Het ellendige eerste boek
Het treurige tweede boek Vertaald door Huberte Vriesendorp Met tekeningen van Brett Helquist
www.lannoo.com Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveel voudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2017 ISBN 978 94 014 4464 4 D/2017/45/491 NUR 282/283 Oorspronkelijke titel A Series of Unfortunate Events – The Reptile Room © Oorspronkelijke uitgever HarperCollins, 1999 Tekst copyright © Daniel Handler, onder het pseudoniem Lemony Snicket, 1999 Illustraties copyright © Brett Helquist, 1999 en 2017 (omslagsilhouet) Vormgeving: Studio Lannoo en Mieke Smalle © Nederlandse editie Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2017 © Vertaling Huberte Vriesendorp
Voor Beatrice – Mijn liefde voor jou leeft eeuwig voort. Jij deed dat echter niet.
5
e weg die langs de Waashaven de stad uit loopt naar het stadje Saaierdam is misschien wel de onplezierigste weg ter wereld. Hij heet de Walgweg. De Walgweg loopt door landerijen die een ziekelijke grauwe kleur hebben. Er staat een handvol zielige appelbomen waarvan de vruchten zo zuur zijn dat je er maar naar hoeft te kijken om misselijk te worden. De Walgweg voert over de rivier de Grim, die voor negentig procent uit modder bestaat en waar bijzonder zenuwslopende vissen in zwemmen. De Grim stroomt rond een mierikswortelfabriek die een doordringende, bittere walm verspreidt over het hele gebied. Tot mijn spijt moet ik je vertellen dat dit verhaal begint met de Baudelaire-wezen die over deze heel
9
onplezierige weg rijden en dat het verhaal hierna alleen nog maar erger wordt. Van alle mensen op de wereld die door het ongeluk getroffen worden – en zoals je vast wel weet, zijn dat er een heleboel – spannen de Baudelaires de kroon, een zin die hier betekent dat hun meer afschuwelijke dingen zijn overkomen dan wie dan ook. Alle ellende begon met een enorme brand die hun huis in de as legde en waarbij hun liefhebbende ouders de dood vonden, wat op zichzelf al genoeg verdriet veroorzaakt voor een heel leven. Maar voor deze drie kinderen was dit nog maar het begin van de ellende. Na de brand werden de kinderen ondergebracht bij een verre oom die graaf Olaf heet, een afschuwelijke, inhalige man. De Baudelaire-ouders hadden hun kinderen een geweldig fortuin nagelaten, dat ze pas zouden krijgen wanneer Violet meerderjarig werd, en graaf Olaf was zo bezeten van het idee dat geld in zijn vunzige vingers te krijgen, dat hij een gemeen plannetje bedacht dat mij tot op de dag van vandaag nachtmerries bezorgt. Daar werd nog net op tijd een stokje voor gestoken, maar hij zwoer dat hij op een dag het Baudelaire-fortuin in handen zou krijgen. Violet, Claus en Roosje hadden nog steeds
10
angstdromen over graaf Olafs glimmende, glinsterende ogen en over zijn ene vooruitstekende wenkbrauw, maar nog het meest over het getatoeÍerde oog op zijn enkel. Dat oog leek de weeskinderen overal waar ze gingen te achtervolgen. Nu moet ik je wel waarschuwen: als je dit boek hebt opengeslagen in de hoop te horen dat de kinderen nog lang en gelukkig leefden, kun je het maar beter meteen weer dichtdoen en iets anders gaan lezen. Want Violet, Claus en Roosje zaten samengeperst op de achterbank van een krap auto tje en staarden uit de raampjes op weg naar nog veel meer kommer en kwel. De rivier de Grim en de mierikswortelfabriek waren slechts de eerste in een hele reeks van tragische en onplezierige episoden die een frons op mijn voorhoofd en tranen in mijn ogen brengen wanneer ik eraan denk. Achter het stuur van de auto zat meneer Poe, een vriend van de familie die bij een bank werkte en altijd verkouden was. Hij was belast met de zorg voor de kinderen, dus hij was het die besliste dat de kinderen na hun slechte ervaringen met graaf Olaf onder de hoede van een ver familielid op het platteland zouden worden geplaatst.
11
‘Het spijt me als jullie niet prettig zitten daar achterin,’ zei meneer Poe hoestend in een witte zakdoek, ‘maar er passen niet veel mensen in mijn nieuwe auto. We konden er niet eens jullie koffertjes in krijgen, dus kom ik over een week of wat terug om ze te brengen.’ ‘Dank u wel’, zei Violet, die met veertien jaar de oudste van de kinderen was. Iedereen die Violet goed kende kon zien dat ze eigenlijk niet met haar gedachten bij meneer Poe was, want haar lange haar was bijeengebonden met een lint om het uit haar ogen te houden. Violet was uitvinder, en wanneer ze een uitvinding bedacht, bond ze haar haren in een paardenstaart. Daardoor kon ze helderder nadenken over de verschillende tandwiel en, draden en touwen die aan haar meeste uitvindingen te pas kwamen. ‘Na zo lang in de stad gewoond te hebben,’ vervolgde meneer Poe, ‘denk ik dat het platteland een welkome verandering voor jullie zal zijn. Aha, hier is de afslag. We zijn er bijna.’ ‘Mooi’, zei Claus zachtjes. Net als veel andere mensen verveelde Claus zich dood tijdens auto ritten. Hij vond het jammer dat hij geen boek bij
12
zich had. Claus was dol op lezen en op de leeftijd van twaalf jaar had hij al meer boeken gelezen dan veel mensen in hun hele leven. Soms las hij tot diep in de nacht en werd hij ’s morgens wakker met een boek in zijn hand en zijn bril nog op zijn neus. ‘Ik denk dat jullie dr. Montgomery ook aardig zullen vinden’, zei meneer Poe. ‘Hij heeft veel gereisd, dus heeft hij veel verhalen te vertellen. Ik heb gehoord dat zijn huis vol staat met dingen die hij heeft meegebracht uit alle landen waar hij geweest is.’ ‘Bax!’ krijste Roosje plotseling. Roosje, de jongste van de Baudelaire-wezen, praatte vaak op die manier, zoals kleine kinderen nu eenmaal doen. Behalve overal op bijten met haar vier vlijmscherpe tanden, deed ze meestal zelfs niet veel anders dan praten in lettergrepen. Het was vaak moeilijk uit te maken wat ze bedoelde. Op dit ogenblik bedoelde ze waarschijnlijk zoiets als: ‘Ik ben een beetje zenuwachtig voor de kennismaking met een nieuw familielid.’ Alle drie de kinderen waren dat. ‘Hoe is dr. Montgomery familie van ons?’ vroeg Claus. ‘Dr. Montgomery is… eens even kijken… de broer van de vrouw van de neef van je overleden
13
vader. Ik geloof dat het zo in elkaar zit. Hij is een soort geleerde en krijgt een hoop geld van de regering.’ Als bankier was meneer Poe altijd geïnteresseerd in geld. ‘Hoe moeten we hem noemen?’ vroeg Claus. ‘Jullie moeten hem dr. Montgomery noemen’, antwoordde meneer Poe. ‘Tenzij hij jullie vraagt hem Montgomery te noemen. Zijn voornaam is namelijk ook Montgomery, net als zijn achternaam, dus dat maakt eigenlijk niet veel uit.’ ‘Heet hij Montgomery Montgomery?’ zei Claus lachend. ‘Ja, en ik weet zeker dat hij heel gevoelig is op dat punt, dus moet je daar niet de draak mee steken’, zei meneer Poe, die opnieuw in zijn zakdoek hoestte. ‘Ergens de draak mee steken betekent: het belachelijk maken.’ Claus zuchtte. ‘Ik weet heus wel wat “ergens de draak mee steken” betekent’, zei hij. Hij zei er niet bij dat hij natuurlijk ook best wist dat hij mensen niet met hun naam mocht pesten. Omdat de weeskinderen zo weinig geluk hadden, dachten mensen soms dat ze ook weinig hersens hadden.
14
Violet zuchtte ook en trok het lint uit haar haren. Ze had iets proberen uit te vinden om te voor komen dat de mierikswortelstank in je neus kwam, maar ze was te zenuwachtig over de ontmoeting met dr. Montgomery om zich te kunnen concentreren. ‘Weet u welke tak van de wetenschap dr. Montgomery beoefent?’ vroeg ze. Ze hoopte dat dr. Montgomery over een laboratorium zou beschikken waar zij iets aan kon hebben. ‘Nee, dat weet ik niet’, bekende meneer Poe. ‘Ik heb het zo druk gehad met alles voor jullie regelen dat ik geen tijd had voor kletspraatjes. O, daar is de oprit. We zijn er.’ Meneer Poe reed een steil grindpad op in de richting van een reusachtig groot stenen huis. Het huis had een vierkante voordeur van donker hout en een aantal pilaren markeerde de entree. Aan weerszijden van de deur zaten lampen in de vorm van fakkels die helder brandden, ook al was het ochtend. Boven de voordeur zaten rijen en rijen vierkante ramen waarvan de meeste openstonden om de bries binnen te laten. Maar voor het huis was iets echt bijzonders te zien: een uitgestrekt en goed onderhouden gazon met lange smalle
15
struiken in merkwaardige vormen. Toen meneer Poe’s auto stilstond, zagen de Baudelaires dat de struiken zo geknipt waren dat ze op slangen leken. Elke heg was een ander soort slang, sommige waren lang, andere kort, sommige hadden uitgestoken tongen en andere hadden hun bek open zodat je griezelige groene tanden kon zien. Ze waren behoorlijk spookachtig en Violet, Claus en Roosje aarzelden een beetje toen ze erlangs moesten lopen op weg naar het huis. Meneer Poe, die vooropliep, leek de heggen niet eens te zien, misschien omdat hij het te druk had met aanwijzingen geven aan de kinderen over hoe ze zich moesten gedragen. ‘Denk erom, Claus, niet meteen te veel vragen stellen. Violet, waar is dat lint in je haar gebleven? Ik vond dat je er heel netjes mee uitzag. En kan iemand er alsjeblieft op letten dat Roosje dr. Montgomery niet bijt? Dat zou geen beste eerste indruk geven.’ Meneer Poe ging de trede op naar de deur en trok aan de bel, een van de luidste bellen die de kinderen ooit hadden gehoord. Even later hoorden ze voetstappen dichterbij komen. Violet, Claus en Roosje keken elkaar aan. Ze konden natuurlijk
16
niet weten dat hun ongelukkige familie binnenkort nieuwe ellende te wachten stond, maar ze voelden zich toch niet op hun gemak. Zou dr. Montgomery een aardige man zijn, vroegen ze zich af. Zou hij beter zijn dan graaf Olaf? Zou hij zelfs nog slechter kunnen zijn? De deur ging langzaam krakend open. De Baudelaire-wezen hielden hun adem in en tuurden door de donkere deuropening. Ze zagen een donkerrood tapijt op de vloer. Ze zagen een glas-in-loodlamp aan het plafond bengelen. Ze zagen een groot olieverfschilderij van twee ineengestrengelde slangen aan de muur hangen. Maar waar was dr. Montgomery? ‘Hallo?’ riep meneer Poe. ‘Hallo?’ ‘Hallo hallo hallo!’ galmde een luide stem en vanachter de deur stapte een kleine mollige man met een rond rood gezicht tevoorschijn. ‘Ik ben jullie oom Monty en jullie komen precies op tijd! Mijn kokosroomtaart is net klaar!’
17