HEEFT EEN PLAN Andy Stanton Met illustraties van
Mattias De Leeuw Vertaald door
Edward van de Vendel
www.lannoo.com Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/ of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2017 ISBN 978 94 014 4758 4 D/2017/45/698 NUR 282/283 Oorspronkelijke titel You’re a Bad Man, Mr Gum! © Oorspronkelijke uitgever Egmont, 2006, 2016 © Tekst copyright Andy Stanton 2006 © Nederlandse editie Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2017 Illustraties Mattias De Leeuw Vertaling Edward van de Vendel
INHOUD 1
DE TUIN VAN MENEER GOM
11
2
EEN KOLOSSALE KOLOS VAN EEN HOND
26
3
MENEER GOM BEDENKT VERSCHRIKKELIJKE PLANNEN, WANT HIJ IS ZELF VERSCHRIKKELIJK
44
4
MENEER GOM DRINKT EEN KOPJE THEE
63
5
JAMMIE GRAMMIE LAMMIE…
64
6
MENEER GOM LEGT ZIJN HARTEN NEER
82
7
VRIJDAG O’MIJDAG
95
8
SOMMIGE DINGEN GEBEUREN GEWOON
108
9
POLLY EN VRIJDAG RIJDEN DE STAD BINNEN
123
10 JOHNS DIEPSTE NOOD
140
11 HOE HET AFLIEP
155
9
Hoofdstuk I
DE TUIN VAN MENEER GOM
M
ENEER GOM was een oude, woeste man,
met een rode baard en twee bloeddoorlopen ogen waarmee hij naar je staarde als een opgerolde octopus in een donker hol. Een AFSCHUWELIJKE GRIEZEL was het, en hij haatte kinderen, dieren, geroosterde maiskolven en alles wat leuk was. Hij hield wél van de hele dag in bed blijven liggen, van alleen zijn, en van kwaad naar de dingen kijken. Hij sliep en keek kwaad en haalde snotstukjes uit zijn neus en at ze op. De meeste inwoners van Lamme Griemel bleven bij hem uit de buurt en de kinderen waren bang voor hem. Hun moeders zeiden altijd: ‘Je gaat naar
bed als ik het zeg, want anders komt meneer Gom tegen je speelgoed schreeuwen en slijm op je boeken smeren!’ Over het algemeen gehoorzaamden de kinderen dan wel.
11
Meneer Gom woonde in een geweldig groot huis, middenin de stad. Of eigenlijk was het helemaal niet zo geweldig, want hij had er een enorme ZWIJNENSTAL van gemaakt.
12
De kamers stonden helemaal vol met troep en pizzadozen.
De vloer was bezaaid met lege melkpakken,
het leken net gewonde soldaten, uit de grote melkoorlog,
en overal lagen kranten van jaren en jaren geleden, met koppen als: 13
VIKINGEN VALLEN AAN en
EERSTE KRANT TER WERELD VANDAAG UITGEVONDEN
Er woonden insecten in de keukenkastjes, en dan niet alleen kleintjes,
maar ook van die hele grote, die allemaal een gezicht hadden, en een naam en een beroep.
14
De slaapkamer van meneer Gom was pas ECHTE HORROR. De kast zat zo vol met schimmel en oude kaas dat er nauwelijks nog plaats was voor zijn door de motten aangevreten kleren, en zijn bed had hij nooit gemaakt.
(Ik bedoel dus niet dat het dekbed nooit netjes recht gelegd werd, ik bedoel dat het bed nooit GEMAAKT was. ÂMeneer Gom had het nooit nodig gevonden om het in elkaar te zetten. Hij had gewoon de planken op een hoop gegooid en daar het matras bovenop gedumpt.)
15
In de ramen zat gebroken glas en het antieke tapijt had een kleur om ongelukkig van te worden en stonk behoorlijk naar wc. Ik zou nog uren door kunnen praten over het huis van meneer Gom, maar volgens mij heb je nu wel ongeveer een beeld. Meneer Gom was een ONGELOOFLIJKE LUIWAMMES, die niet hield van aardig zijn, van opruimen of van tanden poetsen, niet die van hemzelf en ook niet die van iemand anders.
16
(zoals je ziet is dit een grote maar)
hij was altijd bezig met het fatsoeneren van zijn tuin. Meneer Gom hield zijn tuin zo netjes bij dat het de mooiste, groenste, bloemerigste, tuinigste tuin van heel Lamme Griemel was.
WIL JE WETEN HOE PRACHTIG DIE TUIN WAS?
18
Neem een nummer tussen een en tien in je gedachten. Doe dat getal maal vijf. Tel er driehonderdvijftig bij op. Trek er elf af. Vergeet al die getallen. En denk aan een prachtige tuin.
Met welk getal je ook begonnen bent: je ziet nu een prachtige tuin voor je. Precies zo prachtig was dus de tuin van meneer Gom. In de lente stond hij barstensvol met krokussen en narcissen. In de zomer waren er rozen, zonnebloemen, en van die kleine blauwe bloemetjes, hoe heten die ook alweer? Je weet wel, die kleine blauwe, ze lijken een beetje op dinosaurussen – maakt niet uit, daar had hij er dus duizenden van. In de herfst viel er een dikke laag bladeren uit de grote eik, waardoor het gazon op een gigantische gouden blaadjesÂrobot leek. In de winter was het winter.
20
Niemand in de stad begreep hoe meneer Gom zijn tuin zo mooi, groen, bloemerig en tuinerig kon houden, terwijl zijn huis zo’n smerige bende was. ‘Misschien houdt hij gewoon van tuinieren’, zei JONATHAN FROMMEL, de dikste man van de stad. ‘Misschien probeert hij er een tuinwedstrijd mee te winnen’, zei een klein meisje, dat PETER heette. ‘Ik neem aan dat hij gewoon echt van tuinieren houdt’, zei
MAARTEN WASSERETTE, die een wasserette had.
‘Hé, dat zei ik toch al!’ zei Jonathan Frommel. ‘Niet waar’, zei Maarten Wasserette. ‘Bewijs het maar, vetzak.’
21
Maar ze hadden het allemaal verkeerd. Dit was de echte reden: meneer Gom moest zijn tuin wel netjes houden, want anders zou er een KWADE FEE uit zijn bad opduiken en hem met een braadpan gaan meppen.
22
(Zo zie je maar weer, voor alles is altijd een simpele verklaring.)
Meneer Gom haatte die kwade fee, maar hij wist niet hoe hij haar kwijt moest raken, dus hij had geen keus: het was tuinieren of braadpanmeppen. 23
En zo ging alles zijn gangetje in het vredelievende stadje Lamme Griemel. Iedereen deed wat hij altijd deed en meneer Gom doezelde door de dagen in zijn smerige huis, en tuinierde terwijl hij helemaal niet wilde tuinieren. En er gebeurde niks bijzonders, en de zon ging onder achter de bergen.
24
(Sorry, bijna vergeten: één keer gebeurde er wel iets bijzonders. Daar gaat dit verhaal namelijk over. Excuses. Eh, w at was het ook alweer? Even denken… O ja, ik weet het weer! Stom van mij. Dat met die kolossale kolos van een hond. Hoe kon ik dat beest nou toch vergeten? Oké dan.)
Op een dag was er een kolossale kolos van een hond – (Wacht, het lijkt me beter dat ik er een nieuw hoofdstuk van maak. Sorry mensen, voor al dit gedoe.)
25
Hoofdstuk 2
EEN KOLOSSALE KOLOS VAN EEN HOND
O
p een dag kwam er in de buitenwijken van de stad een KOLOSSALE KOLOS van een hond wonen. Waar hij vandaan kwam? Dat wist niemand. Welke krankzinnige dingen hij had meegemaakt? Wist ook niemand. Hoe hij heette? Dat wist iedereen. JOHN. JOHN DE HOND.
26