EN DE PEPERKOEKMILJONAIR Andy Stanton Met illustraties van
Mattias De Leeuw Vertaald door
Edward van de Vendel
www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/ of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2018 ISBN 978 94 014 4925 0 D/2018/45/479 NUR 282/283 Oorspronkelijke titel Mr Gum and the Biscuit Billionaire © Oorspronkelijke uitgever Egmont, 2007 © Tekst copyright Andy Stanton 2007 © Nederlandse editie Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2018 Illustraties Mattias De Leeuw Vertaling Edward van de Vendel
INHOUD 1
OP DE BLUFHEUVEL
2
INTUSSEN, BIJ MENEER GOM THUIS
19
3
ALEX TOLMAN LAAT HET KILOMETERS BREED HANGEN
35
7
4 DE UIEN DES DOODS
54
5
DIEVEN OP DE VLUCHT
73
6 ALEX TOLMAN BLIJFT IN BED
93
7 HET GELD ACHTERNA
105
8 SMOKKELAARSBAAI
116
9 HOERA VOOR DE VRIENDSCHAP!
135
10 DE GEEST VAN DE REGENBOOG
157
11 HET BLAADJESFESTIVAL
167
Hoofdstuk 1
OP DE BLUFHEUVEL
H
et begon allemaal op een late namiddag in het vredige stadje Lamme Griemel. De zomer was bijna voorbij en de dag rekte zich uit als een enorme glanzende panter die gemaakt was van tijd. De vogels tsjilpten in de bomen, de konijnen tsjilpten in hun holletjes, en langs de spoorlijn wandelde een vos, die ‘Zij gelooft in mij’ floot en daarbij liefhebbend terugdacht aan een vossenwijfje waar hij ooit verliefd op was geweest.
7
Op de Blufheuvel zat een klein meisje. Ze las een boek dat Schoenlapper wint alle prijzen heette. De naam van dat kleine meisje was POLLY en ze was het soort meisje met wie je vrienden zou willen zijn. Ze kon fantastisch goed rennen en springen en korstjes van haar knieën peuteren en ze had echt geen tijd voor flauwekul, hoor! Ze was dapper en eerlijk en oprecht en als ze lachte, spatte het zonlicht van haar tanden als een diamant die zin had om de wijde wereld in te trekken. Maar waar waren die lach en die diamanterige tanden op dit moment? Nergens, want Polly verveelde zich.
‘Schoenlapper wint alle prijzen staat vol met malle streken, maar ja, da’s een boek’, klaagde ze in zichzelf.
8
‘Er gebeurt hier nooit niet een keertje iets spannends. En die kolos van een hond die JOHN heet komp ook al nooit niet meer speulen!’ Helaas, het was waar. Polly had John de hele zomer nog niet gezien. O, ze miste de ritjes op zijn hoge, harige rug en dat ze dan net deed of hij een paard was, of een ruimteschip!
‘JOHNNIE!’ riep ze hoopvol, want stel dat hij net
toevallig in de buurt was, misschien zat hij ergens te kaarten met een relmuis of zo – maar er klonk geen enkele antwoordwoef. 9
‘Zucht’, zuchtte Polly zuchtend. ‘Eerst al geen aventuren en nu ook geen Johnnie. Da’s SUPERNIETEERLIJK.’ En ze liet zich achteroverzakken in het lange gras. De hete zon brandde en al snel zweefde, zweefde ze weg…
Toen Polly wakker werd, schemerde het. De middag was één vette dikke schaduwtoestand geworden. Een briesje smiespelde geheimpjes in de struiken. Het licht zag er grappig goudachtig uit en was helemaal gevuld met magie en mysterie en motten. 10
‘Wat is dit voor gekkerigheid?’
fluisterde Polly. Haar haar stond rechtop en haar armen zaten onder het kippenvel. Het voelde alsof er iets ging gebeuren. En toen, ja hoor, gebeurde er iets. Boven op de Blufheuvel verscheen een figuurtje. Het was het VREEMDSTE MANNETJE dat Polly ooit had gezien. Ten eerste: hij was maar 15,24 centimeter hoog. En hij was van peperkoek gemaakt, zijn ogen waren rozijntjes. Hij had elektrische spieren, zodat hij net als jij en ik gewoon kon rondlopen, en als hij bewoog, spatten er blauwe vonken van hem af. Bovendien had hij een enorme koektrommel bij zich, die BOORDEVOL GELD zat. En zoals je weet is geld een hoop geld waard. Er zat ongelooflijk veel geld in die trommel, echt waar, absoluut.
11
‘Hallo’, zei het kleine kwibusje. Hij sprong naar de plek waar Polly zat. ‘Ik ben ALEX TOLMAN.’
‘Ik ben Polly’, antwoordde Polly verrast. ‘Kom jij uit Sprookjesmagiedroomland, waar de rivieren van limonade zijn en de straten van eenhoornsteen?’ ‘Lach me alsjeblieft niet uit’, zei Alex Tolman. ‘Heb je soms nog nooit een peperkoeken man met elektrische spieren gezien?’ ‘Nee, sorry’, zei Polly beschaamd. ‘Ik ben pas negen. En ik wilde je heulemaal nooit niet uitlachen.’ 12
‘Oké dan’, antwoordde het spraakzame stukje peperkoek. ‘Hier, neem wat geld,
dan kunnen we vrienden worden!’ zei hij, en hij
reikte haar een bundeltje biljetten aan.
‘Nee, nee, ik heb je rijkheden niet nodig,’ zei Polly verbluft, ‘ik kan gewoon zo je vriend wel weze.’ ‘Zo werkt het niet in de wereld’, zei Alex Tolman bedroefd. Hij propte het geld weer in de trommel. ‘Maar kom anders naar mijn feestje, morgen’, zei hij, en hij fleurde helemaal op. ‘Ik ben hier net komen wonen en ik heb een GIGANTISCH landhuis gebouwd, boven op deze heuvel hier. Kijk dan! Het is GIGANTISCH, want dan is iedereen onder de indruk en dan krijg ik vrienden. Het is echt GIGANTISCH.’
13
Polly keek naar boven en daar stond het landhuis te glimmen en te glitteren in het licht van allerlei schijnwerpers.
‘RAMMELDEBAM!’ riep ze. ‘Dat huis is groot
genoeg voor een koning! Of anders voor twee kleine koningen. Die zouden er allebei in kunne wone en dan verstoppertje speule!’
14
‘Maar ik woon er helemaal alleen!’ lachte Alex Tolman.
‘Ik ben zo rijk! Ik ben zo rijk!’ zong hij. Hij
danste in het gras en gooide geldbiljetten naar een voorbijwandelende bladluis. ‘Vind je me aardig, Polly? Wil je wat geld?’ ‘Dat zegt ik net’, zei Polly kordaat. ‘Daar gaat het heulemaal niet om bij vriendschap.’ ‘Natuurlijk wel’, antwoordde Alex Tolman. Hij fronste zijn wenkbrauwen. ‘Maar luister. Kom anders morgenmiddag langs, voordat het feest begint. Dan laat ik je het huis zien en dan kan ik in ieder geval op die manier indruk maken.’
15
Tja, eerlijk gezegd wilde Polly inderdaad graag zien hoe dat prachtige huis er vanbinnen uitzag. En ze vond Alex Tolman aardig, ook al begreep hij niet goed hoe het werkte met geld en
vriendschap.
En dus bedankte ze hem hartelijk voor de uitnodiging. Ze probeerde een nette buiging te maken, maar ze wist niet hoe dat moest, dus ze zwaaide maar een beetje met haar armen en riep ‘NETTE BUIGING’, en hoopte dat dat ook goed was.
16
‘Mooie poging’, zei Alex Tolman grootmoedig. ‘Maar ik denk dat ik weer eens ga. Ik moet nog allerlei mensen uitnodigen en imponeren!’ En hij rende weg op zijn korte kruimelbeentjes. Polly was zo vrolijk, er waren geen woorden voor. Dus zei ze maar een paar getallen. ‘12! 19! 114!’ riep ze, op weg naar huis. En zodra ze in bed lag, begon ze te dromen over peperkoeken mannetjes en feestjes en meer van dat soort heerlijke dingen.
17
Hoofdstuk 2
INTUSSEN, BIJ MENEER GOM THUIS
M
eneer Gom stond voor de gebarsten spiegel in de eenzame slaapkamer van zijn oudechagrijnenhuis. VERBLIKSEMD EN VERDONDERD, wat was die man verschrikkelijk! Hij haatte kinderen, dieren, plezier en alle tekenfilms die er ooit zijn gemaakt. Waar hield hij wel van? De hele dag in bed hangen. Het was intussen acht uur ’s avonds en meneer Gom was nog maar net opgestaan. Hij was namelijk niet alleen een verschrikkelijk mens, hij was ook een AARTSLUIE LANTERFANTER. Maar goed. Hij stond dus voor de spiegel, helemaal klaar om het huis uit te gaan.
19
‘Zo, KNAPPE KNAPPERD, jij bent vroeg wakker vandaag’, zei hij tegen zijn spiegelbeeld. ‘Waar hept jij nu eens zin aan om te gaan doen?’ ‘Nog GEMENERDER te zijn dan gewoonlijk’, antwoordde zijn spiegelbeeld met een gluiperig lachje.
‘Goed idee, STOMKOP’, zei meneer Gom. ‘In dat geval moest ik er maar eens op men ALLERENGST uitzien vandaag.’
Hij pakte een stift en tekende een paar extra rimpels op zijn voorhoofd. Daarna woelde hij door zijn grote, rode baard, om die zo wild en woest mogelijk te maken.
20
Hij was nog niet griezelig genoeg, dus hij stopte er een paar kevers in en een foto van een haai. ‘Zo moet het maar’, gromde hij. Hij ploinkte naar beneden, sprong op een skateboard dat hij van een zesjarig jongetje gejat had en ging op weg naar het stadje. In de hoofdstraat was MAARTEN WASSERETTE net bezig zijn wasserette af te sluiten, toen er een laatste klant binnenkwam. Het was
JONATHAN FROMMEL, de dikste man van de
stad. Hij overhandigde Maarten een stapeltje kleren en zei: ‘Wil je er alsjeblieft voorzichtig mee zijn? Ze zijn heel delicaat.’ 21
‘Geen probleem, J. de Dikke’, stelde Maarten Wasserette hem gerust. ‘Ik was ze met koud water, dan krimpen ze niet en zo.’
Maar terwijl hij de kleren in de wasmachine deed, zag hij dat er iemand fronsend en heel onhandig door de hoofdstraat aan het skateboarden was.
22