Skip to main content

9789401446396

Page 1

W.A. DEHAIRS

LOCKDOWN


Chaos is nog niet ontcijferde orde. (J. Saramago)


Proloog

V

an de klap zelf voelde ik niets. Het ging te snel om iets te voelen. Het verkeer raasde langs me heen en versmolt naadloos met het bonzen van het bloed in mijn hoofd. Het had iets van een droom, maar dan een nare droom, zo eentje waaruit je wakker wilde worden, omdat alles om je heen in duigen viel. Het beeld dat me nu nog steeds voor ogen staat, is dat van een puzzel bestaande uit duizenden stukjes die op de grond uit elkaar spatte. Einde. Al was het ook een begin. En in het begin was er haar stem, die ik hoorde vlak voor ik vertrok. Ze riep iets naar me, maar ik kon boven het gebrul van de motor niet horen wat dat was. Mijn naam misschien. In alle eerlijkheid weet ik niet eens zeker of die stem ook verbonden was met een ­lichaam. Met haar lichaam. Misschien zweefde ze gewoon door mijn hoofd, door mijn versplinterde bewustzijn als een waarschuwing om niet in die auto te stappen. Maar toch deed ik het, ik drukte het gaspedaal helemaal in en kwam vijfhonderd meter verder tegen een muur weer tot stilstand. Mijn lichaam was gebroken, mijn geest was een puinhoop. Alles wat er nog over was van mijn herinneringen, was op de een of andere manier verbonden met haar. En het draait natuurlijk allemaal om haar. Vier letters, één naam, het centrale stuk van de puzzel, het stuk dat alle andere stukjes betekenis geeft. Cath.

7


1

M

ijn hoofd deed weer pijn. Ik greep naar het kartonnen doosje naast het bed, duwde een pil uit de strip en stopte die in mijn mond. Toen greep ik naar het glas water dat altijd klaarstond en slikte de pil door. Na al die tijd was ik nog steeds niet gewend aan de bittere smaak. Maar dat was oké, want zes minuten later zou de werking ervan zich als een zachte zee door mijn lichaam verspreiden en was ik klaar voor alles wat daarna kwam. Ik draaide me nog eens om en telde de seconden. Zes minuten en dertig seconden later stapte ik uit bed en onder de douche. Omdat ik wist dat Caroline in de andere kamer sliep, probeerde ik zo weinig mogelijk lawaai te maken. Caroline was mijn vriendin of partner of hoe je de persoon ook noemt met wie je je leven deelt, maar met wie je niet getrouwd bent. Ik had misschien wel willen trouwen, maar Caroline was absoluut tegen het huwelijk en alle brave burgerlijke waarden die erbij hoorden, waardoor ik nog meer zin kreeg om haar ten huwelijk te vragen. Ik deed het trouwens geregeld, haar ten huwelijk vragen. Laatst stonden we in de rij voor de kassa in de ­supermarkt toen ik haar toeknikte en het haar nog eens vroeg. Ze deed niet eens de moeite om te antwoorden. Haar linkerwenkbrauw ging omhoog en dat was dat. Ze had er de laatste tijd zelfs een zesde zintuig voor ontwikkeld, ze kon voelen wanneer ik de vraag weer eens zou stellen en schudde dan haar hoofd, nog voor er ook maar één letter over mijn lippen was gekomen. Onwezenlijk, die vrouw.

8


Ik droogde mijn haar met de handdoek en liep in mijn kamerjas de gang op, nam de lift naar beneden en haalde de post uit de bus. Twee kranten en een hoop rekeningen. In de lift terug naar boven sloeg ik een van de kranten open. De aanslagen in Parijs stonden nog steeds op de voorpagina. Logisch, zeker nu steeds duidelijker werd dat ze beraamd waren door Belgische moslims vanuit verschillende schuilhuizen in België. ‘België terroristenparadijs’ kopte de ene krant. ‘Jihadi-jungle’ stond op de voorpagina van de andere. Een buitenlandse krant had onlangs zelfs over België als een ‘failed state’ gesproken. Het kleurloze imago van het land, dat voorheen uitsluitend ­geassocieerd werd met chocolade, bier en frieten, was ineens gelinkt aan laksheid, incompetentie en terrorisme. Toch leek de publieke opinie er in eigen land betrekkelijk rustig onder te blijven. Er waren wel wat discussies en een polemiekje hier en daar op de opiniepagina’s, maar dat bekoelde al snel. Geen enkele minister nam ontslag, de politieke wereld schermde met extra veiligheidsmaatregelen en de Belg stond ’s ochtends weer rustig in de file richting Brussel. Wij waren geen volk van opstandelingen, wij waren een volk van volgers; pragmatisch in plaats van ideologisch, sussend in plaats van opiniërend, berustend in plaats van bevlogen. Daarom waren Belgische politici zo geliefd in Europa; bij gebrek aan een eigen standpunt waren ze de perfecte partij om compromissen te sluiten tussen al die andere politici die wel een mening hadden. Ik legde de post op de keukentafel en zette het koffieapparaat aan. Het was kwart over negen. Buiten was Brussel in een waas van mist en smog aan de dag begonnen. Ik kon later beginnen, omdat ik vandaag maar één ding te doen had: samen met een collega de voormalige burgemeester van de Brusselse gemeente Molenbeek interviewen. Hij stond bekend als pamperpoliticus en was bovendien Franstalig en socialist. Onder zijn beleid

9


had Molenbeek zich ontwikkeld tot wat het nu volgens de wereldpers was: Mohammeds eigen moslimextremistische Mekka van het Westen. De regering, die allesbehalve socialisten telde, wilde zijn vel. En mijn hoofdredacteur een interview met daarin flarden van dat vel, bij voorkeur besmeurd en bebloed op de voorpagina. Terwijl ik slurpte van de eerste van wat ongetwijfeld meerdere koppen koffie zouden worden, stopte ik twee boterhammen in de broodrooster en keek naar het silhouet van de triomfboog in het Jubelpark, die in de verte door de mist schemerde. In mijn hoofd nam ik mijn tactiek nog eens door. De vragen kende ik uit mijn hoofd, de truc zat erin om de juiste vraag op het juiste moment te stellen. De beste interviewtechniek was niet de harde en ook niet zachte aanpak, maar de goed getimede afwisseling tussen beide. Waren de vragen te snel en te hard, dan klapte de persoon aan de andere kant van de tafel dicht, trok zijn harnas aan en gaf je nauwelijks meer dan wat woest weggeslingerde brokken. Waren ze te zacht, tja, dan was het gewoon slecht. De journalistieke tv-programma’s die de nationale zender de laatste tijd in het gezicht van de kijkers smeet, waren daar betreurenswaardige voorbeelden van. Knuffel-tv voor politici die een aai over hun bol en een snoepje uit de koekendoos kwamen vragen Ên kregen. Ongelooflijk hoe hoofdredacteuren dachten daarmee te voorkomen dat het publiek van hun entertainende tv weg zou zappen naar nog entertainendere tv. Mensen bleven kijken of, in mijn geval, lezen wanneer de persoon in kwestie iets te vertellen had. Hij of zij moest daar alleen de kans toe krijgen. En daarmee bedoel ik niet het verhaaltje dat die persoon had voorbereid, maar het andere verhaal, de schaduwzijde die er altijd was en die op een bepaald moment de zon opzocht. Daar kon diegene zelf vaak weinig tegen doen, het was alsof het

10


verhaal een uitgang zocht en de keel, mond en stembanden van de persoon in kwestie gewoon het voertuig waren die de waarheid transporteerden. Het ging uiteindelijk dus om waarheid en de manier om die aan je gesprekspartner te ontfutselen, school in de juiste timing. En chantage – al klonk dat veel zwaarder dan het was. Korte tijd geleden had ik een christendemocratische politicus geïnterviewd die het imago had van een boekhouder: hij droeg een brilletje, stond bekend om zijn dossierkennis en was ongetrouwd. Over zijn seksleven wist niemand iets en iedereen ging er gewoon van uit dat de man zo goed als aseksueel was. Juist ja. Voor mij vallen uitsluitend amoeben in die categorie, politici zeker niet. Dus betaalde ik een privédetective om de man een tijdje te schaduwen. Het duurde een aantal weken, maar opeens kreeg ik foto’s te zien waarop een kerel in en even later ook weer uit de auto van de politicus stapte. De man, die eruitzag als een Italiaanse maffioso met de blingbling van een zwarte rapper, werd op een straathoek opgepikt door de auto, waarna deze een kwartier lang schijnbaar willekeurige rondjes draaide. Daarna stapte de man weer uit. Wat dit alles nog verdachter maakte, was het feit dat de politicus niet zijn gewone auto had gebruikt, maar een ander exemplaar, met geblindeerde ruiten. Gelukkig was de detective die ik had ingehuurd geen derderangs-Sherlock, maar iemand die het klappen van de zweep kende en zich niet liet misleiden door deze wagenwissel. Je had maar een beperkte hoeveelheid verbeelding nodig om je voor te stellen wat er in een kwartier kon gebeuren, dacht ik. Toen ik de politicus een paar weken later sprak voor een interview, zette ik het opnameapparaat even uit, schoof hem een van de foto’s toe en confronteerde hem met mijn kijk op de dingen: hij was homoseksueel, maar koos ervoor om die geaardheid, gezien de partij waartoe hij behoorde, niet openbaar te

11


maken. Misschien had hij nog een Europese carrière op het oog, waarin het imago van aseksuele dossierbijter hem veel beter uitkwam dan dat van een stiekeme homoseksueel met een voorkeur voor schandknapen. Het was einde interview. Nauwelijks een halfuur later had ik een gerenommeerd advocatenbureau aan de lijn met de boodschap dat elke verkeerde insinuatie enorme gevolgen zou hebben. Natuurlijk was dat ongeveer een schuldbekentenis. Ik kon niet ontkennen dat er een golf van voldoening door mijn lijf trok. Politiek was een vuil spel. En wie wilde meespelen met de grote jongens, moest zijn handen (en soms zijn ellebogen en schouders) in de modder durven steken. Het was trouwens nooit bij me opgekomen die informatie te publiceren, ik was tenslotte geen riooljournalist – wie het met wie deed, zou me worst wezen. Nee, het ging mij om de kennis, die, zeker in de politiek, macht was. Toen hij merkte dat ik bereid was om mijn nieuw verworven kennis voor mezelf te houden, begon de politicus van tactiek te veranderen, want niet zo heel veel later zat er plotseling een primeur over de toenmalige regeringscrisis in mijn mailbox. Die primeur gaf mijn journalistieke carrière een enorme boost. Nee, het was niet moeilijk om te achterhalen waar die informatie vandaan kwam. Klaarblijkelijk had de man goed naar The Godfather gekeken en net als Don Corleone geredeneerd dat je je vrienden dichtbij moest houden, maar je vijanden nog dichterbij – en ik was net gepromoveerd tot naaste vijand. Kwam me goed uit. Dankzij mijn bron kwam ik ook, een paar uur eerder dan de rest van het journaille, te weten dat de broer van een van de terroristen in Parijs al jarenlang bij de gemeente van Molenbeek werkte. Dat was, op zijn zachtst gezegd, wereldnieuws, want het onderstreepte nog maar eens de laksheid en incompetentie van de politiek, die aan de moslimminderheid liever geen vragen stelde en als een bende goedlachse

12


Sinterklazen met jobs strooide die bij de volgende verkiezingsronde weer een hoop stemmen zouden opleveren. De kans was groot dat de ex-burgemeester niet eens op de hoogte was van zijn toenmalige werknemer. Ik verkneukelde me al in de verrassing op zijn gezicht. De arme man had geen idee van de strontstorm die zijn kant op kwam. Ik stopte nog een pad in het koffieapparaat en bekeek met een half oog de rest van de post. Hoofdzakelijk rekeningen, reclame, een brief voor Caroline en eentje voor mij. Mijn naam en adres waren met hoofdletters op de voorkant geschreven. Op de achterzijde stond geen afzender. Ik legde de envelop op het aanrecht en liep terug naar de badkamer, waar ik me ging scheren en aankleden. Dertig minuten later stond ik weer in de keuken, dronk mijn tweede kop koffie van de dag en opende de brief die ik daar had laten liggen. ‘Mijn allerliefste Cath,’ Mijn adem stokte. Het handschrift was onstabiel, met een nerveuze krul aan de ‘C’ en een komma die meer leek op een uitgesmeerde punt. Het waren slechts drie woorden, maar meer had ik niet nodig om te weten dat het mijn woorden waren, bijna dertig jaar geleden opgeschreven in een koortsige bui van verliefdheid op een meisje dat Cath heette. Ik greep een stoel, ging zitten en las de woorden nog een keer. Met een klap bevond ik me weer in mijn oude slaapkamer, met zicht op het dorpsplein en het verbleekte bloemetjesbehang op de muren. De geur van vers gestreken lakens en oud hout kroop weer in mijn neus en ik hoorde mijn vader, die met een diepe, rustige stem tegen mijn moeder sprak. Ik probeerde kalm te blijven en hoorde terwijl ik verder las met elk nieuw woord de jongere echo van mezelf,

13


die de woorden met bezwete handen op papier had gezet. De brief droop van weltschmerz en was veel kleffer dan ik me hem herinnerde. Maar ik had die woorden wel degelijk geschreven. Geen twijfel mogelijk. Net zoals er geen twijfel kon bestaan over het feit dat Cath een paar jaar nadat ik deze brief had geschreven spoorloos was verdwenen. Toen ik klaar was met lezen, legde ik de brief neer. Ik merkte dat mijn handen trilden. Een hele hoop gedachten raasden tegelijk door mijn hoofd, zonder dat ik er vat op kreeg. Had Cath mijn brieven aan iemand anders gegeven? Zaten ze ergens in een kist opgeborgen en had iemand die kist gevonden? Maar waarom zou diegene ze dan opsturen aan mij, zonder een woord uitleg? Ik pakte de envelop weer vast, maar vond geen afzender of andere aanwijzing over de persoon die hem had verstuurd. De enige hint was mijn adres aan de voorzijde. Ik vond dat de hoofdletters iets vrouwelijks hadden, maar dat kon evengoed wishful thinking zijn: een opflakkering van de hoop dat het Cath zelf was geweest die de brief had opgestuurd en niet een of andere flauwe grappenmaker. Ik schrok van mezelf, omdat ik die hoop al heel lang geleden had laten varen. Dat ik hem nu opnieuw voelde, deed een koude rilling over mijn rug gaan. De hoofdpijn kwam ook terug, terwijl ik daar anders overdag nooit last van had, bijna alleen ’s ochtends of ’s nachts. Ik liep naar de slaapkamer en nam nog een pil, ook al was die maar een pleister op een wond die met grof geweld was opengereten. Het verbaasde me dat die wond nog zo vers leek, alsof Cath geen half leven geleden, maar pas een jaar of een maand geleden verdwenen was. En wat erger was: ik merkte bij mezelf dat ik de pijn herkende, ik had hem zelfs gemist. Ik wilde de wond verder openkrabben om weer toegang te vinden tot een verleden waarvan ik had gedacht dat het voorgoed voorbij was.

14


Aan de andere kant van de kamer verscheen opeens Caroline, die met slaperige oogjes en een warrige haardos op me af kwam sloffen en een slok van mijn koffie nam. ‘Bah, koud’, zei ze en ze gaf me een snelle zoen op mijn wang. Ik pakte de brief van het aanrecht en stopte hem zo onopvallend mogelijk in mijn achterzak. Dit kon wachten, dacht ik, al had ik geen idee of dat echt zo was. Maar het moest even, want ik hield er niet van beslissingen te nemen over dingen die ik niet eerst grondig had overdacht. Ik was iemand met een nuchtere kijk op dingen, iemand die met beide voeten op de grond stond. Ik hield van orde en regelmaat en niet van brieven die na dertig jaar opeens kwamen bovendrijven en in hun kielzog chaos en verwarring meebrachten. Ik leunde voorover en gaf Caroline een zoen op haar voorhoofd. Eigenlijk wilde ik niets liever dan haar vertellen wat er in mijn achterzak zat, maar ik wist dat ik dat niet kon doen. Cath was namelijk niet alleen mijn eerste liefde geweest, ze was ook de oudere zus van Caroline. En voordat ik haar kon vertellen dat haar bloedeigen, verdwenen zus misschien wel was teruggekeerd, moest ik eerst op twee vragen een antwoord zien te krijgen: 1. Wie had die brief verstuurd? en 2. Waarom? Ik hoopte dat ik snel een heldere kijk op de dingen zou krijgen, maar diep vanbinnen wist ik wel beter. Wat Cath betrof, waren de dingen zelden helder en duidelijk. Alles wat ik nog van haar wist, was te vergelijken met een foto waarop de ene helft van een gezicht over- en de andere helft onderbelicht was. Ergens tussen die twee zat Cath, het meisje dat als een komeet in mijn leven was verschenen, een aardschok had veroorzaakt en in het niets was opgelost. Nu was ze er weer. En ik had geen idee wat dat te betekenen had. ‘Alles oké? Je ziet nogal bleekjes’, zei Caroline.

15


‘Jaja,’ zei ik, ‘waarschijnlijk wat nerveus voor het interview straks.’ ‘Jij, nerveus? Bel de krant. Ik denk dat ik een primeur heb: Chris Kooi zenuwachtig! De natie wacht bang af!’ ‘Kom hier, jij met je grote mond.’ Ik trok haar tegen me aan en rook aan haar haar. Haar hoofd rook altijd naar zoet zweet, wat ik opwindend vond. ‘Caro?’ ‘Hm.’ ‘Het is misschien een vreemde vraag, maar heb je de laatste tijd nog aan je zus gedacht?’ Haar lichaam verstijfde. ‘Wat bedoel je?’ vroeg ze. ‘Ik bedoel er niks mee, ik vroeg het me gewoon af.’ Ze duwde me weg en probeerde mijn gezicht te lezen. Ik glimlachte en deed mijn best haar op haar gemak te stellen, maar dat lukte me niet helemaal. ‘Godverdomme, je bent echt nerveus.’ Ik ontweek haar blik. ‘Waarom begin je nu over mijn zus?’ ‘Geen reden, zomaar.’ Ze zocht mijn ogen, maar ik kon het niet opbrengen om haar recht aan te kijken. ‘Ik heb hier geen zin in, Chris. Niet nu.’ Ze liet me los en liep de keuken uit. Ik greep naar een keukenstoel omdat er zich een draaierigheid in mijn hoofd had genesteld die de grond onder mijn voeten dreigde weg te vegen. Waarom nu? Waarom kreeg ik die klotebrief nu? Het ging net goed tussen mij en Caroline. Cath was dertig jaar geleden verdwenen. Poef. Weg. Van de ene dag op de andere. En nu kreeg ik die brief.

16


Toen Caroline en ik elkaar vijf jaar geleden tegen het lijf liepen, zag ik nog steeds de sporen die de verdwijning van haar zus bij haar had achtergelaten. Ze zat in de wachtkamer van mijn huisarts in een tijdschrift te bladeren toen ik naar buiten kwam. Ik was aan de grond genageld. Natuurlijk was ze ouder geworden, maar toch leek het net alsof ik Cath op die stoel zag zitten. Eigenlijk kende ik haar kleine zus nauwelijks. Ik herinnerde me haar als een rustig, wat teruggetrokken meisje, maar wat wist ik? Al mijn herinneringen waren bedekt onder een centimetersdikke laag stof. Ik wachtte tot ze opkeek van haar tijdschrift en genoot van de langzame blik van herkenning die in haar ogen opdook. Ik schudde haar de hand en zei mijn naam. Ze knikte en vertelde me de hare. Caroline. Niet Cath. Toen stond ze op en verdween door de openstaande deur naar de spreekkamer. Ik ging zitten, pakte het tijdschrift waarin zij had zitten bladeren en besloot te wachten tot ze weer naar buiten kwam. Een uurtje later zaten we in een café bij te praten. Ze werkte in een ziekenhuis, bij voorkeur ’s nachts, zei ze. Ze kon toch niet slapen, dus in plaats van pillen te slikken maakte ze liever gebruik van die slapeloosheid. Ik zei dat ik ook slecht sliep. Ze suggereerde dat we beiden last moesten hebben van ons geweten. Ik wierp mijn handen in de lucht en zei dat de dokter me net nog gecomplimenteerd had met de staat van mijn geweten. Kerngezond volgens de man. Ze lachte. Ik vroeg wat zij eigenlijk bij de dokter deed. Ze haalde haar schouders op en de manier waarop ze dat deed, veroorzaakte weer een kleine schok van herkenning. Ze had dezelfde nonchalance als Cath. Dezelfde lichte arrogantie. Ze was er omdat de tijdschriften in de wachtkamer zo interessant waren, zei ze. Ik excuseerde me voor de vraag en zei dat het mijn zaken niet waren. Ze zweeg, glimlachte en nam een slok. Later kwam ik te weten dat ze een

17


reeks mislukte relaties achter de rug had, net als ik. Maar er waren geen kinderen. Gelukkig. Ze voelde als een tweede kans, een kans die ik met beide handen wilde grijpen. In de vijf jaar die we samen waren, waren we gelukkig, vond ik. Al was er natuurlijk altijd die ene ­gebeurtenis die tussen ons in stond en die als een stille schim elk gebaar, elke beweging die we maakten, observeerde en zwijgend becommentarieerde. De brief was het eerste bewijs dat die jarenlange stilte op het punt stond verbroken te worden. Ik had geen idee welke woorden vanuit die stilte gesproken zouden worden.

18


2

W

at wist ik nog? Veel. Alleen van de klap wist ik nauwelijks meer iets. Ik zat in de auto en toen was er die muur en even later de klap. Zes weken coma. En geheugenverlies. Maar ik wist nog wie ik was. Ik had nog herinneringen. Alleen zagen die eruit als een homp kaas met veel gaten erin. Mijn vroege jeugd stond me nog kristalhelder voor de geest, maar hoe dichter bij de klap hoe vager alles werd. En toen kwam de hoofdpijn. Langzaam maar zeker keerden de herinneringen terug. Ik wist alles nog, behalve waarom ik in die auto zat en nog minder waarom ik ervoor had gekozen die auto recht tegen een muur te sturen. Toch zei de arts dat ik geheugenoefeningen moest doen. Ik moest steeds opnieuw aan mezelf vertellen waar ik vandaan kwam, wie ik was. Als ik dat eenmaal wist, zou de rest vanzelf komen. Wie was ik? Had niet zowat elke filosoof van de afgelopen duizend jaar met diezelfde vraag geworsteld en, een paar naslagwerken later, smadelijk het onderspit moeten delven? Maar goed, de vraag mocht gesteld worden. Of ik de antwoorden leuk zou vinden, betwijfelde ik, maar ik beloofde het te proberen. Het was waarschijnlijk niet de eerste keer dat ik haar had gezien, maar in mijn herinnering was dat wel het geval. Cath stond onder de douche van het lokale zwembad, ze was naakt en ze keek me aan. Ik had geen idee waar ik plotseling vandaan was gekomen, maar ik was er wel en ik keek naar haar. Ze bedekte zich niet, maar keek me open en onbeschaamd in de ogen

19


terwijl het water in stroompjes langs haar lichaam gleed. Alleen in haar schaamhaar werd het opgehouden en vormde het kleine, glinsterende parels. Ze liet me blozen en wegkijken. Al was dat niet wat ik wilde. Wat ik echt wilde, was op haar toe stappen en mijn vingers over haar huid en het bosje kroeshaar tussen haar benen laten glijden. Maar dat deed ik niet. Ik was vijftien, bijna zestien, en stapte met een dieprode kop langs haar heen, naar een leven dat vanaf dan nooit meer hetzelfde zou zijn. Zij en haar drie jaar jongere zus Caroline waren pas naar ons dorp verhuisd. Cath heette eigenlijk Cathérine, maar die naam haatte ze. Ze wilde alleen maar aangesproken worden met de afgekorte versie ervan. Ik was op slag verliefd, maar ik was niet de enige. Peter, mijn beste vriend, was dat ook, al wilde geen van ons beiden dat met zoveel woorden aan de ander kenbaar maken. Op die dag kwam er een eerste, kleine barst in onze vriendschap. De voortekenen van volwassenheid misschien, al was geilheid waarschijnlijk een veel passender woord. Peter en ik groeiden samen op in de schaduw van de kerktoren. Letterlijk. ’s Middags lag ofwel mijn ofwel zijn kamerraam in de duisternis die veroorzaakt werd door een van de twee gotische torens. Vanuit mijn kamer kon ik nog net zijn kamer zien, omdat alle huizen in een cirkel om de kerk heen stonden. We hadden een paar keer geprobeerd om steentjes naar elkaars raam te gooien, maar nadat een van die steentjes zijn weg had gevonden naar het oor van een buurvrouw, waren we daar maar mee gestopt. Er was weinig te beleven in ons dorp. En als er iets te doen was, wist iedereen meteen wat er gebeurd was, wanneer en meestal ook waarom. Al verschilde dat laatste nogal afhankelijk van wie het verhaal vertelde. Maar verhalen waren er in overvloed en de meeste ervan werden in de dorpscafés verteld,

20


die ik ook vanuit mijn raam kon bekijken. Regelmatig werd ik ’s nachts wakker gemaakt door iemand die zijn wanhoop aan de wereld kenbaar wilde maken in de vorm van een onverstaanbare, wilde kreet over het dorpsplein. Soms moest de politie komen, maar meestal niet. Iedereen kende iedereen en iedereen zat in dezelfde ellende. Dus schalde er af en toe een kreet over het plein, waarna het weer rustig werd en er niets anders te horen was dan het geblaf van een hond. Mijn ouders waren zoals de meeste andere ouders: onopvallend, zwijgzaam. Mijn moeder was huisvrouw en liet de kamers naar vers gestreken lakens ruiken. Mijn vader ging werken en kwam ’s avonds laat terug. Ik heb lange tijd niet geweten wat hij eigenlijk deed, tot ik het hem vroeg. Hij kauwde langzaam op het stuk vlees dat hij net had afgesneden, slikte het door met een slok water en keek me aan. ‘Waarom wil je dat weten?’ vroeg hij. ‘Zomaar’, zei ik. Dat vond hij blijkbaar geen afdoende antwoord, want hij sneed gewoon een volgend stuk vlees af dat hij met bewonderenswaardige kalmte naar zijn mond bracht en vermaalde. Ik kon de pezen op zijn slapen zich zien aan- en ontspannen terwijl hij kauwde. Uiteindelijk vroeg ik mijn moeder wat hij deed en ze zei dat hij in de stad werkte. Ik knikte en ging weg. Mijn vader werkte in de stad. Goed, dat was ook weer opgeklaard. Ik begreep het natuurlijk. Het werk zelf deed er niet toe. De stad zei genoeg. De stad riep beelden op van mensenmassa’s die elkaar onder de voet liepen, omdat ze steeds meer geld wilden verdienen. En geld verdienen was zondig. Dat verkondigde de pastoor elke zondag in de mis. Geld maakte wolven van de mensen. Homo homini lupus est. En wij luisterden en knikten en geloofden elk woord. Natuurlijk hoefde mijn vader

21


niet te zeggen wat hij deed. Hij werkte in de stad, in Sodom en Gomorra, hij omgaf zich dag in dag uit met zonde, maar hij hield zich sterk voor ons, voor zijn gezin, zodat wij niet tot de bedelstaf veroordeeld zouden worden. Al was daar niets mis mee, volgens de pastoor, met die bedelstaf. Jezus was arm en er school een grote nobelheid in zijn armoede. Ik herinnerde me de dag dat er plotseling een bedelaar op ons dorpsplein was verschenen en vond er eerlijk gezegd weinig nobels aan. Zijn kleren waren gescheurd en hij stonk nog erger naar alcohol dan de stal van Verkest twee straten verderop naar mest. Maar we moesten verder kijken dan het uiterlijk, zei de pastoor, want ook het uiterlijk was zondig. Ik knikte en dacht dat ik alles begreep. Tot zij kwam tenminste. Cath. Daarna begreep ik niets meer. Of misschien was het net omgekeerd en begreep ik het allemaal opeens veel beter. Ze had kort haar, wat haar een jongensachtig uiterlijk gaf. Maar ze was geen jongen, want haar borsten schemerden door haar bloesjes heen. ‘Een B-cup’, sprak Mick plechtig. Mick was een andere vriend. Hij heette eigenlijk gewoon Jan, maar omdat hij net zo’n wijnvlek had als Michail Gorbatsjov, noemde iedereen hem Mick. ‘Hoe weet jij dat nu?’ vroeg Peter. ‘Ik weet dat, omdat ik het weet’, antwoordde Mick daarop met dezelfde plechtstatigheid als de pastoor. Meestal lieten we hem maar in de waan, met al zijn plechtigheid, en vielen hem niet in de rede. Maar dat waren andere tijden. Dat waren tijden vóór Cath, toen onze discussies op de keper beschouwd compleet onzinnig waren. Nu Cath er was, was alles anders. Nu moesten de dingen uitgepraat worden.

22


www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. AUTEURSPORTRET | Koen Broos ontwerp binnenwerk | Studio Lannoo, Mediactief omslagbeeld | Shutterstock omslagontwerp | Studio Lannoo zetwerk | Mediactief Elke gelijkenis met bestaande gebeurtenissen en/of personen berust op louter toeval. Als u opmerkingen of vragen heeft, dan kunt u contact opnemen met onze redactie: fictie@lannoo.com D/2017/45/470 | NUR 305 ISBN 9789401446396 Š Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2017 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook