De man die niet schoot
Vincent Merckx de man die niet schoot
1
H
et verhaal wordt door iedereen een beetje anders verteld. Het hangt ervan af van wie je het te horen krijgt. Het is de afgelopen dagen en weken zo vaak opnieuw verteld, en daarna doorverteld, dat het onmogelijk is om nog te weten hoe het echt gegaan is. Achteraf gezien komt het misschien daardoor dat het zo’n grote indruk heeft nagelaten op ons allemaal. Wat we wel zeker weten, is dat het allemaal begint op een warme lentedag, ergens begin april. De man wiens naam we niet kennen, loopt door de straten van Antwerpen. Hij geniet van het weer, net zoals iedereen, zo lijkt het. Licht gekleed in een voorjaarshemd en met een zakdoek nonchalant om zijn nek geknoopt. Een lichtgroene pet op die iedereen past, of een bruine Stetson – daarover lopen de meningen uiteen. We kennen de naam niet van de man die met een ontspannen tred door de straten van Antwerpen wandelt. Ontspannen, maar doelbewust. Hij komt uit de stationsbuurt en loopt via de De Keyserlei naar de Meir. Alle bronnen bevestigen dat hij misschien een zonnebril draagt, zoals je zou kunnen verwachten bij fijn voorjaarsweer zoals dit. Veel van de mensen die hem tegemoetkomen, doen dat dan ook. De grootste enthousiastelingen dragen zelfs al shorts en zomerse flipflops, hoewel je enkele dagen geleden nog ademde in wolkjes. Zelfverzekerd loopt hij over de De Keyserlei. Hij ziet de mensen die hem voorbijlopen – de vrouwen met hun korte rokjes of fleurigste sluiers, een paar joden in hun zwarte kostuums – en
5
hij vindt het jammer. Jammer dat ze zullen ontkomen. Maar hij kan ze nu eenmaal niet allemaal meesleuren straks. Focus is belangrijk, dat beseft hij maar al te goed. Verder, naar de Meir. Ontspannen, maar doelbewust. Dat hij eerst nog even wijdbeens blijft staan ter hoogte van de McDonald’s, met de handen in zijn zij, turend vanonder zijn lichtgroene pet die iedereen past of zijn bruine Stetson, daarover bestaat weinig discussie. Een minuut of vijf, zo lang blijft hij wachten, terwijl de massa die geniet van de eerste zon langs hem heen gaat. Behoorlijk lang. Ze vermoeden niets. Een aangename voorjaarsbries speelt door het halflange, bruine haar dat onder zijn pet of Stetson uitkomt. Op een warme lentedag, na weken van voorjaarsregen, ergens begin april, haalt hij zijn pistool tevoorschijn. Het is een sober model, van het type dat de politie gebruikt, zwart en makkelijk in de hand liggend. Geen opvallend pistool dus, maar het mist zijn effect niet. Hij richt het op het stelletje dat hem tegemoetkomt, jonge twintigers die even helemaal niets in de gaten hebben. De meesten zullen je vertellen dat er gegil losbarst wanneer de omstanders beseffen wat er aan de hand is. Een korte uitbarsting van paniek, en daarna absolute stilte terwijl de wandelaars op de Meir dekking zoeken. Veel plaats om te schuilen is er niet; enkele stenen banken en hier en daar een container waar gewerkt wordt aan een kledingwinkel, dat wel, maar verder niet veel. De meesten duiken de dichtstbijzijnde zaak binnen, verschuilen zich tussen de fleurige zomertopjes in de rekken en hopen dat ze niet gevonden worden. Voor dat ene stelletje is het te laat: zij hadden de pech het pad te kruisen van de man met zijn pet of Stetson. Ze waren weggedoken maar kunnen nu geen kant meer op: de dichtstbijzijnde bank staat een paar meter verder. Bevend zakken ze
6
op hun knieĂŤn, de man heft zijn linkerarm afwerend voor het gezicht van de vrouw, wat halfslachtig weliswaar, alsof hij zich al heeft neergelegd bij wat komen zal. Hij in een fluorescerend blauw shirt, gel in zijn haar, met witte sportschoenen van Nike. Zij naast hem, met een zwart leren jack, een spannende zwarte broek en een pilotenzonnebril. Een trillende kin terwijl de man met de pet of de Stetson het pistool op hem richt. Het is nog steeds doodstil op de Meir. Hij richt eerst op het voorhoofd van de man, en daarna op de vrouw die intussen half achter hem is gekropen. Ze zit voorovergebogen, bijna in foetushouding, armen over het hoofd. Wanneer de man aanstalten maakt om zich verder voor de vrouw te positioneren, in de vuurlijn van het pistool, richt de man met de groene pet of de Stetson weer op hem. Er speelt nog steeds een lentebries door het halflange haar dat onder zijn hoofddeksel uit komt. Een enkele gil uit een van de kledingwinkels. En dan wandelt hij verder. Even losjes als daarnet, en even doelbewust. Terwijl het stelletje achter hem wegkrabbelt achter een bank, loopt hij verder de Meir in. Hier en daar kiest hij lukraak een kledingwinkel uit om er binnen te lopen en even tussen de rekken en in de pashokjes te kijken. Hij richt op de vluchtende mensen; in doodsangst struikelen ze over de van de hangers gevallen kleren, over andere weggedoken lichamen of over hun eigen voeten. De Meir is intussen helemaal verlaten. Een enkele sirene loeit in de verte. Wanneer hij op een verdwaalde wandelaar of een straatmuzikant stuit, richt hij er meteen zijn pistool op. En steeds opnieuw volgt dezelfde reactie. Telkens weer dat op de knieĂŤn zakken. Telkens weer die radeloosheid in de ogen van zijn slachtoffer. Telkens weer die geladen stilte en het wachten op wat komen zal.
7
Het is echt prachtig weer voor deze tijd van het jaar. Langs de Boerentoren en de kathedraal gaat hij naar de Grote Markt. Een kwartier later is het intussen, en afhankelijk van wie je het verhaal vertelt, stuit hij bij zijn aankomst in het gemeentehuis op een overweldigende politiemacht of op geen enkele tegenstand. Er bestaat wel consensus over (die feiten zijn makkelijk te controleren) dat de gemeenteraad die dinsdagnamiddag bij elkaar gekomen is nadat de vergadering van de vorige avond uitgelopen was. Van wat er vervolgens gebeurt, doen er evenveel versies de ronde als er zich die middag gemeenteraadsleden in de zaal bevinden. De schepen van Binnengemeentelijke Decentralisatie vertelt meteen na de feiten aan de toegestroomde pers dat er al buiten de zaal geschoten werd. Dat de deur bruut opengeschopt werd en iedereen gedwongen werd om op de grond te gaan liggen. Dat ze daar dat hele uur in doodsangst hebben doorgebracht, met de buik op de grond en de handen boven het achterhoofd gevouwen, terwijl de man met de lichtgroene pet of de bruine Stetson hen onder schot hield en schreeuwde dat ze er allemaal aan gingen. (Er werden achteraf geen kogelgaten of hulzen teruggevonden.) De schepen van Onderwijs bevestigt dat verhaal deels. Volgens hem stond de man met het pistool evenwel toe dat iedereen op zijn stoel bleef zitten, en werd er maar ĂŠĂŠn iemand onder schot genomen: hijzelf. Hij neemt sindsdien elke ochtend bij het ontbijt een cocktail van angstremmers. De schepen van Samenlevingsopbouw vertelt dat hij er bijna in geslaagd was de man met de lichtgroene pet of de bruine Stetson te overmeesteren, maar dat hij met nog anderhalve meter te gaan struikelde over de arm van een oppositielid. Hij vermoedt dat hij gespaard werd uit respect voor zijn
8
krachtdadigheid. (Verschillende leden van de oppositie betwisten deze versie van de feiten.) Volgens de schepen van FinanciĂŤn werd er niet geroepen en waren er ook geen schoten te horen buiten de raadszaal. De man zou bij zijn binnenkomst in de raadszaal een kordate rust uitgestraald hebben, naar de stoel van de burgemeester zijn gelopen terwijl de raadsleden een voor een wegdoken voor het pistool en op de plek van de burgemeester zijn gaan zitten. Hij zou er zijn wapen neergelegd hebben, terwijl hij zijn ogen op de zaal gericht hield. Kalm zou hij daarop het woord genomen hebben, en met vaste stem verteld hebben dat hij buiten een slachtpartij had aangericht. Eerst in Brussel, en daarna op de Meir. Dat hij tientallen slachtoffers had gemaakt, burgers en politie. Dat hij duidelijke motieven had, maar geen spijt. Dat hij hier, in het stadhuis van Antwerpen, wilde sterven. En dat hij hen allemaal zou meenemen in de dood. De burgemeester houdt vol dat hij net naar het toilet was gegaan en de man met de groene pet of de bruine Stetson nooit gezien heeft, en nooit in gevaar is geweest. Hij kondigde de dagen erna wel ingrijpende veiligheidsmaatregelen aan. Maar wat er op 1 april echt gebeurd is? Het hangt ervan af van wie je het te horen krijgt.
9
2
E
r klinken zes droge knallen, hard en kort na elkaar. Daarna blijft het even stil, tot een nog veel luidere knal de huiskamer doet oplichten. Het felle geel ebt maar langzaam weer weg. ‘Dat heb je in deze buurt. Als je denkt dat ze er alles nu wel doorheen gejaagd hebben, wacht dan maar tot morgenavond. Of alle resterende avonden van de lente en de zomer. Dit was nog maar een oefening. Even testen of hun pijlen wel werken.’ Timo glimlacht meewarig. ‘Ach, voor de rest zijn het goeie jongens hoor. Gewoon wat luidruchtig.’ Ik geef hem de foto terug die ik daarnet van de kast heb geplukt. Even zitten we woordeloos tegenover elkaar, op zoek naar een onderwerp. Daarnet werden we nog te zeer overstemd door het vuurwerk; we konden elkaar amper verstaan, en dus hadden we het voorlopig maar even opgegeven om te proberen te praten. ‘Wanneer ben je nu alweer afgezwaaid?’ ‘Zeventien jaar geleden.’ Timo veegt een rode voetbalsjaal opzij en geeft de foto een nog prominentere plek op het lage kastje, met veel toewijding, net zoals hij hem moet hebben ingelijst in de gouden lijst die zo te zien al enkele levens geleefd heeft. Zestien jonge kerels grijnzen zelfverzekerd naar Timo. Hij houdt hun blik even vast. Een van die zestien oogopslagen is de zijne. ‘En ik wacht nog altijd.’
10
Het was me al opgevallen aan die fijne handen van hem, die zelfs op zijn veertigste nog steeds geen spoor van eelt vertonen en amper passen bij dat stevige postuur dat op de een of andere manier uit het schriele kereltje kon groeien dat ik gekend heb. Net zomin passen zijn delicate gelaatstrekken bij die gespierde bovenarmen, of die zachte kaaklijn. Zijn kapsel moet een maand of twee geleden gemillimeterd zijn, maar laat zich nu niet meer in bedwang houden. Het gaat alle kanten op. Alsof zijn lichaam zich nog steeds verzet tegen de toekomst die hij er een half leven geleden voor gekozen heeft. Timo, die al sinds de lagere school enkel en alleen door zijn ouders met zijn geboortenaam aangesproken wordt; Timothy klonk nu eenmaal te pompeus voor het springerige maar schuchtere jongetje dat hij was. Dat was me ook opgevallen op de vele legerfoto’s waar zijn bescheiden appartement van uitpuilt, en waarop je amper iemand in actie ziet, maar wel heel veel vrienden. Nu begrijp ik ook wat het was wat me bij de keel greep toen ik hier binnenkwam en me in een van de comfortabele stoeltjes met houten leuningen liet zakken, die zwaarte van een onbeantwoord verlangen dat jaar na jaar is ingedikt. Hij tikt met zijn wijsvinger tegen het glas van de lijst, tegen de wang van de drieëntwintigjarige. ‘De dag nadat deze foto gemaakt is, heb ik twee flessen van de duurste champagne gekocht die ik kon vinden. Om te kraken na de stage, bij mijn officiële inlijving in het leger. Ze liggen hier nog steeds in de koelkast. Geen idee of ze nog drinkbaar zijn.’ Ik durf zijn wrange glimlach niet te beantwoorden. Zijn maten, die het vermoedelijk verder geschopt hebben, kijken me verwijtend aan vanaf de vensterbank en de kastjes waar Timo zijn appartement mee heeft volgestouwd. Ik had er niet over mogen beginnen. Zij wisten het al veel langer, ik weet het nu pas. En ook ik zwijg nu. 11
‘Weet je Anders, ik had niet gedacht dat je ooit nog naar België zou terugkeren.’ Timo’s suggestie, een weinig subtiele vraag om meer uitleg, blijft tussen ons in zweven. Samen met achttien jaar radiostilte en de jaren daarvoor waarin we amper van elkaars zijde weken. Maar ik heb geen zin om het erover te hebben, nu nog niet. En ik bestudeer de bodem van mijn cognacglas. ‘Ik ook niet’, antwoord ik ten slotte gemakshalve. Ik klok de rest van het glas in één haal naar binnen. ‘Maar kijk, hier ben ik.’ De grijns die ik erachteraan gooi, komt makkelijker en natuurlijker dan gehoopt. Hopelijk laat Timo het hierbij, mijn beste vriend uit een vorig leven, die, net zoals toen, nog steeds méér insinueert dan hij vraagt en er een plezier in schept om tussen de regels te converseren – of gewoon niet anders kan. Beide, wellicht. Daarom stel ik hem ook zo op prijs. Hij spreekt in raadsels die opgelost moeten worden, net zoals hij denkt trouwens – in zijn tienerjaren soms zozeer dat hij zichzelf erin verloor. In het karige licht van deze vroege lenteavond valt me nu pas op hoe mager hij is geworden; rond zijn slapen schemert zijn schedel door en zijn ogen liggen ingegraven in donkere wallen. Toen hij daarnet de deur voor me opende fonkelden die ogen even zoals ze dat vroeger zo vaak gedaan hebben, zij het toen soms iets gedempter in tijden van tegenslag, die hem al van kindsbeen af vaker leken te treffen dan anderen. Toch duurde het even voor het ijs tussen ons brak, nadat hij me de woonkamer had binnengeleid. De spanning liet zich maar moeizaam ontmijnen. De aanleiding van dit weerzien zit nog veel te vers in onze hoofden. ‘En nu?’ Uit alle macht had ik gehoopt dat hij het niet zou doen. En toch: hij vraagt door. ‘Ik blijf hier voorlopig wel even.’
12
Nu is hij het die grijnst en me strak aankijkt, op zoek naar een oorzaak en een gevolg dat hij nu nog niet hoeft te kennen. Ik beantwoord zijn blik, enkel dat, en reik naar de fles. Glimlachend weert hij mijn hand af. Zijn handen trillen allebei een beetje terwijl hij geconcentreerd bijschenkt, mijn glas voorzichtig tussen duim en wijsvinger geklemd. Er straalt weinig kracht uit zijn greep. ‘Zeventien jaar wachten… Heb je nooit overwogen iets anders te zoeken?’ Even stokt de stroom cognac, kort, onmerkbaar bijna. ‘Ik kan niets anders, Anders. Ik ben hiervoor gemaakt. Net zoals jij. Weet je nog dat je in de eerste klas van de middelbare school al wist waar je toekomst zou liggen? Zou jij dan ooit nog iets anders willen doen?’ Ik slik even. Het komt niet door de cognac. ‘Nee. Maar soms heb je geen andere keuze.’ Ik knik naar de zestien jonge kerels, naar de vele beloften die het begin van de jaren tweeduizend inhield. Timo monstert me. Hij wacht af. Ik moet nu wel íéts zeggen. En ik zucht, kort maar intens, voor ik het zelf goed en wel besef. ‘Weet je, Timo, je kunt blijven hopen dat de wereld om je heen zo verandert dat je op een dag, bij het opstaan, merkt dat alles geruisloos op zijn plaats is gevallen. Dat is dan de dag waarop alles eindelijk begint.’ Achter het woonkamerraam spat een laatste vuurpijl uit elkaar. Heel even, net zolang als de hemel buiten oplicht, zien we elkaar weer in het volle licht. Ik sta op en knip de lamp aan. En ik hef mijn glas. ‘Wel, bij mij is het op zo’n ochtend plotseling allemaal opgehouden.’ Timo twijfelt, wacht nog even op woorden die niet meer zullen komen, en beantwoordt dan toch glimlachend mijn toost.
13
In de vier glazen cognac die nog volgen, verdampen achttien jaar makkelijker dan ik van tevoren gevreesd had. We halen herinneringen op over die paar jaar waarin we samen het studentenleven ontdekten; ik van harte, Timo omdat zijn ouders erop stonden dat hij het op zijn minst probeerde. We hebben het over de jaren voor Timo alsnog aan zijn opleiding bij het leger begon en we elkaar uit het oog verloren, over onze studiegenoten en vriendinnetjes. We lachen hartelijk om de uiteenzettingen van Timo, die nog steeds de kunst beheerst om op verbazend lucide wijze steeds verder gezochte theorieën te debiteren naarmate de drank ons naar het hoofd stijgt. Net als toen vervul ik mijn rol van welwillend publiek en beperk ik me tot zo nu en dan een gerichte vraag ter verduidelijking terwijl Timo met zijn encyclopedische kennis even onwaarschijnlijke als onwrikbare verbanden legt, puzzels waarvan de stukken uit verschillende dozen komen maar op wonderlijke wijze toch in elkaar blijken te passen. Hilarische beelden ontstaan er zo, verrassende ook, fascinerende. Met bravoure slaat hij een brug tussen illustere tourwinnaars uit de jaren zeventig, de gespleten hoeven van berggeiten en het fragiele evenwicht tussen draagkracht en wrijving dat een vliegtuig in de lucht houdt. Het gaat me duizelen en wanneer we elkaar schaterend op de schouders slaan, blijkt het al veel later dan verwacht. ‘Het was in elk geval een stuk gezelliger dan tijdens onze vorige ontmoeting’, glimlach ik wanneer we elkaar hartelijk de hand schudden. En ik kan mezelf wel voor mijn kop slaan. Een hele avond lang hadden we het onderwerp kundig vermeden. We hadden een overeenkomst zonder dat er woorden voor nodig waren geweest. Het was voor ons beiden duidelijk geweest zodra ik binnengekomen was, het had de hele avond tussen ons in gehangen, krimpend terwijl de cognac vloeide, desalniettemin nooit
14
minder dan nadrukkelijk aanwezig. We konden praten, zolang het daar niet over zou gaan. We zouden het later nog kunnen benoemen, maar niet nu. Niet deze avond. En die overeenkomst heb ik, tijdens de allerlaatste seconden van ons weerzien, alsnog verbroken. Met een ruk trekt hij zijn hand terug. ‘Wat doe je daar godverdomme luchtig over.’ Het zal vast de drank zijn die samen met de ader op zijn voorhoofd zijn wenkbrauwen doet verstrakken, net zoals het drank moet zijn die de sfeer zo snel heeft doen omslaan. Onbeholpen steek ik hem nog mijn hand toe, opnieuw, in de hoop de situatie alsnog op te lossen. Vergeefs. Ik voel de afstand tussen ons, die zo snel kromp, weer groeien. Zonder me nog een blik waardig te keuren keert Timo me nu de rug toe en gaat hij de woonkamer weer in, waar hij het licht meteen uitknipt. Ik blijf nog even wachten in de hal, bedremmeld in het schaarse schijnsel dat vanaf de overloop naar binnen valt, nu plotseling in mijn eentje in een appartement waar ik niet meer welkom ben. Maar Timo komt niet meer terug, opgeslokt door het donker. Uiteindelijk trek ik zo stil mogelijk de voordeur achter me dicht. Het was een vergissing geweest, die opmerking. Ik was me er maar al te goed van bewust dat Timo die middag helemaal anders had beleefd dan ik. Dat onze levens onherroepelijk veranderd waren, was meteen na de feiten al duidelijk geworden. Duidelijk voor ons beiden, en voor iedereen die er toen bij was, die vroege lentedag op de Meir, 1 april, waar ik Timo had zien zitten onder een van de thermische dekens die uitgedeeld waren, hoewel de zon brandde. In zijn eentje tussen de groepjes mensen die overal verspreid op de grond zaten. Ik zie ze nog voor me, de hulpverleners die aanvankelijk heen en weer snelden, maar algauw werkloos stonden toe te kijken, krabbend in hun haar. Opgetrommeld voor een massale schietpartij, maar
15
nergens gewonden om te verzorgen, laat staan doden. De spuit die Timo een halfuur later toch toegediend zou krijgen vanwege de shock. Die afwezige blik in zijn ogen, die niet meer helemaal zou verdwijnen. Toen hebben we besloten dat we elkaar nog eens terug moesten zien, wanneer dit allemaal achter de rug zou zijn. Vandaag, exact een week later, ga ik één verdieping omlaag en draai ik de sleutel om in de voordeur van mijn eigen appartement, drie hoog. Ik huur het nog maar enkele weken, in deze weinig geliefde wijk, goedkoop maar degelijk. Mijn flat is tegelijk identiek aan die van Timo én het negatief ervan; bij de inrichting hebben we zonder het van elkaar te weten diametraal tegenovergestelde keuzes gemaakt. De opvallendste is natuurlijk die van onze woonkamers: ik heb de mijne in de slaapkamer geïnstalleerd, weg van het licht, dat me te veel afleidt. Mijn bed staat daardoor in de ruimte waar ik daarnet nog cognac zat te drinken, en waar ook alle andere bewoners van dit gebouw hun leefruimte hebben, neem ik aan. Elke ochtend word ik wakker met de stad aan mijn voeten, wanneer de zon naar binnen valt langs het raam dat de hele breedte van de gevel inneemt. Hier klinken mijn voetstappen hol, galmend door de ruimte die in feite veel te groot is voor zijn functie – dat weet ik zelf ook wel. Muziek om die te overstemmen is er niet; tot voor kort verlangde ik juist absolute stilte na mijn werkdagen, die vaker wel dan niet tien uur of langer duurden. Om tot rust te komen of, wat vaker gebeurde, in opperste concentratie nog een uur of twee door te kunnen werken in het schijnsel van een enkele bureaulamp. Daarom klinken voetstappen hier zo luid, ook al omdat ik geen vloerkleed op de grond heb gelegd, zoals Timo dat gedaan heeft, een smaakvol kleed dat hij ergens in de uitverkoop op de kop heeft getikt.
16
Mijn enige uitspatting in deze ruimte, en bij uitbreiding in de hele flat, is de dure, handgeweven stof die ik aan het plafond boven mijn bed bevestigd heb. Ooit heb ik de lap cadeau gekregen van een Arabisch stadsbestuur dat ik me intussen al niet meer voor de geest kan halen, waarna een vrouw die ik nog steeds glashelder voor me zie me met zachte aandrang aangemoedigd had het een ereplaatsje te geven in onze toenmalige woning. Maar verder vind je hier dus weinig versiering; omdat ik nog niet helemaal geïnstalleerd ben in mijn nieuwe huis, maar ook en vooral omdat ik er nooit behoefte aan heb gehad. In mijn woonkamer, die zoals gezegd pal onder Timo’s slaapkamer ligt, lopen de boekenkasten van kniehoogte door tot aan de rand van het plafond, op maat gemaakt en exact volgens mijn aanwijzingen geïnstalleerd. Achter het deurtje van de meest rechtse kast zit de rest van de aandenkens aan mijn vorige leven keurig weggeborgen in een kartonnen doos: traditionele gewaden, een paar schoenen, wat hoedjes, een theepot en andere authentieke maar nooit gebruikte prullen, relatiegeschenken die me ooit ceremonieel zijn aangeboden en die ik dus onmogelijk kon weigeren. De ingebouwde koelkast die bij Timo door de jaren heen is overwoekerd door foto’s, staart in mijn keuken hol terug. Geen lijstje doorbreekt de gewijde stilte die de witgekalkte muren in ere houden. En zo is het uitstekend. Leeg, uitgehold door de drank en het verkeerde einde van een net niet geslaagde avond, kleed ik me uit tot op mijn ondergoed en trek ik het dekbed tot ver over mijn hoofd. En ik krul me op in een bolletje, hoewel de eerste lentewarmte dik in de kamer hangt. Het tollen houdt niet op. En ik zie het weer voor me. Glashelder. In mijn geest gegrift, hoe diep ik ook wegkruip. En ik zweet als een rund, net zoals ik
17
toen heb liggen zweten, onder die berg jassen in een Antwerpse kledingzaak. In het donker, met amper zuurstof, en zonder een flauw benul van wat zich buiten aan het afspelen was. Een gat in tijd en ruimte. Opnieuw flitsen de tegels van het trottoir onder mijn voeten voorbij. Ik hijg. Zodra ik het geschreeuw hoorde ter hoogte van de Boerentoren, draaide ik me om en begon ik te rennen. Terug de Huidevettersstraat in. Ik kijk op en zie aan het einde van de straat een tram voorbijrijden. Te ver. Te laat. Achter me zwelt het kabaal aan. De chaos verspreidt zich. Ook vóór me laten voorbijgangers hun winkeltassen vallen en ze beginnen halsoverkop te lopen. Ik raak in paniek, heb geen idee waar ik precies voor aan het wegvluchten ben, en volg uiteindelijk het voorbeeld van enkele tientallen anderen om me heen: ik spring een kledingzaak binnen. Ik heb geluk. Er is net grote uitverkoop en de winkel staat afgeladen vol met rekken. Rijen en rijen met rekken, alle seizoenen door elkaar. Ik worstel me een weg naar binnen. T-shirts in schreeuwerig oranje en fluorescerend groen vallen op de grond, één rek komt met het helse gekletter van metalen hangers op stenen tegels naar beneden. Ik hijg, vecht me verder de winkel in, weg van de etalage en voorbij de anderen die dezelfde winkel binnen zijn gevlucht. Rechts van me staat een vrouw, doodstil, de ogen wijd open. Alleen haar kin trilt. Als een razende duw ik alles en iedereen opzij. Het beklemmende besef dat het hier allemaal gewoon zou kunnen ophouden, vandaag. Dat niemand me zal beschermen als het erop aankomt, en dat ik misschien ook wel nooit beschermd ben geweest. Zou dit dan doodsangst zijn? Ik bereik de pashokjes achter in de winkel en wil er eentje binnenvluchten, maar bedenk me op het laatste moment. Te voor de hand liggend. Ik volg de muur die zich links van me uitstrekt van de pashokjes tot aan de zijwand van de zaak. De uithoek zit een beetje verborgen,
18
weggestopt achter de kassa’s en een stuk of vijf rijen met rekken. Ik trek het achterste rek omver en probeer de lange winterjassen zo onopvallend mogelijk op een hoop te schikken. Alsof ze zomaar op de grond gevallen zijn toen iemand ertegenaan botste. Heel overtuigend ziet het er niet uit, maar het moet maar. Ik kruip eronder, herschik de jassen boven op me zodanig dat ze me volledig bedekken. Probeer mijn ademhaling onder controle te krijgen. En wacht af. Ik gooi het dekbed van me af, veeg de kussens uit bed en schop uiteindelijk ook mijn boxershort uit. Ik rol me op mijn rug en blijf zo liggen, mijn armen boven me uitgestrekt. Steeds weer diezelfde scènes in steeds weer diezelfde chronologische volgorde. Deze avond is slechts de laatste in een lange reeks van slapeloze nachten. Enkele meters boven me hoor ik Timo naar zijn slaapkamer stommelen. Hij stond die middag op de eerste rij. De gebeurtenissen hebben er bij hem nog veel dieper op ingehakt. Ergens onderweg slaat een deur hard dicht.
19
3
I
k denk dat ik die nacht voor de eerste keer over het pistool droomde.
20