach Verbreedt de purperstreep in ’t Oosten, Goudroodend tot een blauwen dag; Dan wordt ook uw geweldig leven, Het grof gewrocht van noesten aard, Onthuld, herkend, in ’t licht geheven, Een hoeve, die uit ’t donker klaart.
14
LiV-deClercq-binnen.indd 14
19/01/18 14:56
To ortsen
15
LiV-deClercq-binnen.indd 15
19/01/18 14:56
16
LiV-deClercq-binnen.indd 16
19/01/18 14:56
I Wie een scheppenden geest
Wie een scheppenden geest in het voorhoofd voert, Dien stremmen noch ziekte, noch nijd die loert, Noch vreugd om het schoon-voltooide. Steeds ziet Hij nieuwe gedaanten in ’t rollend verschiet, En uit den kring van zijn denken, stort Het woord dat is voor het woord dat wordt. Zoo staart, als het schemert om toren en kerk, Een rustlooze strak in het wolkenzwerk. Het waait in het west en daar gaan, daar glijn, De balken, de zwarte, zwaar van lijn; Ze schuiven van boven, den beiaard langs, Al donkere boden des zonnegangs; Ze zinken, ze gaan, en de Ziener vergeet Om de hooge die komen, de lage die gleed. Maar anderen juichen ginds ver in het oost Als hun rijzende stoet in het daglicht roost.
17
LiV-deClercq-binnen.indd 17
19/01/18 14:56
II Wat is u, pegasos
Wat is u, Pegasos, gevleugelde hengst, Een stal, of een weide, of een wereld het engst? En wat ware u, alvrije, het breedste gebied, Als de vloek u kon breidelen: verder niet? – O, komen dan stonden dat zorgen om brood Den beteren geest in het lijf niet doodt; Dat de lach van een vrouw, dat de kus van een kind, Dat lust en dat liefde, dat niets u bindt; Dan, kunstenaar, op, met een durvend gedacht, Door een heerlijker dag en een zwaarderen nacht, Naar den afgrond der heemlen, die schrikbaar lokt, Waar ’t eeuwig van eeuwige sterren vlokt; Waar zonnen, in op- en ondergang, U machtig omruischen met lichtend gezang; Waar het god’lijke zelf zoo zichtbaar wordt Dat ge bijster van vreugden op aarde stort.
18
LiV-deClercq-binnen.indd 18
19/01/18 14:56
III De weg van den eenzame
De weg van den eenzame leidt tot de vrouw. Een reiger die roeit vóór den snelleren wouw, Zoo loom en gejaagd is de jongeling… Voort! Door grassen en korens!… Gij, beek, aan wier boord Hij droomerig blikte op een drijvend blad, Weerhoudt gij hem nog?… Gij, hobbelig pad, Vol distels en bramen, vermijdt hij u nog? Laat bliksmen de maaiers, laat blaffen den dog, Voort, voort, langs den molen, de smidse, de brug! Voort, voort, met de zon in het merg van zijn rug!… Daar staat vóór een venster een blozende maagd; Zij kent wie daar komt, zij weet wat hij vraagt. Reeds voelt ze, reeds hoort ze zijn haastigen stap, Zijn hand op de deur en zijn voet op de trap. Nu de armen om de armen! Hij jubelt, hij kust, En vindt op een kloppenden boezem weer rust.
19
LiV-deClercq-binnen.indd 19
19/01/18 14:56
IV Geen heil als het heil
Geen heil als het heil in den echten echt, Waar de hoogste plicht en het hoogste recht, Met banden van armen, gekruist om den hals, Twee sterken verbindt voor eeuwig. Als Twee stammen vergroeid tot één statigen boom, Rivieren gevloeid tot één klaatrenden stroom, Breed breiden zij uit en dragen hun last: Twijgplooiende vrucht of weerspiegelden mast… O gij, die mijn leven uit halfheid redt, Die deelt in mijn disch en die deelt in mijn bed, Aanbeden, heerlijke, wondere vrouw, Die groeit door uw eenvoud, liefde, trouw, Mooi beeld, die me beeldmooie kinderen baart, De trots van mijn huis, de vreugd van mijn haard, Hoog toont ge als de zon in uw warmen schijn Dat het schoonste ter wereld het beste kan zijn.
20
LiV-deClercq-binnen.indd 20
19/01/18 14:56
V Rood pioeneke
Rood Pioeneke, schoon Blauw-oog, Prachtengelen om dees hoogen boog, Met elk een hand aan dien hellenden hoorn, Vol druiven, appelen, spelt en koorn, Met de andere reikend – één blos, één glans Op wangen, in oogen – een rozenkrans; Uw ouders staan vóór de kunstige poort, Belonken u, wenken u, kunnen niet voort. Want zonnig, op Liefdes feestgetij, IJlt gansch de toekomst hun geest voorbij: Triomf en heil uit dit éénig uur, Triomf en heil voor een levensduur, Voor eeuwen op eeuwen! Zoo gij daar ligt, Met den monkel der jeugd op uw blij gezicht, Zoo staren op paren vol kerelszin Kindskindren en lachen de wereld in.
21
LiV-deClercq-binnen.indd 21
19/01/18 14:56
VI Mijn moeder
Mijn moeder was een heilige vrouw – O daar ligt blijdschap in dien rouw – Mijn moeder was heilig, en rein, en zoet Als de melk van haar borst… O mijn moeder was goed! En schoon, schoon oud! Niet één groef in haar wang, Haar oogen al ziel en haar woorden al zang! Gij hoordet, gij zaagt haar, en vroegt, mijn vriend: Ach, jongen, waar hebt ge zoo’n moeder verdiend? En toch, gij wist nog niet half wat ze deed Uit verborgen zorgen; hoe hard zij streed In de nederigheid van haar weduwsmart, Met een roos op ’t gelaat en een doorn in het hart! Haar kinderen schonk zij het brood uit haar mond, Tot het laatste bloed uit haar warme wond… Mijn moeder!… Zoete gedachtenis, Beheersch wat er goeds in mijn leven is!
22
LiV-deClercq-binnen.indd 22
19/01/18 14:56
VII Mijn vader
Mijn vader heb ik nog goed gekend. De buren zeiden: een geest van een vent! Hij zwingelde, hekelde, en, regen of zon, ’t Was: Jongen, wij draaien! Ik deed ’t en hij spon. Hoe trotsch, van aan ’t wiel daar, zag ik hem gaan Met zijn zijden muts en zijn klompen aan, Al lengend zijn draad en zijn liedjen uit, ’t Leuk liedjen van: achterwaarts kom ik vooruit! Dat hij zelf had gemaakt. En ’s avonds, nog moe, Blij-blies hij ons guitige deuntjes toe, Tweematige, tripplend, een dolle kadans, Den schijvrenden zwier van een vlasgaarddans. Dan hupte ik, de jongste, om de keuken alleen, Hop-roepend en slaande over stoelen mijn been, Tot ik bruin in zijn oogen dien glinster zag Van jeugdig geweld in zijn ouden dag.
23
LiV-deClercq-binnen.indd 23
19/01/18 14:56
VIII DEN BRAVE, DIE ZWOEGEND
Den brave, die zwoegend zijn brood niet wint, Wat is hem vriend, wat vrouw of kind? Zijn vriend heeft genoeg met eigen nood. Zijn vrouw is een last en zijn kind zijn dood. Rampzalig! Rampzaliger nog, wie dan Zijn waardigheid voelt van mensch en man; Wie, niets bezittend, toch iets wil zijn, En zijn schaamte verbergt in den lach der pijn! Dat anderen spreken van moed en geduld, Van hulp en van hoop, van plicht en van schuld! Een hoon is hun aalmoes, een vlek is hun traan. Zijn werk wil loon, en zijn loon bestaan. Dan eerst wordt de arbeid hem edele vreugd, Blijft waarheid waarheid, en deugd nog deugd; Dan eert hij zijn vrouw, dan aanbidt hij zijn kind, En gelooft in God die de menschen bemint.
24
LiV-deClercq-binnen.indd 24
19/01/18 14:56
IX VERSTROOID, ALS DOOR
Verstrooid, als door een onhandigen worp, De hoeven en hutten van ’t arme dorp. Uit gevel en goot, uit dak en ruit Schiet spits het geschaliede torentje uit, Met een arm van ’t kruis verwaaid en woest En het goud van den haan door de regens beroest. De onbesuistige straat ziet groen van gras. Op den zandweg bezijds bezinkt een plas Tot modder. Daar, in zijn kruiwagen, bukt Een barvoetsche man. De schouderband drukt Zijn rug en zijn rooden baai, die blinkt Van sleet en van zon. De veldwachter klinkt Het vleesch te koop van een vette koe; Maar ’t getouw klakt voort en de deur blijft toe. Eén jongen draaft bij met een kletsenden klomp, Blijft staan, en hapt in een roggen homp.
25
LiV-deClercq-binnen.indd 25
19/01/18 14:56
D/2018/45/147 ISBN 978 94 014 5234 2 NUR 306/622 Omslagillustratie: Letterenhuis (Antwerpen) Boekverzorging: Stéphane de Schrevel © Erven René de Clercq, Els van Damme & Yves T’Sjoen © Nawoord: Joost Vandommele Academia Press maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boekenen multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv. Alle rechten voorbehouden. Niets van deze uitgave mag verveelvoudigd worden en of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Academia Press P. Van Duyseplein 8 9000 Gent België www.academiapress.be Met de financiële steun van het René de Clercqgenootschap
LiV-deClercq-binnen.indd 223
19/01/18 14:56