Overstekers 2
Petra Doom
Overstekers 2
Proloog
H
et alarm begon in zijn oortje te gillen op het moment dat hij er het minst op bedacht was. De club was nog niet erg lang open en het was een rustige avond geweest. Op het grote podium zat een jazzorkestje te spelen. Zachte ritmes en klaaglijke tonen vormden de achtergrond voor de warme stem van de zangeres, die gekleed was in een enkellange, roodzijden jurk. Ze liep over het podium terwijl ze zong, zodat het publiek haar karamelkleurige, blote rug goed kon zien, leunde nu eens tegen de stoel van de contrabassist en liet dan weer een hand door het haar van de saxofoonspeler glijden. Haar stem klom van de zwoele dalen naar de intense hoogtes van het nummer, en miste geen noot terwijl ze knipoogde naar een gefascineerde toehoorder. Binnen een halfuurtje zou de meer opzwepende dansvoorstelling beginnen. Er druppelden nog steeds gasten binnen. Vrouwen gekleed in zwarte tule en glanzend rood of donkerpaars satijn, mannen in lichte pakken. Veel donker omrande ogen, hier en daar een wandelstok. De burleske avonden lokten een publiek dat zich graag tot in de puntjes uitdoste, zelfs al zouden ze later op de avond het merendeel van hun kleren uittrekken. Hij liep naar het loungegedeelte en scande de gezichten. Hier was het al druk. Overstekers waren zoals altijd in de meerderheid, maar er waren meer mensen dan gewoonlijk. Hij haalde hen er altijd gemakkelijk uit. Het was die hunkering op hun ge-
5
zicht, de hoop dat ze glimpen opvingen van een andere, kleurrijkere wereld en dat wat ze in de Crystal zagen echt was. Als ze zouden weten dat die hoop terecht was, zou de helft van hen niet weten hoe hard ze moesten wegrennen. Saïda hief een glas naar hem, haar ifrietenogen met de vlammende irissen onverhuld. Het drankje was groen. Hij klemde geërgerd zijn kaken op elkaar. Ze zette haar glas neer, glimlachte naar de mensenvrouw die naast haar zat, en doopte een suikerklontje in de alcohol. Daarna legde ze het op een zilveren lepeltje en blies erop om het in brand te steken. Gekaramelliseerde suiker droop naar beneden. Cazzo. Hij had nog wel gedacht dat ze er deze avond van verschoond zouden blijven, nu die verdomde beeldhouwer zijn gezicht niet had laten zien. Het werk van Serge Beauregard was volgens kenners briljant. De man stond bekend om zijn uitspattingen en zijn claim dat hij daardoor de werkelijkheid beter zag dan anderen. Op de eerste burleske avond had hij zijn hele entourage aan de zuip gezet met absint. Sindsdien was dat het officieuze themadrankje geworden. Dat leek op het eerste gezicht goed voor de verkoop, maar niet iedereen was bestand tegen veertig procent alcohol. Kotsende imbecielen waren funest voor een sensuele sfeer. Een luidruchtige stem uit de andere zaal trok zijn aandacht. Hij liep met snelle passen terug naar de bar. ‘Niet veel mensen beseffen dat de kleur vroeger ontstond doordat er koper werd toegevoegd. Puur vergif, en dat goten ze zo naar binnen!’ Er was er altijd wel een, een vent die dacht dat hij interessanter was dan de rest. Al aangeschoten of gewoon een blaaskaak. Meestal kwamen ze aan het begin van de avond, of, zoals nu, net op het moment dat de sfeer op het punt stond intiemer te worden. Deze was gekleed in een opzichtig donkerrood pak.
6
Waarschijnlijk gehuurd, te zien aan de ongemakkelijke manier waarop hij zijn armen bewoog. Hij had een gezelschap van twee vrouwen en mannen bij zich, tot wie hij zijn betoog richtte. De jonge barman leunde voorover. Snel en bijna onmerkbaar ademde hij twee keer via zijn mond in. Genoeg voor een nāga om de man via zijn geur te herkennen als een mens. ‘Meneer, ik verzeker u…’ Zijn zachte stem was gewoonlijk al genoeg om luidruchtige klanten te sussen. ‘Geen wonder dat het bekendstond als een duivelsdrank!’ ‘Meneer’, herhaalde de barman vriendelijk. ‘Ik verzeker u dat we alleen goedgekeurde absint schenken. Maar we hebben een hele kaart. Is er iets bij wat u meer bevalt?’ De man sloeg geen acht op hem. ‘Natuurlijk waren kunstenaars er juist daarom gek op. “De groene fee” noemden ze het. Klinkt prachtig, toch?’ Hij wierp een veelbetekenende blik op de twee vrouwen naast hem, die hem negeerden. Ze leken meer begaan met het gladstrijken van elkaars haar. De andere gasten bij de bar bewogen onrustig. Met zijn lulverhaal hield die kerel iedereen achter zich gegijzeld. Zolang hij niet bestelde, konden zij dat ook niet doen. Hij stapte achter de bar, gebaarde naar de barman om de eerstvolgende te gaan bedienen en kapte de woordenvloed af met een koele blik. ‘U had een vraag?’ De man knipperde even terwijl de barman uit beeld schoof om een margarita te gaan mixen voor een sylphide in lichtblauwe organza. Niet bepaald in overeenstemming met de dresscode. Alweer. Hij zou straks wel een discreet praatje met haar gaan maken. De sylphiden waren geen klanten om tegen je in het harnas te jagen. ‘Een vraag?’ De man streek onzeker over zijn haar, dat meteen terugveerde door de gel die erin zat. Toen wierp hij een blik op de
7
twee vrouwen en mannen die naast hem stonden. Hij glimlachte superieur. ‘Ik wilde alleen zeker weten of de absint die jullie schenken ook ereprijs bevat, of alleen Artemisia pontica…’ De mond van de man bewoog nog, maar de tweede helft van de vraag verdronk in het oorverdovende gepiep. Zijn hand vloog naar de zijkant van zijn hoofd. Het geluid schoot via zijn gehoorgang zijn schedel in, drukte alle gedachten weg. Hij rende al. Daar hoefde hij niet over na te denken. De absintkenner keek met open mond toe hoe hij na twee passen een hand op de bar zette, zichzelf eroverheen zwaaide, op zijn voeten landde en naar de ingang rende. Hij rukte de headset af, zodat hij weer logisch kon nadenken. Zijn duim vond het knopje voor de microfoonfunctie en hij blafte een kort bevel. ‘Nitin, de binnendeur. Nu.’ Hij deed geen moeite om het antwoord te ontcijferen dat krakend door het gepiep probeerde te komen. Het alarm zou in het oortje tekeer blijven gaan tot hij zelf de code had ingegeven. Niet zoals hij het zou hebben ingesteld. Hij gromde laag, gefrustreerd. Het zou dertig hartslagen kosten om er te komen. Als hij had gestaan waar hij wilde, zouden het er tien zijn geweest. Orders van de baas of niet, hij had zich nooit mogen laten overtuigen. Een vloek borrelde in zijn keel, maar bleef hangen. Zijn instincten sloten elke mogelijkheid tot energieverspilling af. Hij had snelheid nodig, dus alles in zijn lichaam stelde zich daarop in. Menselijke vormen sprongen voor hem opzij. Onnodig. Hij kende de kortste weg, zag de enige mogelijke route tussen de lichamen, schatte veranderingen in zodra er beweging was, schoot achter iemand langs die net nog tegen een muur had gestaan. Toch waren er al zeven hartslagen verstreken tegen de tijd dat hij het gebouw uit was.
8
Koude lucht sloeg in zijn gezicht. Zijn schoenen klonken dof op het asfalt. Het had vannacht geregend en kleine wolkjes nevel stoven op. Tien hartslagen voordat hij om het gebouw van de club heen was. De onopvallende garage verderop verborg een goed bewaard geheim. In gedachten zag hij de plek voor zich waar het alarm was begonnen. Loodzware deuren die de kille ruimte erachter afschermden van geluid, zon, licht, blikken. Een vingerafdruksensor en een irisscanner. Het kastje bij de deur waar het stille signaal vandaan kwam. Er zou geen zichtbaar of hoorbaar teken zijn dat verraadde dat er een alarm was afgegaan. Dat zou een insluiper alleen maar de kans geven om weg te komen voordat hij gepakt kon worden. Maar het slot op de deur had niet te kraken moeten zijn, en de deur had onbeweegbaar moeten blijven als de elektriciteit werd afgesneden. Hij kon niet uitsluiten dat de insluiper ook nog had weten vast te stellen dat zijn inbraak ontdekt was. Hij ging de hoek van het gebouw om en rende over het parkeerterrein. Vijf hartslagen om het over te steken. Zijn lichaam had zijn geest niet nodig. Die richtte zich op wat er op dit moment in de club zou gebeuren: Nitin die door de personeelsdeur tegenover de bar spurtte, door de gang, naar de kelderdeur. De code ingaf, de deur achter zich sloot, naar beneden rende. Hij zou nu bij de binnendeur zijn en daarvoor op wacht gaan staan. Ze hadden het bij die toegang moeten houden. Goed in het zicht, en iedereen die erbij wilde komen, moest heel openlijk via de hoofdingang van de club naar binnen wandelen. Maar je deed niets tegen iemands paranoĂŻde gevoel dat er ĂĄltijd een andere uitgang moest zijn.
9
Hij gooide een hek open en rende nu over her en der omhooggeduwde stenen waartussen gras groeide. Nog drie hartslagen voor hij bij het oude garagegebouw zou zijn. Het had een voordeel geleken dat het zo ver van het hoofdgebouw lag. Er was niets interessants aan. Als iemand al verwachtte dat hij er iets van waarde zou vinden, dan zou hij niet verder zoeken dan de dure auto’s. Het kon natuurlijk vals alarm zijn. Of een test. Ze hield van tests. Deed er niet toe. Als het een test was, zou hij slagen, zoals altijd. De poort van het gebouw kierde open. Geen licht, alleen een bewegende schaduw, donkerder dan de schemerige nacht die door lantaarns verlicht werd. Verdomme! Hij was hier sneller dan hij had berekend en nog was hij te laat, de insluiper was al buiten. De donkere figuur rende weg van de garage, richting de straat, en sprong op het scheidingsmuurtje, een arm gestrekt om zijn evenwicht te bewaren. Hij keek snel achterom, zag zijn achtervolger en sprong aan de andere kant naar beneden. Straat betekende voertuigen. Te voet zou hij geen kans hebben om de dief in te halen. Hij rende door naar de garage, trok de poort hardhandig verder open, zodat hij ratelde en knalde, de scharnieren protesterend. Met een ruk bevrijdde hij de glanzende machine van een beschermende doek. Hij gooide zijn been over het zadel, draaide de sleutel om, en stoof weg. Drie hartslagen tot hij bij de uitrit naar de straat was. Snel genoeg om het verraderlijke geluid van een tweede startende motor in de nacht te horen. Hij wist dat het geluid van zijn eigen motor zijn komst even duidelijk aankondigde. Geen probleem. De insluiper mocht hem horen komen. Opgejaagd wild had de neiging uiteindelijk iets stoms te doen.
10
Hij draaide de hoek om en zag de verdwijnende donkere vorm van een motor zonder lichten, de bestuurder er diep overheen gebogen, zijn hoofd verborgen in een zwarte helm. Hij gaf gas. Het geluid van brullende motoren echode over het verlaten industrieterrein. Langzaam maar zeker begon hij in te lopen op zijn prooi. De dief sloeg ineens scherp af. Geen straat, maar een leeg gebouwencomplex: een groot kantoorgebouw met veel glas, en daarachter hangars met laadkades, waarop ooit vrachtwagens werden gelost. Hij volgde, wist zijn bocht maar net strak genoeg te maken om niet langs het openstaande hek te schuren. De grote binnenplaats op. Leeg. Hij remde en draaide een volle cirkel, liet zijn koplamp de hele binnenplaats beschijnen. Ze zou woedend zijn als hij de insluiper liet ontsnappen. Hij draaide de sleutel om. De motor ging uit en zijn oren moesten wennen aan de plotselinge stilte. Zijn spieren trilden van verlangen om van zijn motor te stappen, op onderzoek te gaan in de lege gebouwen. Zijn instinct vertelde hem dat dat stom zou zijn. Dus hij wachtte. Beweging bij de laadkades. Zijn hand bewoog al en draaide de sleutel weer om. Het gierende geluid van een te snel optrekkende motor. Uit de schaduwen kwam de insluiper tevoorschijn, schoot over de binnenplaats. Hij joeg achter hem aan, terug zoals ze gekomen waren. Het geluid van metaalgekletter waarschuwde hem. Hij zette zich schrap, draaide een kwartslag en trapte het dichtzwaaiende hek weer open. De dief slalomde over het industrieterrein, probeerde hem kwijt te raken op de kleine weggetjes tussen de gebouwen, maar hij liep in. De motorrijder voor hem was geoefend, maar zijn reflexen waren niet zo snel als de zijne.
11
De dief moest hetzelfde beseft hebben. Twee afslagen later reden ze de weg op die het industrieterrein met de stad verbond. Het licht van de straatlantaarns was ineens fel. Op de rechte weg schoten ze vooruit. Paaltjes flitsten voorbij. Een eenzame auto toeterde verontwaardigd toen ze hem kort na elkaar inhaalden, als horzels die een koe plaagden. De dief keek om. Hij maakte meteen gebruik van de gelegenheid en gebaarde naar de kant – stoppen. Geen reactie, behalve dan dat ze nog sneller gingen. Hier en daar lagen plassen. Hij zou moeten vertragen, maar de opwinding van de jacht was te groot. De gebouwen aan weerszijden vielen weg. Ze waren op de kustweg beland, met rechts de zee, die zich ver achter de dijk, aan het eind van het strand had teruggetrokken. Hij grijnsde. De dief reed zichzelf in de problemen. Dit was het ideale punt om hem te onderscheppen. Geen pottenkijkers, wel een berg zand. Hij zag beweging in verstrakkende spieren en een veranderende zithouding. De motor voor hem draaide scherp naar links en schoot door een kleine opening in de verhoogde middenberm de linker weghelft op. Waarom… Cazzo. De weg was opgebroken. De insluiper schoot naar het voetpad en reed daarop verder. Te laat voor hem om dezelfde weg te nemen, de motor zou die draai niet aankunnen. Daar, een hellinkje voor rolstoelgebruikers en kinderwagens. Zijn handen bewogen het stuur al naar rechts en hij gaf nog meer gas. Het kleine hellinkje zou amper genoeg zijn, maar het opgebroken stuk was niet groot… Met volle snelheid reed hij tegen de kleine helling op, klemde zijn knieën vast aan weerszijden van het motorblok, rukte zijn stuur naar links en maakte de sprong.
12
Hij kwam niet hoog, maar het was genoeg, de motor klapte neer tussen de tramrails op de middenberm. Het hele gebeuren had amper drie hartslagen geduurd. De motor die hij achtervolgde, was nog net zichtbaar. Hij gaf gas en reed nu harder dan verstandig was, zeker van zijn zaak. De dief moest op deze wegwerkzaamheden hebben gerekend. Een mooie manoeuvre, maar niet genoeg. Hij begon in te lopen, meter voor meter. Twintig hartslagen voor hij hem zou inhalen. Vijftien. Tien. En toen draaide de motor een pleintje op. Met gierende remmen hield hij in. Zijn kaak verstrakte toen hij zag waar de dief op afstormde. Hij bleef staan en vloekte hartgrondig toen de motor verdween. ‘Cazzo… cazzo! Wat doet híj hier?’ Omdat het logisch leek, maakte hij een rondje om het plein, maar het had geen zin. De dief bleef veilig verscholen. Buiten zijn bereik. Grommend van frustratie keerde hij zijn motor en reed terug. Ze zou niet tevreden zijn. Helemaal niet tevreden.
13
Hoofdstuk 1
I
k heb echt een rothekel aan natte kleren. De kleine boot smakte kreunend naar beneden op de volgende golf en ijskoud water spatte over mijn benen. Had Hasten niks beters op de kop kunnen tikken? Ik kon me niet herinneren dat ik vijf jaar geleden zo’n wilde tocht had beleefd toen ze me bij het Portaal hadden opgehaald. Waarschijnlijk was ik toen al zo door elkaar geschud door de Oversteek dat het niks had uitgemaakt. Ik greep me wat steviger vast aan de reling en probeerde zo te gaan zitten dat het water alleen mijn rug zou raken. Mijn doorweekte broek schuurde bij elke beweging die ik maakte. Bah. Maar het was voor een goed doel: Brumi had eindelijk besloten om terug te keren naar Aeterna. Mijn kurkdroge zus zat op het bankje aan de overkant. Ze had haar ene been over het andere geslagen en zag eruit alsof ze op een zonnig terrasje zat, klaar om een glas wijn in ontvangst te nemen, niet op een boot die bij de eerste ochtendschemering was uitgevaren op een woelige zee. Het begon ook nog eens te motregenen. Brumi keek omhoog en glimlachte, terwijl de druppels om haar heen vielen. Ik zuchtte en zette mijn capuchon op. Misschien had ik benedendeks moeten blijven, maar daar was ik ontzettend misselijk geworden. ‘Als je hier komt zitten, dan blijf je droog’, zei Brumi. Ze slaagde erin om boven het lawaai van de wind en de motor uit te komen zonder te schreeuwen. Brumi schreeuwt niet.
14
Zij en haar bagage namen zowat de helft van de zitruimte in beslag. Het was maar goed dat we vandaag niet meer passagiers hadden. ‘Nee, dank je’, zei ik. ‘Je moet het zelf weten. Hasten, zal ik bij jou komen staan?’ Hasten keek om, het roer in zijn handen. Hij zag eruit alsof het woeste gestamp helemaal geen invloed had op zijn maag. Zelf wenste ik inmiddels dat ik wat meer had gegeten bij het feestelijke afscheidsontbijt voor Brumi, al was dat waanzinnig vroeg. Mijn bijna lege maag vond het geschommel allesbehalve prettig. ‘Hoeft niet, Brumi’, riep Hasten over het klapperen van het zeil heen. ‘Pas maar op je koffers.’ Het kon hem duidelijk ook niet schelen dat zijn dikke, grijze trui een paar flinke plenzen zout water te verwerken had gekregen. ‘Hoeveel van mijn kleren heb je daar eigenlijk ingepropt?’ vroeg ik, met een knikje naar Brumi’s bolle koffers. Ze fronste haar wenkbrauwen lichtjes. ‘Je zei dat je het goed vond dat ik deze blouse hield. Wil je hem terug?’ ‘Nee.’ Ik zuchtte. ‘Nee, neem maar mee voor je collectie.’ Ze wreef de zachte stof van mijn duurste kledingstuk tussen haar vingers. Handbeschilderde zijde, ik had hem gekocht op een eco-beurs waar ik had gestaan om de pluktuin te promoten. Natuurlijk had ze die gekozen. ‘Fascinerend hoe snel de mode hier verandert’, zei ze. ‘Misschien zou ik wat vaker moeten komen. Mensen zijn zo inventief.’ Als ik eerder had geweten dat Brumi een kast vol kleren van de mensenwereld had, dan had ik die kunnen plunderen voor ik Overstak. Maar ja, aangezien het letterlijk een eeuw geleden was sinds haar laatste bezoek, zou ik er waarschijnlijk niet veel normaler hebben uitgezien dan in mijn hofgewaad. Dat loodzwaar was tegen de tijd dat ik de boot zag aankomen. Ik kon mezelf niet eens op eigen kracht aan boord hijsen.
15
‘Waar heb je die broek eigenlijk vandaan?’ vroeg ik. Ik keek jaloers naar de wijde, witte broek die ze droeg. Zelf zie ik er idioot uit met wijde broeken. En ik houd witte kleren nooit lang schoon. Dat is nogal lastig als je rondsjouwt met bramen en frambozen of wilde planten gaat plukken. ‘Oh, ik ben gaan winkelen’, zei ze. ‘Ik…’ ‘We zijn er bijna’, zei Hasten. Hij wierp een blik op zijn horloge en voerde de snelheid op. ‘Met die wind heeft het veel langer geduurd dan de bedoeling was. Het Portaal gaat al over vijf minuten open.’ Mijn zus staarde peinzend in de verte. ‘Eerder tien, denk ik. Geen haast.’ Er overviel me tot mijn grote verbijstering een gevoel van paniek bij het idee dat Brumi binnen tien minuten weg zou gaan. ‘Brumi…’ zei ik. ‘Ja?’ Ze keek me aandachtig aan en ik zag haar gezicht zachter worden toen ze de veranderde klank in mijn stem registreerde. ‘Mirabel, als je wilt dat ik langer blijf… Of als je mee wilt naar… naar Aeterna?’ Ik had haar ervan weten te overtuigen dat ik tegenwoordig in deze wereld hoorde, maar nu voelde ik me afgewezen omdat ze niet ‘naar huis’ zei. Een van onze tien minuten ging voorbij terwijl we alleen maar naar elkaar keken. De afgelopen weken hadden we doorgebracht alsof er niets bijzonders was wat op de achtergrond wachtte. Alsof ze gewoon mijn grote zus was, die mijn nieuwe woonplaats kwam bezoeken. Gesprekken over vroeger hadden we vermeden. Het had verbazend goed gewerkt. Op sommige momenten was het zelfs leuk geweest. Nu het verleden straks weer door het Portaal zou wenken, kwamen alle spanningen in één klap terug. ‘Ik ben blij dat ik gekomen ben’, zei ze ten slotte. ‘Je leven hier is heel anders dan ik had gedacht.’
16
‘Dus je keurt het goed? Moet ik daar blij om zijn?’ Ze zweeg even. ‘Je hebt mijn goedkeuring niet nodig. Ik voel me alleen gerustgesteld.’ ‘Wat had je dan verwacht? Dat ik er een puinhoop van zou hebben gemaakt?’ Brumi vond toch altijd een manier om op mijn zenuwen te werken. ‘Dat had best gekund,’ zei ze rustig, ‘en zo raar zou dat niet zijn geweest. Hasten was er wel, maar dat betekende nog niet dat je je zou kunnen aanpassen. Niet iedereen slaagt daarin.’ ‘Dat weet ik heus wel.’ Oversteken uit een magische wereld naar een waarin magie amper bestaat, kan rare dingen doen met je geest. Ik had Hasten een keer moeten helpen om een halfgekke Oversteker ervan te overtuigen terug te keren. Niet fraai. Zelf had ik me vrij goed aangepast. Waarschijnlijk het enige voordeel van een nakomertje zonder magie te zijn. Brumi glimlachte. ‘Je bent altijd koppig geweest.’ Ze had dat eerder tegen me gezegd. Een keer had ze het zelfs geschreeuwd. Dat was wat mij betreft nog altijd een van de hoogtepunten van onze relatie. Er drong ineens iets tot me door. ‘Wacht eens.’ Ik keek van haar naar Hasten. ‘Hoezo “Hasten was er wel”? Hoe wist je dat?’ ‘We weten aan het hof heus wel wat hier gebeurt’, zei Brumi met haar redelijkste stem, terwijl ze een lokje haar naar haar donkere knot streek. ‘Het zou raar zijn als we geen contact hadden met Hasten. Hij en sommige anderen die hier officieus de orde bewaren, sturen ons van tijd tot tijd de ergste ongewenste elementen.’ Om ze door het Portaal naar Ploutoon, de daimonenwereld, te laten gooien. Dat is al zolang ik me kan herinneren zwart. Het is verzegeld: wie iets of iemand op Aeterna een kwaad hart toedraagt, kan er vanaf Ploutoon niet door. In de praktijk is er
17
al eeuwen niemand meer uit die richting doorgekomen. Volgens Brumi was de verzegeling recentelijk verzwakt, en weigerde Moeder om in te grijpen. Brumi dacht dat dat betekende dat haar magie aan het afnemen was, maar daar kon ik me niets bij voorstellen. De Koningin is Eeuwig, dat staat boven de toegangspoort van het Paleis, en zo is het altijd geweest. Eigenlijk moest ik Brumi vertellen over de daimon die me naar de mensenwereld was gevolgd, maar ik drukte die gedachte zo hard mogelijk weg. Als iemand daar ooit lucht van kreeg, dan zou ik het leven dat ik de afgelopen jaren had opgebouwd, in één klap kwijt zijn. Brumi sloeg haar benen anders over elkaar en streek de stof van haar broek glad. ‘Nee. Dat bedoelde je niet’, zei ik. Ik wist het zeker. Ik kende Brumi al mijn hele leven, en ook al zou dat voor haar niet erg lang lijken, ik wist precies wat al haar typische maniertjes betekenden. Als ze een loszittend lokje had, dan was dat omdat ze een loszittend lokje wílde. Ze had zich versproken en dat probeerde ze nu te verbergen. ‘Jij kende Hasten al.’ ‘Ik heb de meeste kerberiden vroeg of laat weleens gesproken’, zei Brumi. Het klonk heel redelijk. ‘Moeder laat me al lang alles met betrekking tot de Portalen afhandelen. Dat weet je. En ja, het gaf me wat rust om te weten dat je vlak bij hem terecht zou komen. Is dat verkeerd?’ Het had me altijd verbaasd dat de Koningin en Brumi me zo lang met rust hadden gelaten. Als ze had geweten dat hier een ex-Wachter klaarstond om me op te vangen, dan verklaarde dat een en ander. Brumi zat me sereen aan te kijken. Ik vertrouwde het nog altijd niet helemaal, maar er was geen tijd om er eindeloos op door te gaan. ‘We zijn er.’ Hasten stuurde de boot een stukje naar stuur-
18
boord. Een nieuwe golf sloeg ons op en neer. Ik haalde een keer diep adem om mijn misselijkheid onder controle te houden en probeerde iets te onderscheiden in het woelige water. Rond de meeste Portalen is eeuwen geleden een bouwwerk opgetrokken. Ooit gold dat ook voor het Portaal van Westpoort. Het lag op een eiland voor de kust, dat inmiddels is verdwenen. Het eigenlijke Portaal is er natuurlijk nog wel, een onzichtbaar krachtveld, op de plek waar ooit een indrukwekkend gebouw stond. Toen ik vijf jaar geleden door het Portaal stapte, verwachtte ik niet dat ik terecht zou komen op een stukje zandbank dat steeds kleiner werd. En nu was het hoogtij. ‘Brumi’, zei ik met tegenzin. ‘Weet je zeker dat je nu wilt gaan? Er zal toch binnenkort wel weer ergens een Portaal opengaan op een wat gemakkelijkere plaats?’ Ik hoopte vurig dat ze dat niet zou beamen, net nu ik haar eindelijk de deur had weten uit te werken. De afgelopen twee maanden waren écht wel genoeg. Brumi glimlachte en ik voelde volkomen tegenstrijdig meteen een steekje gemis, zelfs terwijl ze hier nog zat. ‘Als ik zoiets tegen jou zou zeggen, dan zou je me ervan beschuldigen dat ik geen vertrouwen in je had’, zei ze. Ze schudde lichtjes haar hoofd. ‘Mirabel, ik weet dat het geen zin heeft om erover door te gaan…’ ‘Doe dat dan niet. Ik heb de boodschap heus wel begrepen.’ ‘Je moet vroeg of laat naar het hof komen’, zei ze, alsof ik niets had gezegd. ‘Niemand zal je proberen te dwingen om te blijven. Maar Moeder vraagt naar je. En ze is niet de enige die je graag nog een keer wil zien. Het zou goed zijn voor het evenwicht als je…’ ‘Oh, heerlijk, hofspelletjes’, zei ik. ‘Daar kijk ik pas naar uit. Ik heb al gezegd dat ik kom. Binnenkort.’
19
‘Het is open!’ riep Hasten. Hij klemde het roer vast in zijn handen, maar het was niet eenvoudig om op dezelfde plek te blijven liggen. De wind en de golven trokken en duwden, en hielden ons voortdurend in beweging. ‘Goed’, zei Brumi. Ze stond op. ‘Ik ga. Ik zal je op de hoogte houden van mijn vorderingen.’ Ze had het over haar voornemen om het Portaal naar de daimonenwereld zelf weer beter te verzegelen. Het leek een nogal riskant idee, morrelen aan een magische constructie van de Koningin. Ik had het gevoel dat ze het half en half had geopperd in de hoop dat ik daardoor sneller naar huis zou komen, om de Koningin tot rede te brengen – al had ik geen idee hoe ik verondersteld werd om dat te doen. In theorie ben ik, als jongste kind, Erfgename voor de Troon, maar dat betekent in de praktijk niet zoveel als je geboren wordt zonder magie. Om haar plan uit te voeren, moest Brumi in elk geval broers en zussen van ons opsporen die al honderden jaren niet meer aan het hof waren geweest. Dat zou dus wel even duren. Ze omhelsde me en ik stond mezelf twee tellen toe om te ontspannen in haar armen. ‘Brumi!’ Hastens haar wapperde in de wind. ‘Het is beter als je nu gaat. Waarschijnlijk blijft het Portaal nog een kwartier open, maar ik weet het niet zeker.’ Volgens Hasten lijken de Portalen alleen grillig omdat we niet precies weten hoe we moeten berekenen hoe ze werken. In de praktijk maakt het geen bal uit: je kunt maar beter zorgen dat je erdoor gaat op het moment dat ze open zijn als je zeker wilt weten dat de gelegenheid niet voorbijgaat. ‘Kom gauw, Mirabel’, zei Brumi. ‘Niet alleen voor Moeder.’ Ze wist op de een of andere manier al haar bagage vast te grijpen aan schouderriemen, lussen en handvatten, en stapte met een elegante beweging op de rand van de boot.
20