Skip to main content

9789401444262

Page 1

Hond in het huis vanWolf

Sylvia Vanden Heede Met illustraties van

Marije Tolman

www.lannoo.com

Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Vormgeving Studio Lannoo Š Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2017 D/2017/45/596 nur 287 isbn 978 94 014 4426 2 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


Hond in het huis vanWolf

Sylvia Vanden Heede Met illustraties van

Marije Tolman


Wolf gaat weg ‘Ik ben het bos beu!’ brult Wolf. ‘Ik ben de berg beu en het huis op de berg ook. Ik wil er eens uit! Ik ga weg! Ik ga op reis!’ Hond schrikt. ‘Waar ga je dan heen?’ vraagt hij. ‘En voor hoe lang?’ Wolf grijnst. ‘Voor heel lang’, zegt hij. ‘Heel, heel, heel lang. Ik ga naar zee. Want ik kan geen boom meer zien. Ik ben het bos toch zo beu, zo beu!’

7


Hond wil ook wel naar zee. Maar dat gaat niet. Want Hond waakt voor zijn baas. Dat is zijn taak. Kijk maar. Het staat op het bord op de deur:

‘Fijn voor jou, Wolf ’, zegt Hond dus maar. ‘Stuur je een kaart als je daar bent? Daar, aan zee? Een kaart voor Pup en mij?’ ‘Pup!’ brult Wolf. ‘Nooit en nooit en nooit! Wat dacht je dan? Ik haat dat beest. En naar jou stuur ik ook geen kaart, Hond. Daar heb ik geen zin in. Het wordt veel te leuk aan zee. Er valt een hoop te doen.

8


Er is een boel te zien. Voor een kaart maak ik echt geen tijd.’ Hond kijkt sip. Hij houdt van post. Maar hij snapt Wolf wel. Wolf leest niet en Wolf schrijft niet. Hoe stuur je dan een kaart? Dat kan hij niet eens! ‘Tot kijk dan maar’, zegt Hond. Hij steekt zijn poot op en zwaait. ‘Ho, wacht!’ zegt Wolf. ‘Jij past op mijn huis, hoor je? Jij bent mijn neef, dus dat doe je. Zorg dat Kat niet komt!’ ‘Maar…’ zegt Hond. ‘Niks maar’, gromt Wolf. ‘Doe wat ik zeg, of je dat nu wilt of niet. Slaap in mijn bed. Eet van mijn bord. Breng wel zelf je voer mee. Gauw, pak je tas en ga!’ Wolf grauwt en snauwt. Als hij maar niet bijt!

9


‘Maar… maar…’ zegt Hond weer. En hij wijst naar het bord op de deur. ‘Ha!’ lacht Wolf. ‘Ik weet wat daar staat. Al heb ik geen bril, ik lees het toch. Er staat: “Ik pas op het huis van Wolf.” Ja, dat staat er.’ En hij lacht nog meer. O, hij lacht zo hard! Zijn buik doet er pijn van. Hond wordt boos. Nu gromt hij ook. En hij snauwt: ‘Pas zelf op je huis, jij! Doe de deur op slot. Dan kan Kat er nooit in.’ Dat is waar. Maar Wolf zegt: ‘Er zit geen slot op het bos. En het bos is net zo goed van mij. Het bos en de berg en het huis op de berg. Ik wil niet dat Kat daar komt!

10


Dus hup Hond, schiet op. Ik heb geen eeuw de tijd.’ Hond schudt zijn kop. ‘Ik waak voor mijn baas’, zegt hij stug. O, wat wordt Wolf woest! ‘Je baas? En ik dan? Ik ben je neef!’ schreeuwt hij. ‘Een neef laat je toch niet in de steek? Of…’ Nu kijkt Wolf heel vals. ‘Of wil je dat ik Pup kwaad doe?’ grijnst hij. Het hart van Hond staat stil. Zo erg schrikt hij van wat Wolf zegt. Hond vond Pup eerst niet leuk. Maar nu wel. ‘Jij kunt Pup niks doen’, zegt hij stoer. ‘Jij bent straks toch aan zee?’ ‘Straks wel, ja…’ knikt Wolf traag. ‘Straks… dat is nu nog niet…’ Zijn tong floept uit zijn bek. Hij smakt een keer. En hij grijnst, en hij grijnst!

11


Hond denkt na. Hij kan geen kant op. Want Wolf wil maar één ding: zijn zin doen, wat het ook kost. Dus moet Hond naar het bos op de berg. Er is niets aan te doen. Maar de baas dan? Wie waakt er voor de baas? Wacht, Hond weet het al! En hij zegt: ‘Goed, Wolf. Ik doe het. Geef me een uur. Dan kom ik.’ ‘Poot erop?’ vraagt Wolf. ‘Poot erop’, zegt Hond.

12


De taak van Pup Pup ligt op de bank. Dat mag niet van de baas. Maar Pup doet het toch. De baas is niet thuis. Hij merkt er niets van! ‘Hoor eens, Pup’, zegt Hond. ‘Ik wil dat je iets voor me doet.’ ‘Wat? Wat? Wat?’ blaft Pup blij. Hij springt van de bank. Zijn staart gaat snel heen en weer. Pup is dol op Hond. Hij wil heel graag iets doen voor hem! Hond zucht een keer. ‘Wolf gaat naar zee’, zegt hij. ‘De zee is ver weg.’ ‘Hiep hoi! Wat goed!’ keft Pup. Eerst vond Pup Wolf heel stoer. Hij wou net zo zijn, net zo wild. Maar nu niet meer, hoor!

15


Pup is bang van Wolf! Heel erg bang! ‘Ja’, knikt Hond. ‘Dat is goed. Maar er is een maar aan. Wolf wil dat ik op zijn huis pas. Dus moet ik een poos weg. En jij… jij waakt voor de baas! In mijn plaats!’ De staart van Pup valt stil. ‘Ik?’ vraagt hij zacht. ‘Maar dat durf ik niet, Hond. Dat kan ik niet. Daar ben ik veel te klein voor!’ Pup rolt op zijn rug. Daar ligt hij met zijn buik bloot. Hij jankt wat.

16


‘Stel je niet aan’, zegt Hond ruw. ‘Je doet net of je nog een pup bent, Pup. En dat ben je al lang niet meer. Jij bent groot nu. Je bent een kees. Een kees van puur ras nog wel! En een kees? Die is heel waaks!’ Pup jankt niet meer. Hij snuift eens. Het is waar wat Hond zegt. Hij is een kees! Hij staat heus zijn hond wel! ‘Wat jij kunt, kan ik ook’, zegt hij flink. ‘Ik waak voor de baas. Het is mijn plicht. Ik blaf als ik een boef zie. Dan kom je toch, hé Hond? Als ik blaf, kom je dan gauw?’

17


‘Ja, ja…’ knikt Hond vaag. Hij is al druk in de weer met zijn tas. Daar moet voer in, en een stuk zeep. En Beer. Beer moet mee. Beer is zo zacht en zo lief. Beer slaapt bij Hond in de mand. De mand zelf kan niet mee. Echt niet.

Pup ziet Beer in de tas. Daar schrikt hij van. ‘Slaap je in het huis van Wolf?’ piept hij. Hond knikt. ‘Dat wil Wolf zo. Ik vind het niet fijn. Ik slaap het liefst in een mand. Mijn mand. Och, het valt vast wel mee, een bed. Wie weet wordt het nog leuk ook!’ Hond lacht naar Pup. Pup lacht niet. Zijn snuit trilt. Straks jankt hij weer!

18


‘Ik… ik ben bang in de nacht’, zegt Pup stil. ‘Soms droom ik heel eng. Dan kruip ik bij jou in de mand, Hond. Maar als jij er niet bent…’ En ja, het is zo ver! Pup jankt en jankt! ‘Stil maar’, sust Hond. ‘Ik weet wat. Ik laat Beer hier. Beer is groot en sterk en lief en zacht. Ik leg hem in mijn mand. Kruip er maar bij. Ja, goed zo, dat is knus. Zie je nu wel? Met Beer hoef je nooit meer bang te zijn.’ Pup jankt niet meer. Hij ligt bij Beer in de mand van Hond. Hij geeft Beer een lik. En nog een. Een lik is een soort zoen. Want een hond kust niet. Dat kan hij niet. Dus likt hij. Dat is net zo goed.

19


Hond geeft Beer ook een lik. En hij geeft een lik aan Pup. ‘Tot kijk, Pup’, zegt Hond. ‘Tot kijk, Hond’, zegt Pup flink. Hij slikt een keer. Nu gaat Hond echt weg. Nu is Pup de hond in huis. Wat een taak!

20


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401444262 by Uitgeverij Lannoo - Issuu