ONDINE
ONDINE JENNIFER VRIELINCK
Ik draag dit boek op aan mijn man en mijn kinderen, Karel, Linus, Tilia en Marit, zonder wie dit boek twee jaar geleden al af zou zijn geweest.
www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. AUTEURSPORTRET | Koen Broos ontwerp binnenwerk | Studio Lannoo, Mediactief omslagontwerp | Leen Depooter - quod. voor de vorm. omslagbeeld | Nicholas McCalip/Millennium Images, UK zetwerk | Mediactief Elke gelijkenis met bestaande gebeurtenissen en/of personen berust op louter toeval. Als u opmerkingen of vragen hebt, dan kunt u contact opnemen met onze redactie: fictie@lannoo.com Š Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2018 D/2018/45/77 – NUR 300 ISBN: 9789401451000 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Af en toe gleed ik weg in een kleverige zaligheid die mijn ogen en lippen dichthield. Ik besefte dat het de morfine was die me gelukkig maakte. Ik voelde me onbeweeglijk en tegelijk vlinder licht. Alsof ik boven mezelf zou kunnen uitvliegen, mezelf zou kunnen bekijken zoals ik daar versteend lag. Gisteren nog – of was het maanden, jaren geleden? – was ik zo verstoken van geluk dat het op mijn gezicht te lezen stond. Met op iedere arm een baby – een jongen en een meisje, wat ze in de volks mond een koningswens noemen – sleepte ik me door de dagen. Ik was snel onherkenbaar geworden, minder nog dan de scha duw van mezelf, en daarna zelfs onvindbaar op de smalle strook niemandsland. De heel dunne lijn. Nauwelijks zichtbaar op de landkaart. De grens tussen bewoond land en de zee. Hier golden andere regels dan in de profane wereld. Niemand keek hier op van halfnaakte of naakte mensen die dingen deden die ze ner gens anders zouden doen: spelen zoals kinderen, slapen op de grond midden op de dag. Dit wonderland waar ik mijn anker had uitgegooid, eindelijk zonder hunkering naar vertrekken of onderweg zijn, werd smal ler en breder, mee met de getijden. Het werd woest en onherberg zaam in de winter en vlak en idyllisch in de zomer. Het was van niemand en van iedereen. Maar wanneer het vroor en bij het val len van de avond was het van mij alleen. Door mijn aderen stroomde Keltisch bloed, geërfd van mijn vader. Daardoor was ik in staat om één te worden met de mij omringende elementen. Dankzij mijn moeder was ik uit de Vlaamse polderklei getrokken en misschien op het eerste zicht tegenstrijdig aan dat ‘aardse’ maar toch aanvullend betekende mijn sprookjesachtige naam Ondine: waternimf.
5
I. De kinderjaren
Z
e zeggen dat de vroegste herinnering uit je kindertijd meestal gepaard gaat met pijn. Mijn eerste herinnering was er bovendien een met de geur van vis. Ik was nog maar twee, misschien net drie jaar. Ik speelde op het tapijt naast de sofa. Een grote hand hing over de sofaleuning. Tussen de amberkleurige wijs- en middelvinger stak een sigaret. Flitsende pijn. Nonkel Andreas stonk naar vis en stak als een kwal. Ik herinnerde me dat het lang bleef nagloeien en dat ik maar beter niet begon te huilen. Daar kon nonkel Andreas niet tegen. Niet tegen gehuil, niet tegen kinderen, tegen niets eigenlijk. Gelukkig was nonkel Andreas eenentwintig dagen per maand op zee. Soms bleef hij zelfs tweeënveertig dagen weg en was hij slechts drie dagen thuis voor hij opnieuw vertrok. Dat was de constante in mijn kinderjaren. Dat, tatjespap op de kachel, droogvis aan het wasrek, bij tante Roos in bed slapen wanneer het buiten stormde en het ‘roepen naar huis’, de radio die ’s avonds krakend en met meer storing dan een binnenlander zou kunnen verdragen het geroep van de vissers naar het thuisfront uitzond. Wanneer nonkel Andreas op zee was, zaten tante Roos en ik elke avond rond acht uur in de achterkeuken om door de storing heen de boodschappen op te vangen, iets waar we erg bedreven in waren. Het radiootje stond op een afgebladderd kastje naast het Mariabeeld waarbij een kaars brandde
7
zolang nonkel Andreas op zee was. Naast het kastje, boven de schouw, hing een geschilderd portret van opa Dorus Rijkers met zijn gele zuidwester, witte baard, aardewerken pijp en melancholische ogen. Het roepen begon met gefluit, elke visser had zijn eigen riedel. ‘… Allo, allo, numero elf, één, één?’ Dat was ons huisnummer. ‘Goedenavond Roosje, groeten aan mijn moeder, groeten aan de kleine’ – dat was ik – ‘Geen wind, geen storm’, om het thuisfront niet ongerust te maken, ‘Slechte vangst’, opdat andere vissersboten niet op dezelfde plaats zouden komen vissen, ‘We doen misschien twee reizen, morgen meer’, of ‘Morgenavond lopen we binnen om acht uur, dan kom ik thuis’. Thuis zijn, dat was voor nonkel Andreas vooral slapen. En tante Roos moest dan ook slapen, bij hem, soms een hele middag lang. Wanneer nonkel Andreas niet in bed lag, zat hij in café De Visschervriend. Tante Roos hield het café open. Derde generatie cafébazin. Eeuwig en altijd stond ze met een linnen theedoek glazen op te wrijven achter de toog. Bier kwam uit de tapkraan. In de koelkasten onder de toog stonden flesjes Coca-Cola en Babycham. Voor de toog zaten de zatlappen op hoge krukken. De zatlappen, dat waren vooral vissers. Mannen, gepokt en gemazeld door het zeewater en met een gepekelde woordenschat. Het enige aan hen wat ongezouten was, was hun mening. Sommige van die mannen hadden zeepokken op hun hersenen. Je kon het niet zien, alleen in de paartijd. Nonkel Andreas had er ook. Hij had ze opgelopen tijdens zijn Grote Sprong. Dat was een onuitwisbare herinnering voor mij. Het was begin september 1976, ik werd vijf die maand. De dag na mijn verjaardagsfeestje was Andreas vertrokken voor een
8
reis van drie weken. Anderhalve dag later was hij vermist. Na een intensieve zoektocht en rondseinen naar andere schepen werd hij gevonden. Hij was uren daarvoor van het schip gesprongen. Het was zijn tweede dag zonder alcohol – de reder, Jacob van Schele Simon, had hem een ultimatum gesteld: stoppen met drinken of stoppen met vissen – en een delirium had opgespeeld. Hij wilde de reis niet meemaken en besloot naar huis te zwemmen. Van zijn verstand beroofd door een vitamine B1-tekort en het daaruit voortvloeiende paranoïde idee dat tante Roos hem zou bedriegen, had hij meer dan twee uur gezwommen. Hij was meer dood dan levend toen hij door een andere vissersboot aan boord werd genomen. Gelukkig voor hem was het een schip dat naar zijn thuishaven voer. Gelukkig ook voor hem was de zomer van 1976 de heetste van de eeuw geweest en was het zeewater niet dodelijk koud. Andreas de Zot, zoals ze hem voortaan zouden noemen, werd meteen na het aanmeren opgenomen in het ziekenhuis. Na een tijdje zijn dreigementen te hebben aangehoord, hadden de dokters hem daar ‘genezen’ verklaard en mocht hij naar huis. Maar ik was ervan overtuigd dat zijn hersenen aangetast waren. In hoeverre ze dat al voor de Grote Sprong niet waren. Volgens mij zaten er nu zeepokken in zijn hersenen. Die waren er als naupliuslarven in gezwommen, hadden in zijn hersenvocht hun volgende stadium bereikt en waren nu dus cyprislarven. Zes kalkplaatjes in de vorm van een kegel en een dekseltje van nog eens twee kalkplaatjes. Ik kende de wetenschappelijke namen toen nog niet, maar ik zag het voor me. Steenharde pokken, vastgezogen aan zijn hersenen in plaats van op de mosselschelpen waarvan we ze kenden. In het hersenvocht van Andreas de Zot, stevig vastgehecht aan de hersenschors, openden ze hun deksel, staken hun zes lange poten naar buiten en wuifden ermee heen en weer om het plankton te vangen dat zonder twijfel
9
eveneens onder de schedel van Andreas de Zot leefde sinds zijn Grote Sprong. En het werd niet beter, want in de paartijd, wanneer de fallus van die zeepokken groeide tot twintig keer de lengte van het dier zelf om de zeepokken naast zich te kunnen bevruchten, zwol nonkel Andreas’ hoofd. Het werd groot en dik en onder de dunne huid van zijn voorhoofd, niet verborgen door zijn haren of zijn woeste baard, zag je kabeldikke aders lopen. Althans, daar leek het op, maar in het echt waren het de geslachtsorganen van de zeepokken. ‘Per glas alcohol dat je drinkt, sterven er een hoop hersencellen af’, predikte Matthias regelmatig in het café. ‘En ze groeien nooit terug, die hersencellen’, waarschuwde hij, terwijl hij toch met evenveel goesting zijn eigen pint naar binnen kapte. Ze noemden Matthias ‘de advocaat’. Omdat hij veel praatte, veel wist en altijd een aktetas bij zich had. Ik wist niet wat zijn echte beroep was. Maar een visser was hij zeker niet. Dat was op zich opmerkelijk, want alle andere zatlappen waren dat wel. Café De Visschervriend was een visserscafé. Matthias viste niet, maar drinken deed hij des te meer. Elke keer wanneer ik het glas naar zijn mond zag gaan, dacht ik: weer een hoop hersencellen weg. Bij nonkel Andreas dacht ik dat ook, hij dronk sneller en nog meer dan Matthias. Maar er was ook minder plaats in zijn hoofd door al die zeepokken en dat plankton. Bij hem was het – vanuit het standpunt van de zeepokken – goed dat er cellen afstierven, zodat er plaats vrijkwam. Ik wist zeker dat er kreeftjes uit nonkel Andreas’ oren en neusgaten zouden kruipen wanneer hij stierf. Het plankton zou zich misschien al ontwikkeld hebben tot mossels en kwallen. Het zou een interessante autopsie worden.
10
Ik hoorde vaak gesprekken over lijkschouwingen. Dat was in het café niet zo’n uitzonderlijk onderwerp, want er moesten regelmatig lichamen van vissers worden geborgen. Soms fantaseerde ik dat Matthias een lijkschouwer was en dat zijn aktetas vol met boren en zagen zat. Misschien was het wel waar en wist hij daardoor zo goed wat er in het hoofd van een zatlap gebeurde. ‘Godverdomme, elke keer wanneer dat slagschip hier binnenkomt, lig ik achteraf voor plechtanker.’ Thaddeus Pulle draaide verontwaardigd zijn rug naar de cafédeur toen hij de moeder van Andreas buiten achter het raam zag parkeren. Tante Roos kreeg rode vlekken in haar gezicht. Ze begon met meer kracht haar glazen op te blinken, waardoor haar vingers wit werden. ‘Ze is een hoer, net als de zee. Maar je went eraan’, zei Jacob van Schele Simon. ‘De eerste drie klotedagen lig ik altijd langs de kant van het schip, maar daarna kan ik er weer tegen.’ Ik wist wat mocht en niet mocht en dat vissers mochten vloeken en andere mensen meestal niet. Dat was zo omdat vissers een veel moeilijker leven hadden dan andere mensen. ‘Vis en visite stinken na drie dagen’, zei Thaddeus Pulle en hij sprak het eerste deel van visite uit als vis. ‘Ik wil haar geen drie dagen hier hebben, wennen of stinken. Ze is puur vitriool, hoe minder vaak ik haar zie, hoe beter’, zei tante Roos. ‘Dat mens kan haar mond niet opentrekken of ze laat blijvende averij achter.’ ‘Schoonmoeders zijn gemaakt om te haten’, zei Matthias. ‘Je moet de negatieve gevoelens ten opzichte van je vent op haar afreageren. Het komt door haar dat hij niet perfect is. Zijn kwaliteiten zijn zijn eigen krediet… of het jouwe.’ Matthias zette zijn bril recht, likte zijn kleurloze lippen en zei toen een beetje dronken maar militant: ‘Haat je schoonmoeder! Heb je vent lief!’
11
Ik luisterde. Ik zat in een kleine nis in het café, half verscholen achter een zwaar, donkergroen fluwelen gordijn. Als ik stil was, merkte tante Roos me niet op en moest ik niet op mijn eentje in de keuken achter het café spelen. Ik bouwde torens met bierviltjes. Dat ging gemakkelijker dan met speelkaarten. Af en toe vond ik een bierviltje waarop iets gekrabbeld stond. Ik had nog niet leren lezen en nam me voor al die beschreven bierviltjes te bewaren in een sigarenkistje tot ik dat wel kon. Het was een wereld vol geheimen voor mij. De gesprekken in het café waren ook altijd spannender dan alleen in de achterkeuken zitten. Het was overigens nonkel Andreas’ moeder die me geleerd had dat de mannen in het café van tante Roos ‘zatlappen’ waren. Toen ik dat in het café nazei, lachte iedereen en sindsdien noemden ze zichzelf ook ‘zatlappen’. Ik wist niet beter. ‘Schoonmoeders rammelen met je kloten’, zei Thaddeus. ‘Daar kun je niets aan veranderen.’ ‘Roos, ken je het Chinese woord voor schoonmoeder?’ riep Petrus, de garnaalvisser. We zagen nonkel Andreas’ moeder door het smalle raam in de cafédeur al naar de klink reiken. Tante Roos knikte nee en op het moment dat nonkel Andreas’ moeder de deur opende, antwoordde hij: ‘Tang!’ Iedereen lachte, zelfs tante Roos. Maar zij deed het op een heel ingetogen manier. Ze beet op haar onderlip en sloeg haar ogen neer. Er verschenen rode en witte vlekken in haar hals van het ingehouden lachen en haar wimpers werden vochtig. Zo onopvallend mogelijk veegde ze de opgekomen lachtranen weg. Nonkel Andreas’ moeder stapte snel, zonder iemand aan te kijken tot achter de toog, duwde haar borsten tegen tante Roos en fluisterde luid genoeg zodat iedereen het kon horen: ‘Je moet
12
niet zo frivool staan lachen met die zatlappen. Je belandt nog met een van hen in bed.’ ‘Ze heeft haar eigen zatlap’, zei Thaddeus Pulle. ‘Ze heeft ons niet nodig.’ Nonkel Andreas’ moeder bliksemde hem neer met haar ogen en duwde tante Roos bruusk aan de kant om de achterkeuken in te lopen. ‘Een koffie!’ riep ze zonder om te kijken. ‘Met melk en suiker, een koekje én een lepeltje…’ Toen draaide ze zich toch nog om en met een strenge blik en een opgeheven vinger vulde ze aan: ‘En proper!’ Tante Roos schudde een ongemakkelijk gevoel van haar schouders. ‘Waarom moet ik haar bedienen in mijn keuken? Kan ze niet gewoon in het café blijven zitten?’ mompelde ze terwijl ze koffie zette. Nonkel Andreas’ moeder kwam terug het café in met een gegriefde blik en een vinger uitgestrekt naar de keuken. De halsslagader van tante Roos klopte zichtbaar. Ik wilde horen wat nonkel Andreas’ moeder te zeggen had. Waarom ze zo keek. Ik wilde weten of het echt zo erg was als tante Roos beweerde, de dingen die ze zei. Toen zag ik een muntstuk in het geldlaatje van de jukebox liggen. Iemand was zijn wisselgeld vergeten. Het kleine muntje verdrong het kolossale ego van nonkel Andreas’ moeder naar de achtergrond. De volwassenen zetten hun gesprek voort, maar wat ze zeiden, hoorde ik niet. Ik hoorde het natuurlijk wel, maar ik luisterde niet. Het gepraat mengde zich met de muziek en het nep-Hollands van de vrije radio. Het geldstuk te pakken krijgen zonder dat iemand het merkte, dat was belangrijk nu. Niemand lette op mij. Ik deed alsof ik naar de prentjes op het apparaat keek. Met mijn handen tussen mijn buik en de voorkant van de jukebox probeerde ik het geldstuk uit het laatje te vissen. Ik zakte wat door mijn knieën en voelde het muntstuk tussen mijn gestrekte
13
vingers. Met het muntje in mijn vuist geklemd draaide ik me om en stapte behoedzaam terug naar mijn plekje in de nis achter het zware gordijn. Tante Roos’ hoofd kwam, nog steeds rood-wit gevlekt, boven de toog uit. Ik hoorde het pneumatische gezuig van een koelkast die zich sloot. Het koude geluid van twee flesjes cola op de inox toog. Ik keek in mijn hand en bestudeerde het muntstuk. Wat zou ik ermee kunnen kopen? vroeg ik me af, het rek naast de kassa van de buurtwinkel in gedachten. Dat was een collage van verwennerijen. Portemonneetjes in glanzend plastic, smurfenpoppetjes, jojo’s, tolletjes en bikkels. Al dat potentieel zat in die kleine munt en maakte hem tot een schat. Ik stopte de munt in het sigarenkistje bij de stickers, schelpen en de beschreven bierviltjes die ik verzamelde en verborg het kistje onder de bovenplaat van de verwarming in de nis. De jukebox klikte aan en Vader Abraham zong ‘Het kleine café aan de haven’ op vraag en met wisselgeld van Jacob. Het was als blijk van erkentelijkheid bedoeld voor tante Roos. Zij lachte dankbaar naar hem en zette de radio uit, zodat de jukebox vrij spel kreeg.
14
* De heilige Andreas is de patroonheilige van de vissers en SintNicolaas de patroonheilige van de zeelieden. De school had de naam van de eerste gekregen en onze kerk de naam van de tweede. Het jaar waarin we onze eerste communie deden, bracht SintNicolaas op 6 december iets meer dan anders. Hoewel het die dag in dat stormachtige jaar echt wel zeer pittig sinterklaasweer was, waren bijna alle mannen op zee. Tante Roos had de buurtkinderen uitgenodigd voor een feestje boven het café. Allemaal visserskinderen en hun moeders. Tante Rita was er ook, met neef David. Hij was al bijna negen. De vissersvrouwen dronken koffie in de mooie kamer met de roze fluwelen gordijnen en de zware antieke meubelen. De muren hingen vol schilderijen, marines en gravures op walvistanden, scrimshaws genaamd. Terwijl de vrouwen kletsten, zongen wij, de kinderen, de hele lp van Tante Terry’s sinterklaasliederen mee. Tot er hard op de deur werd gebonsd en iedereen prettig angstig werd. ‘Vol verwachting klopt ons hart’, daar kon je van op aan. De deur vloog open met een lawine van strooigoed. Krabbe was Zwarte Piet, je zag het duidelijk. Een van de kinderen riep het ook: ‘’t Is Krabbe!’ Maar in onze ondoorgrondelijke kindergeesten deed dit niets af aan het spektakel, laat staan aan het geloof. Sint-Nicolaas had een hoge stem, zijn gezicht was half verborgen achter een grote zonnebril en hij klemde het grote boek veilig tegen een overduidelijk vrouwelijk welvende borstkas. Krabbe had met zijn manke poot en zijn bochel natuurlijk niet de rol van Sint-Nicolaas kunnen spelen en een zuster van de Sint-Andreasschool had besloten die taak op zich te nemen, aangezien zij in ons dorp het dichtst bij ‘heilig’ kwam,
15
met uitzondering van onze pastoor, maar die had wel belangrijkere bezigheden. Sint-Nicolaas raadpleegde zijn boek over elk kind en bewees daarmee tot onze verwondering dat ‘hij’ echt alles ‘zag’. We kregen allemaal een speculaaspop van bijna een meter hoog. Sommige kleuters op het feestje staken er nauwelijks bovenuit. Verder werden er gul puzzels, spelletjes, rolschaatsen, poppenkastjes en handpoppen uitgedeeld. Het was het feest van de overvloed. De toekomstige communicantjes kregen een tien detje, een miniatuurpaternoster met tien kralen. Nadat we in koor ‘’t Is mooi geweest’ hadden opgedreund en Krabbe alle moeders zwarte veegkussen had gegeven, vertrok het hoge bezoek. Ik probeerde mijn rolschaatsen uit, viel heel hard op mijn bips en haalde ze pas de volgende zomer weer tevoorschijn, om ze dat jaar zogoed als niet meer uit te trekken. ’s Avonds vertelde tante Roos over Sint-Nicolaas. Geen onnozel verhaaltje uit een leesboek waarin de Sint nu eens een ziek paard had en dan weer pech met de stoomboot. Nee, echte verhalen over Sint-Nicolaas, de beschermheilige van zeelieden, vissers en kinderen. Sint-Nicolaas die wind en storm tot bedaren bracht en schepen in nood redde van de ondergang. Ik hoorde hoe in Griekenland op 6 december alle schepen en boten versierd werden met blauwe en witte lintjes en dat ze in Bulgarije op die dag brood en vis aten, allebei gezegend in de kerk. In Hongarije vulde Sint-Nicolaas de schoenen die op de vensterbanken stonden met cadeautjes en mandarijnen en de stoute kinderen kregen stenen of een pollepel. In Joegoslavië onder de communisten moest het Sint-Nicolaasfeest in het geheim worden gevierd. In Oostenrijk zetten ze ook hun schoenen op de vensterbank. In Polen moest je niet alleen het hele jaar door braaf zijn, je moest ook je catechismus kennen in ruil
16
voor heiligenprentjes onder je hoofdkussen, en in RoemeniĂŤ kregen niet alleen de kinderen maar ook de volwassenen een geschenkje. In Amerika hadden ze het allemaal verkeerd begrepen en verwarden ze Sint-Nicolaas met Jezus, want daar vierde hij zijn verjaardag op kerstavond. Bovendien droeg hij kleren die door Coca-Cola waren ontworpen en had hij de maten en het gewicht van een echte Amerikaan. Met deze wereldwijsheden ging ik als zesjarige slapen en dromen van misschien wel het mooiste kinderfeest ter wereld, maar niet voordat ik mijn tiendetje had rondgebeden voor de vissers in het algemeen en voor nonkel Andreas in het bijzonder, zoals Sinterklaas ons had gevraagd.
17