gedichten 33
West-Vlaanderen
63
Zeezucht
79
Cobra
102
Theater
117
M.
129
Dag, jij
134
Mijn ‘Nu nog’ — Tjitske Jansen
137
Nu nog
145
Grauwvuur
201
De kinderen van de leeuw
237
Interview
253
Bij de dood van Hugo Claus — Remco Campert
Marc Didden
Bernard Dewulf
Caroline Lamarche
Kurt De Boodt & Paul Dujardin
Suzanne Holtzer
11
Intro
17
Con amore. Een inleiding voor Hugo Cl aus
27
De artiest als jonge hond
51
Zeezucht
71
Un Fl amand Ă Paris
91
Het r as van de glimlach
118
Van de hinkelaar
127
Dag, jij
141
BelgiĂŤ en zijn verdriet
164
Die ontzaglijke schaduw
179
Rebel zonder kousen
203
Tussen verzet en establishment. Hugo Claus in het Paleis
223
Schola Nostra
241
Een herinnering
247
Outro
Bram Vanriet, Petanque in Crillon-le-Brave, Frankrijk, 1996. Videostills
10
INTRO Ik ben een gemene listige placeur als petanquespeler. Ik reveleer hierin veel meer mijn ware aard: willen winnen à tout prix en verwarring stichten. Niet vals spelen, maar alle gemene trucs gebruiken. Veel meer dan in de literatuur leert men daarin mijn karakter kennen.  [1994]
11
16
Roger Raveel, Zonder titel, 1993.  Courtesy Galerie Tom Gerits, Oostende
Con amore Marc Didden
Een inleiding voor Hugo Claus Mogen rebellen champagne drinken? Wat mij betreft is het antwoord op die vraag een volmondig ‘ja’. Altijd al geweest. Omdat ik van rebellen én van champagne hou. Was Hugo Claus een rebel? Soms. Hield hij van champagne? Ook. Ik bewonderde hem in ieder geval al van lang voor ik één woord van hem gelezen had. Ik had namelijk in een Nederlands weekblad dat mijn vader altijd kocht vanwege de moeilijke kruiswoordraadsels een foto van Claus gezien terwijl die samen met Karel Appel en twee prachtige vrouwen aan een tafel van een Romeins terras zat. Het leek mij geen slecht leven te zijn, het leven dat ik daar zag. En al zeker niet voor een Vlaamse schrijver. Vlaamse schrijvers die ik toen, met de onrechtvaardigheid die de jeugd eigen is, altijd associeerde met ringbaarden, stofjassen, cigarillo’s en algehele muffigheid. Mijn relatie met Hugo Claus is dus meer dan 50 jaar geleden ontstaan op basis van pure maar onbestemde bewondering. En alles bij mekaar genomen is ze dat vandaag nog steeds. Daar is, toegegeven, geen echte uitleg voor. 17
Laten we, om het simpel te houden, de zaak nog het best vergelijken met verliefd worden. Een goed gevoel dat soms nog beter kan worden. Dan heet dat liefde. Als ik aan Hugo Claus denk dan is de volgende gedachte die zich aan mij opdringt altijd vanzelf ook con amore. Een uit het Italiaans geleende muziekterm die precies bedoelt wat u en ik dan denken: dat alles altijd met liefde moet aangepakt worden. Ik heb Claus nooit anders weten doen: wanneer hij schreef of schilderde of acteurs regisseerde of zich in het publiek moest vertonen, dan gebeurde dat altijd met de grootst mogelijke menselijkheid, met een zeldzame zachtheid, met een minzame stem, een jongensachtige monkellach. Ik heb mijzelf nooit als een vriend van Hugo Claus beschouwd. En als ik dat al was dan gebiedt de waarheid mij te zeggen dat Hugo om en bij de zevenhonderd vrienden had. Maar ik geef graag toe dat ik wel meer dan trots was toen ik ontdekte dat hij op het schutblad van een van zijn boeken het woord ‘vriend’ had gebezigd in mijn verband en als onderdeel van een zeer aardige opdracht. Ik heb hem wel eens gezegd dat ik me eerder een ‘fran’ voelde. Een fan, met vriendschappelijke gevoelens. En het is, ook al van bij het begin, duidelijk dat mijn liefde voor Claus het totaalpakket betreft: de schrijver, de schilder, de theaterman, de filmeur én de mens. Ik vind dat die allemaal onlosmakelijk verbonden zijn met mekaar. Ik rangschik die talenten ook niet, zoals specialisten doen. Nee, ik geloof in de wet van Frank Sinatra: All or Nothing at All. En nu we het toch over specialisten hebben: ik ben geen specialist. Ik ben ook geen volbloed intellectueel en al zeker geen wetenschapper. Ik ben very much my own man, of streef er toch dagelijks naar om dat te worden. Toen de mensen van BOZAR mij vroegen of ik er iets voor voelde om in het kader van de herdenking van 50 jaar ‘mei ‘68’ en ‘10 jaar leven met de dood van Hugo Claus’ mee te werken aan een tentoon18
stelling over die laatste heb ik me flink gehouden en zeker een halve minuut lang gedaan of ik twijfelde. Ik ben wat achteruit gaan leunen in mijn stoel en heb een paar flauwe argumenten op tafel gegooid om dit vooral niet te moeten doen maar binnen in mij hoorde ik al lang een heel klein ventje duidelijk zeggen: ‘Doen. Doen. Doen!’. Maar: een tentoonstelling over Claus kan en wil ik niet maken. Een tentoonstelling voor hem des te liever, en met zeer veel plezier. En vooral: con amore. Ik besefte algauw dat zo’n onderneming, gezien het parcours van de artiest in kwestie, tegelijk ook een kleine kunstgeschiedenis van het midden van de twintigste eeuw zou worden. Maar ik nam me voor dit besef niet als een loden juk op mijn smalle schouders te laten wegen. Ik nam me voor dat boeiende parcours van Claus opnieuw af te leggen, maar op mijn manier. Dus niet noodzakelijk in de juiste volgorde, en niet noodzakelijk halt houdend bij alle kapelletjes die de Clausologie voorschrijft. Gevolg: niet alle usual suspects zullen zichzelf herkennen in dit verhaal, niet iedereen die denkt dat hij erbij hoort zal op de groepsfoto staan. Alhoewel Claus zelf niet vies was van wat overdaad wil ik de bezoeker meenemen op een reis die niet kaal zal zijn maar wel eerder sober. Pars pro toto: ik ben er zeker van dat één foto, één gedicht, één tekening, één film in vele gevallen meer zeggen over een man als Claus dan die vervloekte en volgens mij totaal overschatte volledigheid. Wat ik hoop en wens is dat mensen die straks door Con amore wandelen of bladeren een stuk van de liefde kunnen voelen die ik voor de man koester. Dat ze hem zien én horen én voelen en dat ze bij het verlaten van de laatste kamer of bij het lezen van dit boek erg veel zin hebben om iets van Claus te gaan lezen of herlezen. Tijdens een slapeloze nacht in een hotel in Oostende kwam de hele tentoonstelling algauw tot mij als een boek met een forse intro en een speelse outro. Dat boek zou ons door acht hoofdstukken meenemen, die ons zouden laten zien en horen hoe het leven en het werk 19
van Claus eruitzagen, hoe een groot artiest niet alleen door zijn tijd beïnvloed werd maar die tijd in regel ook zelf beïnvloedde. Ik wilde ook tonen wat de relatie van Claus met dit land was, met de vaderlanden die hij later zelf gekozen had — Nederland en Frankrijk. Met de steden waar hij woonde en werkte — Oostende, Gent, Parijs, Amsterdam, weer Parijs, weer Gent, uiteindelijk Antwerpen. Ik wilde ook ingaan op Claus’ omgang met het Paleis voor Schone Kunsten en met Brussel, waar zijn werk nu aan diezelfde muren is terechtgekomen als die waar hij zo vaak het werk zag hangen van de mensen die hij zelf bewonderde. Wat ik ook zeker wilde doen is hoge cultuur met lage cultuur verbinden, zonder veel uitleg. Een meesterlijk schilderij naast een op het eerste gezicht banale affiche, een flard van een manuscript naast Claus’ lidkaart van een bodybuildersclub. Eén soundbite Thelo nious Monk of Bach naast een flard van een of ander chanson populaire, waar hij verzot op was. Wanneer ik eerder stelde dat ik voor een zekere soberheid ga dan bedoelde ik dat ik geen overladen kamers wil, geen overbevolkte catalogus, maar pakweg een stuk of zeven werken in elk van die kamers. Met daarnaast natuurlijk extensies naar film en theater, naar performance, naar lezingen, discussies, zeggingen van zelden gehoorde teksten. Ik wil Grote Namen naast nobele onbekenden zien staan, liggen, hangen. Ik wil dingen tonen die duidelijk verbonden zijn met Hugo Claus’ leven en werk. Maar soms ook alleen maar met zijn geest. Of de mijne. Herinner u: het gaat hier om voor Hugo Claus. En niet over. Ik wil het over de eenzame Claus hebben die alleen door New York wandelt en op een bank in Washington Square een gedicht schrijft over het standbeeld van Garibaldi, dat daar staat. Maar ik wil ook de sporen zien van de sociale tijger die zich even thuis voelde in hotelbars in Amsterdam, Venetië en Parijs als in de 20
volkscafés van Gent. Dezelfde man die zuinig kon sippen van de droogste witte Bourgogne en even later gulzig kon zwelgen van zuurkool garni, van in Tierenteyn-mosterd gegaarde niertjes of tot aan de rand gevulde vol-au-vents. De man die kon lachen om de domste grappen en één seconde later uit het hoofd een ruime lap Rilke citeerde. De man die midden in een discussie over de ingewikkelde belichting van een filmscène aan een assistent-regisseur kon vragen: ‘En wat heeft de Gantoise gedaan, vanavond?’. Hoe ik dat hoopte te doen? Con amore, zoals gezegd, en met een zekere method in mijn madness. Ik was niet van plan de geschiedenis te herschrijven maar ik wilde er mij ook niet slaafs aan onderwerpen. Mijn verhaal zou er in principe niet eentje zijn ‘van de wieg tot het graf ’. Al wil de natuur nu eenmaal dat die volgorde meestal wel klopt. Ik heb Claus’ leven en werk proberen te vatten in een aantal beelden, woorden, klanken die zoals gezegd pars pro toto staan voor zijn onmiskenbare grootsheid. Ik heb zijn warmte, zijn verstand, zijn elegantie, zijn humor in het DNA van tentoonstelling en boek trachten te verweven. Mijn droom is om de bezoeker van BOZAR al van voor zijn betreden van het gebouw te verwelkomen met een ad infinitum herhaald filmpje van een petanquespelende Claus in vakantiemodus, vast gelegd door Bram, de zoon van zijn kunstvriend Jan Vanriet. De schrijver doet er een bewonderenswaardige gooi met zijn petanquebal en raakt dan de zogenaamde cochonnet met brio. Dat wil hij ook geweten hebben. Als een reus op lemen voeten neemt hij dansend zijn vertrekplaats weer in. Je voelt veel lichtheid in dat beeld, veel camaraderie, veel zelfspot. Claus vertelde wel eens dat je meer over hem kan leren door hem te zien petanquen dan door zijn hele oeuvre uit te benen. Dat geloof ik graag. Lichtheid, cameraderie en zelfspot. Dat zijn eigenschappen die ik zeer waardeer. Ook in Claus.
21
46
Programmaboekje KVS met artikel ‘Claus gaat naar de VS’, 1959. Letterenhuis, Antwerpen / Koning Boudewijnstichting, Brussel
Hugo Claus voor het vertrek naar New York met de SS United States, Le Havre, 1959. Foto genomen door Jean Jacquet, echtgenoot van Margaret Overzier, jongere zus van Elly Overzier. Letterenhuis, Antwerpen / Koning Boudewijnstichting, Brussel
Brief Holland-Amerika Lijn, 2 oktober 1959. Letterenhuis, Antwerpen / Koning Boudewijnstichting, Brussel
78
Rik Selleslags, Hugo Claus in de Predikherenlei in Gent, 1956
COBRA Was het een warme kermis toen? Was de oneindige wereld na de hongersnood veranderbaar? De gouden snede werd veracht, symmetrie was verraad, kennis ballast en alom doken in beverig gekras, ontdubbelde lijn, gnomen op die tegen elkaar botsten en kraaiden, met Pruisisch blauw bespat, allen met zwart omrande ogen van de Godin Koe. Men speelde een verrukte menswording. Tot te veel beesten graasden, te veel mongolen loeiden, te veel prognaten verfden met hun tenen. Dit zag de Vogelgodin en zij gebood dat men zijn eigen dromen op zou eten. Met deed het. Men werd gedeelte van de koek van de wereld. Men bleef de vogelschrik verven op de verder verlaten speelplaats.
79
Hugo Claus leest, met medewerking van het trio Pim Jacobs, 1961. Literaire grammofoonplaat nr. 1, Philips / De Bezige Bij. Privécollectie
Ed van der Elsken. Hugo Claus, Simon Vinkenoog en Louis Paul Boon voor een schilderij van Asger Jorn en met erotische tijdschriften, tussen 1956 en 1958. Ed van der Elsken Estate, courtesy Nederlands Fotomuseum, Rotterdam
86
Juliette Gréco over SaintGermain-des-Prés in Parijs, in het programma ‘Gros Plan’, RTF, 13 juli 1962. Videostill. INA.fr
Simone de Beauvoir wandelt voorbij het terras van ‘Café De Flore’ in Saint-Germain-des-Prés, in het programma ‘Un certain regard’, RTF, 16 augustus 1970. Videostill. INA.fr
100
Folder Thyestes, KNS, Antwerpen, 1966. Letterenhuis, Antwerpen / Koning Boudewijnstichting, Brussel
Herman Selleslags, Hugo Claus met de ramskop van Roel D’Haese uit Thyestes, 1983. Courtesy de kunstenaar
101
110
Hugo Claus omringd door onder anderen Franรงoise Sagan (links) en Dominique Wilms (rechts), Parijs, 28 maart 1955
Hugo Claus op de set van De Leeuw van Vlaanderen, 1983