Skip to main content

9789401452090

Page 1

b e no î t s t an d aert o s b

DE JEZUSRUIMTE Verkenning, beleving en ontmoeting


Aan Laurence en Nicolas, Bénédicte en Nicolas, Evelyne en Thierry, Emmanuelle en Philippe, Arnaud en Grégory, Laure-Anne en Cédric, Bruno en Eric, mijn nichten en neven, en aan hun generatie: dat ze de schat van ons ouderlijk geloof blij in zich mogen opnemen en die rijkelijk weten door te geven tot in het komende geslacht. Aan de vrienden van de bijbelkringen in West-Vlaanderen: dat ze hier mijn dank uitgedrukt vinden voor wat mede door hun vriendschap en liefde voor het Woord tot stand kwam.

Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. www.lannoo.com © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt Omslagontwerp Studio Lannoo D/2017/45/723 - NUGI 634 ISBN 978 94 014 5209 0 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


‘Toen jubelde Jezus het uit in de heilige Geest en zei: Ik prijs U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat U deze dingen verborgen gehouden hebt voor wijzen en verstandigen, maar ze hebt geopenbaard aan nederigen. Ja, Vader, want zo heeft het U behaagd.’ (Lc 10, 21; Mt 11, 25)


INHOUD

proloog deel i verkenning van de ruimte ‘jezus’ in de oerteksten

1

9 19

Probleemstelling: Jezus als ruimte. Beschrijvend en duidend

19

Op de schouders van de eerste getuigen

21

A De Jezusruimte bij de schrijvers van het Nieuwe Testament B De vier evangelisten C Een vijfvoudige verkenning 1 de weg van Petrus 2 de weg van Johannes 3 de weg van Paulus 4 de weg van Maria 5 het antitype: de leerling die afhaakt

23 27 41 43 47 53 59 64

2

70

Het leven van Jezus van binnenuit

A De vier retraites Eerste retraite: het doopsel in de Jordaan en het verblijf in de woestijn Tweede retraite: de crisis in Galilea Derde retraite: de dood in het gelaat zien Vierde retraite: het graf en de nederdaling ter helle B Jezus en de Geest C ‘Niemand kent de Zoon tenzij de Vader’ 3

Wie was Jezus? De man van Nazaret in zijn politieke, religieuze en culturele context

73 73 81 89 97 108 120

131


deel ii de beleving van de ruimte ‘jezus’ in het paasgeloof Inleiding: De verrijzenis: een taal waarin wij God verstaan 1 Oorsprong en ontwikkelingen van de verrijzenistaal 2 Jezus’ geloof in de verrijzenis 3 Jezus’ opstanding uit de doden en het geloof van de eerste leerlingen 4 Leven met een spiritualiteit van de verrijzenis 5 Verkenning van de ruimte van het hart: het Jezusgebed en de Filokalia

159 159 161 171 178 190 203

deel iii van de ruimte ‘jezus’ naar andere ruimtes

221

1 2 3 4

Jezus en het jodendom Jezus en de islam Jezus en het boeddhisme Jezus en het ongeloof

224 251 266 285

epiloog in de ruimte van jezus’ verheerlijking

293

Register van de bijbelplaatsen

309


PROLOOG

‘Ik wil Hem kennen. Ik wil de kracht van zijn opstanding gewaarworden. Door te delen in zijn lijden en gelijkvormig te worden aan zijn dood hoop ik waardig bevonden te worden ook de binnenkant van zijn opwekking uit de doden te mogen ervaren.’ (naar Fil 3, 10-11) ‘Ik bid dat God u een geest van wijsheid en openbaring mag geven om Hem waarlijk te kennen. Dat Hij de ogen van uw hart mag verlichten om in te zien hoe groot de kracht is die Hij ontwikkelt in ons die geloven – die sterkte en kracht heeft Hij in Christus betoond toen Hij hem uit de doden opwekte, en alles onder zijn voeten heeft gelegd.’ (naar Ef 1, 15-23) In mij leeft nog steeds de ‘wil om hem te kennen’, zoals we dit letterlijk bij Paulus lezen. In mij leeft ook het besef dat zonder gebed en zonder de gave van een ‘geest van wijsheid en openbaring’ die kennis nooit zal doorstoten tot bij die overkant waar alles goddelijk vervuld is. Dit boek wil binnenvoeren in een welbepaalde geestelijke ruimte die met de naam Jezus opengaat, om van daaruit andere geestelijke ruimtes te ontmoeten, zoals die van de islam of van de Boeddha. Verkennen, beleven en ontmoeten: dit wordt het ritme van onze uiteenzetting, binnen en vanuit die ruimte. Gesitueerd Het hele zoeken dat hier in één publicatie samenvloeit, omspant meer dan vijfentwintig jaar spreken en schrijven over Jezus. Dit zoeken verliep in golven zonder vooropgesteld plan. Iets daarvan is in dit boek nog voelbaar: de afzonderlijke hoofdstukken vormen telkens een eenheid op zich en kunnen dus tot op zekere hoogte ook los van de rest gelezen worden. Dat maakt de lectuur rustiger, al schuiven de delen op elkaar aan in een vereende architectuur en niet zonder een ingebouwde dramatiek. Gestadig komen we dichter bij een centrum dat bron wordt voor een nieuwe vrijheid en uitziet naar een open ontmoeting met het andere dan onszelf. Nu alles bij elkaar is gekomen, kijk ik wat verbaasd terug op de afgelegde weg en probeer te begrijpen hoe methode en inzichten in de ervaring verankerd liggen. Iedereen spreekt immers vanuit een context, bewust en onbewust; elkeen denkt na, niet zomaar in het ijle maar gesitueerd. Kan


10

proloog

ik voor de lezer van deze bundel duidelijk maken, hoe alles wat ik schrijf verankerd is in een doorleefde primaire ervaring of reeks ervaringen? Als mij dat lukt, zal dit het lezen hopelijk ten goede komen. In het licht van wat hier op papier komt te staan, kan ik vandaag één ingrijpend gebeuren moeilijk verzwijgen: het vond plaats in het jaar 1962, tijdens een ziekte die me overviel en verlamde. Misschien ligt juist daar de verklarende bron van die aparte aantrekkingskracht voor thema’s als ‘verrijzenis’, ‘heilige Geest’, ‘transfiguratie’, ‘heerlijkheid op heerlijkheid’, zoals die telkenmale in het boek opdagen. De zomer van 1962 vormt ontegenzeggelijk een mijlpaal in deze zoektocht. Maar bij nader inzien was dit toch geen absoluut beginpunt. In de zestien jaren die eraan voorafgingen, was God nooit ver weg en de liefde voor Jezus, steeds nieuw gevoed, bleef zich ontwikkelen, vooral in de eenzaamheid. Laat ik beginnen bij het begin: alles houdt verband met alles. De verre aanloop Tenger en ondanks een zekere taaiheid veeleer broos, was ik niet op het feest toen de klas eerste communie vierde. Zo kwam het dat ik voor het eerst te communie ging op paaszondag zelf, in kleine kring, met vader en moeder. Het was een sober en sterk gebeuren, bescheiden en heel blij. In de koepelkerk van Christus Koning te Brugge hangt boven het tabernakel een immens kruisbeeld. Mijn gelovig hart is zeker in al die jaren innerlijk gevormd door die krachtige gestalte aan het kruis. Hoezeer ook in pijn opgehangen, hij overheerste de hele ruimte, zegevierend. Hem ervoer ik als sterker dan alles, maar ook beminnelijk en in alles te vertrouwen. Bij het vormsel ontvingen mijn broer en ik van onze oudoom, die ooit missionaris was in China, allebei een exemplaar van De Navolging van Christus, van Thomas a Kempis. Naast Pallieter van Felix Timmermans lag het op mijn nachttafel. In beide boeken voelde ik me goed: ik las en herlas ze. Gedurende de humaniorajaren in Zevenkerken werd die liefde voor Christus rijkelijk verder gevoed, minder door beelden nu dan door teksten: missaal en bijbel gingen open. Een tijd lang was ik ook koster op school, wat me vanzelf langere uren in de kapel deed verwijlen, met liefdevolle aandacht voor hem die aan het kruis hing.


proloog

11

Zomer 1962 Met mijn familie bracht ik de vakantie door in Zwitserland. Geregeld verdween ik alleen de bergen in, als een bok in het wild, met mijn zakbijbel. Ik moest lezen: Paulus vooral, en de wijsheidsboeken… Pas toen aan het einde van diezelfde zomer een totale fysieke onmacht mij bewegingloos aan het bed gekluisterd hield, merkte ik hoe de grote bijbel deel was gaan uitmaken van mijn geheugen. De ziekte begon vrij onschuldig, op kamp in Zolder met een groepje jonge Oost-Duitsers, ‘Displaced Persons’. Tot dan toe had ik maximaal geleefd op alle fronten: studie, sport, jeugdbeweging, religieus zoeken, sociaal werk, filosofie, literatuur, ik ging er met heel mijn wezen op in. Toen ik thuiskwam van het kamp, stelde de huisarts bij mij paratyfus vast. Zondagmorgen 20 augustus. Nog in bed probeerde ik te lezen. Maar deze morgen bleken de Pensées van Pascal ongewoon vluchtig: ik slaagde er niet in de tekst helder voor me te krijgen en vast te houden. Dit was het begin van een maanden durende verlamming. De oogspieren, de kauwspieren, de spieren van mijn ledematen: tegen de avond lieten zij allemaal verstek gaan. Vanaf maandag drongen de maatregelen zich in versneld tempo aan mij op: ziekenhuisopname, afzondering uit vrees voor polio, een inderhaast uitgevoerde tracheotomie om verstikking te voorkomen… Het werd een dagenlang durend, hardnekkig gevecht op leven en dood. De ernst ervan was voor het medische team duidelijk; bij mijzelf drong het slechts eenmaal helemaal tot me door dat ik eraan kon sterven. Herhaald uitgevoerde lumbaalpuncties bleven poliomyelitis uitsluiten. De draak die mijn leven overschaduwde, had geen naam. Het maakte de bedreiging alleen maar groter. Het Guillain-Barré-syndroom, een zeldzame immunologische complicatie bij een aantal overigens banale (meestal virale) infecties, was nog slechts weinig gedocumenteerd. Die naam kwam mij dan ook pas vele jaren later ter ore. Ook vandaag nog bestaat de behandeling ervan in hoofdzaak uit een met alle middelen instandhouden en ondersteunen van vitale functies, zoals de ademhaling. Daar lag ik dan, aanvankelijk zonder te kunnen lezen en in de eerste weken met geklemde stembanden, zodat ook het spreken tot bijna niets herleid was. Toen na drie maanden verblijf in het ziekenhuis de hoofddokter eens op bezoek kwam en ook mijn ouders aantrof, zei hij laconiek dat er weinig of geen vooruitgang te verwachten viel. Mijn moeder besloot toen dat ik de dag daarna naar huis zou komen. Driemaal in de week liet men mij naar het ziekenhuis vervoeren voor bewegingsoefeningen in warm water. Nog eens drie maanden later was ik weer terug op


12

proloog

het internaat. Het min of meer bevredigende herstel van alle belangrijke spiergroepen vergde een vol jaar oefening. Wel moest ik op mijn hoede blijven: iedere nerveuze overbelasting kon meteen een aantal symptomen van de ziekte reactiveren, met alle gevaren van dien. In het begin gebeurde dat elk jaar wel een keer. Na vier, vijf jaar leerde ik dergelijke crisissen op tijd vermijden. Wat er ook van zij, naar mijn aanvoelen moet mijn zenuwstelsel in dat jaar 1962 een enorme klap gekregen hebben, iets dat toen veel heeft ontregeld en me voorgoed in mijn constitutie heeft getekend. Het beeld van een zichzelf verterend of opvretend zenuwstelsel blijft me innerlijk bij, hoe onwetenschappelijk dit ook mag klinken. Bewegingstherapeuten en een homeopathisch acupuncturist hebben in de beginjaren mijn zenuwstelsel en motoriek week na week flink bijgewerkt. Mijn hele leven zal ik hen er dankbaar voor zijn. Het moment van doorbraak Maar wat gebeurde er aan de binnenkant? Die ziekte ging gepaard met wat je een openbaring kunt noemen, een doorbraak in de beleving en in het inzicht. Voorzover ik me de dingen kan herinneren en ze enigszins op elkaar kan betrekken, speelden hier minstens vier factoren een rol, naast de persoonlijke voorgeschiedenis uiteraard. 1. Was ik er motorisch bepaald slecht aan toe, aan de binnenkant bleef mijn hoofd ongenadig hard doorwerken met een scherpte die iets verschrikkelijks had. Dit kwam wellicht door de schaarse voeding (via een maagsonde) die in feite een vorm van vasten was. Ik herinner me geen periode in mijn leven waarin ik meer lucide was dan toen. En alle vragen bleef ik tegelijkertijd stellen: God, Jezus, de zin van het leven en van het lijden, de vriendschap, de familiebanden… Ik had tijd in overvloed, en al kon ik niet lezen (ik zag alles dubbel) en nauwelijks spreken vanwege de klemgezette stembanden, bidden en overwegen deed ik ongeremd en vrij. Ik doorschouwde ook iedere bezoeker scherp en onverbiddelijk. Ik herinner me zelfs iemand mijn kleine kamer uit gebonjourd te hebben… Zo fel ging het eraan toe, vanbinnen. 2. Bovendien was er mijn dagelijkse geestelijke voeding: mijn oom monnik P. Paul Standaert kwam op bezoek. Weer of geen weer, hij is – op één dag na (een ramp, in mijn herinnering!) – in die eerste weken elke dag naar het ziekenhuis gekomen. Hij las voor uit de bijbel, en daarvan leefde ik.


proloog

13

Hij koos een tekst en zaaide die als het ware in mijn diepere geheugen. Ik herinner me nog alsof het gisteren was de aanhef van de tweede brief aan de Korintiërs, over vertroosting en beproeving. Soms vroeg ik zelf aan hem: ‘Lees me dit of dat voor.’ Zo bijvoorbeeld Johannes 17. Ik ging helemaal op, in wat ik hoorde voorlezen: het vuurde mij aan, het voedde mij met licht en kracht, het hielp me niet weinig om de vele ongemakken en pijn in mijn jeugdig ongeduld onbelangrijk te vinden en verder, hoger, dieper te blijven uitzien. 3. Dagelijks kregen mijn ouders post: tientallen brieven en telefoontjes waarvan mijn moeder me ’s morgens verslag deed. Het vervulde mij met verbazing. Zoveel mensen die mij niet persoonlijk kenden en die ik nooit had gezien, waren bekommerd om mij. Overal werd er gebeden in kloosters in en rondom Brugge. Mijn klas was zelfs te voet naar Onze-Lieve-Vrouw van ’t Boompje geweest, op Sint-Andries, twee uur wandelen. Waarom toch, vroeg ik me af? Wat gebeurt hier? En verwonderd bedacht ik: wat is het mensenhart toch goed! Het voelt mee en laat zich bewegen, al is het maar voor een jonge knaap die zit te spartelen tegen een verlammende ziekte zonder naam. 4. Er kwamen ook enkele brieven binnen van vrienden. Een ervan sloeg op onverwachte wijze diep in. Dominique protesteerde en in zijn ergernis schreef hij: ‘Waarom moest jou dat overkomen! Ieder van ons had dat best verdiend, maar waarom uitgerekend jij?’ Die vraag had ik mij nooit gesteld. Maanden later zou ik die vraag opnieuw tegen het lijf lopen in de vorm van: wie heeft er schuld? Zo herinnerde ik me een gesprek met mijn moeder, een jaar en een dag na het begin van de ziekte. Mijn ouders hadden veel geleden onder het hele gebeuren. Op zoek naar een oorzaak die er de schuld van was, vonden ze die oorzaak uiteindelijk… in mij. Zelf voelde ik me niet vrij van schuld, als had ik zoiets niet verdiend. Evenmin voelde ik me echter schuldig, als werd ik hier gestraft voor enig door mij bedreven kwaad. Maar door het protest en de gerichte vraag van Dominique ging mijn blik als vanzelf naar die Andere, de enige Onschuldige die in zijn lijden allen ‘trekt’ en verzoent. Toen ging er immens veel voor mijn ogen open. Ik was er het hart van in dat men wel aandacht had voor mij, maar geen oog had voor de enige Onschuldige die lijdt. Ik hoorde in mij het klaaglied van de minnaars Bernardus en Franciscus opstijgen. Ze riepen het uit: ‘De Minne wordt niet bemind!’ Hij is in de grootste eenzaamheid, door allen verlaten, in pure


14

proloog

liefde gestorven. Tegenover mij brak een afgrond van Goedheid open; de Lijdende zonder schuld nam alles in zich op, zonder voorbehoud, gaaf en onvoorwaardelijk. Liggend op mijn ziekbed, ervoer ik een rechtstreekse doorverwijzing naar Hem, de Ene die midden in de geschiedenis op een welbepaalde wijze in het lijden wilde gaan staan en zo allen aantrok en alles ten goede keerde. Jaren later zou ik dit inzicht letterlijk uitgeschreven vinden in de formulering van Johannes, daar waar Jezus, de doodstrijd voorbij, verklaart: ‘Wanneer ik van de aarde omhoog zal zijn geheven, zal ik allen tot mij trekken’ (Joh 12, 32). Juist dit ‘trekken’ ervoer ik op mijn ziekbed, het was de passende verklaring voor de goedheid waarmee zoveel mensen zich om die verlamde jongen van zeventien bekommerden. Ik begon in te zien hoe onschuldig lijden mensenharten in beweging brengt en verzamelt, en hoe absoluut onschuldig lijden absoluut verzamelt en onbeperkt verzoent. Jezus aan het kruis zag ik tegenover mij, niet direct als een te ontleden beeld, maar als een krachtveld van Goedheid, sterker dan welke andere kracht ook. Ik realiseerde mij het absolute karakter van dit moment dat doortrokken was van een onweerstaanbare kwaliteit en dat echt aanspraak mocht maken op universaliteit en wortelde in het goddelijke. Dit alles drong zich aan mij op niet van buitenaf maar van binnenuit. De enige waarlijk Onschuldige die in vrijheid en uit liefde het lijden op zich nam, straalde voor mijn ogen. Later kon ik schrijven: ‘Ik stond voor de Mens die iets voor alle mensen te betekenen had, en dat iets was zijn onvervreemdbare Goedheid, wortelend in God zelf.’ Of ook: ‘Vrij aanvaard onschuldig lijden is een onzeglijke kracht van verzoening in het hart van onze mensengeschiedenis, ja de hoogste kracht die er bestaat om eenheid en vrede te bewerken’1. Het verdere verloop van mijn leven – het monnik worden in 1964; de cyclus van de studies nu hier, dan daar; het verblijf in Afrika; de contacten met alle culturen gedurende tweeëntwintig jaar onderricht in het kader van het pastoraal Instituut voor Jonge Kerken in de abdij; de interreligieuze dialoog, gevoed door persoonlijke contacten met boeddhisten in Rome en met Joden, onder meer binnen de joods-christelijke werkgroep van de Zusters van Sion – dat alles vormt heel zeker een verklarende horizon die me als zoeker helpt situeren. Maar met de jaren besefte ik meer en meer hoezeer alles wat ik onderrichtte of publiceerde, hooguit voetnoten en randbemerkingen waren bij een ‘tekst’ die ik eens had mogen lezen op 1 Zie ‘Jezus aan het kruis’ in Ruimte (VKAJ) 14 (1988/2), blz 5 (ook in Zevenkerken te lezen, nr 165 (1988), blz. 2-6).


proloog

15

het einde van de zomer van 19622. Slechts bij benadering zal ik kunnen vertolken wat zich toen helder, onweerstaanbaar en onomstotelijk aan mij heeft geopenbaard. Een crisis Toch kreeg ik het ooit behoorlijk benauwd. Tijdens de zomervakantie, na de diakenwijding in 1971, botste ik met alle felheid op de vraag: ‘Kun je zomaar zeggen: Jezus is God?’ De bijbelkenners hadden mij geleerd dat Jezus dit zelf nooit zegt en dat in het Nieuwe Testament de gedachte slechts drie keer uitdrukkelijk voorkomt, niet als een dogmatische formule maar in een hymne en in de vorm van een liturgische belijdenis3. Als lofprijzing kon je dat wel zeggen, maar daarbuiten? Ik ondervroeg verschillende medebroeders in huis, maar de antwoorden waren alle ontwijkend: ‘Dat gaat mijn bevoegdheid te boven’; ‘Dat zijn voor mij te zware theologische kwesties’; enzovoort. Toen schrok ik wel: staan we hier niet voor een algehele aliënatie? Iedereen herhaalt gewoon wat men altijd al gezegd heeft, maar wat gebeurt er als niemand daar nog verantwoording voor kan afleggen? Het werd een moeilijke, donkere periode. Alleen toen ik kon teruggrijpen naar de ervaring op mijn ziekbed, heeft de rust zich opnieuw van mij meester gemaakt. In de kwaliteit van onschuldig lijden, in Jezus aan het kruishout geschouwd, manifesteert zich een ethische Goedheid die afgrondelijk is, waarlijk absoluut. De – latere – dogmatische uitspraken over Jezus geven vorm aan het absolute karakter van wat in zijn leven en dood als doorbraak aan het licht kwam. Dit is slechts een transpositie van hetzelfde, op een ander niveau van de taal, met bovendien een aparte culturele toe-eigening. Dit boek beweegt zich van begin tot einde op dat diepere, niet-dogmatische niveau, om eruit te leven en van daaruit anderen te kunnen ontmoeten. Waar het op aankomt, is zich gewonnen te geven aan de Liefde, verschenen in het Jezusverhaal. Dat is een daad van overgave, van ethisch begeven op grond van een ethisch onderkennen: hier straalt een afgrond van Goedheid. Hiervoor heb je vooral, bijbels gesproken, ‘ingewanden’ nodig en kom je met 2 Geven we een voorbeeld: voor de eerste cursus die ik op ons Pastoraal Instituut (1973-1974) mocht geven, koos ik een uitvoerige ontleding van alle verrijzenisverhalen. Waarom juist dit thema van de verrijzenis gekozen, tenzij omdat de realiteit ervan in mijn beleving van 1962 wortelde? Dat uitgerekend het centrale hoofdstuk van dit boek eraan gewijd is, zal ook wel geen toeval zijn. 3 Zie de proloog van het vierde evangelie (‘En het Woord was God’); ook Joh 20, 28 en Rom 9,5.


16

proloog

het redenerende verstand dat formules – oude en nieuwe – aanneemt of bestrijdt, niet veel verder4. Vertrek je vanuit dit doorleefde niveau, dan is het ook mogelijk anderen te ontmoeten die in een andere denktraditie staan. Julian of Norwich In het kader van oecumenische contacten in ons bisdom ontmoette ik jaren geleden Reverend Ronald Christian, anglicaans priester. Hij wees mij op een Oost-Engelse middeleeuwse theologe en mystica, Julian of Norwich. Ook zij werd verlamd, ook zij zag Jezus aan het kruis, ook zij putte uit dat visioen een boodschap zo rijk dat het haar hele verdere leven als kluizenares zou vervullen. De herkenning was aangrijpend en haar geschrift blijft me in elk detail fascineren en door de kracht van haar universele boodschap inspireren5. Straling Uit een gesprek met een vriend trappist kwam ik nog tot het volgende inzicht: wat zich toen op mijn ziekbed ‘vóór’ mij openbaarde, moet op den duur steeds meer ‘in’ mij plaatsvinden en ‘door’ mij ‘heen’ gaan. Zo is het misschien altijd wanneer iemand zich eenmaal aan het kwalitatief schoonste en hoogste gewonnen heeft gegeven. En inderdaad, ik ken geen groter geluk dan wanneer ik in die bijzondere straling ga staan, en ik ken geen dieper verdriet dan wanneer ik de transparantie voor dit licht even zou verraden, doordat ik mij afsluit in 4 Veel later heb ik filosofisch (Kant, Levinas, Lacan, Derrida) en theologisch (Schillebeeckx, Duquoc, Haight) de historisch-culturele en linguïstische eigenheid en beperktheid van die dogmatische formules leren onderscheiden. Een formele discussie hiervan vond ik niet nodig in het kader van dit boek. Wel krijgt de lezer een cultuur aangereikt om met de oudste tradities en met het metaforisch en symbolisch karakter van de religieuze taal (‘Zoon van God’, enzovoort) zo om te gaan dat hij of zij als vanzelf boven de gestelde vraag kan uitgroeien. Een recente grondige analyse van die klassiek geworden problematiek kan men lezen bij Robert Haight, Jesus Symbol of God, New York 1999. Hij legt de nadruk op het symbolische karakter van elke taal, ook de religieuze, dogmatische, in relatie tot de werkelijkheid, maar ook op het stevig handhaven van Gods God-zijn (ondeelbaar, zonder voor noch na, binnen noch buiten, absoluut transcendent, enzovoort). 5 Een dubbelnummer van Heiliging (1995/1-2) werd aan haar gewijd. Gerda Valkenborgh, arts van beroep, die de Nederlandse vertaling van de Showings verzorgde, vermoedt (zie de inleiding van: Julian of Norwich. Visioenen, Averbode 1995) dat de ziekte van Julian best eveneens een Guillain-Barré had kunnen zijn.


proloog

17

vergetelheid, zelfgenoegzaamheid of onverschilligheid ten opzichte van Hem, die Ene, en zijn trekkracht. Die Straling heeft paradoxale eigenschappen: ze is kwetsbaar èn weerbaar (zoals bij de lijdende dienaar in Jesaja 42 en 50), arm èn sterk, niet oordelend, wel vergevend, onthecht en toch verbonden en verantwoordelijk, ernstig en speels, kinderlijk vrij, gedreven en spontaan, heilig en medemenselijk solidair, particulier en universeel, dankbaar en voorsprekend, eminent menselijk en daarom ‘goddelijk’6. In die straling wil dit boek inwijden. Jezus mijn wonde Als ik aan de gebeurtenis van bijna veertig jaar geleden nu terugdenk, beschouw ik me als iemand die toen inderdaad in heel zijn constitutie diep gebrandmerkt werd, zowel geestelijk als lichamelijk, en die nu wel verder leeft, maar onuitwisbaar getekend is. Ooit schreef een moslimmysticus: ‘Jezus? een wonde waarvan men niet geneest’ (Ibn Arabi). In mij liet het gebeuren een ‘trauma’ achter, maar een trauma dat me toegang blijft verlenen tot wat ik waarneem als de reddende hefboom van de geschiedenis. In mij bewaar ik een heilzame scheur van kwetsbaarheid, open op die eigen afgrond die Hij ten goede is. In de bladzijden die volgen, zullen het ontledende kritische verstand en het invoelende hart teksten, tradities, getuigenissen en ontmoetingen zo verantwoord mogelijk toelichten. Maar de heerlijke overkant, afgrondelijk en lichtend in pure Goedheid, zal de lezer vanuit het voorafgaande als de waarlijk verklarende horizon er telkens bij moeten denken. Elk gezegde baadt in het ongezegde; hier is dit laatste een ‘ziende zee’ van licht en heerlijkheid, ‘die bedd’ en heeft noch boord’ (G. Gezelle). Wie hier spreekt, beweert niets uit eigen naam, maar wil getuigen, en wel in naam van een Ander die hem eenmaal en voorgoed te sterk is geweest (zie: Jer 20,7). ‘Hij is een afgrond van licht,’ zo bekende Franz Kafka. Afgronden zijn doorgaans duister, maar bij Jezus licht de afgrond op, onmetelijk vrij, alles heerlijk vervullend. ‘Je moet de ogen sluiten om er niet in te vallen!’ Ironie en joodse humor van Kafka? Tegenover Jezus bewaar je je vrijheid ook om je niet gewonnen te geven. Zo rijk en kwetsbaar is het Jezusgebeuren. In de loop der eeuwen hebben wij, als christenen, de andersdenkenden die vrijheid vaak niet gegund. Toch is zij essentieel: het staat een en ander6 Als we ophouden ‘God’ en ‘mens’ als twee naturen of essenties te beschouwen die aan elkaar tegengesteld zijn, kunnen we een heel stuk verder komen, zowel in de christologie als in de ervaring. Schreef onze Vlaamse mystica Hadewijch niet, in een van haar brieven: ‘Wat God was in mij, was mens, en wat mens was in mij, was God’?


18

proloog

maal in het evangelie: ‘Wie niet tegen ons is, is voor ons’ (Mc 9, 40); ‘wie niet met mij is, is tegen mij, en wie niet met mij verzamelt, verstrooit’ (Mt 12, 30; Lc 11, 23). Marcus laat zien hoe de kerkgemeenschap open moet blijven en geen monopolie bezit over de boodschap, terwijl Matteüs en Lucas het christologisch unieke en absolute in Jezus onderstrepen. In die vruchtbare spanning verkennen we als voor het eerst het veelstemmige getuigenis van het Nieuwe Testament. Doch eerst willen we – inleidend – de grondcategorie van ‘Jezus als ruimte’ iets scherper toelichten.


I

VERKENNING VAN DE RUIMTE ‘JEZUS’ IN DE OERTEKSTEN

PROBLEEMSTELLING: JEZUS ALS RUIMTE. BESCHRIJVEND EN DUIDEND

Wie de naam Jezus gelovig in roept, vindt toegang tot een welbepaalde geestelijke ruimte. Die ruimte willen we samen verkennen. Ze verwijst heel zeker naar de historische silhouet van twintig eeuwen geleden, maar valt daar niet eenvoudig mee samen. Ze wordt mede bepaald door de krachtige dogmatische formuleringen uit de oecumenische concilies van de vierde en vijfde eeuw, maar ontstijgt ook in haar straling aan elke definitie, ook aan die van dogma’s. Met het begrip ‘ruimte’ willen we hier een categorie inbrengen die zowel het historisch-kritisch reconstrueerbare beeld van Jezus als de dogmatische Christus integreert, maar ook de eigen begrenzing van elk historisch spreken en van iedere dogmatische formule overstijgt. Immers, Jezus is in het levende geloof van de christen veel meer dan wat deze twee benaderingen ons van hem zeggen. De categorie ‘ruimte’ of horizon of ook ‘milieu’ zoals Teilhard de Chardin die aanwendde (vergelijk Le milieu divin), roept een geestelijk veld op dat in de beschrijving concreet kan worden gemaakt, langs fenomenologische weg, terwijl hermeneutisch de benadering bewust geestelijk blijft: het veld vormt een paradoxale ‘cirkel waarvan het centrum overal is en de omtrek nergens’. De vrijheid die de Jezusruimte in zich bergt, laat zich niet zomaar inkapselen, maar deelt zich creatief mede: je moet erin gaan staan om ze te kennen. Daarom is die ruimte nog niet in haar open universaliteit willekeurig. Ze is niet vrijblijvend en laat evenmin om het even wat toe. Er is ernst mee gemoeid. Je kunt je ervoor afsluiten en dan bestaat ze gewoonweg niet voor jou. Je kunt erin delen zonder haar ooit uitputtend te doorvorsen. Een gebaar


20

verkenning van de ruimte ‘jezus’

zoals het kruisteken of een oogopslag naar een icoon, kan volstaan om de hele ruimte in jou weer levendig present te stellen. Weinig is dus nodig. Anderzijds volstaan de meest feestelijke vieringen van Pasen en Pinksteren samen niet om de gehele volheid van de Jezusruimte voor de geest te ontvouwen. De weg die we menen te moeten volgen in dit onderzoek, is op de eerste plaats fenomenologisch beschrijvend en hermeneutisch geestelijk tegelijk. Dogmatiek en historische kritiek komen pas zijdelings het betoog bijsturen of uitdagen. Het kenproces in elkaar overstijgende cirkels Er is nog iets dat we kentheoretisch op voorhand willen verduidelijken. De werkelijkheid is één, maar ons kennen ervan reikt niet constant tot alle diepten en hoogten tegelijk. Je mag het kenproces beschrijven als cirkels die in elkaar grijpen en boven elkaar uitstijgen: het meest lichamelijke, positieve, ook historische (wat je ‘hard kunt maken’, zoals men pleegt te zeggen) vormt in mijn ogen een eerste cirkel. Deze staat open voor een bredere en hogere realiteit: noem het het psychische en breed culturele met zijn typen en antitypen, een veld rijk aan allerlei associaties, vrijer tegenover het ‘harde’, uniek historische van de eerste cirkel. Een derde cirkel haakt in op de tweede, zoals de tweede in de eerste, en strekt zich nog breder uit dan de eerste twee: het is de sfeer van het waarlijk geestelijke, met zijn eigen radicale transcendentie tegenover de eerste cirkel. Hier breken de paradoxen door: winnen is verlies, zijn leven geven is redding. Wie zichzelf vernedert, zal verheven worden. De armen zijn rijk, de verzadigden keren met lege handen naar huis terug. De geboeide zingt en jubelt van vreugde, met een vrijheid die niets of niemand kan stuiten. Hierop is het Jezuswoord van toepassing: ‘De Geest waait waar Hij wil. Je hoort Hem wel, maar weet niet waar Hij vandaan komt of waar Hij naartoe gaat.’ Jezus heeft het over de wind, maar tegelijkertijd stuurt hij aan op die andere, hoogst vrije realiteit die in het Hebreeuws en in het Grieks eenzelfde term krijgt: de Geest. Jezus voegt eraan toe, zodat er geen twijfel meer kan bestaan waarover hij het heeft: ‘Zo is het met eenieder die geboren is uit de Geest’ (Joh 3, 8). Nu zie ik nog een laatste cirkel die de drie andere overstijgt én omvat: de cirkel van het goddelijke. Deze cirkel is niet zomaar een vierde naast de drie andere; het is mijn innerlijke overtuiging en perceptie dat deze cirkel de drie eerste niet alleen omvat, maar ook doortrekt en van binnenuit schraagt. Bij onze zoektocht om Jezus te kennen is het goed open te staan voor die viervoudige dimensie. De kunst van het lezen, evenals de kunst van


op de schouders van de eerste getuigen

21

het leven, bestaat erin de eerste cirkel te verrijken met de tweede die zelf zoveel mogelijk door de derde is vervuld, waarbij we in de derde constant ontdekken hoe het goddelijke alles doortrekt en vernieuwt, in de mate dat we ons eraan gewonnen weten te geven. De levenskunst bestaat er zeker niet in – zoals men nochtans eeuwenlang heeft kunnen denken – dat we de eerste cirkel verlaten voor de tweede, en de tweede voor de derde. Het is net omgekeerd: we zullen het hoogste tot in het nederige en kleine, het onbeperkte tot in het beperkte laten zegevieren. Niet het ‘spiritualiseren’ maar de gestadige ‘incarnatie’ is sinds Jezus onze ware opdracht. Dit heeft gevolgen ook binnen een puur historisch onderzoek, voorzover dit laatste zou bestaan. De vruchtbaarheid van de onderneming met de hier beschreven eigen invalshoek kan alleen maar blijken uit het resultaat. Vooral in het kader van de interreligieuze dialoog, zoals we die in het derde en laatste deel willen initiëren, zal al dan niet blijken of we dankzij deze nieuwe categorie van ‘geestelijke ruimte’ langer en ook dieper in gesprek kunnen blijven met onze partners dan wanneer we vanuit de historische kritiek of vanuit de dogmatiek vertrekken. Wat er uiteindelijk op het spel staat naar de toekomst toe, is een mogelijke ‘vrede’ tussen de wereldgodsdiensten. Deze interreligieuze ‘vrede’ vormt volgens velen vandaag een van de belangrijkste bouwstenen voor het ‘huis van vrede’ waartoe onze kleine blauwe planeet geroepen is.

1. OP DE SCHOUDERS VAN DE EERSTE GETUIGEN

Weinig of bijna niets is nodig om de geestelijke ruimte waarin de naam Jezus heerst te openen, zo zagen we hierboven. Maar is zij eenmaal open, dan komt het er wel op aan die ruimte te voeden, zodat we geestelijk blijven groeien. Het bestaan ‘in Christus’, volgens de geliefde uitdrukking van Paulus, is er namelijk een van continue vooruitgang (zie: 1 Tes 5, 10; Fil 3, 12-14; enzovoort). De ruimte wordt gevoed door studie, gebed en concrete daden van naastenliefde – de herkenbare ‘drie pijlers van de wereld’ volgens een oud joods gezegde dat ook de christelijke traditie heeft geschraagd7. De levenskunst van de christen bestaat erin studie, gebed en daad alternerend op elkaar te blijven betrekken en zo de ruimte waarin 7 Vergelijk het inleidende hoofdstuk van B. Standaert, De drie pijlers van de wereld. Bijbels meedenken met de nieuwe evangelisering, Tielt 1987; de spreuk vinden we in Pirqe Avoth, I, 2, en wordt op naam van Simeon de Rechtvaardige (ca 200 v.C.) overgeleverd.


22

verkenning van de ruimte ‘jezus’

Jezus stralend heerst, steeds dieper te verkennen en te beleven. Tot op zekere hoogte kunnen we stellen: alles kan toegang geven tot die ruimte, want ‘alles spreekt van Hem’ (naar de hymne in Kol 1, 15-17). Hoogtepunt in deze ervaring en ware synthese van studie, gebed en daad is de eucharistische viering zelf. Als christenen kennen we geen completere vorm van bestaan dan wanneer we als gemeenschap de Verrezene vieren, zijn woorden en daden gedenken en omgevormd worden in en door de Geest tijdens de gelovig voltrokken symbolische handeling. Het bidden wordt er gevoed door het inzichtelijke licht van het Woord, terwijl de hele liturgische handeling tot doel heeft de onderlinge verbondenheid en het liefdesengagement naar allen, ook buiten de geloofsgemeenschap, te bewerken en te intensifiëren. De kracht van het symbool houdt in dat we, telkens als we het stellen, een wezenlijke omvorming doormaken. Lectio divina Een van de uitgelezen vormen om die Jezusruimte telkens weer nieuw in zich toe te laten, is wat de monniken traditioneel de lectio divina (hè hagia lexis) noemen: het ‘goddelijke lezen’ door toeleg op de Schrift, en wel zo dat wij er God in ontmoeten en Hij ons, of nog dat wij al lezend vooral door Hem worden ‘gelezen’ en verzameld. Want Hijzelf is niet te bundelen, noch te verzamelen door welke lees-activiteit ook! De hele Schrift bevat in zich alles wat we in de ruimte van Jezus kunnen vinden: elk boek spreekt van hem, Jezus, het vleesgeworden Woord, het sacrament zelf van de Godsontmoeting. Samen zeggen alle Schriften zijn Naam uit. ‘De hele Torah is Naam van God,’ zo leren de joodse meesters. Alle letters samen van Oud en Nieuw Testament spellen de ene Naam van ‘Jezus’, Yehosjoeah, de Christus, de zoon van God. Nemen we de psalmen. Wie ze christelijk heeft leren bidden, proeft in hun innerlijke gedrevenheid – van klagen naar loven – de reddende kracht die zich in het Jezusgebeuren als geheel manifesteert8. De psalmodie betekent een actieve verruiming van de ene ‘ruimte Jezus’. Jezus zelf daalt in het psalmwoord af, neemt het op zoals hij onze menselijke conditie volledig op zich nam, en deelt er zijn vrijheid in mede – de vrijheid van de Zoon, de overgave van de lijdende Dienaar, de volheid van het onafgebroken lofgebed in de Geest. In hem en door hem in ons wordt het waar wat de psalmist ooit dichtte: ‘Mijn stem zal niet meer zwijgen!’ (Ps 30, 13). 8 Zie B. Standaert, In de school van de psalmen. Bidden met woorden en voorbij alle woorden, Gent 1997, blz. 29-104 (93vv.); 183-190.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401452090 by Uitgeverij Lannoo - Issuu