www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. AUTEURSPORTRET | Koen Broos ontwerp binnenwerk | Studio Lannoo, Mediactief omslagontwerp | DPS Design & Prepress Studio omslagbeeld | DPS Design & Prepress Studio zetwerk | Mediactief Elke gelijkenis met bestaande gebeurtenissen en/of personen berust op louter toeval. Als u opmerkingen of vragen hebt, dan kunt u contact opnemen met onze redactie: fictie@lannoo.com Š Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2018 D/2018/45/78 – NUR 300 ISBN: 9789401451055 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Voor u, voor altijd. Voor alles wat belangrijk is.
5
Tom
W
anneer het voorbij is, begint het pas. Zo is het voor mij althans. Wakker worden voor de wekker gaat omdat de alcohol uitgewerkt is. En de vogels maar fluiten omdat het len te wordt. Buiten lopen mensen door de straat, links en rechts wordt er gegroet of geknikt, soms valt er iemand en heel soms wordt ie zelfs weer overeind geholpen. Ik hoor ze van achter het gordijn. Bewegen. Het Leven Zelve gaat door, ook als het mij ne stilstaat – omdat ik wil dat het stilstaat. En omdat ik nog niet wil opstaan. Naast me op het nachtkastje ligt een pakje Pall Mall met daarin nog een laatste sigaret. Dronken Tom is een vriend. Ik geef mezelf vuur, ga op mijn rug liggen om het plafond beter te kunnen bekijken en terwijl ik de rook uitblaas vraag ik me af hoe vaak ik dat nog zal doen. Hoeveel brand gaatjes in spe zitten er nog verscholen in deze lakens? Iemand komt de kamer binnen, voorzichtig, zonder te weten dat daar ergens nog een lege fles chablis ligt. Rollend glas op tegels. ‘Verdomme’, hoor ik haar vloeken – op fluistertoon – en betrapt kijkt ze mijn richting uit. De gloeiende punt van mijn sigaret verraadt dat ik wakker ben. En voor ik het goed besef rukt ze de gordijnen open. Ik duik weg voor het zonlicht en in dezelfde beweging flikker ik mijn sigaret door de kamer. ‘Dag Line, is het al zo laat?’ ‘En waarom ben jij nog niet aangekleed?’ Omdat ik wist dat jij hier meer dan drie uur te vroeg zou aankomen, nichtje. ‘Ik wou eerst nog een sigaretje roken’, zeg
7
ik, terwijl ik probeer te achterhalen waar mijn peuk is gebleven. Ze geeft me een van de hare, Gauloises, grist mijn zippo van het nachtkastje en geeft me vuur. Het derde wat ik krijg is die bezorgde blik van haar, die met de diepe rimpels op haar voor hoofd. En de kraaienpootjes. ‘Gouden Uil, Schoudertruien op het Fochplein, Antwerpen over drie uur, remember?’ Line is 36, intelligent, ad rem en strak gevormd, zelfs jaren na de geboorte van haar prachtdochter. Ze is ook altijd mijn nichtje gebleven. Na mijn break-up met Julie werd ze plots heel beschermend. Sindsdien komt ze vaker langs dan haar druk ke job het toelaat. En naast de hare is ze nu ook mijn agenda gaan bijhouden. Maar soms panikeert ze wat te snel. Zoals nu. ‘Lieverd, chillax… we zijn in Antwerpen. Het is tien minuten van hier.’ ‘Nee, want je bent in Gent, bij mij.’ Merde… Hoe ben ik hier geraakt? Elke keer dat ik me de vol gende dag het hoe-aspect van de zaak niet meer herinner, besef ik dat ik moet stoppen met dronken achter het stuur te kruipen. ‘Geen paniek, ik heb hem in de garage gezet.’ ‘Kun jij dan rijden met een Camaro?’ ‘Tuurlijk kan ik dat! Een auto is een auto.’ ‘Ja, en Zeeman verkoopt erotisch relevante lingerie. Maar soit… Waar is Joke?’ ‘Op school, maar ze komt straks mee, het is woensdag. Ga jij je nu alsjeblieft douchen?’ ‘Nog vijf minuten’, zeg ik, en ik sluit mijn ogen en inhaleer diep. Daar is ze weer: Julie. In brandende technicolor. Haar ge zicht, of hoe het eruitziet wanneer je naast en enkel voor haar wakker wordt – er is iemand die weet hoe dat voelt. Gelukkig voor haar en voor hem is er iemand die weet hoe dat voelt. Ik weet het ook nog, het zit nog ergens… diep.
8
‘Lig je hier nu nog? Maak godverdomme eens dat je onder de douche staat!’ ‘Omdat je het met zoveel liefde en engelengeduld vraagt… Allee dan.’ Ik spring uit bed en boxershort en wandel haar voorbij richting douche. De badkamer is de tweede deur links, achter de eerste ligt Jokes slaapkamer. ‘Zo,’ zegt ze, ‘ je scheert je dus nog.’ ‘Ja, dat moet wel, anders vinden de vrouwen hem niet.’ ‘Welke vrouwen?’ ‘Ik weet het niet, vrouwen die geen fan zijn van Bob Marley of zo.’ Mag een man zich dan niet verzorgen nadat zijn lief hem gedumpt heeft? What the fuck? ‘Heeft jouw kut een baard, mis schien?’ Ze schudt haar hoofd: ‘Nee, die is zo glad als jouw uitleg.’ ‘En dat voor jouw leeftijd. Sterk! We zijn nog niet helemaal afgeschreven, jij en ik! En ik ga douchen.’ ‘Je kleren hangen op het rek’, roept ze me nog na. Koud water op mijn kop. Een prijsuitreiking. ‘Een van de laureaten’, hadden ze gezegd, en daarom sta ik hier nu braaf van krommenaas te gebaren samen met een drietal andere sukkels. Waarom? Omdat Christine, mijn literair agent, me heeft gezegd dat ze met haar naaldhak ken op mijn ballen komt staan als ik ditmaal verstek laat gaan. Het interview in P-magazine vorige maand was blijkbaar niet voldoende, ook al boekten we een ex-Miss België voor een set zwoele can’t-see-shit-naaktfoto’s met mij en Schoudertruien op het Fochplein respectievelijk op de achter- en discreet geplaatste voorgrond. ‘Tegenwoordig is een badboy-imago inherent aan het schrijver-zijn’, hoor ik Christine nog zeggen. Terwijl ex-Miss België ervan kan getuigen hoe bang ik was om haar aan te
9
raken – ook al lijkt ze in de verste verte niet op Julie, die van daag overigens afwezig is. Volgens Christine zal die ‘niet al te misse’ stunt me minstens 25.000 euro extra opleveren, met dank aan de social media en het veertien seconden duren de stukje journaal dat Eén eraan zal wijden, plus een mogelij ke verfilming en vanavond nog gegarandeerde seks met een willekeurig iemand uit de Vlaamse upper class (of een docto raatsstudente literatuur, mocht dat meer mijn ding zijn). Voor Christine is de hamvraag: ben ik een hoogfunctionerende al coholist zoals Tennessee Williams, een vroege Truman Capote met het je-ne-sais-quoi van een onuitputtelijke goudmijn die binnen de drie maanden een filmscenario uitspuwt waarmee je kunt wedijveren om een trofee in Cannes of Berlijn, of een tra gische figuur die je beter gewoon met rust laat tot ze doodgaan (op die manier brachten Van Gogh en Kafka postuum nog heel wat centen op)? Los van dat alles heb ik Joke meegenomen, voor alle zekerheid: een veertienjarig meisje waar je geen verdere uit leg bij geeft, houdt de vrouwen weg. Een instant domper op de flirtvreugde, zoals een zakje Hotcemel in een Roycokop op café, met wat heet water en een toefje slagroom uit een spuitbus. Joke vindt het een fantastisch feestje. Ik ook. Ze ziet er de lead zanger van Tandem, een punkgroepje uit Sint-Niklaas waarvan ze alle cd’s heeft, en vraagt of we samen met hem op de foto kunnen. ‘Met wie? Met Alain van Tandem? Ja, die willen ze casten voor Schoudertruien. Kom, we gaan eens dag zeggen.’ De foto zal snel viral gaan op Twitter. Joke krijgt een kleur wanneer Alain haar vraagt of ze soms geïnteresseerd is in zanglessen. Gewoon knikken, meisje – en misschien ook ‘Dank u, meneer’ zeggen. Enkele dagen geleden had ie me nog opge beld, en ergens halverwege een monoloog over zijn belangrijkste
10
invloeden als acteur had ik hem onderbroken door te zeggen dat mijn nichtje ook songteksten schreef, en van het een kwam het ander. Mensen reageren positief op Joke. Ik merk dat bij mezelf ook. Ik wil niet drinken wanneer zij er is. Toeval of niet, maar mijn momenten als volwassene met verantwoordelijkheidszin lijken zich steeds af te spelen in haar bijzijn. Op de terugweg naar huis vraagt ze me plots waarom Julie er niet bij was, dat ze het toch niet kon maken om daar afwezig te zijn. ‘Het is immers toch ook “haar boek”, niet?’ ‘Ja, dat was het op een zeker moment. Maar nu is haar ver haal er een met Nick.’ ‘Maar daarvoor toch niet? Ik vind het behoorlijk grof van haar hoe ze gewoon…’ ‘… “daarvoor” heeft weggeveegd’, vul ik aan – en straks is het mijn beurt om de bordenwissers uit te kloppen. ‘Dat is wat mensen doen.’ Ergens net voorbij Lochristi moet ik de Chevrolet Camaro even aan de kant zetten. Ik pink discreet een traantje weg – Joke heeft het denk ik niet eens gemerkt – en geef haar een knuffel, een knuffel die vragen oproept. Of ze iets verkeerds heeft ge zegd. Of ze iets kan doen. Of we niet beter naar de nieuwe cd van Tandem zouden luisteren omdat dat haar altijd opbeurt – hun songs zijn inderdaad lachwekkend. En plots gaat het weer even beter. Ik noem haar mijn gelukslantaarn, en ik hoop dat this crazy little thing called love voor haar veel eenvoudiger zal zijn dan voor mij of haar moeder, eenmaal ze zich ermee inlaat. Mensen slaan voortdurend bruggen naar elkaar die ze dan weer domweg opblazen, zonder aan de gevolgen te denken. En ook al kun je je even aan de kant zetten, uiteindelijk moet je steeds weer vooruit. Althans, dat is wat ze zeggen. Dus begin ik later die nacht maar aan Jonge goden. Een witte pagina.
11
Joke
N
og maar eens op die snoozeknop drukken, want op één been kun je niet staan en op een half stompje vooruit hinken is maar zielig. Over een kwartier laat hij toch weer van zich horen, want wekkers zijn er om gehaat te worden. En een beetje om ervoor te zorgen dat mensen ergens op tijd geraken. Zoals op hun werk of op de E40, waar we straks weer allemaal samen in drie of vier rijen staan aan te schuiven. Als ik zwaai naar mijn immobiele buren in de file, zwaaien ze maar zelden terug. Geluk vind je blijkbaar niet in de file. Zodra ik een jaar anciënniteit opgebouwd heb bij De Campo, vraag ik of ik aan telewerken mag doen – een dag, misschien wel twee per week, alles wat ik kan loskrijgen is goed. Wat ben je aan het doen, Vranckx? Aan het slapen. Nee, je ligt alweer te piekeren. Lap, je hebt gelijk. En eenmaal mijn hersenen in gang schie ten, kan ik slapen verder op mijn buik schrijven. En je slaapt zo graag. Ja, maar ik ben er niet goed in. Opstaan. Voor die wekker weer Radio Maria begint te kwelen. Zucht. Het is nog veel te vroeg en als ik om 7.37 uur onder de douche sta, geraak ik echt nog wel op tijd op het werk. Zo heb ik nog even het bed voor mij alleen. Echt… waar is hij dan?
12
Stijn is al weg naar de campus, maar hij was zo lief om zijn geur, L’Eau Bleue d’Issey en gebrande siena, achter te laten op zijn kant van het bed, en ook een beetje op de mijne. Iedere dag, nacht en schemerzone overschrijden we grenzen, hij en ik. Afwisselend met horten en stoten die nadien of op het moment zelf al pijn doen en aanrakingen die juist nat en teder zijn. En soms, heel soms, komen we ook samen klaar. Samen op het puntje van de Mount Everest. Thuis-komen. Vroeger moest ik steeds mijn benen strekken om dat punt te bereiken, maar nu ben ik er vaak al wanneer ik hem onder en in mij onrustig voel worden – met mijn hand op zijn borst duw ik hem dan ruw te gen de matras. En zijn vingernagels, die zitten dan zacht in mijn vlees gebrand. Wanneer hij weer loslaat, trekken de afdrukken langzaam weg. Zijn handen liggen daar goed, op mijn vel. En ik op het zijne. Ik ben hier graag. Kom, blijf nog even…. Wegkruipen onder het dons in een leeg bed kan zowel deugd als pijn doen. Dat ligt niet aan het bed. Het bed is niet bedlege rig, maar wel de persoon die erin ligt. In feite hangt het, zoals altijd, gewoon af van de context. Een leeg bed is wat het is, een ding zonder gevoel. Iets dat soms positief en soms negatief kan zijn, het hangt ervan af hoe je het inkleurt. Mijn naam is Joke, ik ben 23 jaar oud en ik droom in kleuren. Ik vind er vaak geen rust door, maar stuit wel steeds weer op mijn limieten. Muren zijn er om tegenaan te lopen of te doorbreken. Brokstukken be tekenen niet het einde van de wereld. ‘Vergaan’ is een knop op mijn moederbord waarmee ik erg ver kan en zal gaan in dit le ven, een andere betekenis bestaat er niet, als je het mij vraagt. Het zit in mijn genen, in mijn bloed. Ten huize Vranckx heb ik het nooit anders gezien. En toch zijn er dingen die me klein houden: de paarse binnenbekleding van een doodskist; clowns, zowel binnen als buiten het circus; tijdgebrek en de daarbij
13
horende wekkers; fysieke limieten die ‘fuck you’ tegen me zeg gen; en de stem in mijn hoofd die laat weten dat het nooit ge noeg zal zijn. De hardste muren zijn diegene die je zelf optrekt. En het warmst is de donsdeken op een morgen wanneer je niet wilt opstaan en de wekker maar blijft zeuren. Bon… Douche, kleren, ochtendsigaret en koffie, al de rest is bij zaak. Dat scharlakenrode jurkje met zwarte pumps, of toch die donkerblauwe jeans met het zwarte topje en turquoise All Stars? Lunch… Ik heb echt geen tijd meer om naar de winkel te ren nen. Tijd, kunnen jij en ik geen vrienden worden? Zou David deze middag broodjes halen? Ik vraag het hem straks wel, wan neer hij als een grote zelfverzekerde geweldigerd mijn bureau binnenwandelt en me ergens tussen mijn neus en oor een zoen probeert te geven – en ronduit op zijn bek gaat als ik daar geen zin in heb. Soms moet je keihard op je bek durven te gaan. Die droom van Tom op het strand speelt me parten. Die was in zwart-wit en zwart-wit voorspelt nooit veel goeds. Is het te vroeg om mama te bellen? Beter vanavond, want je kunt er don der op zeggen dat ze ook een verhaal heeft klaarliggen en wel licht zal ze het op een huilen zetten zodra ik over nonkel Tom begin. Zou je er dan wel over praten? Goeie vraag… Ik wil geen last zijn. Daar gaat de wekker weer, in perpetuum. Niet getalmd, Vranckx: opstaan! En geen nood: het komt allemaal goed. Ik zie het strand nog vol kwallen liggen, aangespoeld en wegge blazen. Het zijn geen Portugese oorlogsschepen, maar de soort van bij ons, uit de Noordzee. De wind huilt en blaast de golven naar plekken waar ze niet willen blijven. Ik wil hier ook niet blijven. De wagen die er staat, besliste van wel op de dag dat hij hier vastliep. Om hier te blijven, op het strand in mijn hoofd. Rood metaal roest daar waar de golven komen, maar die reiken
14
niet ver genoeg om te zien wat hier half uit het open portier hangt. Het been van een lijk. Zo vonden ze hem, Tom. Ik wil mijn ogen sluiten, maar hier heb ik geen oogleden. Geen tranen. Geen leven. Alleen die voet die begint te bewegen. Nu. Hij zoekt steun in het mulle zand, voor zijn lijf zich opricht om uit de wagen te komen. Ik kan bij na zijn gezicht zien. Mijn mond wil krijsen… … als alles plots door elkaar wordt geschud. Strand, golven en Het Lijk in de Rode Wagen worden herleid tot een troe bel waas in een fles die Tom koudweg aan zijn lippen zet. Hij drinkt. Gulzig – dat deed hij wel vaker. Glenlivet 18 years of age, staat er op de fles te lezen. Zijn merk, althans een van de vele. De klokken in een nabije kerktoren doen hem omkijken. Er brandt daar nog licht. Zijn adem vormt kleine wolkjes in de lucht. Hij rilt. Met ijs op zijn stoppels, zijn jekker, en glazige ogen wandelt hij langzaam de kerk tegemoet. Sneller! Hij moet verdomme maken dat hij binnen is, anders gebeurt het weer! Stap voor stap, even stoppen om te drinken… en dan weer een stap. In de kerk zijn de vuren aan. Een koor zingt er liederen over hoop en vergiffenis. Ze dragen kaarsen en zijn gehuld in witte, lichte gewaden zoals het mijne. Julie staat ertussen, Astrid links naast haar, mama ook… en ik, ik moet naar de deur toe. Ik trek en trek, en wanneer ik al mijn gewicht naar achte ren werp, komt de deur plots in beweging. Bijna verlies ik mijn evenwicht. En ik schrik. Hij staat vlak voor me. Zijn verkleumde hand op mijn wang zuigt abrupt alle warmte weg. Mijn lijf be gint te rillen, het zijne verwarmt nauwelijks. ‘Kom naar binnen’, probeer ik, en ik pak zijn hand vast. Zwijgend laat hij me doen, zonder te bewegen. Hij staart gewoon. ‘Nonkel, alsjeblieft…’ De tranen in mijn ogen vriezen vast en verschroeien mijn huid.
15
En dan ineens het geluid van droog ijs dat barst, plots geeft zijn arm wel mee. De kerkdeur waait dicht. Nu val ik wel. De arm die in mijn schoot ligt, voelt meteen al wat warmer aan. Wanneer de hand zich ontspant, ontpopt zich een vlinder uit de handpalm, met kleuren die ik in deze zwart-witte wereld nooit zal kennen. Een vlinder die zijn vleugels spreidt en voor de eerste keer vliegt. Rakelings langs mijn wang en mijn haren. Dicht bij mijn oor fluistert hij iets dat overstemd wordt door de koorzang. Julie hurkt naast me. Kaarslicht flikkert onrustig op haar stralende gezicht. Ze heeft een blos op haar wangen en glim lacht twintig tanden bloot. Ik ruik het voor ik het zie. De grauwe rook van rottende bla deren, als deze droom kleur zou bevatten. En dan begint het krijsen. De vlinder spartelt hulpeloos in de vlam en het koor gaat luider en luider. Tot ook zij beginnen te krijsen, terwijl Julie me blijft aankijken, schaamteloos, met die blos op haar wangen en die zieke gl… Dat is geen lach, maar een grijns! En dan wordt alles zwart zoals in een ter aarde gelaten doodskist. Ademnood. Happen naar lucht en zwetend en rillend wakker worden. Recht overeind in bed. Dat was deze nacht, rond drie uur – the witching hour. Sindsdien houdt mijn geest me gaande. Ik moet het verleden achter mij laten en gewoon vooruitkijken. En naar wat daar op me wacht… Weet je eigenlijk wel waar je naartoe wilt ? Nee, maar wel waar ik tot nog toe geweest ben. En altijd dat gevoel dat ik op zoek moet gaan. Een queeste. Je bent onderweg… En of ik er ooit zal geraken, weet ik niet. Soms twijfel ik daar zo sterk aan dat het heel mijn zijn overhoophaalt. Ik ben er nog niet, al is er veel gebeurd intussen. Je bent geen klein meisje meer. De laat ste twee jaar liepen als een stroomversnelling in een net voor
16
de monding vernauwende rivier: een nieuw lief, voor de twee de keer afstuderen, gaan samenwonen in een huis dat ik niet kende – moest leren kennen, en de tijd die ik voordien voor me zelf had, plots moest delen met iemand anders. Je bent daar niet goed in. Een eerste job zoeken en vinden, en er niet helemaal kunnen aarden omdat je diep vanbinnen aanvoelt dat het jouw ding niet is – dat het niet datgene is wat je werkelijk wilt doen, of zou moeten doen, als je in het lot gelooft. Ga ik ooit van dat gevoel loskomen? Natuurlijk, Vranckx! En dan ga je grootse dingen doen, ook al kun je dat nu nog niet zien. Wanneer ik eindelijk in de keuken ben, vind ik het katten belletje op de ontbijttafel: een fluogroene post-it op de doos Special K, zodat er SpeK te lezen valt, dat wat hij deze morgen heeft opgegeten: ‘Ik werd wakker naast je, mijn teerbeminde. En jij was gewoon te mooi om te wekken. Ja, ik heb het tegen jou! Dus ben ik maar voorzichtig weggeslopen van al dat moois, al heb ik me na een tiental minuten staren wel nog snel even moe ten aftrekken – ja hoor, ik ben die vuile gluurder die gisteren nog seks met je had. Er ligt nog wat boerenpaté in de koelkast, ik weet dat je dat ’s morgens wel kunt pruimen. Met mini- augurken. Tot vanavond, liefde, en bedankt voor dat explosieve orgasme van gisteren – het jouwe of het mijne, het onze, dat laat ik in het midden. Dikke kus, Stijn.’
17