Inzicht in hyperventilatie
D/2017/45/495 – 978 94 014 46600 – NUR 770, 870 Vormgeving omslag: Studio Jan de Boer, Utrecht Vormgeving binnenwerk: Studio Jan de Boer, Utrecht Foto auteur omslag: Bep Timmermans Foto's binnenwerk: Shutterstock.com ©Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2018 Dit boek is een uitgave van Uitgeverij LannooCampus (Houten). LannooCampus maakt deel uit van Uitgeverij Lannoo nv. De foto’s worden alleen gebruikt voor illustratieve doeleinden en hebben geen relatie met de werkelijkheid. Ieder geportretteerd persoon is een model. Alle rechten voorbehouden. Behoudens de uitdrukkelijk bij de wet bepaalde uitzonderingen mag niets van deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Uitgeverij LannooCampus p/a Papiermolen 14-24 3994 DK Houten (Nederland) Postbus 97 3990 DB Houten (Nederland) www.lannoocampus.nl
D R . J O O S T VA N D E N A A R D W E G DRS. ED BERRETTY
INZICHT IN HYPER VENTILATIE H U L P B I J H Y P E R V E N T I L AT I E , VA N T H E O R I E N A A R P R A K T I J K
INHOUD
VO ORWOORD
11
DEEL 1 HE T M EC HAN ISME VAN HYPERVE N T I L AT I E Joost van den Aardweg
13
1 Wat is hyperventilatie? 1.1 Hypocapnie 1.2 Het hyperventilatiesyndroom 1.3 Hoe is het syndroom vast te stellen? 1.3.1 Directe observatie 1.3.2 Anamnese 1.3.3 Meting van het adempatroon 1.3.4 Vaststellen van hypocapnie 1.3.5 Hyperoxie 1.3.6 De hyperventilatieprovocatietest 1.3.7 Hyperventilatie tijdens inspanning 1.3.8 Hyperventilatie door een lichamelijke oorzaak 1.3.9 Een paniekstoornis 1.4 Is het iets van deze tijd? 1.5 Hoe vaak komt het voor?
15 15 21 22 23 24 26 27 29 29 34 34 36 36 37
2 Wat is het effect van hypocapnie? 2.1 Verschuiving van het zuur-base-evenwicht 2.2 Toegenomen productie van melkzuur 2.3 Remming van het Bohr-effect 2.4 Excitatie van het zenuwstelsel 2.4.1 Versterkte reflexen 2.4.2 Tintelingen, fasciculaties en spierkrampen 2.4.3 Hypocapnie en epilepsie 2.4.4 Hyperventilatie en nystagmus 2.4.5 Invloed op het denkvermogen? 2.4.6 Heeft hypocapnie invloed op de slaap? 2.5 Effect van hypocapnie op de bloedsomloop 2.5.1 Cerebrale vasoconstrictie 2.5.2 Vasoconstrictie in de huid 2.5.3 Effect op de bloedvaten in de darmen 2.5.4 Vasoconstrictie van de kransvaten van het hart 2.5.5 Effect van hyperventilatie op de hartslag
41 41 43 45 46 46 46 48 49 49 50 51 52 53 54 54 55
2.5.6 De bloeddruk tijdens hyperventilatie 2.6 Ademstilstand na hyperventilatie
55 58
3 Hoe ontstaat hyperventilatie? 3.1 De vicieuze cirkel van angst en hyperventilatie 3.2 Angst → hyperventilatie 3.3 Hyperventilatie → hypocapnie 3.3.1 Langdurig hyperventileren 3.3.2 Inspanning 3.3.3 Dode ruimte 3.3.4 Inefficiënte ademhaling door hypocapnie 3.4 Hypocapnie → symptomen 3.5 Adembewegingen → symptomen 3.6 Symptomen → angst 3.6.1 Catastrofale misinterpretatie 3.6.2 Hyperventilatie en paniek 3.6.3 Reactie op het inademen van lucht met hoge CO2-concentratie 3.6.4 Interactie met de omgeving 3.7 Werking van de vicieuze cirkel
63 64 64 68 68 70 70 71 71 72 74 75 75 78 79 80
4 Lichamelijke oorzaken van hyperventilatie 4.1 Metabole acidose 4.1.1 Lactaatacidose 4.1.2 Nierinsufficiëntie 4.1.3 Ketoacidose 4.1.4 Verlies van bicarbonaat via de darm 4.1.5 Intoxicaties 4.2 Zuurstofgebrek 4.2.1 Verblijf op grote hoogte 4.2.2 Longziekten met zuurstofgebrek 4.3 Longziekten 4.3.1 Astma 4.3.2 COPD 4.3.3 Longembolie 4.3.4 Pneumothorax 4.4 Oververhitting en onderkoeling 4.4.1 Hyperthermie 4.4.2 Cold shock
83 83 84 85 85 85 85 86 86 86 87 87 88 88 90 90 90 90
4.5 Hormonen en zwangerschap 4.5.1 Progesteron 4.5.2 Bevalling 4.6 Centrale neurogene hyperventilatie 4.7 Overige lichamelijke oorzaken van hyperventilatie 4.7.1 Acetylsalicylzuur 4.7.2 Excessief praten 4.7.3 Cheyne-Stokesademhaling 4.7.4 Levercirrose 5 Behandeling van hyperventilatie 5.1 Behandelmethoden 5.1.1 Geruststelling 5.1.2 Provocatie 5.1.3 Ademoefeningen 5.1.4 Ademen in een papieren zak 5.1.5 Medicatie 5.1.6 Cognitieve gedragstherapie 5.2 Wat te doen? DEEL 2 BEHANDE LI NG I N D E PRA KT I JK Ed Berretty 6 Hyperventilatie bij een angststoornis: wanneer goede uitleg volstaat om iemand te helpen 6.1 Patricia bij de huisarts 6.2 Bespreking Patricia 6.3 Wanneer spreken we over een paniekstoornis? 6.4 Patricia bij de huisarts: het advies 6.5 Bespreking vervolg Patricia 6.6 Wat is dat, een multidisciplinaire richtlijn? 6.7 Achtergrond cognitieve gedragstherapie 6.7.1 Leertheorie 6.7.2 Cognitieve gedragstherapie 6.7.3 Therapeutische relatie 6.7.4 Effect psychologische behandelingen 6.7.5 Zorgstandaard angststoornissen 6.7.6 Praktijkondersteuner huisarts
91 91 91 92 92 93 93 93 94 97 97 97 97 98 99 101 101 102
105
107 108 108 109 113 113 114 114 116 117 118 119 120
6.8 6.8.1 6.8.2 6.9
Patricia bij de POH Voorbereiding door Patricia en de POH Psycho-educatie door de POH Het alarmmechanisme resetten
7 Hyperventilatie bij een angststoornis: wanneer (psychologische) behandeling nodig is 7.1 Hamid bij de huisarts 7.2 Behandeling door de POH 7.3 Hamid bij de POH 7.4 E-health programma’s 7.4.1 Ontspanningsoefeningen 7.4.2 Interoceptieve exposure en exposure in vivo 7.4.3 E-mailfunctie met POH 7.5 Vervolgtraject behandeling 7.5.1 Basis- en specialistische-ggz 7.5.2 Cognitieve gedragstherapie 7.6 Hamid in behandeling 7.6.1 Oefeningen in interoceptieve exposure 7.6.2 Gedragsexperimenten met interoceptieve exposure 7.6.3 Exposure ‘in vivo’ bij agorafobie 7.6.4 Het maximaliseren van exposure ‘in vivo’ 7.7 Afronding cognitieve gedragstherapie 8 Hyperventilatie bij een angststoornis: wanneer een combinatie met medicatie nodig is of (rest)klachten blijven bestaan 8.1 Farmacotherapie volgens de MRA 8.1.1 Hoe is het medicamenteuze beleid opgezet? 8.1.2 De zes stappen van farmacotherapie 8.2 Terugvalpreventie 8.3 Restklachten en onvolledig herstel 8.3.1 Prognose van de behandeling van paniekstoornis met hyperventilatie en agorafobie 8.3.2 Intensivering van cognitieve gedragstherapie 8.4 Ondanks alles restklachten en onvolledig herstel
121 121 122 123 127 128 128 130 130 130 131 132 132 133 133 136 136 138 139 140 143 147
147 147 148 149 150 150 150 151
9 Hyperventilatie en een ongegronde (mate van) angst voor een ziekte: behandeling via het zogenaamde gevolgenmodel 9.1 Kennismaking met Duygu 9.2 Kennismaking met meneer Gert 9.2.1 Het medisch dossier van meneer Gert 9.2.2 Hoe meneer Gert met zijn ziekten omgaat 9.3 Het gevolgenmodel 9.3.1 Waar is het gevolgenmodel voor nodig? 9.3.2 Is het gevolgenmodel vaak nodig? 9.3.3 Opzet van het gevolgenmodel 9.4 Duygu in behandeling 9.4.1 Wat leert Duygu tijdens de intake bij de specialistische-ggz? 9.4.2 Wat Duygu leert tijdens de behandeling? 9.5 Meneer Gert in behandeling 9.5.1 Wat leert meneer Gert over zijn ademhaling? 9.5.2 Wat leert meneer Gert nog meer over zichzelf? DEEL 3 NEDERLA NDSE H Y PE RV E NT I LATIE STICHTING 10 Zo voelt het ĂŠcht! Hoe de patiĂŤntenorganisatie helpt (door NHS geschreven)
155
156 157 157 159 159 159 160 161 163 163 164 166 166 167
171 173
R E FE R E NTIE S
178
L IJST VAN AFKORTIN GEN
194
NAWOORD
196
OV E R D E AU TEU RS
198
VOORWOORD Joost van den Aardweg Voorjaar 2018
Hyperventilatie is nog steeds een probleem. In de meeste gevallen heeft het geen lichamelijke oorzaak, vandaar dat de diagnose ‘hyperventilatie’ meestal als geruststellend wordt gezien. Soms is het vrij eenvoudig oplosbaar. Toch kan het ook een hardnekkige kwaal zijn met een behoorlijke impact. Een probleem is dat het vaak lastig is om erachter te komen of bepaalde klachten of symptomen een gevolg zijn van hyperventilatie of van iets anders. Hyperventilatie lijkt vaak op uitingen van een lichamelijke ziekte. Voor hulpverleners is het daarom vaak moeilijk om te bepalen of klachten berusten op hyperventilatie of niet. Dat geldt ook voor de betrokkene zelf: niet iedereen is er direct van overtuigd dat de bewuste klachten een gevolg zijn van hyperventilatie. Niet alleen omdat sommige mensen dat niet graag toegeven, maar ook omdat niet iedereen zich kan voorstellen waarom hij zou hyperventileren. Dit boek is vooral bedoeld om meer inzicht te geven in hyperventilatie. We willen een aantal vragen beantwoorden. Wat is hyperventilatie precies en hoe stel je het vast? Hoe ontstaat het? Wat zijn de gevolgen en wat kun je eraan doen? Een deel van deze vragen is niet met zekerheid te beantwoorden, maar in de loop der jaren is er wel steeds meer bekend geworden over dit onderwerp. Wel lopen de ideeën hierover nog altijd uiteen en wordt er ook getwijfeld aan het bestaan van een ‘hyperventilatiesyndroom’. Toch komen we nog altijd mensen tegen die daar last van hebben. Dat wil zeggen, die klachten en symptomen hebben die goed beschreven worden door de oorspronkelijke definitie van dit syndroom. Daarom vinden we het de moeite waard hier aandacht aan te besteden. Dit boek is bedoeld voor iedereen die te maken heeft met hyperventilatie en het beter wil begrijpen. We hebben het geschreven voor mensen die er last van hebben, maar ook voor hulpverleners. Dat kunnen mensen zijn uit de nabije omgeving, of professionele hulpverleners zoals fysiotherapeuten, psychologen of artsen. We hebben geprobeerd het toegankelijk op te schrijven, maar ook zodanig dat we ingaan op vragen waar bijvoorbeeld eerste-hulpartsen, huisartsen of specialisten mee geconfronteerd worden. Dat brengt met zich mee dat we op sommige plaatsen dieper ingaan op de medische of fysiologische achtergronden dan op andere plaatsen. Het eerste deel gaat vooral in op het mechanisme van hyperventilatie, het tweede deel besteedt aandacht aan de manier waarop de behandeling in de praktijk vaak wordt uitgevoerd. Het boek is een initiatief van de Nederlandse Hyperventilatie Stichting, die zich inzet voor iedereen die te maken heeft met hyperventilatie. We hopen dat het bijdraagt aan het oplossen van dit probleem.
VOORWOORD
11
DEEL 1 HET
MECHANISME VAN HYPERVENTILATIE Joost van den Aardweg
HYP E R V E NTI LATI E IS EE N TO ESTAN D WAAR IN JE M E E R C O 2 U ITA D E MT DAN N O D IG IS
1. WAT IS HYPERVENTILATIE? E E N MOTORRIJ DER MET DUI ZE L I GH E I D Een jongeman werd door een huisarts gezien vanwege aanvallen van een licht gevoel in het hoofd, duizeligheid, kortademigheid en druk op de borst. Deze aanvallen ontstonden uitsluitend tijdens motorrijden. Als hij zo’n aanval kreeg, werd hij bang om controle over zichzelf en zijn voertuig te verliezen. Hij zette zijn motor dan aan de kant. Na een kwartier ging het meestal alweer beter en reed hij verder. Uitgebreid onderzoek bij longarts en cardioloog leverde geen aanwijzingen op voor een onderliggende lichamelijke ziekte. De Nijmeegse hyperventilatietest was duidelijk positief en hij herkende een deel van zijn klachten tijdens een hyperventilatieprovocatietest. Geconcludeerd werd dat het ging om aanvallen van hyperventilatie, waarbij angst om duizelig te worden op de motor en daardoor de macht over het stuur kwijt te raken, een belangrijke rol speelde.
Hyperventilatie is een situatie waarin je meer CO2 uitademt dan nodig is. Koolstofdioxide of CO2 is een gas dat vooral ontstaat door verbranding van voedingsstoffen in het lichaam. Omdat verbranding een continu proces is, wordt voortdurend CO2 geproduceerd. Bij hyperventilatie ademt iemand meer CO2 uit dan wordt aangemaakt en daalt de hoeveelheid CO2 in het bloed in de slagaderen (de arteriĂŤn). Wat betekent dat in de praktijk?
1 .1 HY POCAPN IE De totale hoeveelheid CO2 die door het bloed wordt getransporteerd is niet gemakkelijk te meten. In plaats daarvan meten we meestal de
DEEL 1 HET MECHANISME VAN HYPERVENTILATIE
15
16
PaCO2, de druk van het gas in het arteriële bloed (‘P’ staat voor pressure, ‘a’ voor arterie). De PaCO2 wordt uitgedrukt in millimeters kwik (mmHg) of kilopascal (kPa). De PaCO2 is niet een perfecte afspiegeling van de totale hoeveelheid CO2 in het bloed. Er zit namelijk meer CO2 in het bloed dan alleen het vrij oplosbare gas. Een groot deel van het CO2 wordt in het bloed omgezet in bicarbonaat (HCO3−) en een deel wordt gebonden aan het hemoglobine (Hb). Dit zijn dus opslagplaatsen voor CO2. Als het bloed door de longen stroomt, kan hieruit weer CO2 worden vrijgemaakt. De PaCO2 zegt alleen iets over het vrij opgeloste CO2 in het bloed. Toch is de PaCO2 wel gerelateerd aan de totale hoeveelheid CO2 die uit het bloed kan worden vrijgemaakt. De PaCO2 is relatief gemakkelijk te meten, vandaar dat we die meestal gebruiken als maat voor de hoeveelheid CO2 in het bloed. Normaal gesproken is de PaCO2 in rust 35-45 mmHg. Bij hyperventilatie is de PaCO2 dus per definitie lager dan 35 mmHg. Zo’n laag CO2-gehalte van het arteriële bloed noemen we ‘hypocapnie’. Volgens deze definitie is hyperventilatie dus ‘een adempatroon dat leidt tot hypocapnie’. Hoeveel je moet ademen om hypocapnisch te worden (de PaCO2 onder de 35 mmHg te laten dalen), verschilt per situatie. Het hangt ervan af hoeveel CO2 het lichaam produceert en hoe goed de long werkt. Figuur 1.1 laat dat schematisch zien. Het CO2 ontstaat als verbrandingsgas in de weefsels en wordt via de aderen (de venen) getransporteerd naar de rechterharthelft. De rechterhartkamer pompt het bloed vervolgens de longen in, waar het via de longblaasjes (alveoli) gedeeltelijk wordt uitgeademd. Een deel van het CO2 dat was omgezet in bicarbonaat of was gebonden aan het Hb wordt in de bloedvaten in de long weer vrijgemaakt en diffundeert naar de alveoli. Een belangrijk deel van het CO2 blijft echter achter in het bloed dat naar de linkerharthelft stroomt. Daar pompt de linkerventrikel het bloed vervolgens de arteriën in, richting de weefsels. Als we ervan uitgaan dat de hoeveelheid CO2 in de longen ongeveer hetzelfde blijft, dan is de balans eenvoudig op te maken: de hoeveelheid CO2 in de arteriën is de hoeveelheid CO2 die via de venen naar de longen stroomt plus de hoeveelheid die je inademt min de hoeveelheid die je uitademt. De hoeveelheid CO2 die je inademt is vrijwel gelijk aan nul (er zit ongeveer 0,03% CO2 in de buitenlucht). De hoeveelheid CO2 die je uitademt hangt af van de functie van de long. Als je ondiep ademt of als de longen slecht werken, adem je weinig CO2 uit. Als je diep of snel ademt, adem je veel CO2 uit. Of dat leidt tot een lage PaCO2 (hypocapnie) hangt af van de functie van de long, maar ook van de hoeveelheid CO2 die via het veneuze bloed naar de long stroomt.
INZICHT IN HYPERVENTILATIE
C02
C02
LONG
LONGARTERIËN
LONGVENEN
HART RECHTS
HART LINKS 17
PaCO2 ARTERIËN
VENEN
C02
WEEFSELS
Figuur 1.1 Het transport van CO2 van de weefsels naar de long. CO2 wordt geproduceerd in de weefsels en diffundeert naar de bloedbaan. Via de venen wordt het meegenomen naar het hart. De rechterkamer pompt het via de longslagader naar de long. Een deel van het CO2 diffundeert vervolgens naar de lucht in de alveoli. Door de ventilatie van de long wordt dit geheel of gedeeltelijk uitgeademd. De rest stroomt via het bloed in de longvenen naar het linkerdeel van het hart. De linkerkamer pompt het vervolgens via de arteriën weer naar de weefsels. PaCO2: CO2-druk in het arteriele bloed.
DEEL 1 HET MECHANISME VAN HYPERVENTILATIE
18
Een situatie waarin meer CO2 naar de long stroomt, is inspanning. Tijdens inspanning hebben vooral de bewegende spieren meer energie nodig, wat wordt vrijgemaakt door verbranding van voedingsstoffen. De CO2-productie neemt toe en er stroomt meer CO2 naar de longen, afhankelijk van de mate van inspanning. De longen moeten dan meer geventileerd worden om de toegenomen hoeveelheid CO2 kwijt te raken. In rust adem je meestal 8-12 liter lucht per minuut in en uit. Tijdens inspanning kan dit oplopen tot 130-180 liter per minuut, afhankelijk van leeftijd, lengte en geslacht (mannen ademen vaak meer dan vrouwen). Meestal neemt de ademhaling evenredig toe met de CO2-productie, zodat de PaCO2 in het normale bereik blijft (35-45 mmHg). We spreken dan niet van hyperventilatie, hoewel de ventilatie van de long duidelijk is toegenomen. Bij zware inspanning kan wel hyperventilatie ontstaan, als reactie op verzuring. De PaCO2 kan dan dalen tot 30-35 mmHg (Scheuermann en Kowalchuk, 1999). Hoeveel je in en uit moet ademen om hypocapnisch te worden hangt ook af van de longfunctie. Bij longemfyseem bijvoorbeeld zijn veel longblaasjes (alveoli) verloren gegaan, waardoor het contactoppervlak tussen lucht en bloed in de long kleiner is geworden. Hierdoor kan CO2 moeilijker worden afgegeven vanuit het bloed 2 naar de lucht in de alveoli. Dan is meer ventilatie nodig om dezelfde hoeveelheid CO2 uit te ademen. Iemand met longemfyseem moet vaak meer ademen om de PaCO2 in het normale bereik te houden dan een gezond persoon. Dat gaat vaak gepaard met kortademigheid, ook al omdat de luchtwegen bij longemfyseem doorgaans vernauwd zijn. Hogere luchtwegweerstand betekent meer ademarbeid. Bij emfyseem kan de ademhaling dus zijn toegenomen zonder dat van hyperventilatie (hypocapnie) sprake is. Omgekeerd is soms maar weinig extra ventilatie nodig om een toestand van hypocapnie te handhaven. Dat is het geval wanneer je langdurig hyperventileert. Daardoor daalt de totale hoeveelheid CO2 in het lichaam aanzienlijk. Dat kan al het geval zijn na twintig minuten hevige hyperventilatie (Saltzman et al., 1963). De hoeveelheid CO2 wordt meestal uitgedrukt als het volume dat het gas inneemt onder standaardomstandigheden (bij een druk van 760 mmHg en een temperatuur van 0 °C). In rust kan een volwassene waarschijnlijk meer dan 100 liter CO2 opslaan (Cherniack en
TIJ D E N S IN S PAN N IN G STR O O MT E R M E E R CO N A A R D E LO N G
INZICHT IN HYPERVENTILATIE
6. HYPERVENTILATIE BIJ EEN ANGSTSTOORNIS: WANNEER GOEDE
UITLEG VOLSTAAT OM IEMAND TE HELPEN
Hyperventilatie kan meerdere oorzaken hebben. In de eerste vijf hoofdstukken is de rol van lichamelijke inspanning, grote hoogte en bepaalde ziekten bij hyperventilatie besproken. Angst is een belangrijke factor bij vele soorten van hyperventilatie. In bepaalde gevallen is angst de hoofdzaak, zoals bij plotseling optredende paniek. Dit en het volgende hoofdstuk behandelen die bepaalde variant van hyperventilatie. In dit hoofdstuk wordt uitgelegd wat we precies verstaan onder de term ‘paniekstoornis’. Dit kwam al aan de orde in hoofdstuk 3. We zetten uiteen wat je, in Nederland, mag verwachten van je huisarts wanneer je je met dit type klacht aanmeldt. Hoe voert je huisarts de diagnostiek uit? Op welke richtlijnen kan deze tijdens dit proces terugvallen? Welke uitleg mag je verwachten? Welke rol speelt de zogenaamde praktijkondersteuner huisarts (poh) hierbij? We nemen de verschillende stappen door aan de hand van Patricia, die, met wat een paniekstoornis blijkt te zijn, op het spreekuur van haar huisarts komt. Zij is een voorbeeld van iemand die genoeg heeft aan goede diagnostiek en uitleg en aan praktische leefregels. Voor Patricia geldt dat het niet om één bepaalde patiënt gaat die mij bekend is vanuit de praktijk. Bij haar is gebruikgemaakt van mijn ervaringen met verschillende patiënten. Datzelfde is ook van toepassing bij de overige casuïstiek in dit deel van het boek.
DEEL 2 BEHANDELING IN DE PRAKTIJK
107
108
6 .1 PATRIC IA BIJ DE HU ISARTS De huisarts kijkt Patricia afwachtend aan. Zo te zien zoekt ze naar de juiste woorden. Ze weet dat Patricia een zware tijd achter de rug heeft. Haar vader is een maand of vijf geleden overleden, na een ziekbed van een half jaar. De mantelzorg voor hem rustte voor een belangrijk deel op haar schouders, omdat haar beide broers niet meer in de buurt wonen. Intussen ging het gewone leven met een man met een zware baan en twee opgroeiende kinderen natuurlijk door. ‘Hoe ziet uw leven er nu uit?’ Patricia kijkt haar huisarts aan. ‘O, ik heb mijn draai wel weer gevonden. Ik heb er vrede mee dat hij overleden is op de manier die hij zich wenste, zo lang mogelijk thuis en met familie erbij. Er is iets anders waar ik me zorgen over maak, iets bij mezelf. Sinds een paar maanden heb ik regelmatig last van die rare aanvallen. Dan krijg ik het opeens warm en ga ik zweten, trillen en beven. Ik krijg hartkloppingen en word misselijk. Alles ziet er dan een beetje onwezenlijk uit. Ik voel me niet mezelf. Het lijkt of er iets ergs met mij gaat gebeuren, dat ik gek word of een hartaanval krijg. Het begon zomaar uit het niets, toen ik rustig thuis zat voor de tv, en het gebeurt steeds vaker. Ik vertrouw de laatste maanden mijn eigen lijf niet meer.’ Patricia kijkt haar huisarts onzeker en angstig aan. Zo kent deze haar patiënte niet. Het is in normale doen een doorbijter en volhouder, die niet snel hulp voor zichzelf vraagt.
6 .2 B E SPREK IN G PATRIC IA Het is niet ongebruikelijk dat iemand zich met dit type klacht zoals van Patricia meldt. Dat gebeurt vaak bij de huisarts, maar kan net zo goed plaatsvinden bij de huisartsenpost buiten kantoortijd. Iemand die zich opeens onverklaarbaar zo angstig voelt, zoekt namelijk vaak direct hulp. De eerste gedachte bij de hulpverlenende instantie zal zijn dat er sprake is van een paniekaanval, vergezeld van hyperventilatie. Patricia ziet er bijvoorbeeld tijdens het spreekuur opgejaagd uit. Haar versnelde ademhaling is nergens voor nodig. Ze verricht immers geen zware lichamelijke inspanning. Ze zit rustig in de stoel tegenover de huisarts haar verhaal te doen. Het is belangrijk om er zeker van te zijn dat de hyperventilatie niet het gevolg is van een achterliggende ziekte. Op het soort kwalen dat tot
INZICHT IN HYPERVENTILATIE