Skip to main content

9789401450836

Page 1

Achter de schermen van de Staatsveiligheid en IS


Woord vooraf – Rik Torfs . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7 Proloog . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .11

i infiltrant in verborgen werelden 1 Hoe het begon (augustus 2010–augustus 2014) . . . . . . . . . . . . . . 17 2 De start van een dubbelleven (augustus 2014–december 2014) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 26 3 De Weg Naar (januari 2015–oktober 2015) . . . . . . . . . . . . . . . . . . 45 4 Infiltreren bij is (2015) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 65 5 Terreur in Frankrijk (januari 2015 & november 2015) . . . . . . . 118 ii gecriminaliseerd 1 Een inschattingsfout (november 2015) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 133 2 Aangehouden (11 januari 2016) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 144 3 Topinformatie (februari 2016) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 165 4 Terreur in België (22 maart 2016) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 179 5 Rock bottom (zomer 2016) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 198 6 Scholengroep Brussel (september 2016–heden) . . . . . . . . . . . . 206 7 Veroordeeld (oktober 2016–september 2017) . . . . . . . . . . . . . . 224 Epiloog . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 239 Dankwoord . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 251

5


RIK TORFS

WOORD VOORAF Sommige boeken ter hand nemen kan gevaarlijk zijn. De kans bestaat dat u tot het einde door blijft lezen, ondertussen maaltijden overslaand en uw sociale contacten verwaarlozend. Montasser AlDe’emeh schreef zo’n boek. Hij bespeelt vele registers tegelijk, en doet dat meesterlijk. Het boek is spannend, leest als een trein. De auteur beschrijft zijn contacten met jongeren die aan het radicaliseren zijn, met hun ouders en kennissen, met de Staatsveiligheid, met de pers en met justitie. Hij doet dat met een groot gevoel voor het kleine detail. Dat maakt het verhaal niet alleen persoonlijk, levensecht en spannend, maar helpt ook om de ideeën en drijfveren van mensen beter te begrijpen. In het detail schuilt de synthese. Het verhaal is sterker dan het theoretische betoog. Het boek is moedig. De auteur schuwt kritiek en zelfkritiek niet. Hij vlucht niet in het ene en evenmin in het andere. Daarbij ziet hij zich soms geconfronteerd met moeilijke dilemma’s. Hij kan, wanneer hij voor de Staatsveiligheid werkt, niet met iedereen open kaart spelen. Dat doet soms pijn. Niet op ieder moment kan hij iedereen helpen die hulp verdient of nodig heeft. Ook dat is niet altijd eenvoudig. En kan een informant van de Staatsveiligheid in de context van zijn opdracht een misdrijf begaan? Daarvoor is het juiste wettelijk kader nodig. De auteur laat zien hoe aan de juiste keuze ook nadelen kleven. Dat is een bevrijdende gedachte: het goede heeft zijn donkere kantjes. Het boek legt de vinger op de wonde. Integratie is moeilijk wanneer mensen zich niet begrepen voelen, vervreemd zijn van zichzelf en van de wereld waarin zij leven. Dan gaan ze op zoek naar een andere wereld.

7


Er bestaan talrijke theorieën over de toekomst van onze samenleving: superdivers zal ze zijn. Maar juist daarom moet er niet alleen aandacht worden geschonken aan categorieën of groepen van mensen, maar ook en vooral aan concrete individuen. Ieder mens heeft zijn eigen gebruiksaanwijzing. De in dit boek beschreven gesprekken met scholieren tonen dat duidelijk aan. Angst voor een straffende God vraagt niet meteen om een theoretisch betoog over God, maar om een persoonlijk gesprek met wie in hem geloven. Kennis, begeleiding en veiligheid beschouwt de auteur als de belangrijkste doelstellingen die hij nastreeft. Hoe bereik je die? Met intelligentie en vastberadenheid, eigenschappen waarover Montasser AlDe’emeh zonder meer beschikt. Maar net zo goed met doodgewone vriendelijkheid, een eigenschap die hij ook heeft en die hem tot een innemend mens maakt. In de loop der jaren ben ik vriendelijkheid steeds belangrijker gaan vinden. Wie woedend om een rechtvaardige wereld schreeuwt, oogst misschien oppervlakkig succes, maar tegelijk vervreemdt hij vele mensen en voedt hun angst: kunnen zij in de toekomst zichzelf zijn, worden of blijven? Rechtvaardigheid staat haaks op polarisatie. Een samenleving is des te krachtiger wanneer heel veel, en heel erg verschillende mensen zich erin thuis voelen. Daarvoor zijn bruggenbouwers nodig die rechtvaardig, vriendelijk en geduldig zijn. De auteur van dit boek is zo iemand. Rik Torfs

8


PROLOOG Het is maandagochtend 11 januari 2016, heel vroeg in de ochtend. Ik schrik wakker en spring uit mijn bed, zonder goed te weten wie of wat me gewekt heeft. Dat wordt enkele seconden later duidelijk, wanneer ik iemand hard op mijn voordeur hoor bonken. ‘Doe open!’ ‘Wie is daar?’ roep ik. Ik word de laatste maanden geregeld bedreigd door radicale jihadisten, dus ik ben op mijn hoede voor wraakacties, zelfs om zes uur ’s ochtends. De persoon aan de deur antwoordt iets, maar ik versta hem niet. Ik haast me naar de hal en ga voor de deur staan. Ik vraag nog eens: ‘Wie is daar?’ ‘Politie. Doe open. Doe open!’ Ik open de deur. Ik heb alleen een boxershort aan. Nog voor ik goed en wel zie wie ik voor me heb, staat er al een tiental politieagenten in mijn woonkamer. Terwijl ik in de zetel ga zitten, leest een van de inspecteurs me een huiszoekingsbevel voor. Vanuit een ooghoek zie ik hoe een van haar collega’s in mijn kasten in de woonkamer begint te rommelen. ‘Wilt u misschien even wachten tot uw collega het hele bevel heeft voorgelezen, meneer?’ vraag ik hem. ‘Rustig, jij!’ blaft hij me toe. ‘Dit is nog steeds mijn appartement’, antwoord ik kalm. ‘Neen, dit is nu óns appartement’, daagt hij me uit. Ik ga niet in op zijn provocatie. De vrouwelijke inspecteur meldt me dat ik in verdenking word gesteld wegens valsheid in geschrifte. Zodra ze de woorden ‘valsheid in

11


geschrifte’ laat vallen, weet ik meteen waarover het gaat: de e-mail die ik een paar weken geleden heb verzonden en waarin ik verklaar dat iemand een deradicaliseringscursus heeft gevolgd in mijn kenniscentrum, ook al heb ik de man in kwestie zelf nooit ontmoet. Wat op dat moment niemand weet, is dat die mail voortvloeide uit mijn werk als informant voor de Belgische Staatsveiligheid, na overleg met een van mijn contact­personen. Ik doe geen moeite meer om aandachtig naar het vervolg te luisteren van wat de inspecteur me voorleest. Valsheid in geschrifte? Ze kunnen mij niets maken vanwege die mail, en als er toch problemen van komen, zal de Staatsveiligheid mij wel indekken, denk ik zelfverzekerd. De aanwezige politie-inspecteurs keren mijn hele appartement binnenstebuiten. Een paar van hen bekijken me argwanend, alsof ze blij zijn dat ze me eindelijk ‘gepakt’ hebben. Mijn gsm’s, waaronder een mobiele telefoon van de Staatsveiligheid, twee laptops, mijn camera, de PlayStation van een vriend, mijn usb-sticks, harde schijven, papieren en agenda… Alles wordt in beslag genomen. Terwijl de inspecteurs volop bezig zijn in de woonkamer, ga ik naar mijn slaapkamer, waar ik een conversatie probeer te starten met een andere politieman. ‘Ik ben jullie medestander in de strijd tegen terreur, begrijp je dat niet? Waarom word ik zo hard aangepakt?’ ‘Bij de onderzoeksrechter zul je wel zien waarover het gaat’, is het enige wat hij antwoordt. ‘En wat als zou blijken dat ik voor de Staatsveiligheid werk?’ suggereer ik. ‘Zou je dan geen spijt hebben van wat je nu doet?’ Opnieuw negeert hij mijn vraag. Deze huiszoeking voelt aan als de zoveelste blijk van ondankbaarheid en onbegrip in mijn leven. Ik loop naar de keuken, ga naar de koelkast, doe die open en haal er enkele blikjes cola uit. Ik gebaar naar de inspecteurs dat ze gerust mogen meedrinken. Ik neem een blikje cola, trek het lipje omhoog en neem grote slokken. Ik wek de indruk dat niets mij kan raken, ook al voel ik me tot in het diepst van mijn ziel in de steek gelaten.

12


Ik loop naar het raam waarlangs blauw licht naar binnen valt en kijk naar buiten. Ik zie politiecombi’s, een paar anonieme auto’s, en alle wegen van en naar het plein waar ik woon lijken afgezet. Wat een machtsvertoon… Het lijkt alsof ze een terrorist komen oppakken. Ze hadden me misschien gewoon een uitnodiging kunnen sturen, daar was ik ook wel op ingegaan. ‘Waar staat je auto geparkeerd?’ vraagt een van de politiemannen. Ik wijs hem mijn auto aan door het raam. Ook die willen ze dus doorzoeken. Ik pak de eerste de beste jeans uit de kast en trek een zwart T-shirt met lange mouwen en een zwarte leren vest aan. Een halfuur later word ik geboeid en moet ik mee naar beneden. Eerst vragen ze me om te blijven staan voor de voordeur van mijn appartement op de tweede verdieping. Daarna krijg ik een duwtje, en ik begrijp dat ik de trappen af moet gaan. Ik begin rustig naar beneden te lopen, tot een zwaarbewapende politieman me beveelt halt te houden op de overloop. ‘Wacht hier tot ik beneden ben en je het signaal geef om te volgen.’ Dat scenario herhaalt zich vier of vijf keer. Onderweg naar beneden kom ik in de traphal de Belgisch-Marokkaanse vrouw tegen die samen met haar man op de derde verdieping woont. Ze begint te huilen. Ik probeer haar gerust te stellen, maar ze blijft onrustig. Wat lief dat ze zo bezorgd om me is, denk ik. Ik laat me in alle rust en zonder enig verzet meesleuren. Al vroeg in mijn leven begreep ik dat sommige mensen niet beter weten dan wat ze tot uiting brengen, dat stilte soms de enige gepaste reactie is. Laten ze zich maar vermaken, ík kies het moment waarop ik zal reageren, niemand anders. Als ik buitenkom, moet ik plaatsnemen in een auto met drie inspecteurs. ‘We gaan eerst nog even naar je kenniscentrum om ook daar een huiszoeking te verrichten’, zegt een van hen. Het kenniscentrum ligt aan de Leopold ii-laan, enkele honderden meters van de plek waar ik woon. We rijden ernaartoe met enkele politie­combi’s in ons kielzog. 13


Ik blijf in de auto zitten terwijl de inspecteurs de huiszoeking uitvoeren. Het kenniscentrum is pas tien dagen geleden van Mechelen naar Molenbeek verhuisd en het pand staat nog zo goed als leeg. Veel zullen ze er dus niet vinden. Na nog geen kwartier zijn de inspecteurs al terug. Ze stappen weer in de auto. ‘Nu rijden we naar Mechelen, waar je wordt voorgeleid voor de onder­zoeksrechter.’ Tijdens de rit naar het gerechtsgebouw vraag ik me af hoe ik in hemels­naam op dit punt ben aanbeland.

14


I

INFILTRANT IN VERBORGEN WERELDEN


1

HOE HET BEGON (AUGUSTUS 2010–AUGUSTUS 2014)

In de zomer van 2014 verbleef ik twee weken in het door oorlog geteisterde Syrië, bij Vlaamse en Nederlandse jihadisten van het toenmalige Nusra-Front, een aan Al Qaeda gelieerde groep. (Sinds 2016 noemen ze zichzelf Jabhat Fateh al-Sham, letterlijk ‘Front voor de verovering van de Levant’.) Ik logeerde er bij een tiental jongeren op het platteland ten westen van Aleppo. Iedereen die ik kende had me voor gek verklaard toen ik zei dat ik naar Syrië wilde gaan voor mijn doctoraat, maar dat veldonderzoek leverde me wel unieke kennis op over de netwerken en de motieven van tientallen jihadisten, dingen die ik vanuit België nooit te weten had kunnen komen. Ik was me ervan bewust dat er in Syrië criminele bendes actief waren die buitenlanders kidnapten om ze door te verkopen en dat allerlei jihadistische milities elkaar er onderling bestreden. Ik hield ook rekening met gerichte aanvallen die me het leven zouden kunnen kosten. Maar op de voortdurende bombardementen en de onvoorspelbaarheid van het leven in oorlogsgebied na, verliep mijn reis zonder grote problemen. Al zag het er op een bepaald moment uit alsof het minder goed zou eindigen. Tijdens mijn bezoek aan een van de militaire basissen van het NusraFront werd ik ’s ochtends plotseling meegenomen door twee zwaarbewapende Syrische mannen. Ze duwden me een gepantserd voertuig in, blinddoekten me en brachten me over naar een andere militaire basis. Omdat ik een paar dagen eerder aan de jongens bij wie ik logeerde had gevraagd of het mogelijk was om me in contact te brengen met de leiders van het Nusra-Front, ging ik ervan uit dat ik onderweg was naar een van die leiders. In al mijn naïviteit dacht ik dat de ietwat ruwe behandeling die me te beurt viel een routineprocedure was voor iedereen die een emir wilde spreken. Zou ik over een paar minuten bij hem zitten? Bij de enige echte Abu Muhammad al-Julani, die amper interviews toestond? Ik popelde om hem te vragen hoe hij de integratie van de Belgische jihadisten in het Nusra-Front aanpakte.

17


Na een korte, maar hobbelige rit werd ik uit de auto gehaald. Toen ik tegen een muur werd geduwd en buiten een bom hoorde ontploffen, werd ik pas echt wakker in Syrië anno 2014. Twee gewapende en gemaskerde mannen fouilleerden me en namen me mijn broekriem en mijn notitieboekje af. Ze leidden me een gebouw binnen, waar ik mijn blinddoek eindelijk mocht afdoen. Ik zag een vieze kamer waar duidelijk al maanden geen mens meer was geweest: muffe stoelen, een stoffig bureau, alle gordijnen gesloten. ‘Voilà, dit is het kantoor van onze emir’, lachte de bewaker spottend. Het drong tot me door dat ze me voor de gek hadden gehouden en dat ik helemaal niet op weg was naar een van hun leiders, maar dat ik gearresteerd was. Telkens als ik een van mijn bewakers om uitleg vroeg, kreeg ik als antwoord: ‘Hou je stil, de emir komt zo dadelijk.’ Maar hij kwam niet. Ik zag alleen gemaskerde mannen die de wacht hielden en die elkaar kwamen aflossen. Het was een hete dag in de vastenmaand ramadan. Door de hitte plakte mijn huid aan het stoffige leder. Uren voelden aan als jaren. Ik wist niet waar ik was. Niemand wist waar ik was. Als ze mij hier zouden vasthouden, vreesde ik dat niemand de Belgische autoriteiten, mijn familie en vrienden op de hoogte zou brengen van mijn locatie en de reden waarom ik in de gevangenis was beland. Ik staarde naar het plafond en viel na een tijdje in slaap, loom van de hitte. Tegen de avond verscheen de zogezegde emir toch nog in mijn cel, geflankeerd door een lijfwacht. Hij had een lange baard, lang haar en was heel mager. Ik wist op dat moment niet wie die man was, maar achteraf zou ik vernemen dat het ging om Abu Muhammad al-Shami, een topman van de inlichtingendienst van het Nusra-Front, die beweerde in het verleden aan de zijde van de zelfverklaarde is-kalief Abu Bakr al-Baghdadi te hebben gevochten in Irak. Ik dacht: oef, mijn geduld wordt beloond, ik kan de emir eindelijk interviewen. Maar hij legde zijn wapens neer, ging voor me zitten en begon míj te ondervragen. ‘Waar kom je vandaan?’ vroeg hij streng. ‘Ik ben een Palestijn, geboren in Jordanië en opgegroeid in België.’

18


‘Vertel me meer over jezelf. Wat doe je hier?’ ‘Ik ben promovendus in de politieke en sociale wetenschappen en doe onderzoek naar de westerse Syriëstrijders. Voor mijn onderzoek wilde ik een bezoek brengen aan de Belgische en Nederlandse Syriëstrijders bij het Nusra-Front, om zo genuanceerd mogelijk over hen te kunnen schrijven. Ik schrijf ook artikelen voor een Belgische nieuws­­site.’ ‘Dat klinkt allemaal erg interessant, maar waarom zou ik je geloven?’ Ik toonde hem mijn studenten- en personeelskaart als bewijs dat ik verbonden was aan de universiteit van Leuven en Antwerpen. ‘Waarom vroeg je om in contact te worden gebracht met onze leiders?’ ‘Omdat ik hen wil interviewen, natuurlijk. Dat is toch relevant voor mijn onderzoek?’ Zo ging het nog even door, maar na een tiental minuten leek hij gerustgesteld te zijn over mijn motieven en ging het verhoor meer op een gewoon gesprek lijken. Ik kon hem op mijn beurt een paar vragen stellen, en na zonsondergang nodigde hij me uit om samen de vasten te breken. Tussen het eten door probeerde hij me zelfs te rekruteren voor Al Qaeda in Syrië. ‘Sluit je aan bij onze rangen. We maken je meteen commandant in Noord-Syrië en daarna kun je snel opklimmen in de hiërarchie. De aansluiting van een Belgisch-Palestijnse onderzoeker als jij zou een ware overwinning betekenen voor het leger van de islam.’ Ik kon natuurlijk niet zeggen dat ik zijn ideologie verwerpelijk vond, dus ik bedankte hem voor zijn voorstel en zocht een aannemelijke uitvlucht. ‘Ik wil mijn doctoraat afronden en mijn zieke ouders kunnen mijn steun in België momenteel goed gebruiken’, zei ik. Daar leek hij zich bij neer te kunnen leggen. Na een kwartiertje kwamen er weer bewakers binnen. Ik werd opnieuw geblinddoekt, naar buiten geleid en in de auto teruggebracht naar de verblijfplaats van de Belgische jihadisten. Toen pas werd mij verteld dat ik verdacht werd van spionage voor de Belgische of Jordaanse

19


geheime dienst. Mijn samenwerking met de Belgische Staatsveiligheid zou echter pas weken later starten, nadat ik al lang weer veilig in België was. Met de Jordaanse geheime dienst had ik de voorbije maanden wel al gesprekken gevoerd. Abu al-Maqdisi, een Nederlandse jihadist van Al Qaeda die mij niet vertrouwde en die niet ver woonde van de plek waar ik verbleef, had me blijkbaar aangegeven. Gelukkig heeft de Antwerpse jihadist Abu Dawud het toen voor me opgenomen en werd ik dankzij zijn bemiddeling vrijgelaten. In het gebied waar ik verbleef, was Abu Dawud een van de hoogste militaire commandanten van het Nusra-Front, dus er werd wel naar hem geluisterd. Hij vertrouwde mij en nodigde me zelfs uit op het geboortefeest van zijn kindje. Tijdens mijn veldonderzoek was zijn elleboog verbrijzeld en met ijzeren pinnen vastgezet, maar toch trok hij nog mee naar het front. Intussen is hij gedood, heb ik vernomen. Een paar dagen nadat ik werd opgepakt en ondervraagd door Al-Shami heb ik Syrië verlaten. Niet, zoals gepland, via de grensovergang bij Bab el-Hawa, want die was tijdelijk gesloten na schermutselingen. Maar mijn vlucht vertrok de volgende dag en dus kon ik niet langer wachten. Ik hield het trouwens ook geen seconde langer uit in die hel. Ik ben het land illegaal uit gevlucht, als een dief in de nacht, via het platteland van Idlib en Reyhanlı, al rennend door de boomgaarden en langs een Turkse grenswachtpost, voortdurend bang om neergeschoten te worden. Dat ik op de luchthaven niet ben tegengehouden of gecontroleerd, niet in Hatay, niet in Istanbul en niet in Zaventem, doet me sterk vermoeden dat de inlichtingendiensten mij toen al in het vizier hadden en groen licht hebben gegeven voor een vlotte terugreis naar België. Ik kan het anders niet verklaren, want ik deed op dat moment echt mijn best om er als een jihadist uit te zien. De mensen op de luchthaven en in het vliegtuig waren vast doodsbang toen ze me zagen, met mijn lange baard en mijn kleren onder de modder. Ze zullen me bij de Staatsveiligheid sowieso wel gescreend hebben, maar ik denk dat ze redeneerden: laat hem zijn gang maar gaan, als hij erin slaagt om levend terug te keren uit Syrië, kan hij nog waardevol voor ons zijn.

20


Na mijn terugkeer naar België heb ik mijn baard bewust een tijdje laten staan. Ik wilde indruk maken op geradicaliseerde moslims, als de man die het lef had gehad om naar Syrië te reizen en die ook nog eens ongeschonden was teruggekomen. Ik koketteerde met de muts die een Belg me in Syrië had gegeven en nam in de media radicale standpunten in over de toestand in Gaza. Die strategie werkte: veel geradicaliseerde moslims begonnen naar me op te kijken. En eigenlijk was het in die periode ook mijn bedoeling om de aandacht te trekken van de veiligheidsdiensten, want ik hoopte al langer dat ze me zouden benaderen, net zoals de Jordaniërs dat hadden gedaan. Maar na een tiental dagen kon ik het niet meer, ik was het beu om mij als jihadistenknuffelaar te gedragen. Toen heb ik mijn baard afgeschoren. Het voelde aan als een louterend ritueel, alsof ik samen met die baard ook een deel van de spanning en de gruwelen van de voorbije weken verloor. Voor veel radicale jongeren was dit echter een teken dat ik toch niet te vertrouwen was. Na een televisieoptreden kort na mijn terugkeer postte een meisje op het internet: ‘Dus voor deze murtad/kaafir [afvallige, ongelovige] is de baard alleen een tactiek. Moge Allah hem vervloeken!’ Een van de Belgische jihadisten met wie ik in contact stond, had het filmpje ook gezien en lachte me uit met mijn ‘homokapsel’ en ‘gladgeschoren kaken als een meisje’. Een ‘echte’ moslim zou in hun ogen nooit zijn baard afscheren. Volgens de islamitische traditie moeten moslims de levens­ wijze van de profeet zo veel mogelijk benaderen, ook zijn uiterlijk. Ik kon me gelukkig verstoppen achter het excuus dat ik mijn baard had afgeschoren omdat ik kort daarna naar Gaza zou reizen en omdat ik geen problemen wilde op de luchthaven Ben Gurion in Tel Aviv, maar het wantrouwen bleef. En toen de Verenigde Staten op 23 september 2014, ongeveer een maand na mijn vertrek uit Syrië, de militaire basissen van het Nusra-Front die ik had bezocht bombardeerden, dachten de lokale strijders natuurlijk dat ik wél een spion was geweest en hun locaties via de Belgen of de Jordaniërs had doorgegeven aan de cia. Het leverde me een heleboel beschuldigingen en doodsbedreigingen op. In de nasleep van die gerichte Amerikaanse bombardementen, waarbij ook drie Nederlandse jihadisten zouden zijn omgekomen, riep de ondertussen

21


omgekomen Abu Muhammad al-Hollandi, die ik tijdens mijn veld­ onderzoek twee weken lang had gevolgd, op tot een ‘stevige daad’ tegen de Nederlandse overheid. Op dat moment was het voor velen opmerkelijk dat net de stellingen van het Nusra-Front, dat in een strijd verwikkeld was geraakt met is, werden gebombardeerd. In werkelijkheid was de Khorasan-cel het doel van de Amerikanen, een tak van het Nusra-Front die westerse jihadisten rekruteerde voor aanslagen in het Westen. De leider van die cel zou de Koeweiti Muhsin al-Fadhli zijn geweest, die bij een gerichte luchtaanval werd gedood. Ook Mohammed Emwazi, beter bekend onder de naam Jihadi John, zou voor zijn aansluiting bij is contact hebben gehad met de cel. Achteraf bekeken denk ik dat ik nooit naar Syrië was gegaan als mijn huwelijk stand had gehouden en als ik gelukkig was geweest. Op 6 augustus 2010 was ik, na jaren van verlangen, eindelijk getrouwd met Tina, het Saoedische meisje dat ik op mijn dertiende had ontmoet in Jordanië en op wie ik toen halsoverkop verliefd was geworden. Ik had een paar zomervakanties keihard gewerkt en gespaard om de bruidsschat te kunnen betalen en ik had uitgekeken naar het moment van ons huwelijk, want sinds die eerste ontmoeting had ik Tina voortdurend geïdealiseerd. Algauw bleek echter dat ik naïef was geweest en dat wij helemaal niet bij elkaar pasten. Wat wil je ook, we kenden elkaar nauwelijks… We woonden eerst in Jordanië en Saoedi-Arabië, maar verhuisden toen naar België en gingen in Vorst wonen. Ik wilde mijn opleiding aan de ku Leuven afwerken en daarna nog een jaar marketing of economie studeren, want dat zou garant staan voor meer stabiliteit en een hoger inkomen. Daarna konden we misschien terugkeren naar Saoedi-Arabië. Met mijn Belgische diploma’s zou ik er een goede baan kunnen vinden en zouden we aan de Perzische Golf een rustig leventje kunnen leiden. Nadat er in onze flat in Vorst werd ingebroken, verhuisden Tina en ik naar een ander appartementje in Molenbeek. Maar de nieuwe start mocht niet baten: hoe graag ik het ook anders had gewild, ik moest voor mezelf toegeven dat onze relatie niet werkte. We stonden gewoon

22


op een te verschillende manier in het leven. Ik werd er doodongelukkig van en Tina ook. We hebben het drie jaar lang geprobeerd, maar nog voor de voorjaarsbloemen van 2013 begonnen te bloeien, is ze teruggekeerd naar haar familie in Dammam, in het olierijke oosten van SaoediArabië, en zijn we gescheiden. Ik nam haar niets kwalijk, maar ik viel in een gat, had opeens tijd over. Ik voelde de behoefte om mijn grenzen te verleggen, ook al hield dat gevaar in. Het leek alsof ik pas geborgenheid zou vinden door roekeloos los te komen van alles en iedereen. De eerste weken na mijn terugkeer uit Syrië en Gaza had ik het emotioneel nog moeilijker dan na mijn scheiding. Ik sliep slecht en schrok geregeld wakker na een nachtmerrie, gedesoriënteerd en in paniek. Het was alsof mijn geest ’s nachts alle gruwelen wilde verwerken die ik overdag probeerde te vergeten. Het was in die periode, in de nazomer van 2014, dat ik een uitnodiging van de Staatsveiligheid in mijn brievenbus vond. Ik werd vriendelijk verzocht contact op te nemen met een zekere K., ‘inspecteur bij de Veiligheid van de Staat’. Op de brief stond ook zijn gsm-nummer vermeld. Die brief was een opsteker van formaat, want ik keek er al lang naar uit om met de Staatsveiligheid in contact te komen. Zo’n anderhalf jaar eerder had ik hun al eens een spontane sollicitatie gestuurd, maar daar was toen geen reactie op gekomen. Het was op dat moment ook zo’n beetje mijn plan B geweest. Ik was in 2012 aan de ku Leuven magna cum laude afgestudeerd als master in de arabistiek en islamkunde. Daarna wilde ik graag doctoreren bij professor Kim Van der Borght aan de Vrije Universiteit Brussel. Ik had een onderzoeksvoorstel ingediend over de wettigheid van de blokkade in Gaza vanuit internationaalrechtelijk perspectief. Tot mijn grote verbazing en blijdschap werd dat voorstel geaccepteerd, maar aangezien ik geen rechten had gestudeerd, moest ik eerst nog de master-na-masteropleiding internationaal en Europees recht volgen om in de rechten te kunnen promoveren. Dat zag ik toen niet zitten, het moest allemaal snel gaan voor mij. Ik was rusteloos en had geen geduld. Werken voor de Staatsveiligheid sprak me toen ook al aan – het leek me cool om in geheime kringen te opereren, en ik dacht dat ze

23


misschien wel geïnteresseerd zouden zijn in iemand met mijn profiel. Ergens op het internet had ik gelezen dat ze een bijzondere interesse aan de dag legden voor studenten arabistiek en voor mensen die, net als ik, in Saoedi-Arabië hadden gestudeerd. Misschien hadden ze zelfs al een dossier over mij. Ik ging er ook van uit dat ze mijn familie, vluchtelingen uit Palestina, sowieso een tijdlang in de gaten hadden gehouden, want in die periode werden Palestijnen nog volop beschouwd als potentieel staatsgevaarlijke individuen, verantwoordelijk voor vliegtuigkapingen, het bloedbad tijdens de Olympische Spelen van 1972 in München en andere aanslagen. In gedachten zag ik mezelf al helemaal in de rol van geheim agent of spion. Ik ging naar een internetcafé in Molenbeek, waar ik de eerste stap zou zetten in mijn nieuwe, avontuurlijke leven: ik maakte een mailadres aan en verzond mijn sollicitatie naar de Staatsveiligheid – anoniem, maar met de vermelding dat ik mijn identiteitsgegevens zou meedelen als de dienst geïnteresseerd was in mijn kennis. Als ik er nu op terugkijk, besef ik dat het niet verstandig was om anoniem te solliciteren, maar toen leek het me een goed idee om zelf ook wat geheimzinnigheid aan de dag te leggen. Ik ging een week lang dagelijks naar het internetcafé om te kijken of de mensen van de Staatsveiligheid al hadden geantwoord, maar tevergeefs. Al mijn enthousiasme ten spijt, bleek het toch niet zo vanzelfsprekend te zijn om contact te leggen met de Belgische inlichtingendienst. Omdat ik geen reactie had gekregen op mijn sollicitatiemail, besloot ik het volgende academiejaar een nieuwe poging te wagen om te doctoreren, aan de Universiteit Antwerpen dit keer, waar ik graag wilde samenwerken met professor en filosoof Ludo Abicht. Ik had weleens een interview met hem gelezen en vond hem een boeiende, intelligente man. Mijn onderzoeksvoorstel over Vlaamse Syriëstrijders werd in de nazomer van 2013 goedgekeurd, zodat ik op 1 oktober aan mijn doctoraat kon beginnen onder begeleiding van Ludo Abicht en Tom Sauer. Een paar weken later werd ik ook als wetenschappelijk medewerker aangesteld aan de ku Leuven, in het team rond professor John Nawas, dat de ideologische bouwstenen en inhoudelijke kenmerken

24


van islamitische radicalisering onderzocht. Dat onderzoek vond plaats in opdracht van de federale overheidsdienst Binnenlandse Zaken, maar de resultaten zullen ook wel bij de inlichtingen- en veiligheidsdiensten beland zijn. (In januari 2018 zou de Staatsveiligheid onder andere dit onderzoek gebruiken als basis voor het lexicon van woorden gebruikt door de salafisten voor de brochure die ze verspreidden om mensen bewust te maken van het salafisme in ons land.) Het was ook toen, tijdens mijn job als wetenschappelijk medewerker, dat ik voor het eerst een sympathisant van Sharia4Belgium tegen het lijf liep. Die radicale moslimorganisatie was op 3 maart 2010 opgericht door Fouad Belkacem (Abu Imran, °1982) en de intussen in Syrië gedode jihadist Feisal Yamoun (Abu Faris, °1984) en won de daaropvolgende jaren snel aan populariteit in Antwerpen. Sharia4Belgium was geïnspireerd door de verboden Londense jihadistisch-salafistische beweging Islam4UK. Ze hadden niet toevallig voor 3 maart gekozen als oprichtingsdatum: dat was de dag waarop in 1924 het Ottomaanse Rijk viel, het eens zo machtige rijk waarin de sharia van kracht was. Sharia4Belgium wilde terugkeren naar de tijd van de grote kalifaten, die volgens hen gouden perioden in de islamitische geschiedenis mogelijk hadden gemaakt. Ze namen radicale standpunten in over de rol van de islam in de samenleving, ze verwierpen de democratie, verheerlijkten de gewapende jihad en riepen op tot het implementeren van een strenge interpretatie van de sharia – zelfs hier in België – en tot haat tegen niet-moslims. Ik ontmoette die Sharia4Belgium-aanhanger bij de bibliotheek van de Letterenfaculteit in Leuven, waar hij de opleiding arabistiek en islamkunde volgde. Hij droeg een lange baard en een lang gewaad en wilde met mij in discussie gaan nadat ik kritiek had gegeven op Sharia4Belgium. Ik ging er niet op in, want ik wilde op dat moment niets te maken hebben met die organisatie. Ik zocht pas in het voorjaar van 2014 toenadering, tijdens de voorbereiding op mijn Syrische veld­ onderzoek. En wat me voorheen niet was gelukt, lukte dit keer wel: dankzij mijn toegenomen kennis over en contacten in het jihadistenmilieu gingen de deuren naar de complexe wereld van de Staatsveiligheid anderhalf jaar na mijn onbeantwoorde sollicitatie alsnog voor mij open.

25


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401450836 by Uitgeverij Lannoo - Issuu