Skip to main content

9789401446365

Page 1

Angelo Di Ber ArDino

roman


Die Tanzenden wurden für verrückt gehalten von denjenigen, die die Musik nicht hören konnten. (van Friedrich Nietzsche, of misschien ook niet)


1. De regen

T

oen Miriam uit het raam viel en daarbij alle tweehonderdenzes botten in haar lichaam brak, was het zachtjes beginnen te regenen. De daaropvolgende minuten, uren, dagen en maanden was Wolf van de zesde verdieping naar beneden gerend, had hij wat overbleef van Miriam in zijn armen genomen, de ziekenwagen gebeld, de begrafenis geregeld, de doodsbrieven op de post gedaan, het appartement te koop gezet, de volledige inboedel inclusief de twee Chinese paleisvazen verkocht, alle verzekeringen en contracten opgezegd, afscheid genomen van wat vrienden en kennissen, de nachtblauwe Porsche 911 Carrera 2 (model 1990, 250 pk, van 0 tot 100 in 5,7 sec.) volgegooid, de contactsleutel omgedraaid en was hij langzaam de straat uitgereden waar de notaris zopas de akte had laten verlijden, op weg naar de zon. Het is oktober, zomaar een dinsdag en 10u52. En allemachtig, het regent nog altijd. Aan het stoplicht op de hoek van de straat kijkt Wolf in de achteruitkijkspiegel. Hij ziet twee vermoeide ogen die zeggen dat hij al vijfenzestig is, daaronder twee donkere strepen die dat benadrukken en wat lichtgrijze baardstoppels. Enkele jaren geleden sierden ze nog peper-en-zoutkleurig zijn kaaklijnen, maar nu heeft de tijd ze genadeloos bijgewerkt.

5


Ook zijn haarlijn is wat opgeschoven, een centimeter of twee. Toch hoort hij bij de gelukkigen die op die leeftijd nog een mooie, dikke bos grijzend haar kunnen laten zien. De auto achter hem heeft al tweemaal getoeterd. Hij schakelt, duwt het gaspedaal in. Heel even spinnen de wielen op de natte kinderkopjes en Wolf vraagt zich af of hij toch niet beter de Carrera 4 had gekocht. Maar de verkoper had het afgeraden. Echte mannen rijden met een Carrera 2, had hij gezegd. En de cabrio moest hij ook niet kopen, want die was niet helemaal waterdicht. Rechts van hem duiken de dikke eiken van het stadspark op. Hun takken hoog in de lucht, alsof ze naar het laatste streepje zonlicht klauwen. Hun bladeren rood als bloed. Wolf zet de radio aan. Iets van Clouseau. Hij drukt toets twee in. Iets van Abba. Toets drie. Boemboemboem. Toets vier, vijf, tot en met tien. Wolf zucht, schuift dan een cd in de lader. Revolver van The Beatles. Vijfendertig minuten geluk. Hij kijkt door het zijraampje aan de lege passagierskant. Twee joggers. Vrouwen met veel te grote boodschappentassen. Een man en zijn hond. Een stilstaande bestelwagen die het verkeer hindert. Dan concentreert hij zich weer op de auto’s voor hem. Het verkeer zit muurvast. Hier en daar hangen wat vogels in de lucht. Een slalommende skateboarder valt. De Porsche sukkelt een paar meter verder. Nog duizend tweehonderdzesenzeventig kilometer te gaan. Dat weet hij zo precies omdat hij deze rit naar Nice al meer dan twintig keer heeft gedaan. Altijd met Miriam, nu voor het eerst alleen.

6


Hij glimlacht als hij terugdenkt aan hoe ze telkens in slaap viel zodra ze de snelweg opreden, om pas drie- of vierhonderd kilometer later haar ogen weer te openen en versuft te vragen hoe ver het nog was. Het blijft stapvoets rijden. Links duikt het silhouet op van de Blue Dragon, de twee Chinese torens. Hoe vaak ze hier samen gegeten hebben, kan hij niet meer tellen. Gewoonlijk bestelde hij ook altijd een fles Château La Tour bij het eten, en soms nog een potje lauwe saké achteraf. Desserts sloegen ze meestal over, hoewel Miriam af en toe wel eens een bolletje gemberijs durfde te vragen. All the lonely people, where do they all belong? Paul McCartney in ’66. En een halve eeuw later in zijn Porsche. Hij was samen met Paul McCartney jong geweest. Eenmaal hadden hun wegen zich gekruist, in het Sportpaleis. Wolf op rij vier, Paul op het podium. Hij had zelfs naar Wolf geglimlacht. En zo leek het alsof ze samen alles hadden meegemaakt. Het protest van de jaren zestig. De moord op hun goeie vriend John Lennon. De opkomst van aids. De val van de Muur. Het internet. Viagra. Nine eleven. Leonard Cohen die doodgaat. Van dit en nog veel meer waren ze samen getuige geweest, Wolf en Paul. Twee toevallige tijdgenoten op de planeet aarde. Hij nadert de snelweg, neemt de flauwe bocht naar links en drukt het gaspedaal wat dieper in. In geen tijd laat hij de stad waar hij tweeënveertig jaar lang met Miriam heeft gewoond (geschuild, noemt hij het zelf) achter zich. De snelweg ligt open en de snuit van de 911 splijt de regen in tweeën, zoals Mozes destijds de Rode Zee.

7


De wijzers van het klokje doen precies wat van ze verwacht wordt: ze vertellen hem hoe laat het is. Twintig over elf. Over precies zesenvijftig minuten rijdt hij tegen honderdtwintig per uur Frankrijk binnen en vanaf dan mag hij nog een klein beetje harder. Maar hier, op de E19 tussen Antwerpen en Brussel, overweegt hij dat geen seconde. Hij beseft dat hij bezig is voorgoed zijn geboortegrond te verlaten. Zonder Miriam rijdt hij zijn nieuwe leven tegemoet. Een laatste rechte lijn van tien, vijftien, met wat geluk twintig jaar. Sinds de dag dat ze elkaar ontmoet hebben, heeft hij zich nooit meer een leven zonder Miriam kunnen voorstellen. Wat een dom ongeluk toch. De avond voor ze viel, hadden ze nog samen op tv naar een film gekeken, jasmijnthee gedronken en zelfgebakken cake gegeten. En ze hadden plannen gemaakt om vanaf nu wat meer naar Nice te gaan. Maar een of andere godheid heeft daar nu anders over beslist, de klootzak. Waarschijnlijk heeft ze zich bij het reinigen van de ruiten te ver voorovergebogen en is ze haar evenwicht verloren. Of misschien zijn haar vingers weggegleden toen ze zich vasthield aan het beregende raamkozijn. Wie zal het zeggen? En waarom bleef ze doorgaan met ramen lappen terwijl het begon te miezeren? Wekenlang had hij van het waarom wakker gelegen, avond na avond, in het veel te grote bed. Met Jack Daniel’s en slaappillen had hij geprobeerd zijn verdriet weg te spoelen. Maar niets hielp. Hectoliters tranen moet hij geweend hebben, rivieren vol. Genoeg om de Kalahari-woestijn te irrigeren. Verdomme toch, waar bleven die tranen vandaan komen? Zelfs nu, meer dan

8


zes maand later, moet hij zich bij momenten inhouden om niet spontaan te beginnen huilen. Het was intriest, maar hij moest alleen verder. Daarom had hij op een dag in juni, toen de wolken weer eens veel te laag hingen voor de tijd van het jaar, besloten om de flat in België te verkopen en definitief in Zuid-Frankrijk te gaan wonen. Miriam en hij hadden het er vroeger dikwijls over gehad en ooit zou het er wel eens van komen. Alleen kwam dat moment door de onverwachte dood van Miriam veel eerder dan voorzien. Maar hij had geen kinderen, de hypotheek was afbetaald, hij was met vervroegd pensioen en het appartement in Nice stond toch negen maanden per jaar leeg, enkel bewoond door een paar verdwaalde mieren. Het klimaat van de Côte d’Azur was bovendien mooi meegenomen. Le soleil, 300 jours par an. En daar was geen dag van gelogen. Veel bagage heeft hij niet mee. Wat kleren, wat cd’s, een paar ongelezen boeken (waaronder de nieuwste Jonathan Franzen!), wat paperassen. Valiezen meezeulen van hier naar ginder en terug deed hij niet. Daar was de koffer te krap voor. En in de flat in Frankrijk had hij toch alles wat nodig was. Als hij weer aan Miriam denkt, wordt het stil in de Porsche. Hij hoort alleen het getik van de regen op de ruit, het ingehouden ronken van de motor. De wereld in bevroren toestand. Geen heden, alleen verleden. En zeker geen toekomst. Wolf in leegte gedompeld. Wolken die uit de hemel vallen. Bomen die afbreken. Zeven plagen die het land teisteren. Zeeën die opdrogen. Kinderen die ongeboren blijven. Beelden van een apocalyptische wereld.

9


Zo ziet zijn leven eruit zonder Miriam: geen zuurstof, geen geluid, geen zon. Hij voelt woede opkomen, wil de pijn uit zijn lichaam schreeuwen. Maar net op het moment dat hij zijn mond opent, komen The Beatles hem ter hulp. Revolver herbegint van voren af aan. Als hij Mons nadert, vertraagt hij. Het elektronisch bord waarschuwt hem dat er verderop werken zijn. Max. 50 knipperen de lampen. Het duurt nog een kilometer of drie voor hij op de pechstrook een stilstaande dienstwagen ziet, waarin twee mannen in grijze overall snoeihout laden. Zodra hij hen voorbij is, gooit Wolf de Porsche weer in v­ ijfde. Even later duikt er een ander waarschuwingsbord op, ditmaal veel kleiner en zonder knipperlichten. Dernière ­station-service avant la frontière, kan hij nog net lezen.

10


2. Revolver

H

et is augustus 1966 wanneer Magnolia nog half slaperig haar ogen opendoet en de donkerrode transistorradio onder haar bed aanzet. De radiostem vertelt haar dat The Beatles een nieuwe elpee hebben, dat hij Revolver heet, en dat het een bijzonder vreemd album is. Daarna volgt een fragment uit de plaat. I’m only sleeping. Maar Magnolia is plots klaarwakker. Ze gaat rechtop in bed zitten en haalt met haar vingers wat knopen uit haar lange blonde haar. Wanneer ze door haar raam kijkt, merkt ze buiten niets abnormaals op. Ondanks de bizarre klanken die ze hoort, gaat het leven gewoon verder. Kinderen spelen op het voetpad, vrouwen lopen op hoge hakken, mannen wassen hun auto, honden rennen katten achterna. Het is zaterdag en zomervakantie. Ze springt uit bed, stoot haar dij tegen de hoek van de kast, vloekt even en masseert, enkel gekleed in het roze niemendalletje waarin ze slaapt, de zere plek op haar been. Ze heeft ergens gelezen dat een dijbeen sterker is dan beton en dat het tot dertig keer z’n eigen gewicht en volume kan dragen. Nutteloze informatie die zelfs voor een zestienjarige leerlinge LatijnWetenschappen totaal overbodig is, beseft ze. Zo weet ze ook dat het menselijk lichaam elk uur zeshonderdduizend huidschilfers verliest, wat neerkomt op zeshonderdtachtig gram schilfers per jaar. En dat de druk in je hart

11


volstaat om je bloed negen meter hoog te stuwen. Nutteloos, nutteloos! Als het nummer gedaan is, draait ze de radio weer uit en loopt met haar jeans, oranje T-shirt en wit kanten slipje in de hand naar de badkamer. Haar beha laat ze in de lade liggen. Wanneer ze op de gang loopt, hoort ze beneden het vrolijke getater van de tweeling. Het douchewater is warm en loopt in dikke stralen langs haar hoofd, buik en benen naar beneden, alvorens met kleine draaikolkjes in het afvoerputje te verdwijnen. Ze wrijft de zeep op bijna rituele wijze over haar huid. Drie jaar geleden is ze elke maand beginnen te bloeden en sindsdien besteedt ze veel aandacht aan het verzorgen en schoonhouden van haar lichaam. Ze knijpt wat shampoo in haar hand en smeert die door haar blonde lokken. Als je de reclame mag geloven, wordt het haar daar zacht en soepel van, krijgt het meer glans en wordt het zelfs in een subtiel zweempje amandelgeur gehuld. Met de sproeikop in de hand spoelt ze het schuim van haar hoofd en schouders. Dan gaat de doucheslang naar beneden en ontfermt ze zich over haar andere lichaamszones. De verdoken schelp van haar oksels. De voorzichtige kloof tussen haar nog prille opstaande borsten. De gloeiende glooiing van haar venusheuvel. Ze voelt haar hart tot in haar keel kloppen, de vingers die afdalen tot in haar diepste zelf. Vijf minuten later staat ze zich voor de badkamerspiegel af te drogen en heeft ze een grote blauwe handdoek om haar hoofd gedrapeerd. Ze kleedt zich aan, gaat terug naar haar kamer en omgordt haar voeten met de Indische sandalen die ze vorige dinsdag op de markt heeft gekocht.

12


Dan loopt ze de trap af. Of ze bij de bakker een brood kan halen, vraagt haar moeder, gesneden. Dat kan, antwoordt Magnolia gewillig, zodra mijn haar droog is. Haar moeder gaat verder met wat ze al de hele ochtend doet: strijken. Als het maar niet na de middag is, zegt ze. Magnolia maakt een rolbeweging met haar ogen en zwijgt. Aan de keukentafel zitten haar zusjes Lily (11 jaar) en Lena (eveneens 11 jaar) met de View-Master te spelen. Het formica tafelblad ligt vol ronde kartonnen diaschijfjes. Mary Poppins, De Ark van Noë, De Flintstones, 20.000 mijlen onder zee… Kijk, zegt Lena, en ze duwt de viewer onder de neus van haar grote zus, een inktvis. Magnolia glimlacht en drukt met haar wijsvinger op het hendeltje. Klik, zeven keer. Het hele verhaal van Jules Verne komt voorbij. Even later komt ook Magnolia’s vader op blote voeten uit de tuin naar binnen gewandeld. Hij ruikt naar zomerzweet en vers gemaaid gras. Magnolia geeft de viewer terug aan Lena. Moeder stopt haar ondertussen een biljet van vijftig frank toe. Voor het brood, zegt ze. Breng je ook een doosje Schimmelpenninck-cigarillo’s voor me mee? vraagt vader. Magnolia haalt de handdoek van haar hoofd en begint dan zorgvuldig de laatste natte haarlokken droog te wrijven. Ik ga al, zegt ze. De grijswitte Honda P50 zoemt traag als een bij de oprit af. Door de ingegroeide boomwortels is het fietspad hier en daar wat hobbelig geworden en haar Honda heeft geen achtervering.

13


Twee kilometer later rijdt ze door elkaar geschud het dorp binnen, waar alle winkels en handelszaken aan beide kanten van de straat naast elkaar staan. De bakker, de beenhouwer, frituur Patatje, de krantenwinkel, het bankkantoor, de apotheek, de kruidenier, de cafÊs. Verderop bevindt zich de Fiat-garage en het gemeentelijke kleuterschooltje. Voor al het andere moet je zes kilometer verderop in de stad zijn. Ze vindt het maar niks, dit boerengat. Twee jaar geleden waren haar ouders naar hier verhuisd omdat ze van de rust van het platteland hielden. Zelf droomt Magnolia eerder van zonnige, golvende landschappen, groenbegroeide rotsen en azuurblauw zeewater. Van cipressen die hoog oprijzen tussen geurige paarse lavendelvelden. Zonnebloemen, olijfbomen en wijngaarden. Amandel- en perzikbomen. Cactussen. Zuiderse warmte op haar rug, terwijl ze voorovergebogen aardbeien plukt. Een klein boerderijtje met een hangmat in de tuin en een grote boekenkast in de woonkamer. Een piano, als de woonkamer ruim genoeg is tenminste. Anders een gitaar. Een kat om te strelen. En weinig of geen mensen in de buurt. Tenzij misschien een lieve man en twee of drie kinderen. Het lijkt haar een volwaardig alternatief voor de dagelijkse grijze wolkenmassa boven de vuilwitte bloemkoolvelden van dit dorp. Ze laat de gashendel los, de bromfiets mindert vaart. Nadat ze haar Honda op het voetpad voor de krantenwinkel heeft geparkeerd, loopt ze naar binnen, koopt de cigarillo’s en gaat weer naar buiten. Dan steekt ze te voet de straat over en duwt ze de glazen deur van de bakkerij open.

14


Ze heeft de jongeman die achter de toonbank staat nog nooit gezien. Waarschijnlijk een student die vakantiewerk doet. Ze vraagt een grijs boerenbrood. Terwijl hij het brood in de broodsnijmachine plaatst, merkt ze dat hij bezig is haar vanachter zijn dikke brillenglazen te bestuderen. Van top tot teen. Vooral het gedeelte daartussen lijkt hem te interesseren. Ze voelt zich plots zo ongemakkelijk dat ze haar armen voor haar borst kruist. Misschien had ze daarstraks toch maar beter een beha aangetrokken, denkt ze nu. Als het brood gesneden is, steekt hij het in de broodzak. Tien frank en half, zegt hij, terwijl zijn ogen haar T-shirt doorboren. Ze kan niet snel genoeg buiten zijn. Haastig legt ze twee stukken van vijf frank en een stuk van vijftig centiemen op de toonbank, graait het brood mee en loopt, zonder nog om te kijken, de straat op. Hier is ze veilig. Wanneer ze de Honda start, voelt ze echter nog steeds de blik van de jongeman op haar rug. Tegen vijfentwintig per uur hobbelt ze naar huis. Maar in haar hoofd maakt de Honda allang niet meer hetzelfde rustig zoemende bijengeluid als daarstraks. Ze loopt via de achterdeur de keuken binnen, legt het brood, de cigarillo’s en het wisselgeld op het aanrecht. De tweeling zit nog altijd aan tafel te viewmasteren. Vader is niet te zien, waarschijnlijk staat hij zich boven te douchen. Moeder is in de huiskamer bezig de was op te plooien. Kun je die mand seffens naar boven brengen? vraagt ze. En zorg dat je voortaan fatsoenlijk gekleed bent als je nog eens buiten komt.

15


Ze diept een zwarte beha op uit de wasmand en gooit hem in de richting van Magnolia. Hier, zegt ze nors, voor je pa het ook in de gaten krijgt. Magnolia vangt de beha op. En dan? denkt ze, wat dan als hij het in de gaten krijgt? Ze is zestien en het moet maar eens gedaan zijn met die bemoeizucht van haar vader. Ze hebben beiden een andere mening over veel dingen, dat weet ze nu wel. Lily en Lena zijn te druk bezig om iets van het incident te merken. Vader is nog altijd nergens te bespeuren. Zesduizend kilometer westwaarts beginnen The Beatles straks aan hun derde Amerikaanse tournee.

16


3. Nog meer regen

I

n Frankrijk was de lucht van lichtgrijs naar donkergrijs overgegaan. Daarna hadden de wolken zich roetzwart boven de blauwe Porsche samengepakt. En nu gaan de hemelsluizen helemaal open. De Schepper ontbindt zijn duivels. Wolf vertraagt en zet de ruitenwissers in de hoogste stand. De dikke druppels spatten met geweld open op het asfalt van de A2, vlak voorbij Valenciennes. Hij vertraagt nog wat meer en knipt zijn mistlampen aan. Het gekletter op de ruit en op het dak doet denken aan die keer toen hij met Miriam in de buurt van Aix-en-Provence in een hagelstorm terecht was gekomen en zij naar zijn hand greep, bang dat de Porsche nu elk moment een doodsmak tegen een verdwaalde olijfboom zou maken. Maar er gebeurde niets en nog geen halfuur later zaten ze beiden op het drukke terras van Les Deux Garçons onder een lauw lentezonnetje van hun cafÊ noisette te nippen. Terwijl het water met bakken naar beneden valt, kijkt Wolf naar de lege plaats naast zich. Hij ziet Miriam zitten, ingedut, met haar hoofd tegen de ruit. De blonde haarkrullen die haar slapen bedekken. De landkaart op haar schoot. Het rustgevende geluid van haar ademhaling, het op en neer gaan van haar kasjmier trui. Haar mond lichtjes opengevallen, het sexy spleetje tussen haar twee voorste tanden.

17


Straks, als ze wakker wordt, zal ze eerst even op de landkaart kijken en hem vragen waar ze zijn. Dan zal ze van hem willen weten of hij nog wat water wil drinken, hem daarna de opengeschroefde fles aanreiken en, terwijl hij die traag naar zijn lippen brengt, ook vragen of hij nog een stukje rijsttaart wil, of wat druiven, of chips. Bij dat laatste zal hij ja knikken, zij zal een wit papieren servet op zijn schoot openplooien en hem dan één voor één de schijfjes chips aanreiken. Hij hoeft ze enkel nog in zijn mond te steken, erop te kauwen en ze door te slikken, daarbij af en toe zijn glimmende vetvingers aan het servet afwrijvend. Miriam toch. Hij haalt het cd-etui uit het zijvak van zijn portier en vervangt The Beatles door Bob Dylan. Blonde on Blonde. Vroeger deed Miriam dat allemaal voor hem. Maar nu is hij gehandicapt, voor de rest van zijn dagen. De player slokt de cd op. De mondharmonica van Bob Dylan maakt hem op slag vijftig jaar jonger. Rainy Day Women #12 & 35. De regen stopt niet. Het is bijna obsceen om te zien hoe de 911 zich door die waterval ploegt. Dat verdient zijn auto niet, vindt Wolf. De Porsche heeft hem al jaren ongekend rijplezier geschonken. Zonder tegenpruttelen. Aanvankelijk had hij hem gebruikt om zijn klanten te bezoeken. Van Antwerpen naar Brugge. Van Gent naar Amsterdam. Van Zwevegem naar Roeselare. En terug. Als hij op zijn afspraak aankwam, parkeerde hij de Porsche altijd achter het hoekje, om zijn klanten niet te ergeren. Het was tenslotte met

18


hun geld dat hij hem had gekocht. Bovendien vonden de meesten al dat Wolf te duur was. Maar ze bleven wel terugkomen, de zeikerds. Het ultieme bewijs dat hij niet te duur was en dat hij bijgevolg weer een lichte tariefverhoging op zijn volgende factuur kon toepassen. En zo bleef de Porsche maar verder tuffen. Van hier naar daar, van A naar B, van klant X naar klant Y, door regen en sneeuw, in ochtend- en avondfiles. Maar het was pas toen ze hun appartement in Frankrijk hadden gekocht dat hij zijn auto echt ging waarderen. Vlijmscherp en pijlsnel sneed het gestroomlijnde koetswerk keer op keer door het Franse landschap, voortgestuwd door die onverwoestbare, luchtgekoelde, 3,6 litermotor. Zelfs het geluid maakte hem gelukkig. Door de regen en het opspattende water van de vrachtwagen voor hem mist Wolf bijna de afslag naar Reims. Met een krachtige snok aan het stuur zet hij de situatie op het nippertje recht. Wanneer de Porsche achteraan wil uitbreken, haalt hij zijn rechtervoet van het gaspedaal. Op slag trekt de wagen zichzelf weer recht. Wolf is bezig zijn leven terug op de rails te zetten, en het gaat loodrecht naar beneden, richting zuiden. Maar voor zover hij kan zien, hangt er geen weersverbetering in de lucht. Integendeel. Uit de donkere wolken komen nu witte lichtstralen geflitst. Steeds meer. Steeds feller. En bovenop de luide harmonicaklanken van Dylan hoort hij nu ook snoeiharde donderslagen, die als uppercuts van Mohammed Ali op de wereld indreunen. De hemel kraakt en barst uit zijn voegen. De Hel van het Noorden die hij achterlaat, is kattenpis in vergelijking met Dante’s Inferno waar hij nu in terecht is gekomen.

19


Hij bidt (of doet toch alsof) en hoopt dat hij het voorportaal allang voorbij is. Dat hij met zijn Porsche geen negen hellekringen meer door moet. Zo’n slecht mens is hij nu toch ook weer niet geweest? Goed, hij heeft al eens een leugentje om bestwil verteld. En Miriams verjaardag is hij ook een keer vergeten. Maar of je daar nu tot in de eeuwigheid moet voor branden? Rechts van hem ziet hij de auto’s vertragen en naar de pechstrook uitwijken. Sommige staan al stil, hun vier richtingaanwijzers aan en uit knipperend. Wolf zit bijna met zijn neus tussen zijn stuurwiel en rijdt stapvoets over de anders zo vlotte A26. Straks wordt het vanaf Reims tot in Troyes een heel stuk rustiger. Maar eerst moet hij deze beproeving doorstaan. Hij is op weg naar de plek waar hij met Miriam zoveel gelukkige dagen heeft beleefd. In goede en in slechte tijden. Hij merkt dat er alsmaar minder auto’s met hem meerijden. De snelweg ligt er als een Verdronken Land van Saeftinghe bij. Hij draait de volumeknop wat verder open. I want you. Wolf vergeet even alle waterellende. Iemand plugt een gitaar in zijn hoofd. Ze boort zich pijnloos door zijn schedelvliezen. Hij wordt weer even die knaap van zeventien die in zijn kapotte spijkerbroek op zijn kamer luchtgitaar staat te spelen. Ineens stopt de zondvloed en gaat Dante’s Inferno weer dicht. De ijzeren greep waarmee Wolf het stuur omklemt, verslapt. De magnetische blik die zich aan het asfalt heeft vastgehecht laat los. Zijn hart gaat trager pompen. Hij bevindt zich weer in de dodentuin van vandaag, waar het hem meer dan ooit aan Miriam ontbreekt.

20


Ter hoogte van Laon ziet hij rechts het donkere silhouet van de kathedraal opduiken. Helemaal boven op de getuigenheuvel zetten de torens hun kroon op de glooiende horizonlijn. La montagne couronnĂŠe. Een vertrouwd beeld waar Miriam vroeger maar niet genoeg van kon krijgen. Een beeld dat hem vertelt dat ze voor altijd naast hem in de Porsche aanwezig blijft. Ook nu zit ze weer in haar kasjmier trui met haar slaapogen halfdicht en de landkaart op haar schoot naar hem te glimlachen. Nog wat druiven, schat?

21


www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. omslagontwerp | Studio Lannoo omslagbeeld | Edmunds.com, Inc. ontwerp binnenwerk | Studio Lannoo, Mediactief zetwerk | Mediactief AUTEURSPORTRET | Koen Broos Elke gelijkenis met bestaande gebeurtenissen en/of personen berust op louter toeval. Als u opmerkingen of vragen heeft, dan kunt u contact opnemen met onze redactie: fictie@lannoo.com D/2017/45/467 | NUR 301 ISBN 9789401446365 Š Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2017 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401446365 by Uitgeverij Lannoo - Issuu