Skip to main content

9789401450201

Page 1

Het ellendige eerste boek


Het duistere derde boek Vertaald door Huberte Vriesendorp Met tekeningen van Brett Helquist


www.lannoo.com Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveel­ voudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2018 ISBN 978 94 014 5020 1 D/2018/45/169 NUR 282/283 Oorspronkelijke titel A Series of Unfortunate Events – The Wide Window © Oorspronkelijke uitgever HarperCollins, 2000 Tekst copyright © Daniel Handler, onder het pseudoniem Lemony Snicket, 2000 Illustraties copyright © Brett Helquist, 2000 en 2018 (omslagsilhouet) Vormgeving: Studio Lannoo en Mieke Smalle © Nederlandse editie Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2018 © Vertaling Huberte Vriesendorp


Voor Beatrice – Ik had je liever in leven en welzijn gezien.


ls je niets wist van de Baudelaire-wezen en je had ze op de Damocleskade op hun koffertjes zien zitten, dan had je misschien gedacht dat hun een spannend avontuur te wachten stond. Per slot van rekening kwamen de drie kinderen net van de Vuige Veerpont, die hen het Melancholiameer had overgezet om bij hun tante Jozefien te gaan wonen, en in de meeste gevallen kan zoiets tot leuke, spannende belevenissen leiden. Maar dan had je het natuurlijk helemaal mis gehad. Want al zouden Violet, Claus en Roosje Baudelaire dingen meemaken die zowel opwindend als gedenkwaardig waren, het zou niet opwindend en gedenkwaardig worden zoals wanneer je iemand je toekomst laat voorspellen of naar een

9


rodeo gaat. Hun avontuur zou zo opwindend en gedenkwaardig worden als midden in de nacht opgejaagd worden door een weerwolf, dwars door een veld vol stekelige struiken en zonder iemand in de buurt om je te helpen. Als je houdt van verhalen met leuke, spannende belevenissen, moet ik je tot mijn spijt vertellen dat je bijna zeker het verkeerde boek leest, want de Baudelaires maken bitter weinig leuks mee in de loop van hun sombere en ongelukkige leven. Het is echt verschrikkelijk, al die rampspoed, zo verschrikkelijk dat ik me er nauwelijks toe kan brengen erover te schrijven. Dus als je geen zin hebt in een verhaal vol drama en droefenis, dan is dit je allerlaatste kans om dit boek weg te leggen, want het ongeluk van de Baudelaire-wezen slaat al in de volgende alinea toe. ‘Kijk eens wat ik voor jullie heb’, zei meneer Poe en hij hield hun, grijnzend van oor tot oor, een wit zakje voor. ‘Pepermuntjes!’ Meneer Poe was een bankier die belast was met de zorg voor de Baudelaire-wezen na de dood van hun ouders. Meneer Poe had een goed hart, maar in deze wereld is een goed hart niet genoeg, vooral niet als je de verantwoordelijkheid hebt kinderen voor gevaren te

10


behoeden. Meneer Poe kende de kinderen al sinds hun geboorte, maar vergat altijd dat ze allergisch waren voor pepermunt. ‘Dank u wel, meneer Poe’, zei Violet. Ze nam het zakje aan en keek erin. Zoals de meeste veertien­ jarigen had Violet veel te goede manieren om te zeggen dat ze al van één pepermuntje een allergische reactie zou krijgen, wat hier betekent dat ze binnen een paar uur onder de jeukende rode vlekken zou zitten. Bovendien was ze in gedachten druk bezig met uitvinden en besteedde ze dus geen aandacht aan meneer Poe. Iedereen die Violet kende, wist dat wanneer haar haar met een lint bijeengebonden zat om het uit haar ogen te houden, zoals nu, haar gedachten vol zaten met tandwielen, raderen, hefbomen en andere dingen die nodig zijn bij uitvindingen. Op dit moment zat ze te bedenken hoe ze de motor van de Vuige Veerboot zo kon verbeteren dat hij niet langer dikke rookwolken in de grijze lucht zou uitbraken. ‘Heel vriendelijk van u’, zei Claus, de middelste Baudelaire, en hij glimlachte naar meneer Poe, ook al wist hij dat één klein likje pepermunt zijn tong zo zou doen opzwellen dat hij haast geen woord meer

11


zou kunnen uitbrengen. Claus zette zijn bril af en wenste dat meneer Poe in plaats van pepermunt een boek of een krant voor hem had meegebracht. Claus was een gulzige lezer. Toen hij op zijn achtste tijdens een verjaarspartijtje achter zijn pepermunt­ allergie was gekomen, had hij meteen alle boeken van zijn ouders over allergieën gelezen. Zelfs vier jaar later kon hij nog alle scheikundige formules opzeggen die maakten dat zijn tong opzwol. ‘Toi!’ gilde Roosje. De jongste Baudelaire was nog maar een baby, en zoals veel baby’s zei ze meestal woorden die moeilijk te begrijpen waren. Met ‘Toi’ bedoelde ze waarschijnlijk: ‘Ik heb nog nooit peper­ munt gegeten omdat ik vermoed dat ik daar net zo allergisch voor ben als mijn broer en zus’, maar dat was moeilijk uit te maken. Ze kon ook zoiets bedoelen als: ‘Ik wou dat ik op een pepermuntje kon bijten, omdat ik graag op dingen bijt met mijn vier scherpe tanden, maar ik wil niet het risico nemen dat ik een allergische reactie krijg.’ ‘Dan hebben jullie wat te snoepen in de taxi op weg naar het huis van mevrouw Anfluit’, zei meneer Poe hoestend in zijn witte zakdoek. Meneer Poe leek altijd verkouden te zijn en de Baudelaire-

12


wezen waren eraan gewend informatie van hem te krijgen tussen hoestaanvallen en niesbuien door. ‘Het spijt haar dat ze jullie niet van de kade komt ophalen, maar ze zegt dat ze er bang voor is.’ ‘Waarom zou ze bang zijn voor een kade?’ vroeg Claus en keek om zich heen naar de houten aanlegsteigers en zeilboten. ‘Ze is bang voor alles wat met het Melancholiameer te maken heeft,’ zei meneer Poe, ‘maar ze heeft me niet verteld waarom. Misschien heeft het iets met de dood van haar man te maken. Jullie tante Jozefien – ze is natuurlijk geen echte tante van jullie; ze is de schoonzuster van jullie achterneef, maar ze heeft gevraagd of jullie haar tante Jozefien willen noemen – jullie tante Jozefien heeft onlangs haar man verloren, en misschien is hij verdronken of omgekomen bij een scheepsramp. Het leek me niet erg beleefd haar te vragen hoe ze douairière is geworden. Nou, laten we jullie maar in een taxi zetten.’ ‘Wat betekent dat woord?’ vroeg Violet. Meneer Poe keek Violet aan en trok zijn wenkbrauwen op. ‘Daar sta ik van te kijken, Violet’, zei hij. ‘Een meisje van jouw leeftijd zou toch moeten weten dat een taxi een auto is waarmee je tegen betaling

13


ergens heen gereden wordt. Laten we jullie bagage verzamelen en naar de rand van de stoep lopen.’ ‘Douairière is een duur woord voor weduwe’, fluisterde Claus tegen Violet. ‘Bedankt’, fluisterde ze terug. Ze pakte haar koffertje vast met haar ene hand en Roosje met de andere. Meneer Poe zwaaide met zijn zakdoek door de lucht om een taxi aan te houden en even later propte een taxichauffeur alle Baudelaire-koffers in de achterbak en meneer Poe de Baudelairekinderen op de achterbank. ‘Ik neem hier afscheid van jullie’, zei meneer Poe. ‘De bank is al geopend en als ik met jullie meega naar tante Jozefien, dan komt er vandaag helemaal niets meer uit mijn handen. Doe haar alsjeblieft mijn hartelijke groeten en zeg haar dat ik regel­matig contact zal houden.’ Meneer Poe hield even op om in zijn zakdoek te hoesten voor hij verderging. ‘Jullie tante Jozefien maakt zich er wel een beetje zorgen over dat ze drie kinderen in huis neemt, maar ik heb haar verzekerd dat jullie drie heel goed opgevoede kinderen zijn. Denk erom dat jullie je netjes gedragen, en zoals altijd kunnen jullie me bellen of faxen op de bank als zich een of ander

14


probleem voordoet. Al kan ik me niet voorstellen wat er dit keer mis zou kunnen gaan.’ Bij de woorden ‘dit keer’ keek meneer Poe de kinderen veelbetekenend aan, alsof het hun schuld was dat hun arme oom Monty dood was. Maar de Baudelaires waren te zenuwachtig over de ontmoeting met hun nieuwe voogd om meer tegen meneer Poe te zeggen dan ‘Tot ziens’. ‘Tot ziens’, zei Violet terwijl ze de pepermuntjes in haar zak stopte. ‘Tot ziens’, zei Claus met een laatste blik op de Damocleskade. ‘Frul!’ krijste Roosje kauwend op de gesp van haar autogordel. ‘Tot ziens’, zei meneer Poe, ‘en veel geluk. Ik zal aan de Baudelaires denken zo vaak ik maar kan.’ Meneer Poe gaf geld aan de taxichauffeur en zwaaide naar de kinderen toen de taxi wegreed van de kade en een grijze straat met hobbelige keien insloeg. Er was een klein kruidenierswinkeltje met tonnetjes citroenen en bieten ervoor. Er was een kledingzaak die ‘Kijk! Het past!’ heette en zo te zien verbouwd werd. Er was een vreselijk restaurant dat ‘De Tobbende Clown’ heette, met neonlichten en

15


ballonnen in de etalage. Maar veel zaken en winkels waren afgesloten met planken of metalen hekken voor de ramen en deuren. ‘Het lijkt me geen erg druk dorp’, merkte Claus op. ‘Ik had gehoopt dat we hier nieuwe vrienden konden maken.’ ‘Het is buiten het seizoen’, zei de taxichauffeur. Hij was een dun mannetje met een dun sigaretje dat uit zijn mond hing, en terwijl hij met de kinderen praatte, keek hij ze aan via het achteruitkijk­ spiegeltje. ‘Melancholia is een vakantiedorp. Wanneer het lekker weer wordt, is het hier stampvol. Maar rond deze tijd is het net zo doods als de kat waar ik vanmorgen overheen gereden ben. Om nieuwe vrienden te maken zul je moeten wachten tot het weer een beetje opknapt. Over weer gesproken, de orkaan Onno wordt over een week hier verwacht. Zorg er dus maar voor dat jullie daarboven genoeg te eten hebben.’ ‘Een orkaan op een meer?’ vroeg Claus. ‘Ik dacht dat orkanen alleen maar bij de oceaan voorkwamen.’ ‘Op een meer zo groot als het Melancholiameer kan van alles gebeuren’, zei de chauffeur. ‘Eerlijk gezegd zou ik niet graag op deze heuvel wonen.

16


Wanneer de orkaan toeslaat, zal het heel moeilijk worden om dat hele eind terug naar beneden te rijden naar het dorp.’ Violet, Claus en Roosje keken uit het raam en zagen wat de chauffeur bedoelde met ‘dat hele eind terug naar beneden’. De taxi was een laatste bocht omgegaan en reed de rotsige top van een hoge, hoge heuvel op en de kinderen zagen diep onder zich het dorpje liggen. Ze zagen de straat met de grijze keien rond de gebouwen kronkelen als een grijs slangetje waar mensen als kleine stipjes overheen liepen. En achter de kade lag de inktzwarte vlek van het Melancholiameer, uitgestrekt en donker alsof een monster zich boven de drie weeskinderen verhief en een reusachtige schaduw omlaag wierp. Een paar seconden staarden de kinderen naar het meer alsof ze gehypnotiseerd waren door de enorme vlek in het landschap. ‘Wat is dat meer geweldig groot’, zei Claus. ‘En het lijkt zo diep. Ik kan bijna begrijpen waarom tante Jozefien er zo bang voor is.’ ‘De dame die hier woont is bang voor het meer?’ vroeg de taxichauffeur. ‘Dat is ons verteld’, zei Violet.

17


De chauffeur schudde zijn hoofd en stopte de taxi. ‘Dan begrijp ik niet hoe ze het hier uithoudt.’ ‘Hoe bedoelt u?’ vroeg Violet. ‘Bedoel je dat jullie nog nooit in dit huis zijn geweest?’ vroeg hij. ‘Nee, nog nooit’, antwoordde Claus. ‘We hebben tante Jozefien zelfs nog nooit ontmoet.’ ‘Als jullie tante Jozefien bang is voor het water,’ zei de chauffeur, ‘dan kan ik me niet voorstellen dat ze in dit huis blijft wonen.’ ‘Waar hebt u het over?’ vroeg Claus. ‘Nou, kijk zelf maar’, zei de chauffeur en hij stapte uit. En de Baudelaires keken. Eerst zagen de drie we­ zen alleen maar een soort vierkante doos met een afbladderende witte deur en leek het huis niet veel groter dan de taxi die hen hierheen had gebracht. Maar toen ze uit de taxi stapten en dichterbij kwamen, zagen ze dat deze doos het enige deel van het huis was dat op de heuvel stond. De rest van het huis – een grote stapel vierkante dozen, die als ijsblokjes aan elkaar gekleefd zaten – hing over de rand en zat vast aan de heuvel met lange metalen stelten die net spinnenpoten leken. Toen de drie wees­kinderen

18


neerkeken op hun nieuwe thuis, kregen ze het gevoel dat het hele huis zich wanhopig vastklampte aan de heuvel om niet naar beneden te vallen. De taxichauffeur haalde hun koffertjes uit de achter­ bak, zette ze neer voor de afbladderende witte deur en reed weg met een ‘Toet!’ van zijn toeter ten afscheid. De afbladderende witte deur ging zacht piepend open en achter de deur verscheen een bleke vrouw met haar witte haar in een knotje boven op haar hoofd. ‘Hallo’, zei ze met een dun glimlachje. ‘Ik ben jullie tante Jozefien.’ ‘Hallo’, zei Violet voorzichtig en ze stapte over de drempel op hun nieuwe voogd af. Achter haar stapte Claus ook over de drempel en Roosje kroop achter hem aan over de drempel, maar alle drie de Baudelaires deden het heel behoedzaam, alsof het huis door hun gewicht over de rand naar beneden kon tuimelen. De wezen konden er niets aan doen dat ze zich afvroegen hoe een vrouw die zo bang was voor het Melancholiameer in een huis kon wonen dat je het gevoel gaf dat het elk ogenblik naar beneden kon storten in het diepe water.

19


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401450201 by Uitgeverij Lannoo - Issuu