Skip to main content

9789401448062

Page 1

Hoe een joodse jongen onderdook in BelgiĂŤ (1939-1945)

Wat mijn kleinzoon weten moet Ivo Pauwels & Karine Huts

Wat-mijn-kleinzoon-weten-moet_BWdef.indd 3

23/08/17 14:02


De auteurs danken de familie Paul Kluger voor het ter beschikking stellen van de dagboeken en het dossier dat Georges Kluger heeft samengesteld en dat hij tot zijn dood in 2014 zorgvuldig heeft bewaard. Onze bijzondere dank en achting gaan uit naar André Dessaint, gepensioneerd hoofdonderwijzer van Méan en auteur van Mean 1940–1945 Chronique d’une guerre, die ons niet alleen dit boeiende werk overhandigde, maar ook inzage gaf in zijn uitgebreide archief.

Wat-mijn-kleinzoon-weten-moet_BWdef.indd 4

23/08/17 14:02


Ten geleide – 7 Het is geschied en is – 9

1939 14 De bril van Hausdorff 25 Pejotten 32 De grote Hondstraat 45 Le Nid d’Aiglons 57 La Societé Horticole de Calmpthout 72 Une drôle de guerre

242 Welriekende viooltjes 250 Margot Kleine Voetjes 257 Een nieuwe bakker 264 Een doodsbang muisje 276 Nog meer geheimen 284 Verbrand 298 Christine Paye

KERST 1939 – BEGIN 1940

EIND 1942 – VOORJAAR 1943

82 Winter voor de nacht

306 Het jeugdkamp van Momignies

1940 92 De duivelsheide 104 Het vermaledijde regime 125 Terug naar Kalmthout 132 Collaboratie 150 Het blauwe water 180 Het kasteel van Bassines

1943 332 De vertwijfeling 358 Hachy 372 Terug naar Momignies 378 De overrompeling 404 De verbijstering

1941 202 De borrelbron 225 De romantiek van de herfst EIND 1941 – BEGIN 1942

232 Een schimmenspel

1942

1944 –1945 416 1944 424 Vijf paar dode ogen 435 Momignies adieu 441 Het preventorium 449 De gijzeling 461 Terug naar Bassines 473 Op zoek?

Epiloog – 493 Colofon – 496

Wat-mijn-kleinzoon-weten-moet_BWdef.indd 5

23/08/17 14:02


Wat-mijn-kleinzoon-weten-moet_BWdef.indd 6

23/08/17 14:02


TEN GELEIDE

Nonkel Georges… Hij sprak er nooit over, over de oorlog. Maar je kon wel zien dat er een last op zijn schouders rustte. Hij was niet gemakkelijk in de omgang en zijn mening over politieke correctheid kon zeer uitgesproken zijn. Zijn opinies kreeg je als klappen om je oren. We wisten wel dat hij al voor het begin van de oorlog naar België was gekomen, maar stonden bij de implicaties daarvan niet stil. Hij was immers een succesvol zaken­ man en had het echt gemaakt: getrouwd met de vrouw die hij graag zag, een schattige zoon en later een lieve kleinzoon. Materieel bezat hij alles wat zijn hartje begeerde. En daarbij had hij een ijzeren gestel en een schitterende gezondheid. We wisten dat hij een jood was, maar ook dat was voor ons een abstractie, want aan religie had hij lak. Hij verafschuwde elke vorm van godsdienstbeleving: zowel joods, christelijk als islamitisch. Toch was hij bereid geweest in de sacristie van de kerk met mijn tante een christe­ lijk huwelijk aan te gaan, had hij zijn zoon en kleinzoon laten dopen en was hij peter van twee telgen van de familie. Hij had een hekel aan elke vorm van sentimentaliteit en kon vreselijk kwaad wor­ den als iemand zijn gevoelens te veel tentoonspreidde. Toch had hij ook zachte kantjes: zo verwende hij mijn tante schandelijk, was hij stapelgek op zijn kleinzoon en bracht hij voor mij van over de hele wereld poppetjes mee. Hij kon onwaarschijnlijk zwartgallig doen en tegelijkertijd was hij een levensgenie­ ter die veel plezier had in zijn natje en zijn droogje en in mooie reizen en de beste hotels. Maar hij had ook die joodse rusteloosheid in zich die hem als hij ergens aankwam, deed vragen: ‘Mais qu’est ce que je fous ici? ’. Op het einde van zijn leven werd hij opener over zijn oorlogsjaren en tegen ieder van ons heeft hij ooit weleens zijn verhaal gedaan. Ook gaf hij eens een interview over zijn ervaringen aan een plaatselijk blaadje. Verder ging dat niet. Nooit hadden wij kunnen vermoeden welke verrassing hij voor ons nog in petto had. Na zijn overlijden ontdekten mijn nicht en neef, in een kast een stapel documen­ ten, foto’s, video’s en noem maar op. Alles mooi gerangschikt en met een kaartje erbij: ‘Pour David, wat mijn kleinzoon weten moet’. Met geen pen kan ik onze gevoelens beschrijven toen we ontdekten dat hij tijdens zijn verblijf in België maanden en jaren aan een stuk al wat er gebeurde noteerde in dagboekjes, waarvan gelukkig de meeste bewaard waren gebleven. Hoe groot was

7

Wat-mijn-kleinzoon-weten-moet_BWdef.indd 7

23/08/17 14:02


onze ontroering toen we lazen wat zich allemaal had afgespeeld in het gevoelsleven van deze jongen en jongeman die bijna moederziel alleen de afschuwelijke oorlogs­ jaren had moeten doorstaan. Een idee waarmee ik voordien al had gespeeld kreeg vaste vorm en verkreeg algauw de goedkeuring van mijn familieleden: we zouden zijn verhaal vertellen en ervoor zor­ gen dat het nooit in de vergetelheid raakte. Wat u in uw handen houdt, is het resultaat van onze inspanningen. Samen met zijn zoon Paul, zijn schoondochter Joëlle, klein­ zoon David en auteur Ivo Pauwels zijn wij aan de hoognodige research begonnen en hebben wij nog een massa andere informatie kunnen verzamelen. We wilden niet een zoveelste verhaal van de Holocaust brengen, maar juist het verhaal van de velen die misschien niet de grote helden van de Shoah zijn, maar die in de grootste anonimiteit hebben gevochten voor hun leven en dat van anderen. Velen zijn jong gestorven en hebben bijgevolg nooit kleinkinderen gehad. Dit is daarom geen verhaal over doodgaan, maar over de drang om te overleven en te getuigen aan het nageslacht. Als het aan ons ligt, zal Georges Kluger nooit vergeten worden, maar voortleven in ons collectieve geheugen. Hij was mijn ‘nonkel’. Ik hield van hem. Karine Huts

8

Wat-mijn-kleinzoon-weten-moet_BWdef.indd 8

23/08/17 14:02


HET IS GESCHIED EN IS

Verantwoording & werkwijze

Na het overlijden van Georges Kluger in februari 2014 ontdekte de familie een hele bundel documenten die een helder licht werpen op de omstandigheden waarin hij als jonge Joodse vluchteling de oorlog ondergedoken in België wist te overleven. Het waren niet alleen dagboeken, maar ook uittreksels uit de schoolreglementen van het gymnasium in Wenen en folders van de Belgische kostscholen waar hij onder de vleugels van een pedagoog, schooldirecteur Eugène Cougnet, verbleef. In dikke bundels zitten honderden brieven, zowel uit de oorlogsjaren als van later. De uitgebreide briefwisseling met zijn ouders na de oorlog, brieven en documenten omtrent de lange procedure van schadeloosstelling voor het verlies van de schoenfabriek Flugrad in Wenen, en over zijn verwoede pogingen om de Belgische nationaliteit te verwerven, vormen een schat aan informatie. Ook triviale schriftjes met scoutsliederen die hij zong in de gezondheidskampen waar hij samen met lotgenoten incognito verbleef, zitten in de verzameling. Zelfs schijnbaar even onbelangrijke notitieboekjes met een overzicht van zijn financiën in de eerste jaren na de oorlog zijn aanvullende documenten die niet alleen een kijk geven op zijn geldbesteding en interesses, maar ook op zijn persoonlijkheid als adolescent. Toen de familie ons de dagboekjes en de documenten overhandigde, begon een wekenlange lectuur. De dagboeken gaven ons een indruk van zijn karakter, zijn dromen en twijfels, zijn hoop en wanhoop, en uiteraard van de penibele en onzekere situatie waarin de jonge Georges Kluger zich bevond. We lieten onze indrukken rijpen en overhaastten ons niet. Maar gaandeweg hadden zijn dagboeken en de documenten onze nieuwsgierigheid geprikkeld. Wie waren de andere personages waarvan sprake? We gingen op zoek, vonden documenten en boeken die ons een vrij duidelijk beeld gaven van het dagelijkse leven in de kostscholen in Kalmthout en in het kasteel van Bassines. Langzamerhand kwamen de personages tot leven. Een grote hulp was de uitgebreide historische verhandeling van de gepensioneerde hoofdonderwijzer van Méan, Andre Dessaint. Hoe meer we vonden, hoe boeiender de reconstructie van het wedervaren van Georges Kluger en dat van de mensen in zijn omgeving leek te worden. Uiteraard bezochten we ook de locaties waar Georges Kluger tijdens de oorlogsjaren verbleef

9

Wat-mijn-kleinzoon-weten-moet_BWdef.indd 9

23/08/17 14:02


en vonden we oude foto’s en vergeelde postkaarten. Een meevaller was de ontmoeting met de hoogbejaarde maar in blakende gezondheid verkerende Georges Van Liefferinge, de Joris uit het boek. Het beeld van de omgeving, de omstandigheden en de persoonlijkheid van de personages werd steeds duidelijker. We doken op onze beurt, best comfortabel en vooral veel minder gevaarlijk diep, in de oorlogstijd weg, zochten naar informatie over het dagelijkse leven en hadden geluk. De uitgave van een aantal oorlogskranten in 2016 gaf ons de mogelijkheid om ons onder te dompelen in de tijdgeest. We vielen van de ene verrassing in de andere. Plots werd de kroniek heel actueel. Goede lezer, we zijn benieuwd hoe u dat zal ervaren. Maar één ding is zeker: wij, die nauwelijks vijf jaar na de oorlog zijn geboren, hadden eigenlijk amper een idee van de denkwereld net voor en tijdens Wereldoorlog ii. We vonden ook Joodse documenten over de vlucht van de ouders van Georges Kluger via de Donau en de Middellandse Zee en van hun tergend lange gevangenschap in een Brits kamp op Mauritius, de staatsgevangenis van het eiland. Tijdens onze zoektocht stuitten we op de figuur van Berthold Storfer, die veel te lang miskend is als een man die vele honderden Joden een ontsnappingskans bood, veel meer dan de nu overbekende Oskar Schindler. We werden overstelpt met feiten, documenten en indrukken en af en toe overrompeld door allerlei vaak tegenstrijdige emoties. We wisten dat het schrijven van dit boek een lang en moeizaam werk zou worden, maar ook dat we alles uit de kast moesten halen en dat onze inzet en ons beetje talent zouden worden beloond. Meer en meer kwamen we tot de overtuiging dat we eer moesten geven aan wie ere toekomt. Uiteraard aan de grote en kleine helden uit dit boek. In de eerste plaats aan Eugène Cougnet, maar ook aan Margot Grünewald, pastoor Bonmariage, de stationschef van Les Avins en andere met naam genoemde en anonieme leden van het verzet en aan goede mensen onder de Wehrmacht en zelfs bij de ss, al zijn hun namen verloren gegaan in de vlucht der tijden. Eugène Cougnet is slechts een voorbeeld. Hij was een pracht van een man en staat model voor de vele tienduizenden, vaak gewone mensen die Joden hielpen onderduiken. Deze mensen zorgden ervoor dat ondanks enkele uitwassen een meer dan respectabel percentage van de Joden en de Joodse vluchtelingen die in 1939 en 1940 in België een onderkomen hadden gezocht de oorlog hebben overleefd. Al zeggen cijfers niet alles. Al te vaak wordt ons de oorlog in veldslagen en de gruwelen in astronomische cijfers voorgeschoteld. Die cijfers zijn even onpersoonlijk als onmenselijk: ze verdoezelen al te vaak het individuele leed.

10

Wat-mijn-kleinzoon-weten-moet_BWdef.indd 10

23/08/17 14:02


We hoeven ons niet te schamen. Al zijn alle omstandigheden anders, onze ‘nationale’ rebelse instelling, die vaak een loopje neemt met reglementen en geijkte gewoonten, die verwarring schept, zelfs in de urbanisatie en de eclectische huizenbouw met zijn koterijen, is een belangrijk ‘hulpmiddel ‘geweest voor het verborgen houden en redden van vele tienduizenden Joden. Pas nadat we de motivatie vonden en alles diep in ons hadden laten doordringen, begonnen we te schrijven. Op dat ogenblik nam mijn pen het voortouw. Toen het lijvige manuscript naar de uitgever was vertrokken, wist ik niet meer of het een kroniek of een roman was. Ik was zo verward dat Karine en ik opnieuw onze bronnen gingen raadplegen. We stelden vast dat we binnen de krijtlijnen van de kroniek waren gebleven, een geromantiseerde kroniek weliswaar. Langzamerhand ontstond in mijn geest een eenvoudig beeld. Wat we in het ontstaansproces van dit boek aan documenten en getuigenissen hadden bijeengesprokkeld, was als het ware een kleurboek, een kleurboek dat ernstig aangevreten was door de tand des tijds. Een verschoten kleurboek met ontbrekende en gedeeltelijk gescheurde en onvolledige bladzijden, waarin we af en toe een gave, ingekleurde pagina ontdekten. Wij hebben, bij wijze van voorbeeld, bij het schrijfproces het in het kleurboek getekende konijn waarvan een poot en de oren ontbraken, gereconstrueerd of gewoon vervolledigd. Dat deden we ook met andere pagina’s van ons kleurboek. Vanaf dan mocht onze pen kleurrijker worden. We gaven met de kleurpotloden van de fantasie personen het karakter dat voor ons uit de documenten, de foto’s en portretten en hun eigen getuigenissen of brieven sprak. We schreven de gebeurtenissen uit met schroom, maar ook met de bedoeling de boodschap helder, boeiend en spannend over te brengen. Dat is het wonder van literatuur: we brachten mensen weer tot leven. Niet de mensen zoals ze echt waren, maar zoals we ze ons kunnen voorstellen. Zijn we daarbij te ver gegaan? Misschien. Omdat we ons lieten meeslepen en omdat we de lezer wilden meevoeren in een boek dat veel meer beschrijft dan de odyssee van Georges Kluger en zijn ouders alleen. En wanneer we buiten de lijntjes kleurden, was er het rechtergeweten van Karine om weg te gommen wat te veel, overbodig of vergezocht was. Niemand heeft de waarheid in pacht. Al was het maar omdat er veel waarheden zijn. Er is bovendien het collectieve zwijgen van na de oorlog. Het geheugenverlies waarmee de generatie die de oorlog meemaakte, probeerde het dagelijkse leven opnieuw op te nemen. Ze wilden vergeten, omdat ze anders te zeer gekweld werden. Wij hebben afstand. Wij zijn de kleinkinderen en de achterkleinkinderen van talloze Georges Klugers.

11

Wat-mijn-kleinzoon-weten-moet_BWdef.indd 11

23/08/17 14:02


We hebben uit onze duik in het verleden geleerd dat we absoluut geen oordeel mogen vellen zonder ons in te leven in die helse tijd en de periode die er onmiddellijk aan voorafging. Ons oordeel is mild geworden. Af en toe zijn we verbijsterd over de misvattingen die heden ten dage nog welig tieren. Zo kunnen we er niet omheen dat het nazisme nationaalsocialisme was. Moeten we dan niet zowel het huidige rechts als het hedendaagse links of wat ervoor doorgaat voortdurend kritisch tegen het licht van de geschiedenis houden? Hebben niet beide strekkingen kiemen van destructie in zich? Wij weten nu wat voor gruwelen al te simpele collectieve denkprocessen en volgzame massahysterie kunnen teweegbrengen. De generaties van voor de oorlog konden de gevolgen en de haast onvoorstelbare uitwassen niet voorzien, zeker niet even helder. De adolescent Georges Kluger schonk ons een druppel geschiedenis die Karine en ik mochten uitwerken tot een intrigerend verhaal. Aan ons om op onze qui-vive te zijn. Dat is de eenvoudige boodschap die de oude man Georges Kluger ons gaf met het archaïsche zinnetje: ‘Wat mijn kleinzoon weten moet’. Ivo Pauwels 25 april 2017

12

Wat-mijn-kleinzoon-weten-moet_BWdef.indd 12

23/08/17 14:02


1939

Wat-mijn-kleinzoon-weten-moet_BWdef.indd 13

23/08/17 14:02


DE BRIL VAN HAUSDORFF

‘Der kluger bahalt dem saichel; der nar veist zein narishkeit. Knoop dat goed in je oren, jongen.’ Perron 4 van het Westbahnhof van Wenen is overvol. Tal van Joodse ouders willen hun kinderen nog vlug op de trein naar België. ‘Het is misschien de laatste’, doet de ronde. Vader heeft hem voortdurend bij een schouder vast. Hij lost hem niet. En ondanks zijn grote jongensmoed kan Géorg Kluger deze ellenlange schouderklop goed gebruiken. Vader draagt zijn koffertje. ‘In je binnenzak zit een brief voor kozijn Herz. Paul Herz zal je in een van zijn huizen onderbrengen. Hij woont in Brussel. Maar hij gaat jou in Antwerpen een onderkomen bezorgen, in een kast van een huis. Plaats genoeg, hebben ze geschreven. Trouwens, over een paar weken zijn we bij jou, Géorgie. Dat huis zal ook onze thuis worden. En je hebt een huisknecht ter beschikking die alles voor jou zal regelen. Je zult zelf nergens omkijken naar hebben.’ Géorg knikt. Er zit een krop in zijn keel, maar hij laat het niet blijken. Vader spreekt nooit Jiddisch met hem, maar geijkte uitdrukkingen gebruikt hij af en toe, vooral wanneer hij gespannen is. En welke Jood in Wenen zou sinds die onzalige dag in november 1938 niet getormenteerd zijn? Een paar maanden geleden heeft Géorg met eigen ogen gezien hoe leden van de Sturmabteilung het schamele kruidenierswinkeltje van de oude, bijziende Isaac Hausdorff plunderden en de vitrine aan diggelen sloegen. Ze hingen Hausdorff een bord om de hals waarop stond Ich bin eine Saujude, waarna ze hem aframmelden en, toen hij neerviel, in het gezicht stampten en de oude man voor dood achterlieten. Het beeld van zijn kapotgetrapte brillenglas is voor Géorgie het symbool van de Kristallnacht. Hij kan de scène niet uit zijn geheugen wissen. In zijn klas op school wilde Gunther, ooit zijn beste vriend, sinds de Kristallnacht

14

Wat-mijn-kleinzoon-weten-moet_BWdef.indd 14

23/08/17 14:02


niet meer naast hem zitten, laat staan met hem voetballen. Twee dagen later, hij beleeft het opnieuw en huivert, kwam de klastitularis de klas binnen, volledig uitgedost in het bruine uniform van de Sturmabteilung. Hij bracht de Hitlergroet en het eerste wat hij in de klas brulde, was ‘Juden Raustreten!’. Ze kregen de laatste rijen schoolbanken toegewezen, duidelijk afgescheiden van hun klaskameraden. Dit schooljaar zat hij samen met Maurits, Abraham, Natan en twaalf anderen in het zogenaamde Jodenklasje, in een lokaaltje in de kelder van het gymnasium. Hij hoort nog de scheldwoorden die van langsom meer op hem inwerkten als een brandend zuur: ‘Vuile Jood, je stinkt. Zwijnenjong. Parasiet.’ Op de speelplaats was het vaak spitsroeden lopen. Hij mag er niet aan denken. Is het daarom dat vader en moeder hem nu zo snel mogelijk naar Vati’s neef Herz in Antwerpen sturen? Op de schoenfabriek willen ze zijn vader niet kwijt, geen van de werknemers, ook de talrijke christenen niet. Flugrad is geen zogenaamd Jodennest. Daarom blijft vader in Wenen. Om zijn fabriek te laten draaien en de mensen die er werken een loon te verschaffen. Dat zegt hij vaak. Ook tegen zijn zoon, en die hoort het hem nog luid en krachtig tegen moeder roepen wanneer ze in het fraaie biedermeier interieur van hun huis woorden hebben en denken dat hij de deur uit is. Moeder is echt bang. Ze dringt al lang aan op een vertrek, maar een visum naar Argentinië is hen volgens Mutti geweigerd. Waarom weet ze niet. Zoveel heeft hij ervan begrepen. Ze proberen hun angst voor hem verborgen te houden. Dat voelt hij. Maar ze zitten in zak en as. Moeder gaat niet meer naar de synagoge. Dat kan ook niet: die is compleet verwoest. En rabbijn Rosenthal is onvindbaar. Ze is bang van het bruingeklede gepeupel op straat. Vader en vooral zijn secretaresse, mevrouw Ritter, doen de meeste boodschappen. Sinds de Kristallnacht kunnen ze ook geen koosjer voedsel meer kopen. Meer dan vierduizend Joodse winkels, wordt er gefluisterd, zijn tijdens de Kristallnacht verwoest. Meer dan honderd Joden vermoord! Hij rilt. En lang niet alleen van de klamme koude van deze 6de maart 1939. Niemand, ook de politie niet, greep in. Géorg Kluger heeft minstens een dag, een nacht en nog een dag om te piekeren. Hoe lang zal de trein erover doen? ‘Alles hangt af van de controles’, heeft vader hem deze ochtend nog gezegd. ‘Je bent officieel een Duitser nu. Dat is hoe dan ook een voordeel als je met de trein reist. Niemand weet dat je Jood bent. Bovendien ben je blond. En in de Rode Kruistrein zullen ze geen vragen stellen.’ In zijn koffer zitten naast het hoogstnodige een viertal pakken rozijnen­ koeken, wel vijf repen chocolade en in een metalen bidon koude koffie met melk om de ergste dorst te lessen.

15

Wat-mijn-kleinzoon-weten-moet_BWdef.indd 15

23/08/17 14:02


‘Als het meezit, ben je overmorgen in Antwerpen.’ De instructies die vader hem gisterenavond heeft ingeprent, klinken nog na. ‘Kozijn Herz noemt de huisknecht nonkel Sygmund, al is hij helemaal geen familie. Ook hij zou een vluchteling zijn. Die mijnheer Sygmund heeft beloofd om geregeld in het station van Antwerpen te gaan informeren wanneer jouw trein arriveert. De Middenstatie ligt naar verluidt maar vijf minuten van het huis in de Grote Hondstraat. Hij zal niet de enige zijn die een bloedverwant of een vluchteling opwacht. Als je hem niet op het perron vindt, vraag dan naar de Grote Hondstraat en wandel ernaartoe. Je moet gewoon de spoorweg volgen, in de richting van waar je met de trein aankwam. De Middenstatie is een eindstation. Ik heb je het adres in de Grote Hondstraat meegegeven. Het zit in je portefeuille. Paul en Camilla Herz hebben geen kinderen. Ze zullen je opvangen. In Antwerpen ben je veilig. Je zult het er goed hebben. En wij zullen je er snel vervoegen. Trouwens, je kleren en alles wat je nodig hebt, zijn er al gearriveerd. Samen met onze koffers. Je hoeft dus alleen maar dit kleine en lichte valiesje mee te nemen.’ Alles had eenvoudig en geruststellend geklonken. Maar hier in het Westbahn­­ hof komt een overmaat aan indrukken op hem af. Wenende kinderen, jongens en meisjes, sommigen zelfs een paar jaar ouder dan hij. Anderen veel, veel jonger. De jongsten worden blijkbaar opgevangen door Rode Kruisverpleegsters, die hen begeleiden naar België. Het is een kluwen van kinderen en ouders, bagage bijeengepakt in gammele koffers, oude valiezen, of zoals die van hem, splinternieuw en vederlicht. De stoom die van onder de locomotief lijkt te komen, zorgt voor een vreemde, sinistere sfeer onder de ijzeren constructie van het imponerende station. De grote, zwarte locomotief met rode strepen boezemt hem tegelijk ontzag en angst in. Alsof het zwarte, briesende vehikel een nazi-uniform aan heeft. Vooral het af en toe kissen van de stoom gaat door merg en been. Unheil verkundend, sinister. Dat was het woord dat meester Oppenheimer vorig schooljaar gebruikte, toen hij door het venster van de klas naar buiten keek en de bruinhemden met hakenkruisen voorbij zag trekken met een afgemeten, maar juist daardoor dreigende tred. Géorg is zo slim om zich in een nog lege coupé van de trein snel bij een venster te nestelen en zijn koffertje onder zijn bank te schuiven. Hij klemt het tussen zijn benen. Het raam is open, zodat hij nog lang met vader kan praten. Het perron, dat zo-even nog een mierennest was, wordt rustiger nu. Er staan alleen nog ouders en verwanten. Het fluitje van de treinwachter weerklinkt en de trein zet zich langzaam in beweging, de stalen wielen knarsend op de ijzeren sporen. ‘A kluger farshteyt fun eyn vort tsvey. Vaarwel, Géorgie, mijn jongen. Zay gezunt.’

16

Wat-mijn-kleinzoon-weten-moet_BWdef.indd 16

23/08/17 14:02


De stationsklok boven het perron staat op 9 voor 12. Vader wuift de hele tijd. Ook nu het raam dicht moet. Na een flauwe bocht verliest hij vader uit het oog. Op zijn buik aan een eenvoudig halssnoer hangt een plaatje, met daarop ‘Antwerpen’. Bij anderen ziet hij Lüttich, Bruxelles, Oostende of Gent als eindbestemming. Zo kennen de begeleiders het eindstation van iedereen in de trein. Géorg zinkt neer op de houten bank, kijkt uitzichtloos naar buiten en probeert vooral niet te denken. Hij voelt zich alleen en ondanks alle aandacht van zijn vader plotseling in de steek gelaten. Niet denken, houdt hij zichzelf voor, schakel je verstand uit. Hij wil slapen, zijn ogen sluiten en al de nare ervaringen van de jongste maanden vergeten. Maar telkens opnieuw wellen de Jiddische woorden van zijn vader in zijn hoofd op en ziet hij glinsterend als diamant de kapotte brillenglazen van Hausdorff. De meeste kinderen in zijn coupé zijn al even zwijgzaam als hij. Twee broertjes zitten hand in hand. Hun haast wezenloze gezichtjes staan somber en angstig. Een wat oudere jongen probeert een boek te lezen. Der kluger bahalt dem saichel; der nar veist zein narishkeit. De wijze behoudt zijn verstand, de nar spreidt zijn dwaasheid tentoon. Waarom sprak zijn vader Jiddisch? Vast opdat hij het goed zou onthouden. A kluger farshteyt fun eyn vort tsvey. Hij is goed op weg om één woord te horen en er twee te verstaan. Zijn vader heeft hem meer dan eens verteld dat de achternaam Kluger de duurste naam is die Joden kunnen kopen. Nog duurder dan Grünfeld, die zijn moeder en zijn opa en zijn oma Herz dragen. Wat zal hij oma missen! Gisterenavond knuffelde ze hem zo lang en intens dat hij er ongemakkelijk van werd. En toen ze vroeg om Für Elise te spelen, had hij het werktuigelijk gedaan om haar niet voor het hoofd te stoten, maar zijn ziel kon hij er niet meer in leggen. De noten leken van zijn vingers te glijden als water. En de ivoren toetsen vervormden tot tanden van een donker monster. Hij voelde zich verstikt. Weemoed slorpte hem op als de suiker in de kop warme melk die moeder voor hem had gemaakt. In bed huilde hij stilletjes. Eergisteren nog ging hij naar de schoenfabriek. Eergisteren lijkt hem nu eindeloos veraf. Opa nam hem mee naar de verschillende ateliers. Het was een vreemde ervaring. Alle werknemers, de leersnijders, de naaisters, de zolenmakers en de hielsnijders zegden hem vriendelijk gedag en de meestergast stopte hem een reep Zwitserse chocolade in de hand. ‘Uw opa en uw vader zijn moedige mensen, Géorg. Wij bewonderen hen allemaal. Het ga je goed in Antwerpen. Gelukkig heb je er familie. Dat wordt hier toch gezegd, niet, mijnheer Grünfeld?’ Meestergast Schmidt hield zijn hand heel de tijd in zijn grote knuist. En

17

Wat-mijn-kleinzoon-weten-moet_BWdef.indd 17

23/08/17 14:02


secretaresse Frau Ritter gaf hem een klapzoen op de wang. Tijd om weg te gaan, dacht hij. Toen had hij voor het eerst die vreemde weemoed gevoeld. Alsof er iets knakte in hem. Toen hij het thuis vertelde, lachte zijn moeder bitter. ‘Moedig. Jouw vader? Mijn vader? Ja, wat kopen we ervoor! Deportatie naar een werkkamp? Of gemole­ steerd worden. Veel te goed is half zot. Stel dat ik in verwachting was, dan zaten we helemaal in de penarie. En ze spreken ervan de fabriek te arisieren, dan wordt hij er gewoon uit gebonjourd. Goed, jongen, dat je morgen naar kozijn Herz in Antwerpen kunt vertrekken. Hij heeft beloofd om voor je te zorgen. Hij wil je naar een prima kostschool sturen. Hij heeft er naar eigen zeggen al een op het oog. De beste die er is, schreef hij. Ik hoop maar dat het waar is. Camilla, zijn vrouw, is schatrijk en doet snel uit de hoogte. Het is vooral een chique madam. Ze gaan vier, vijf keer per jaar skiën, in Sankt Wendel en Davos. Ze logeren dan in de beste hotels. Hun huis in Brussel is een paleis. Schrijf me snel een brief wanneer je in het huis in Antwerpen bent.’ Van neef Herz maakt Géorgie zich geen voorstelling. Dat van dat zwanger knaagt nu aan hem. Moet hij weg omdat er een broertje of zusje op komst is? Het laat hem niet los, ondanks het ritmische gedreun van de stalen wielen. Hij begint te knikkebollen. Maar voor hij in slaap valt, vergewist hij er zich van dat zijn koffertje vast tussen zijn knieën geklemd zit. Af en toe schiet hij wakker, vooral wanneer de trein afremt en met een tergend traag slakkengang voortschuift. Een enkele keer leest hij de naam van een station. Neurenberg. Ze zijn in Duitsland. Het leidt hem niet langer dan een ogenblik af. En net als hij besluit om naar het landschap te kijken en het goed in zich op te nemen, schuift de trein een zwarte tunnel in. Hij is slim genoeg om het als een voorteken te beschouwen. Waar zal hij belanden? Wie is neef Herz? Een Amerikaan, dat weet hij. Want Camilla is in New York geboren. Neef Herz heeft een bedrijf waar moffen vervaardigd worden, gevoerd met diamant om koperdraad te trekken, de Belgian Tool Company. Zal neef Herz voor hem zorgen? En die Camilla? Moeder schijnt niet hoog met haar op te lopen. Ze moeten een fortuin bezitten. Hij heeft ze nooit ontmoet. Ooit zijn ze naar Wenen gekomen, op bezoek, vertelde Vati, maar toen was hij nog een ukkepuk. De tunnel ligt achter hen. Het landschap opent zich met groene weiden en populieren, de takken steken naakt af tegen een donkere onweerslucht. Het landschap vol wilde hagen als snorren en houtkanten als ruige baarden voedt

18

Wat-mijn-kleinzoon-weten-moet_BWdef.indd 18

23/08/17 14:02


zijn neerslachtigheid. Hij besluit om zich te vermeien in aangenamere herinneringen. Van dat almaar vlinders vangende vlindernetje op de Sonnenberg, vlak bij de stad. Hij krijgt er de tijd niet voor. Onverwacht stopt de trein in een godvergeten oord. Meisjes met blonde vlechten stappen voorbij en atletische jongemannen in het uniform van de Werhmacht, maar ook oudere heren in het bruin van de Sturmabteilung wandelen de vlechten becommentariërend voorbij. Hij huivert. Tijdens de Kristallnacht heeft hij geleerd dat achter deze vredige beelden wreedheid schuilt. Hij heeft gave gezichten in gruwelijke tronies zien veranderen. Thuis heeft hij niet durven te zeggen dat hij getuige was van de geweldpleging bij Hausdorff.

* * * Een in het blauw geklede verpleegster met een witte kap steekt haar hoofd naar binnen en vraagt vriendelijk: ‘Is alles in orde in de coupé van de grote jongens?’ Ze knikken en mompelen bedeesd maar beleefd: ‘Ja, Schwester.’ Onwillekeurig diept Géorg Kluger zijn splinternieuwe portefeuille uit zijn jas op en schuift er zijn identiteitskaart uit. Deutschland staat er klaar en duidelijk op vermeld. Sinds bijna een jaar zijn alle Oostenrijkers Duitsers. Hij heeft het gevoel dat niemand durft te zeggen of hij of zij dat wel wil. Toch niet hardop. Behalve Sindelar. Maar die is dood. En Sindelar was niet eens een Jood. Geboren 13 juli 1924, leest Géorg op zijn paspoort. Over enkele maanden wordt hij vijftien jaar. Neef Herz en Camilla? Hoe zouden ze eruitzien? Op de foto die Mutti van hen toonde, zijn ze pasgetrouwd en niet veel ouder dan twintig. Nu moeten ze minstens veertig zijn. Ze is een slanke dame met een witte parasol. Haar jurk zit haar als gegoten. Zij kijkt als een strenge, hardvochtige gouvernante. Hij ziet er opvallend elegant én duur uit. Meneer Herz draagt een geklede Amerikaanse hoed, een cowboyhoed, maar dan een chique. Georges hoopt dat neef Herz vriendelijker is dan de foto doet vermoeden. ‘In Antwerpen wonen veel Joden’, vertrouwde Vati hem toe. ‘België is een goed land.’ In het station van Frankfurt am Main stappen enkele vrouwen op de trein. Ze hebben manden met boterhammen bij zich, boterhammen belegd met jam. Aardbeienjam proeft hij tot zijn plezier. En melk uit grote, metalen kitten is er

19

Wat-mijn-kleinzoon-weten-moet_BWdef.indd 19

23/08/17 14:02


zoveel als hij op kan. Iedereen eet zwijgend, maar gretig. De trein blijft lang stilstaan. Pas als dat hem opvalt, kijkt hij op zijn horloge. De duisternis valt in. Het is niet eens halfacht. De trein zet zich weer in beweging. Op het tempo van ratelende wielen en het wiegen van de wagons valt hij in een deugddoende slaap.

* * * Hij wordt wakker in een pikkedonker landschap. Hij moet naar het toilet. Hij legt zijn koffertje op zijn zitplaats. Iedereen lijkt te slapen. De lampen in de gang doen hem huiveren. Alsof het glinsterende stukjes glas van de bril van Hausdorff zijn. Hij is nog slaapdronken, en al waggelend op het onregelmatige ritme van de trein pas weer op zijn plaats gesukkeld, wanneer mannen in groen uniform langs de coupés stappen. De oudere jongen is wakker geworden, kijkt naar de mannen in uniform en stelt hem gerust: ‘Douaniers. Als je geen massa schnaps, geld, goud of juwelen in je koffer hebt, hoef je niets te vrezen.’ Géorgie heeft niets te vrezen, maar elke man in uniform boezemt hem sinds de Kristallnacht een latente angst in. De douaniers zijn opvallend vriendelijk, zowel de Duitse als de Belgische. Ze vragen iedereen naar zijn of haar papieren. Voor iedereen in de coupé en in het bijzonder voor de Duitse onderdaan Géorg Kluger zijn er geen problemen. Ze zijn dus bijna aan de Belgische grens! Dan moet hij lang geslapen hebben. Als hij niet moederziel alleen was, zou hij juichen. In België! Maar nu, alleen en ver van huis, is elke grens er één te veel. Niemand hoeft zijn papieren te tonen, niemand in de coupé wordt gevraagd om zijn koffer te openen. En iedereen houdt opnieuw zijn innerlijke koffer dicht. Bij Géorgie zit hij versleuteld in een melancholie die hij nooit kende. Plotseling zegt hij: ‘Ik heet Géorg, Géorg Kluger. Ik kom uit Wenen. En jullie?’ Niemand reageert. Is het omdat de stoomtrein zich net op dat ogenblik weer knarsend en puffend in gang zet? Hij kruipt opnieuw in zijn gedachten, maar duikt er, een beetje verongelijkt, niet meer in weg. Hij beslist om vooruit te denken. Strijdvaardig zal hij zijn! Voor het eerst op eigen benen! Naar Antwerpen! Naar Paul Herz en die vreemde huisbewaarder! Misschien kan hij helpen in de fabriek. En al spreekt hij geen woord Nederlands of Frans, en amper Jiddisch, hij zal zich in Antwerpen snel weten te redden. Het duister maakt hem slaapdronken. Het ritmische gedreun van de wielen doet de rest.

20

Wat-mijn-kleinzoon-weten-moet_BWdef.indd 20

23/08/17 14:02


De trein vertraagt, de stad waar hij doorheen schuift is heel verschillend van Wenen. Ze ligt in een smal dal tussen hoge heuvels, huizen staan op steile hellingen boven de binnenstad. Hier en daar ziet hij rotsen en hoge fabrieksschouwen. Vooral langs een grijze rivier zijn de gevels grauw. Liége leest hij op de borden langs het perron waar de trein nu halt houdt. Lüttich is dat. Hij is in België! ‘Als je in Lüttich bent, is het nog maar een uur of drie, vier. Eerst heb je nog Brussel, waar je zult moeten overstappen. De begeleiders van het Rode Kruis zullen je de trein naar Antwerpen wijzen.’ In zijn herinnering hoort hij zijn vaders instructies haast letterlijk. Een kleine groep kinderen stapt uit. Ze worden er op een station vol bedienden en ander werkvolk opgewacht door een rood aangelopen, corpulente vrouw die hijgend en traag met een bordje Liége zwaait. Hij heeft honger, maar haalt zijn pakje boterhammen pas uit zijn koffertje als ook de andere jongens en meisjes eten wordt aangeboden, soep en een homp brood. Naast de boterhammen steekt ook een boekje, merkt hij nu. Französisch für Anfänger! Heeft zijn vader niet gezegd dat ze in Antwerpen Nederlands spreken? ‘Maar ook Frans’, heeft zijn moeder gezegd. ‘En wie Frans spreekt, kan ook voor een Fransman of een Zwitser doorgaan. Je weet maar nooit.’ Mutti, zijn lieve, mollige, kokette Mutti. Vati noemde haar vaak zijn poppetje, maar als ze boos of kregelig was, sprak hij haar plagend en met een brede uithaal van zijn stem aan met meine Aphrodíte, met een langgerekte, veelbetekenende i. Géorg bladert het boekje door, legt het op zijn schoot, lepelt voorzichtig de kom lauwe erwtensoep naar binnen en verorbert met smaak twee van zijn krentenkoeken. Hij kan eten als een leeuw, maar is altijd de kleinste van de klas. ‘Ach, je zult vast en zeker nog groeien. Eet maar flink, Géorgie.’ Hoe vaak heeft hij zijn moeder dat niet horen zeggen? Ze leunde dan met haar kin op haar handpalm, terwijl haar ellenboog op de rand van de eiken tafel steunde, en keek haar enige zoon met grote ogen en af en toe fladderende wimpers aan alsof hij een wereldwonder was. Van haar mocht hij echte koffie drinken, behalve ’s avonds, dan kreeg hij warme melk uit een mok waarop een kattenkop met opvallend grote oren stond geschilderd. Hij was altijd opgelucht dat geen van zijn leeftijdsgenoten het ritueel kon zien, want hij schaamde zich als Mutti hem als een kind behandelde. De reis wordt almaar eentoniger. Wat kan hij bedenken om de saaie coupé wat leven te geven? Hij stelt voor dat ze ieder om de beurt iets uitbeelden, terwijl de anderen moeten raden wat het voorstelt. Geen reactie. Nog één keer opent hij met: ‘Ik ga op reis en ik neem mee…’ Het zet geen zoden aan de dijk. De oudere

21

Wat-mijn-kleinzoon-weten-moet_BWdef.indd 21

23/08/17 14:02


jongen werpt hem een verwijtende blik toe en leest verstoord verder in zijn boek, de twee broertjes blijven even wezenloos. Een kleine jongen, die stil in een hoek zit en tot nu aan de aandacht van Géorg was ontsnapt, begint zachtjes te huilen, en het verongelijkte gezicht vol pukkels tegenover hem zucht afkeurend. Het is ieder voor zich, besluit Géorgie. Goed dan. En toch. De jongens beginnen schoorvoetend met elkaar te praten. Ook hij wil weten vanwaar ze komen. Sommigen hebben blijkbaar al een hele reis achter de rug. De twee broertjes spreken geen Duits. En hun Jiddisch is moeilijk te verstaan. Toch begrijpt hij dat ze via een omweg, via Tsjecho-Slowakije, in Wenen zijn beland en door het Rode Kruis worden opgevangen. Nee, ze weten niet wat hen in België te wachten staat. Van hun ouders hebben ze al maanden niets meer gehoord. Fun zeyer eltern zey habn nisht gehert.

* * * De trein schuift nu trager en trager voorbij lelijke achterhuizen en vieze koterijen. Verf bladdert van de achtergevels. Plots duikt de trein steunend en knarsend een grauwe tunnel in. Géorg voelt hoe de samengeperste lucht de locomotief uit de tunnel wil spuwen. Desondanks versnelt de trein en af en toe ziet hij het flauwe schijnsel van een lamp. Opnieuw valt daglicht door de ramen. De trein vertraagt en stopt. Brussel-Noord, leest hij. Op het perron staan mannen en vrouwen met witte borden met daarop de verschillende eindbestemmingen. A kluger farshteyt fun eyn vort tsvey! Coupé na coupé worden de kinderen en jongeren naar het perron begeleid. Alleen de kinderen met een bordje ‘Gent’ en ‘Oostende’ blijven op de trein. Géorg sluit zich aan bij een groep die als eindbestemming Antwerpen heeft. Er zijn verschillende groepen die dezelfde richting uitgaan, elk met een man of een vrouw die een wit bord met een rood kruis omhoogsteken waarop in zwarte drukletters ‘Antwerpen’ staat. Géorg heeft snel door dat hij tot de grootste groep behoort. En dat hij dus lang geen uitzondering is. Bovendien is hij bij de weinige gelukkigen die maar een klein valiesje te dragen hebben. Voor sommige kinderen en begeleiders is het voortsleuren van de bagage een hels karwei. In verschillende talen hoort hij zeggen: Antwerpen, Antverpia, perron elf, perron onze, Bahnsteig elf, platforma jedenáct, platforme elf.

22

Wat-mijn-kleinzoon-weten-moet_BWdef.indd 22

23/08/17 14:02


www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Omslagfoto: archief familie Kluger Alle foto’s: archief familie Kluger, behalve p.253 (archief Charlotte Massey), p. 255 (archief Georges Van Liefferinge), p.256 (archief Nederlandse Reformatorisch Dagblad) Omslagontwerp: Studio Lannoo Vormgeving: Armée de Verre Bookdesign © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2017 en Ivo Pauwels en Karine Huts D/2017/45/669 – ISBN 978 94 014 4806 2 – NUR 320/689 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Wat-mijn-kleinzoon-weten-moet_BWdef.indd 512

23/08/17 14:02


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401448062 by Uitgeverij Lannoo - Issuu