G OD A L S T H E R A PEU T
G OD A L S T H E R A PEU T Waarom mensen zich hechten aan een god
BOR I S C Y RU L N I K
www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Omslagontwerp en vormgeving: Studio Lannoo Coverbeeld ©Getty Images/Patrick Robert Oorspronkelijke titel: Psychothérapie de Dieu © Odile Jacob, 2017 Translation copyright © 2018 by Uitgeverij Lannoo nv D/2018/45/422 – ISBN 978 94 014 5212 0 – NUR 740 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande toestemming van de uitgever.
INHOUD Woord vooraf —7 1 Van angst naar vervoering, Goddelijke troost —9 2 Biologie van de ziel —17 3 Zinnelijkheid en de dreiging van de dood —23 4 Verstoorde zielen, een neurologische beschouwing —29 5 Kinderen krijgen toegang tot God omdat hij praat en omdat ze houden van mensen die met ze praten —35 6 Verlies en het activeren van hechting —43 7 Behoefte aan God of dat verliezen —49 8 Theory of mind: de ziel van anderen lezen —58 9 Hoe zou de wereld eruitzien als we die niet onder woorden konden brengen? —67 10 Als onze belangstelling in de wereld verandert —74 11 Geloof, beeld van de ouders en veiligheid —80 12 Het ontwaken van het geloof met de leeftijd —87 13 Hechting aan een straffende god —96 14 Als wat verboden is een affectieve structuur biedt, geeft straf een gevoel van zekerheid —101 15 Regels beïnvloeden onze hersenen, voedseltaboes zorgen voor eenheid binnen de groep —108
16 We leren God kennen zoals we hebben geleerd lief te hebben —117 17 Morele waarde van lijden en schuldgevoel —124 18 Mentale verwerking beïnvloedt onze hersenen —130 19 Culturele onzekerheden en religieus extremisme —134 20 Spiritualiteit komt niet uit de hemel vallen —145 21 God is dood, leve God —152 22 Leven en liefhebben in een wereld zonder God —164 23 Revolutionaire liefde en conservatieve hechting —175 24 Globalisering en zoeken naar God —182 25 Religie, liefde en haat voor muziek —188 26 Geloof en vals geloof —198 27 Seks en de goden —211 28 Aan de vooravond van de spiritualiteit —232 29 Migratie en God —238 30 Hoe God zwakker wordt in het westen —247 31 Resultaten —250
CONCLUSIE De weg van God _261 Epiloog _269 Eindnoten _ 273
WOORD VOORAF Zes oude jongetjes van twaalf jaar waren kindsoldaat geweest. Ze hadden de dood gezien, aangeraakt, soms zelfs veroorzaakt. Deze kinderen waren in één klap oud geworden. In een paar maanden waren rimpels van zorgen op hun voorhoofden verschenen. Hun ogen lachten niet meer en hun gezichten waren hard geworden door de op elkaar geklemde kaken. Een lachend oud jongetje met kuiltjes in zijn wangen vertelde me dat de oorlog in Congo voorbij was en dat hij nu voetballer wilde worden of chauffeur van een van die prachtige wagens van de ngo’s in Goma. Hij leek op mijn kleinzoon, behalve dan dat hij een zwarte huid had. Een ander oud jongetje vroeg me waarom hij zich alleen goed voelde in de kerk. ‘Ik zie alsmaar beelden die me bang maken. Maar zodra ik in een kerk kom, zie ik mooie dingen.’ De trieste andere oude jongetjes beaamden wat hij zei en dat deed de voetballer-chauffeur in spe veel plezier.1 Ik kon hem geen antwoord geven. Ik zag de teleurstelling van deze gekwetste kinderen en liet ze achter met hun verdriet. Ik kon ze niet uitleggen waarom hun trauma verminderde zodra ze een kerk binnengingen. Op 14-jarige leeftijd belandde Elie Wiesel in de hel van Auschwitz, waar de werkelijkheid krankzinnig was geworden. Toen hij terugkwam uit dit rijk der doden, kon hij er niet over praten, terwijl een innerlijke kracht hem dwong te getuigen. Om zich heen hoorde hij: ‘Wat voor een God is dit die dit heeft kun-
7
nen laten gebeuren?’2 Een aantal van zijn naasten had het geloof verloren: ‘Als God bestond, zou hij dit niet hebben toegelaten.’ Wiesel, toen nog een puber, overleefde, maar was innerlijk verscheurd. Zijn geloof hield stand, maar werd op de proef gesteld door een pijnlijke vraag: ‘Waarom had Hij het toegestaan?’ Zo kwam hij tot de conclusie dat God leed, omdat het kwaad bestond: ‘God lijdt na Auschwitz, ik heb Hem zo nodig.’ Kunnen we eromheen dat 7 miljard mensen zich vandaag de dag dagelijks tot Hem richten, zijn emotionele nabijheid ondervinden, zijn oordeel vrezen en bijeenkomen in schitterende gebedsplaatsen die we kerken, moskeeën, synagogen of allerlei soorten tempels noemen? Moeten we niet proberen te begrijpen waarom deze fundamentele behoefte zo vaak ontaardt in een totalitaire taal die de ziel van mensen versteent en waarom het liefhebben in naam van onze naaste soms verandert in het haten van anderen? Om de kinderen antwoord te kunnen geven heb ik onderzoek moeten doen. Ik wil ze zeggen dat ik met dit boek poog te verhelderen wat er in de menselijke ziel is dat zich wil hechten aan God.
8
1
VAN ANGST NAAR VERVOERING, GODDELIJKE TROOST
Driehonderdduizend kinderen lijden eronder dat zij kindsoldaat zijn geweest en zij stellen zich allemaal dezelfde vragen: ‘Waarom ben ik in zo’n nachtmerrie terechtgekomen? Waarom ben ik zo ontzettend ongelukkig? Waarom komt God ons niet helpen?’ Het verschijnsel kindsoldaten heeft altijd bestaan, maar sinds het jaar 2000 wordt het beschouwd als een oorlogsmisdaad.3 Duizenden jaren lang was oorlog een gebruikelijk middel tot socialisatie. De jongens werden bewapend, de meisjes misbruikt en de volwassenen verzuchtten: ‘Oorlog is gruwelijk.’ De leerling-officieren van veertien tot zestien jaar in het leger van Napoleon waren de laatste soldaten van de Franse keizer. De Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) heeft heel veel jonge jongens het leven gekost. Tijdens het revolutionaire bewind van de Commune van Parijs in 1871 werden de Parijse jochies tot helden verheven, met andere woorden: ze werden geofferd. De nazi’s hebben duizenden op school geïndoctrineerde kinderen naar het ultieme slagveld gestuurd (1945). In Nepal,
9
het Nabije Oosten, Nicaragua en Colombia zijn duizenden kinderen geofferd voor zaken die al snel weer zijn vergeten. Sommige kindsoldaten, weggerukt uit hun families en dorpen, kwamen onder het gezag van tiranniserende opvoeders. Soms konden ze zich hechten aan de gewapende groepen, wat hun een gevoel van veiligheid gaf. Sommigen voelden de koorts van de zelfopoffering zo sterk dat ze zelfs wilden sterven voor de zaak. De meesten van hen ontnuchterden weer op het moment dat ze de dood in de ogen keken. Dan herinnerden ze zich hun kindertijd weer, de tijd dat moeder nog de belangrijkste basis was van veiligheid en vader met zijn gezag kaders bood aan hun ontwikkeling. De terreur had hun behoefte aan hechting weer aangewakkerd: ‘Toen we op de grond lagen en granaten om onze oren vlogen, dacht ik aan mijn thuis, aan mijn huis, aan iedereen die ik had verlaten..., ik voelde me schuldig…, ik was zo stom geweest om weg te gaan bij mijn familie. (…) Mijn God, wat wilde ik graag dat mijn vader me kwam halen.’4 Als het droombeeld in elkaar stort en de werkelijkheid ons angst aanjaagt, zijn we blijkbaar in staat om herinneringen terug te halen aan een gelukkig moment waarop we werden beschermd door liefhebbende familie. De kinderen die zijn geronseld tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog en de Commune van Parijs, voor het nazisme of het jihadisme, zijn in een roes gebracht door het geweldige plan dat de volwassenen hun voorspiegelden. Maar zodra ze keihard met de realiteit worden geconfronteerd, komen bij de meeste kleine soldaten herinneringen terug aan gelukkige momenten waarop ze werden beschermd door de armen van hun moeder of het gezag van hun vader. Is er angst of verlies nodig om van hechting een beschermende werking uit te laten gaan? In een dagelijkse context, wanneer hechting vanzelfsprekend is, heeft
10
deze een verdovende werking. Maar als door een gebeurtenis een alarm afgaat of zich een gevoel van verlies opdringt, zet een gevoelsmechanisme de herinnering aan gelukkige hechtingen weer in werking.5 Dat verklaart waarom kinderen van wie nooit is gehouden geen herinnering kunnen oproepen aan een geluk dat ze nooit hebben gekend. Elke angst en elk verlies roept bij hen gevoelens van eenzaamheid of verlating op. Ze kunnen het verloren paradijs niet terugvinden, want ze zijn nooit in het paradijs geweest. In hun herinnering is er alleen angst voor leegte in een wereld waar alles angstaanjagend is. Kinderen die de beschermende armen van een liefdevolle moeder hebben gekend, hebben leren omgaan met haar afwezigheid op de momenten dat ze onvermijdelijk even weg was. Ze hebben die tijdelijke leegte kunnen vullen met een afbeelding van haar, met een doekje of een knuffel die aan haar herinnert. Als er in hun herinnering een spoor is te vinden van een beschermende moeder, boren ze met het gemis van hun moeder de bron aan van hun creativiteit. Als kinderen vroegtijdig zijn verlaten, is dus nog niet alles verloren. De verlating richt ernstige verstoringen aan, maar mogelijk hebben ze een affectief substituut gehad en is dat voldoende om een herinnering aan een geluksmoment op te roepen. Mits ze voor die tijd veiligheid hebben gekend, worden kinderen die zijn beschadigd door de oorlog daarom zelden zelf weer gewelddadig: ‘Ze worden bijna altijd pacifist of voorvechter van de vrede.’6 Opvoeden bestaat erin om in het geheugen van onze kinderen gelukkige momenten in te prenten en ze vervolgens op de proef te stellen door ze tijdelijk te scheiden van hun veilige basis. Als zich dan de onvermijdelijke moeilijke momenten voordoen die in elk leven voorkomen, kan het kind terugvallen op
11
een beschermingsfactor: ‘Ik ben toegerust voor het leven, zeggen ze, ik kan liefhebben, omdat er van me gehouden is. Ik hoef alleen een toegestoken hand te zoeken.’ Zijn we in staat tot creativiteit na een verlies vanwege die kracht die we te danken hebben aan de hechting aan een persoon? ‘Ik weet dat er een kracht is buiten mij, ik weet dat die me beschermt.’ Wordt de gewaarwording van God daarom vaak geassocieerd met liefde en bescherming? Werkt deze bovennatuurlijke macht die over ons waakt en ons straft, als het beeld van een ouder? Ik gaf het voorbeeld van de kindsoldaten in Congo die getraumatiseerd raakten vanaf het moment dat ze werden ingelijfd. Ik had ook andere kindsoldaten kunnen noemen die zijn misleid door de bedenkers van misdadige utopieën, zoals de Hitlerjugend of de Kinderkruistocht (1212). Het waren echter niet alleen kinderen die te voet op weg gingen naar Jeruzalem om het graf van Christus te heroveren. In wezen ging het om een menigte arme mensen die een geweldige mythe hebben doen ontstaan. Vandaag de dag zetten jihadisten kinderen in om ze als bommen te gebruiken. De zwaar gehavende overlevenden zoeken hun toevlucht in een moskee of andere gebedsplaats om tot rust te komen en te proberen hun leven weer op te pakken. Wie dat niet voor elkaar krijgt, blijft zijn leven lang beschadigd. Sommigen van hen ontlopen hun trauma zodra iemand ze de hand toesteekt. Hoe deze kinderen zich in verschillende richtingen ontwikkelen is afhankelijk van de wijze waarop hun emotionele imprint zich voegt naar een sociale of spirituele structuur en daarmee in evenwicht komt. Die structuur kan een pleeggezin zijn, of een moskee of kerk, of een wereldlijke instelling die steun en bescherming biedt. De combinatie van een in hun hersenen gegrifte herinnering en een instituut dat structuur biedt aan de
12