Skip to main content

9789401444347

Page 1

Taalontwikkelingsstoornissen in de klas


De stille wereld Onwrikbaar, dik en solide als een oud gewelf Een sta in de weg, voor anderen, voor mezelf Zorgvuldig opgezet en in een vakkundige bouw Een muur die me beschermt, die ik volledig vertrouw Steen voor steen nauwkeurig gemetseld in mijn geest Bescherming voor een plek waar alleen ik ben geweest Een veilige haven voor momenten van serene rust Helemaal in mezelf verzonken, intens gefocust Soms kan er een steen, een deel worden gesloopt Een stukje verdediging afgebroken dat was opgehoopt Mijn vertrouwde stille wereld die zoekt naar de deur Maar het meestal moet doen met een kleine scheur Terloops een kort gesprek, onverwachts en spontaan Opeens in de open wereld, onbedoeld, ik voel me staan Niet wetend wat er wordt verwacht en hoe ik wat zeg Woorden die in puzzels verdwijnen die ik niet meer leg Broos vertrouwen in een moment van spanning voorbij Die woorden die ik sprak, waren die echt van mij? Laat maar, het echoot nog na achter die veilige muur De kleine scheur in mijn stille wereld was van korte duur Nu zit ik er weer, alleen in stilte tussen iedereen in de klas Zoveel weten, willen zeggen, kunnen zeggen, ik pas Ik bewaar het wel voor mezelf, voor later wellicht Wanneer ik mijn woorden kan schrijven in een gedicht M.


Bernadette Sanders

Taalontwikkelingsstoornissen in de klas praktische handelingsadviezen en tips


Downloads Bij dit boek horen materialen die te downloaden zijn. De uitgever geeft toestemming aan individuele kopers van Taalontwikkelingsstoornissen in de klas; Praktische handelingsadviezen en tips om deze materialen te downloaden en te gebruiken. Deze materialen zijn slechts bedoeld voor eigen gebruik en mogen niet worden doorgestuurd of verder worden verspreid. Ga naar www.lannoocampus.nl en typ ‘taalontwikkelingsstoornissen in de klas’ in bij ‘zoeken’. U vindt de hand-outs links op de pagina, direct onder de technische gegevens. Het wachtwoord om te downloaden is TAAL3ONT4WIKKELING.

D/2017/45/290 – 978 94 014 4434 7 – nur 840 Vormgeving omslag: Mieke Verloigne, Studio Lannoo, Tielt Foto omslag: Shutterstock.com Vormgeving binnenwerk: Lettie Egberts, Scriptura, Westbroek © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2017 Dit boek is een uitgave van Uitgeverij LannooCampus (Houten). LannooCampus maakt deel uit van Uitgeverij Lannoo nv. De foto’s in en op dit boek worden alleen gebruikt voor illustratieve doeleinden en hebben geen relatie met de werkelijkheid. Ieder persoon die afgebeeld wordt, is een model. Alle rechten voorbehouden. Behoudens de uitdrukkelijk bij de wet bepaalde uitzonderingen mag niets van deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Uitgeverij LannooCampus p/a Papiermolen 14-24 3994 DK Houten (Nederland) Postbus 97 3990 DB Houten (Nederland) www.lannoocampus.nl


Inhoud Voorwoord Peter Mol  7 Inleiding  9 Deel I Achtergrond en theorie  15 1 Wat is TOS?  17 1.1 Een ‘beknopte’ definitie  17 1.2 Een hardnekkige en onzichtbare handicap  20 1.3 De invloed van TOS op de wereld van het kind  22 2 Het spraak-taalsysteem  25 2.1 Inleiding  25 2.2 De taaldomeinen  27 2.3 De communicatieve redzaamheid  35 Deel II Observeren en interpreteren van gedrag  41 3 TOS in relatie tot gedrag  43 3.1 Inleiding  43 3.2 De sociaal-emotionele ontwikkeling  46 3.3 Motivatie  48 3.4 Sociaal onhandig  54 3.5 Innerlijke taal  57 3.6 Taalbegrip en woordenschat in relatie tot gedrag en leren  60 3.7 Een taalontwikkelingsstoornis in relatie tot gedrag en de executieve functies  65 3.8 Samenhang tussen taal, taalbegrip en de executieve functies  68 4 Ongewenst gedrag vertalen naar een hulpvraag  81 4.1 Onderwijs afstemmen op de behoefte van de leerling  81 4.2 Observeren van gedrag  82 4.3 De hulpvraag van de leerling met TOS  87

I nhoud  5


5 De gevolgen van TOS  93 5.1 Inleiding  93 5.2 Het belang van een vroege signalering  93 5.3 De jongere en TOS  101 Deel III Aandachtspunten en praktische tips in de klas  105 6. TOS op school  107 6.1 Inleiding  107 6.2 Een taalontwikkelingsstoornis op de basisschool  110 6.3 Meertaligheid en TOS  111 6.4 Zelfvertrouwen op de basisschool  112 6.5 Spraak-taalontwikkeling en leren lezen  115 6.6 Een taalontwikkelingsstoornis op het voortgezet onderwijs  118 7. Tips en handvatten voor in de klas  125 7.1 Tips voor het onderwijs in het algemeen  125 7.2 Aandacht voor de sociaal-emotionele ontwikkeling  156 7.3 TOS op de basisschool  174 7.4 TOS op het voortgezet onderwijs en mbo  191 Deel IV Invloed van TOS op school en toekomst  209 8. Jongeren met TOS aan het woord  211 Deel V Bronnen  227 Literatuur en artikelen  229 Handige websites  233 Tips voor materialen  237 Dankwoord  238

6

ta al on t wikkel ingss t o or nissen in de kl a s


Voorwoord In de praktijk lijkt passend onderwijs een synoniem voor ‘leerlingen in de klas waar je last van hebt’, leerlingen met leer- en gedragsproblemen. Opvallend gedrag raakt de emotie van de leraar, anders dan bij andere ondersteuningsbehoeften van leerlingen. Opvallend ongewenst gedrag lokt een reactie uit bij de leraar, gericht op het veranderen van dat gedrag. Voorkomen van dat gedrag en het zoeken naar het ‘waarom’ is vaak effectiever omdat het de oorzaak van dat gedrag blootlegt. Hoewel taalontwikkelingsstoornissen (TOS) vaker voorkomen dan bijvoorbeeld autisme wordt dit nog veel te weinig gezien als oorzaak van opvallend gedrag. Vanuit theoretische beschouwingen geeft Bernadette Sanders in dit boek veel praktische tips om TOS te vermoeden of te ontdekken. Ze geeft zeer veel aanwijzingen om ongewenst gedrag te voorkomen door de leerling met de taalproblemen te begrijpen en te ondersteunen. Juist de verbinding tussen theorie, observatie, en ondersteuning, maakt dit boek een zeer waardevolle bijdrage in de literatuur over passend onderwijs. Een stotterende leerling of een leerling die opvallend praat valt op. Maar een leerling die vanuit frustratie vanwege zijn ontwikkelingsstoornis voor de leraar negatief gedrag vertoont, wordt niet zonder gericht observeren beschouwd als een kind dat hulp nodig heeft. Maar ook bij leerlingen die samenwerken vermijden of ondanks een gemiddelde aanleg onderpresteren, kan het onvermogen om gesproken taal goed te begrijpen of informatie te ordenen snel over het hoofd gezien worden. Mensen in de onderwijspraktijk zitten te wachten op dit soort boeken: door de vele herkenbare voorbeelden zullen leraren bepaald gedrag herkennen en verder kunnen kijken naar oorzaken van en achter dat (on)opvallende gedrag. De opbouw van dit boek leidt de leraar stap voor stap naar inzicht in de eigen mogelijkheden om in de klas leerlingen met TOS te ontdekken en heel praktisch te ondersteunen. Bernadette Sanders maakt heel duidelijk dat TOS heel iets anders is dan ‘moeite met taal’. Het grijpt ernstig in, in de ontwikkeling van leerlingen en een vroege ontdekking, interventie, en ondersteuning kunnen de ontwikkeling van een leerling gunstig beïnvloeden. Dát is passend onderwijs: zo vroeg mogelijk ontdekken wat leerlingen nodig hebben om te voorkomen dat de ontwikkeling negatief beïnvloed wordt door onvermogen. De kracht van dit boek is ook dat er niet alleen aparte individuele programma’s worden aangeraden, maar dat er suggesties worden gegeven die heel goed toepasbaar zijn voor de gehele groep. De leerling met TOS wordt hierdoor niet ‘apart’ gezet, maar heeft nog meer dan de andere leerlingen baat bij ‘passend onderwijzen’, het vakmanschap van de leraar. Voorwoord   7


Ik raad boeken in deze categorie ten zeerste aan voor leraren in het basisonderwijs, het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs. Dit boek gaat over een relatief onbekende stoornis, waarbij het pedagogisch vakmanschap van de leraar een heel groot verschil kan maken voor het welzijn van leerlingen. Het vraagt van de leraar enige kennis, maar vooral de wil om vanuit deze kennis te handelen. Het vraagt geen tijdrovende interventies, maar de overtuiging dat de leraar het verschil echt kan maken, door de opbouw van de les en het verder kijken dan het gedrag van de leerling. Drs. Peter Mol, najaar 2017

8

ta al on t wikkel ingss t o or nissen in de kl a s


Inleiding Het feit dat je dit boek oppakt geeft aan dat je de eerste tip die in dit boek genoemd wordt al uitvoert en is meteen ook de belangrijkste tip. Ergens ‘kennis van nemen’ is zoveel meer dan alleen het dossier van de leerling bekijken en een warme overdracht tussen leerkrachten aan het einde van het schooljaar. Het is belangrijk dat je je inleest over de problematiek die je in je klas tegenkomt. Handelen zonder dat duidelijk is wat de onderliggende oorzaak van opvallend gedrag is, is onverstandig. Je leest dit boek en je bent zodoende op weg om je te verdiepen in de problematiek van TOS (taalontwikkelingsstoornissen). Wanneer je de problematiek van een leerling met TOS echt leert kennen en wanneer je weet waar deze kinderen in de dagelijkse praktijk, bij jou in de klas, tegenaan lopen, pas dan zul je weten wat ze echt nodig hebben van jou als ondersteunende professional in de klas. Als je bekend bent met de mogelijke uitingsvormen of gevolgen van communicatieproblemen, kun je de leerling helpen en ondersteunen.

Voor wie is dit boek? De wet op passend onderwijs legt een zorgplicht bij scholen en dit betekent dat er zorg en een passend onderwijsaanbod moet zijn voor elke leerling die extra ondersteuning nodig heeft, oftewel de leerlingen met een speciale hulpvraag. Deze leerlingen hebben recht op een goede onderwijsplek. Met passend onderwijs wordt geïnvesteerd in opbrengstgericht werken voor alle leerlingen, zoals staat aangegeven op de website van Passendonderwijs.nl. ‘Speciaal waar het moet en gewoon waar het kan’ is een bekende slogan die veel scholen hanteren. Dit betekent niet dat er geen aandacht is voor de werkdruk en de vele hulpvragen in de klas. De realiteit met volle klassen en de vele hulpvragen laat vaak zien dat niet alleen de leerling overvraagd wordt, maar ook de onderwijsgevende die voor de groep staat. Profiteer van de informatie, leer TOS kennen en kijk wat voor jou in jouw situatie mogelijk is. Het boek is met zijn titel vooral gericht op de onderwijsprofessional die voor de klas staat. Wat heeft de leerling met TOS in de klas nodig? Wat kan ik deze leerling bieden in de klas zodat ook deze leerling succeservaringen ondervindt en optimaal van het onderwijsaanbod kan profiteren? Daarnaast hoop ik met dit boek ook de begeleiders, remedial teachers, zorgcoördinatoren en andere onderwijsprofessionals op de scholen handvatten te geven in de begeleiding en ondersteuning aan de leraar en aan de leerling met TOS.

I nleiding  9


Achtergrond en theorie Waar loopt een leerling met TOS in de dagelijkse praktijk in de klas tegenaan? Als je voldoende kennis hebt van de belemmerende factoren, kun je de leerling beter ondersteunen bij het bieden van handvatten en ondersteunende strategieĂŤn. Daarom zijn er in dit boek niet alleen tips opgenomen, maar ook achtergrondinformatie en kenmerken van de TOS-problematiek. Een literatuurlijst mag dan ook niet ontbreken. Neem vooral de tijd om de theorie achter TOS te ontdekken. De hulpvraag van het kind herken je wanneer je genoeg kennis opgedaan hebt over de problematiek en de achtergrond van het kind. Naast de kennis van de problematiek is kennis van alle omgevingsfactoren van groot belang. Niet elke leerling met een taalontwikkelingsstoornis heeft en ervaart dezelfde TOSproblematiek. Hiermee wil ik aangeven dat niet elke leerling dezelfde ‘kenmerken’ heeft van de problematiek die de naam TOS heeft. Hoofdstuk 1 geeft een beknopte uitleg over wat TOS nu eigenlijk is. Wanneer wij de problematiek van een bepaalde belemmering herkennen, en de context ervan begrijpen, zijn wij ook beter in staat tot het bieden van de juiste hulp. Een juiste diagnostiek leidt dan ook vaak tot begrip en acceptatie van het gedrag dat wordt gesignaleerd, zodat het kind met de juiste hulp zich optimaal kan ontwikkelen op school. De leerling met een taalontwikkelingsstoornis kan op verschillende taaldomeinen problemen ondervinden. Er wordt gesproken van TOS als de spraakvaardigheid en/of de taalvaardigheid zich niet voldoende ontwikkelt en er geen aantoonbare verklaring voor is. Deze kennis is van belang voor de juiste interventie en zal ik in hoofdstuk 2 verklaren en uitleggen.

Observeren en interpreteren van gedrag Dit boek zal vooral gericht zijn op de problemen met de taalontwikkeling, problemen met de spraakontwikkeling betreffen vaak de problemen die leerlingen ondervinden bij de controle over tong- lip- en gehemeltespieren. Ook het niet of nauwelijks kunnen nazeggen van klanken en de verschillen tussen klanken onvoldoende waarnemen, veroorzaakt problemen op het gebied van de spraakontwikkeling. Bij deze leerlingen zien wij vaak minder problemen met het taalbegrip, maar wel met de spraak zoals articulatie. De gevolgen in de klas van spraakproblemen zullen zeker aan de orde komen in dit boek, praktische tips en oefeningen gericht op de mondmotoriek behandel ik in dit boek niet omdat dit specifieke logopedische kennis vraagt. Bij leerlingen met spraak-taalproblemen verloopt het contact met anderen erg moeizaam. Jonge kinderen op de basisschool en leerlingen in het voortgezet onderwijs voelen zich hierdoor onbegrepen en missen aansluiting met andere leerlingen.

10

ta al on t wikkel ingss t o or nissen in de kl a s


Dit is van grote invloed op de sociaal-emotionele ontwikkeling van de leerling, waardoor het kind makkelijk geïsoleerd kan raken. Het gevolg kan ongewenst gedrag zijn en het is aan ons om dit gedrag te vertalen naar een hulpvraag. Wat zijn de hulpvragen achter het gedrag van leerlingen met een taalontwikkelingsstoornis dat wij als ‘ongewenst’ bestempelen? Hierover vertel ik meer in de hoofdstukken 3 en 4. Het niet goed op gang komen van de spraak-taalontwikkeling is van invloed op de algehele ontwikkeling van een kind. Wanneer kinderen al heel jong onvoldoende duidelijk kunnen maken wat zij willen of bedoelen, en als zij hun omgeving niet goed begrijpen, is dit zeker van invloed op het leren en op het gedrag. Het belang van een vroege signalering komt dan ook uitgebreid aan bod in hoofdstuk 5. Veel van de problemen, zoals de gedrags- en leerproblemen die wij in de klas signaleren bij een taalontwikkelingsstoornis kunnen door een vroege signalering voorkomen worden. Hoe en wat te signaleren lees je in dit hoofdstuk en vind je terug in de downloads op de bijbehorende website van dit boek: www.lannoocampus.nl.

Aandachtspunten en praktische tips voor in de klas De hulpvraag van een leerling met TOS bespreek ik in hoofdstuk 6 en dit betreft de hulpvraag die wij signaleren in de klas, zowel op de basisschool als in het voortgezet onderwijs en het mbo. Wat betekent een cluster 2-arrangement en wat ervaren leerlingen met een TOS-indicatie in het reguliere onderwijs? Wat zijn de veranderingen bij de overstap van een cluster 2-basisschool naar het reguliere voortgezet onderwijs? Of van een veilige basisschoolsetting waar iedereen je kent en je begrijpt naar een, over het algemeen, grotere school voor het voortgezet onderwijs, waar alles nieuw is, en nog taliger? In hoofdstuk 7 komen de praktische tips aan bod voor in de klas. De tips in dit boek kun je niet veralgemeniseren aangezien niet elk kind met TOS dezelfde hulpvragen heeft. Daarom is het van belang dat je erachter komt wat de hulpvragen zijn van de leerling in jouw klas. Bewust schrijf ik ‘hulpvragen’, want de leerling heeft hulpvragen waarbij jij als onderwijsprofessional in de klas direct en indirect kunt helpen. Het gedrag van de leerling is dan ook over het algemeen de hulpvraag. In het boek zal dan ook het (ongewenste) internaliserende en externaliserende gedrag van het kind besproken worden. Ook besteed ik aandacht aan hoe je de hulpvraag helder krijgt van het kind. Het vraagt van jou als leerkracht een vaardigheid waar je tijd in zult moeten steken en waarbij er vooral goed geobserveerd zal moeten worden, in de klas, maar ook op het plein en in de gymzaal. Wanneer er een interventie wordt ingezet die niet bij het kind past, zal het ook niet werken en zal er zowel voor het

I nleiding  11


kind als voor de leerkracht geen succeservaring zijn, en een succeservaring is nodig voor groei. Groei op communicatief gebied, sociaal-emotioneel gebied en met betrekking tot het leren.

Invloed van TOS op school en op de toekomst Dit boek over TOS is gebaseerd op de theoretische achtergronden over TOS en de ervaringen die zijn opgedaan in de praktijk als ambulant dienstverlener voor cluster 2. Een belangrijke aanvulling in het boek zijn de ervaringen van de leerlingen met TOS die zij op hun eigen manier verwoorden. Zij weten als geen ander wat de problematiek betekent in het dagelijks leven en welke invloed dit heeft op hun dromen, wensen en hun toekomst. Om de problematiek voor de lezer inzichtelijk te maken is het belangrijk om deze leerlingen aan het woord te laten, zij zijn de ervaringsdeskundigen. Enkele jongeren met TOS geven in hoofdstuk 8 een kijkje in hun leven. Zij beschrijven hoe zij hun schoolperiode hebben ervaren en welke wensen zij hebben voor de toekomst. Daarnaast geven zij vanuit hun ervaring tips en aandachtspunten voor leerlingen en leraren. Een zeer waardevol hoofdstuk wat zeker niet mocht ontbreken in dit boek. Het maakt de noodzaak van kennis, acceptatie en begrip van deze problematiek helder. Met het schrijven van dit boek hoop ik dat de leerlingen met een taalontwikkelingsstoornis ‘gezien’ worden. We spreken over één op de twintig leerlingen, maar ik kom op enorm grote scholen waar maar één of twee leerlingen de diagnose TOS hebben. Veel VO-scholen, maar ook leerkrachten op basisscholen kennen deze diagnose (nog) niet. Er is duidelijk een behoefte aan meer kennis. In het boek schrijf ik over het algemeen over ‘hij’, ‘ouders’ en over ‘de leerling’, waar je ook ‘zij’, ‘verzorgers’ en ‘het kind’ kunt lezen. Voor deze schrijfwijze is bewust gekozen om omslachtigheid tegen te gaan. Datzelfde geldt voor het feit dat ik eerder schrijf over ‘leerlingen’ dan over ‘kinderen’. Wanneer ik de nadruk wil leggen op het ‘jonge’ kind, schrijf ik ‘kinderen’, ook hier om omslachtigheid tegen te gaan. De uitgeschreven voorbeelden in het boek zijn gebruikt om de problematiek te ‘visualiseren’ en concreet te maken voor de lezer. Misschien denkt u bij het lezen ervan aan een leerling in de groep die mogelijk met deze problematiek worstelt. Het boek biedt u dan handvatten voor de begeleiding van deze leerling. De namen bij de voorbeelden zijn gefingeerd. Enkele voorbeelden zijn omschreven vanuit de praktijk, andere voorbeelden zijn fictief om de problematiek te verhelderen. Wat ik zeker niet wil met dit boek is het volgende ‘labeltje’ introduceren. Labeltjes horen in kleding en aan koffers. Persoonlijk vind ik het erg moeilijk dat bepaalde diagnoses als label worden gebruikt, bijvoorbeeld als er wordt gesproken over de

12

ta al on t wikkel ingss t o or nissen in de kl a s


ADHD’er, de Dyslect, de Autist, de TOS’ser, enzovoort. Het kind is niet zijn stoornis, maar een kind met een leer- of gedragsstoornis. Maar tijdens mijn gesprekken met de jongeren met TOS, de ervaringsdeskundigen op het gebied van TOS, bleek dat zij zelf vaak spreken over ‘de TOS’ser’, en dat zij dit een mooie naam vinden. Hieruit blijkt maar weer dat wij misschien te beschermend zijn naar leerlingen met een belemmering. Misschien moeten we ons eerst afvragen hoe leerlingen dit zelf ervaren. In dit boek zal ik niet over de ‘TOS’ser’ schrijven, maar over de leerling met een taalontwikkelingsstoornis, oftewel over de leerling met TOS. Maar aan de andere kant is benoemen belangrijk. Wanneer we de problematiek van een bepaalde belemmering herkennen, en de context ervan begrijpen, zijn we beter in staat tot het bieden van de juiste hulp. Een goede diagnose leidt dan ook vaak tot begrip en acceptatie van gedrag. Daardoor krijgt het kind de juiste hulp, en kan hij zich dankzij acceptatie en begrip van zijn omgeving, optimaal ontwikkelen op school.

I nleiding  13


Deel I

Achtergrond en theorie


1 Wat is TOS? 1.1  Een ‘beknopte’ definitie ‘Ik ben altijd vrolijk als iets gezelligs is Eh ... eh ... eh … als aardige dingen ook gebeurt … vandaag eh … Die vrolijk dingen … dus … die dag was vrolijk … Enne … ja dat was het.’ (jongen, 13 jaar, praktijkonderwijs) Een taalontwikkelingsstoornis is geen ‘modern’ probleem in de klas Er zijn verschillende boeken geschreven over TOS, taalontwikkelingsstoornissen, maar er zijn lang niet zoveel boeken over deze problematiek te vinden als over ADHD, autisme, dyslexie, enzovoort. Toch betreft het hier een grote groep leerlingen in het onderwijs. Veelal worden leerlingen niet herkend als leerlingen met een TOS en in de praktijk blijkt dat de term relatief onbekend is. Dit zou het idee kunnen geven dat deze problematiek minder of niet voorkomt in de klas, maar niets is minder waar. Uit onderzoek is gebleken dat er gemiddeld één à twee kinderen in de klas ADHD hebben. Wij spreken van prevalentiecijfers wanneer de aanwezigheid van de problematiek na onderzoek wordt uitgedrukt in percentages. Hoe vaak komt TOS voor in de klas? Uitgaande van de prevalentiecijfers zoals hieronder zijn weergegeven kunnen wij stellen dat er minstens zo veel kinderen zijn met een TOS als met ADHD. Volgens deze onderzoekscijfers zijn er minder kinderen met autisme dan met een TOS. In elke klas van dertig leerlingen zijn er ongeveer twee kinderen met een TOS. De prevalentiecijfers zijn als volgt (Gerrits, 2014): Prevalentie TOS: 7% Prevalentie ADHD: 5% Prevalentie Autisme-spectrum-stoornis: 1%

(Tomblin e.a., 1997) (Bishop, 2010) (Bishop, 2010)

1 • Wat is TOS?  17


Doordat de stoornis nog altijd relatief onbekend is, is er ook nog te weinig onderzoek verricht naar oorzaken, gevolgen, diagnostiek en behandeling. Elke leraar heeft van ADHD of autisme gehoord, weet dat hij deze leerlingen in de klas heeft en heeft vermoedelijk literatuur gelezen, gericht op deze problematiek. Dat men zich in deze ‘bekende’ problematiek verdiept, heeft meestal te maken met het gedrag dat men in de klas signaleert en waarbij men handvatten wil. Wanneer het de communicatieve redzaamheid en het gedrag betreft hebben ADHD, autisme en TOS onderling veel gemeen. De overeenkomsten komen in dit boek aan de orde. Er zijn echter ook verschillen en om juist te handelen in de klas is kennis van TOS, als relatief onbekende stoornis, van belang. Er wordt veelal gedacht dat TOS te maken heeft met onvoldoende aanbod van de Nederlandse taal, oftewel een verwaarlozing van het taalaanbod. We spreken in het geval van verwaarlozing van het taalaanbod over een taalontwikkelingsprobleem of taalontwikkelingsachterstand en niet van een stoornis. Vaak ook wordt er gedacht dat een TOS vanzelf weer overgaat, of dat ze ‘eroverheen groeien’. Een taalontwikkelingsachterstand kan ingelopen worden met veel extra hulp en aandacht, maar een taalontwikkelingsstoornis zal de leerling altijd parten spelen in zijn leven. Een leerling kan groeien in zijn ontwikkeling en met de juiste aandacht en hulp zal een TOS mogelijk minder impact hebben op het dagelijks functioneren, maar een stoornis gaat niet over. Dit boek is bedoeld om leraren handvatten te geven in de klas. Het onzichtbare probleem wordt zichtbaar gemaakt en naast een praktische uitleg is dit boek bedoeld om tips en strategieën te geven aan de man of vrouw voor de klas. Er bestaan verschillende definities van TOS. Ik beperk me tot een tweetal definities. De meest algemene en meest beknopte definitie van TOS is: ‘Een TOS wordt gedefinieerd als een beperking in taalbegrip en/of taalproductie waarbij de taalproblemen niet kunnen worden verklaard door aantoonbaar hersenletsel, intelligentieproblemen, gehoorverlies, lichamelijke problemen of sociaal-emotionele problemen.’ (Kamphuis & Hermsen, 2015) Gerrits en Van Niel (2012) geven de volgende definitie: ‘Een specifieke TOS staat op zichzelf; er is geen duidelijke verklaring voor. Het kind heeft geen gehoorproblemen, geen lage non-verbale intelligentie, geen afwijking aan de spraakorganen, geen duidelijk aanwijsbare neurologische afwijking en geen contactstoornis en staat niet bloot aan extreme deprivatie of andere ongunstige taalaanbodsituaties.’

18

ta al on t wikkel ingss t o or nissen in de kl a s


Tijdens het TOS-congres in mei 2017 opende Ellen Gerrits met een definitie van eigen hand: ‘Kinderen met TOS zijn slimme kinderen die moeite hebben met praten en vertellen, en met het begrijpen van wat anderen zeggen.’ De basisindeling van alle taalontwikkelingsstoornissen is: een specifieke groep (STOS) en een niet-specifieke groep (TOS). Bij een specifieke groep staat de TOS op de voorgrond, je kunt zoals de exclusie-definitie aangeeft, geen heel duidelijke oorzaak vinden. In de praktijk zien wij dat het woord ‘specifiek’ vaak weggelaten wordt en schrijft men TOS, maar we bedoelen dan in feite ‘een specifieke TOS’. Bij nietspecifieke taalontwikkelingsstoornissen zien we dat de taalontwikkeling vertraagd of afwijkend verloopt als gevolg van, of in combinatie met, een ander probleem, zoals een auditieve beperking, moeite met de contactname, een andere ontwikkelingsstoornis of een verstandelijke beperking. De aanpak bij TOS zal met name gericht zijn op de problematiek die het meest op de voorgrond staat. De grenzen tussen een specifieke en niet-specifieke TOS zijn niet altijd even scherp, want zowel een specifieke als een niet-specifieke taalontwikkelingsstoornis komt in de praktijk voor in combinatie met andere stoornissen, zoals ADHD, autisme en dyslexie. Wij spreken dan van een comorbiditeit. Taalverwerving is een proces dat bijna automatisch en onbewust verloopt en hierbij is een taalrijke omgeving zeker van invloed op de taalontwikkeling, maar niet van invloed op het wel of niet ontstaan van een taalstoornis. Over het algemeen leert elk kind taal grotendeels spelenderwijs, op een impliciete manier vanuit een aangeboren taalvermogen en daarnaast leert het kind taal door de omgeving om zich heen en door interactie met de omgeving. Dit start vanaf dag één na de geboorte. Bij kinderen met een TOS is dit aangeboren taalvermogen onvoldoende aanwezig en zijn zij aangewezen op een nog meer expliciet taalaanbod. Een taalontwikkelingsstoornis kan voorkomen in zowel het taalbegrip als de taalproductie en in alle taaldomeinen (taalvorm, taalinhoud en taalgebruik) en in gesproken taal, gebarentaal en geschreven taal). Leerlingen met een TOS ervaren op het gebied van taal verschillende problemen. Je moet ze blijven volgen op het gebied van de taalontwikkeling en hun communicatieve redzaamheid goed in kaart brengen. Taal is dynamisch, kinderen ontwikkelen zich, daarom is het ook een ‘ontwikkelings-stoornis’. Ze gaan langzaam vooruit, maar als je de leerling goed volgt in zijn ontwikkeling kan hij er met de juiste begeleiding ook vooruitgang in boeken. Daarnaast kan de mate van de communicatie-

1 • Wat is TOS?  19


problemen door de jaren heen wisselen. Zo kan de leerling in een periode op de basisschool op het gebied van communicatie vooruitgang laten zien, maar kunnen in de puberteit weer grote problemen op het gebied van communicatie het schoolsucces in de weg staan. Annette Scheper en Ellen Burger geven in het boek Kinderen met specifieke taalstoornissen (2013) aan dat taal een directe communicatie tussen mensen mogelijk maakt en daarin omschrijven zij vijf functies van taal: –– Het creëren van sociale verbondenheid. –– Het uiten en begrijpen van emoties, behoeften en ideeën. –– Het sturen en het organiseren van het denken. –– Het verwerven van kennis en informatie die in de maatschappij aanwezig is en hiervoor is een goede leesvaardigheid en leesbegrip een voorwaarde. –– Het gebruiken van taal als markering van culturele identiteit, via de moedertaal voelt men zich verbonden met zijn etnische groep of taalgroep. Een taalontwikkelingsstoornis belemmert een kind al heel jong in zijn deelname aan zijn directe omgeving en in zijn (leer)ontwikkeling. Bovenstaande functies geven aan hoe deze ontwikkeling en participatie beïnvloed worden wanneer er sprake is van een TOS. Niet alleen op school en thuis wordt deze leerling belemmerd in zijn algemene groei, in de participatie met anderen en op sociaal-emotioneel gebied, maar ook in zijn succesvolle deelname aan de maatschappij en in zijn mogelijkheden tot het verwerven van kennis. Het betreft niet alleen het communiceren, maar ook de denkontwikkeling en het handelen tijdens de dagelijkse activiteiten die wij als vanzelfsprekend ervaren. Het taal-denken, het leggen van verbanden, het begrijpen van situaties, problemen oplossen en het abstracte denken worden aangestuurd door innerlijke taal. Een TOS grijpt diep in op de ontwikkeling van een kind, wanneer deze niet vroegtijdig ontdekt wordt en wanneer er geen ondersteuning wordt geboden.

1.2  Een hardnekkige en onzichtbare handicap Onderzoek naar de oorzaken voor het ontstaan van een taalontwikkelingsstoornis brengt twee belangrijke factoren naar voren, de genetische factoren en de neuroanatomische factoren. Gerrits en Van Niel (2012) geven aan dat TOS een neurobiologische ontwikkelingsstoornis is van genetische oorsprong. De genetische oorzaak van TOS is aangetoond in drie onderzoekslijnen: onderzoek naar families waarin TOS voorkomt, tweelingstudies en genetische studies. Uit studies naar families waar een taalontwikkelingsstoornis voorkomt, blijkt dat kinderen van een ouder met een TOS een hoger risico hebben op dezelfde stoornis dan andere kinderen. Het vaker voorkomen van een TOS in de familie is een belangrijke voorspeller. Het is nog niet precies duidelijk wat er mis gaat in het brein. Het is nog onbekend welk neurologisch probleem de symptomen van TOS veroorzaakt. Het uiteindelij-

20

ta al on t wikkel ingss t o or nissen in de kl a s


ke taalniveau van het kind wordt bepaald door een wisselwerking tussen de aanleg en de omgevingsfactoren. Zo kan een omgeving met een rijk taalaanbod en een vroege start van een taaltherapie een positieve bijdrage leveren aan de uiteindelijke taalvaardigheid van het kind met een TOS ( Gerrits e.a., 2017). Bij een TOS spreken wij van een hardnekkige en onzichtbare handicap die veel gevolgen kan hebben voor de algehele ontwikkeling van de leerling. Onvoldoende taalaanbod kan leiden tot een taalachterstand. Zoals eerder in dit hoofdstuk aangegeven: een taalachterstand is geen TOS. Een taalachterstand kan ontstaan als kinderen door verschillende omstandigheden te weinig taal aangeboden krijgen. Dit kan naast een taalarme thuissituatie ook komen door ziekte, gehoorproblemen of te weinig taalaanbod in de eerste levensjaren. Denk hierbij ook aan meertalige kinderen die in de eerste vier jaar thuisblijven en niet deelnemen aan een voorschoolse educatie. Kinderen met een TOS vertonen een taalontwikkelingsachterstand, maar kinderen met een taalontwikkelingsachterstand hebben niet allemaal een TOS. Het onderscheid is van belang voor de interventie en het bewaken en monitoren van de algehele ontwikkeling van het kind. Een kind met een TOS dat te weinig stappen of te kleine vorderingen in de taalontwikkeling maakt en zodoende veel problemen in de communicatie ondervindt, loopt op den duur tegen onmacht en frustratie aan, wat van invloed is op zijn sociaal-emotioneel welbevinden en gedrag. Signalering Een vroegtijdige signalering van een TOS is van groot belang (zie hoofdstuk 5). Hoe langer men wacht met een gerichte interventie, hoe groter de problemen worden, zeker op sociaal-emotioneel gebied. Om een spraak-taalstoornis tijdig te diagnosticeren is een uitgebreid onderzoek wenselijk en dit gebeurt over het algemeen op een audiologisch centrum. Het team van een audiologisch centrum bevat verschillende disciplines die bij een onderzoek betrokken worden. Bij dit onderzoek moeten verschillende aspecten onderzocht en in kaart gebracht worden. Er is een logopedist of linguïst die een uitgebreide logopedische screening uitvoert, een psycholoog of orthopedagoog die de algehele ontwikkeling in kaart brengt, zoals intelligentie, gedrag en de sociaal-emotionele ontwikkeling, en een audioloog die het gehoor bekijkt. Een onderzoek van het gehoor is wenselijk omdat gehoorverlies een oorzaak kan zijn van de spraak- of taalproblemen. Jonge kinderen kunnen door vocht achter het trommelvlies steeds terugkerende periodes hebben van gehoorverlies. Het spreekt voor zich dat dit vervolgens van invloed is op de spraak-taalontwikkeling en dat er dan een spraak-taalontwikkelingsachterstand kan ontstaan. De leraar is echter degene die het eerste vermoeden van een TOS heeft. Het is dus van belang dat leerkrachten op de hoogte zijn van de stoornis en de specifieke kenmerken.

1 • Wat is TOS?  21


Geen ‘moderne’ problematiek Een taalontwikkelingsstoornis is zeker geen ‘modern’ probleem in de klas. Er was vroeger geen naam voor. Taalproblemen zag men niet zo goed, maar wel spraakmoeilijkheden. Als je iets niet goed uitspreekt valt het iedereen op, als je moeite hebt met taal in je hoofd verwerken valt dat minder op. Je merkt het pas als iemand erg vaak naar woorden moet zoeken of spreekt in zinnen die niet kloppen. Leerlingen met een TOS kwamen vroeger vaak op scholen terecht voor moeilijk lerende kinderen (ZMLK), of op scholen voor moeilijk opvoedbare kinderen (ZMOK) door het gedrag uit onvermogen, wat je veel bij deze leerlingen ziet. De problematiek kwam meer onder de aandacht omdat er uitgebreid onderzoek werd verricht op het gebied van de taalontwikkeling en op het gebied van taalontwikkelingsstoornissen. Hierdoor groeide de kennis over de taalontwikkeling en over taalontwikkelingsstoornissen bij kinderen. Er waren verschillende benamingen voor deze stoornis zoals een taalachterstand, een dysfatische ontwikkeling en tot en met 2014 werd er gebruikgemaakt van de term ESM, oftewel ernstige spraak- en taalmoeilijkheden. In 2014 werd gekozen voor de afkorting TOS. Men hoopt met deze afkorting meer recht te doen aan de problematiek van mensen met een spraak-taalstoornis.

1.3  De invloed van TOS op de wereld van het kind Een taalontwikkelingsstoornis openbaart zich niet bij alle leerlingen op dezelfde manier en wordt zeker niet door elke leerling hetzelfde ervaren. De een ondervindt meer problemen dan de ander. De stoornis kan voor de ene leerling een erg hardnekkig probleem zijn, terwijl het bij een andere leerling in de loop der jaren beter gaat met het leren spreken en/of het beter begrijpen van taal, doordat er veel hulp geboden wordt en er veel geoefend wordt. Kinderen met een TOS hebben een taalachterstand en zij kunnen deze, ondanks de gerichte logopedische hulp en ondanks de extra aandacht en hulp op school, niet volledig inhalen. Wat deze leerlingen gemeen hebben is de ‘problematiek met betrekking tot de communicatieve redzaamheid’. Je communicatief kunnen redden, dat is zoveel meer dan alleen ‘kletsen’ met een klasgenoot want dat ‘kletsen’ op zich kan voor een leerling met een TOS al een groot probleem en een hindernis in de communicatie zijn. Communicatie is de basis voor ons functioneren. Onze communicatieve redzaamheid is ‘wie wij zijn’ op sociaal-emotioneel gebied, dus thuis, op school en in de maatschappij. Het is belangrijk dat wij deelgenoot kunnen zijn van gesprekken, dat wij gegeven informatie en instructie begrijpen en dat we ernaar kunnen handelen. Het is binnen de communicatie met anderen ook belangrijk dat wij emoties kunnen verwoorden en kunnen aanvoelen. Wanneer dit niet lukt dan ontstaat er naast onbegrip een gevoel van onvermogen, onmacht en frustratie. Deze gevoelens van onvermogen en frustratie ervaren leerlingen met een TOS zeker en dat grijpt in op hun algehele welbevinden.

22

ta al on t wikkel ingss t o or nissen in de kl a s


Taal is in de hele wereld om ons heen en is een voorwaarde voor ons handelen in het dagelijkse leven. Taal zit in ons handelen, ons denken, in leren en in onze communicatie met anderen. Taal hebben wij nodig voor contact, voor communicatie met anderen en het is een voorwaarde voor het leren in algemene zin. Bij kinderen zien wij het belang van taal in het samenspelen en samenwerken. Wanneer er sprake is van een beperking met betrekking tot taal dan heeft dit een grote invloed op het sociaal-emotioneel welbevinden en op het (dagelijkse) leren. Leerlingen met een TOS ervaren veel momenten van onvermogen betreffende de communicatie in de klas. In de klas kunnen wij bijvoorbeeld het volgende signaleren: –– Er is weinig initiatief tot spel en samenwerken. –– De leerling vindt het lastig om andere leerlingen goed te begrijpen en zelf goed begrepen te worden. –– ‘Alsof-spelletjes’ worden vaak niet goed begrepen. –– Onmacht en frustratie worden vaak geuit in gedrag. –– De leerling heeft moeite met het verwoorden van emoties. –– Het is vaak onmogelijk voor de leerling om zich verbaal weerbaar op te stellen. –– Het is lastig om een verhaal te volgen of de uitleg, door de vertraagde informatieverwerking. Er wordt zodoende veel van de informatie gemist en er wordt vaak te laat gereageerd. –– Er is meer tijd nodig om verbaal of non-verbaal te reageren op wat er gevraagd wordt. Internationaal wordt er gesproken over subtypen, oftewel een indeling van leerlingen met een bepaalde TOS-problematiek: –– Leerlingen met een bepaald productieprobleem maar een goed taalbegrip. –– Leerlingen die op beide gebieden problemen ervaren.

‘Al zit ik in een hele witte kamer, of zo, gewoon … alles is wit … concentreer ik mij gewoon. Ik raak het gewoon kwijt in mijn hoofd … Gewoon, ik ben iets aan het lezen, een klein tekstje, een stukje, en daarna ben ik het weer vergeten wat ik daarvoor heb gelezen in de eerste zin… als ik bij de laatste ben.’

Soms lijkt het taalbegrip goed, maar blijkt het taalbegrip als de leerling ouder wordt toch zwak. Dit komt mogelijk door de testen die gebruikt worden. Bij een aantal testen moet door de leerling gebruikgemaakt worden van de context en plaatjes, zoals bij de invulzinnen die oudere leerlingen moeten invullen. Hierdoor krijgt men geen zuiver beeld van het niveau van de leerling met betrekking tot tekstbe-

1 • Wat is TOS?  23


grip. Naarmate de leerlingen ouder worden, wordt er ook een groter beroep gedaan op hun woordenschat, vooral wat betreft de schooltaal die steeds abstracter en ook complexer wordt, en ook de vaktaal die leerlingen moeten beheersen tijdens de praktijkopdrachten. Leerlingen die problemen ondervinden met de productie van taal ĂŠn met het taalbegrip hebben een mindere prognose qua schoolsucces en successen in het volwassen leven zoals relaties en werk. Voor de leerling met een TOS is het van belang dat de leraar met name let op de communicatieve redzaamheid van de leerling. Het gaat bij een TOS niet alleen om de taalvaardigheid van de leerling, de hulpvraag bij TOS is veel breder en complexer. De ernst van een TOS wordt met name bepaald door hoe je taal toepast, of jij de ander begrijpt, hoe je je duidelijk kunt maken aan de ander en hoe de leerling zich redt tijdens het communiceren. Bij het indiceren van een TOS is de communicatieve redzaamheid van de leerling een belangrijk aandachtspunt. Bij de ernst van een TOS gaat het vooral ook over hoe de leerling kan participeren in de school, met vrienden en ook in de thuissituatie.

24

ta al on t wikkel ingss t o or nissen in de kl a s


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook