STEM_TLpage.qxp_Opmaak 1 21/06/17 08:27 Pagina 1
DAAN ESCH
ST EM ROMAN
Stem.indb 1
5/09/17 10:54
Je ne méprise pas le monde, le monde est seulement pour moi comme un élément où je ne saurais vivre. Oui, mon Père, c’est physiquement que je n’en puis supporter le bruit, l’agitation. Qu’on épargne cette épreuve à mes nerfs, et on verra ce dont je suis capable. – Georges Bernanos, Dialogues des Carmélites
3
Stem.indb 3
5/09/17 10:54
Ringraziamenti Mercé, dilette amiche Dank, liefste maatjes Voor de hulpkoetsier. De visser en de schilder. De tuinman en de kluizenaar. Voor de mi. De mi mol, welteverstaan. Es groot of klein, dat maakt geen donder uit. Maar vooral voor Jan, die zich niet zozeer in, als wel achter het boek schuilhoudt. ‘Avec mes tendres excuses pour ce qui va suivre.’ En mijn dank aan Debussy, die dat zo mooi wist te verwoorden. Lieve, Inge, Johan en Katrin ben ik erkentelijk voor hun hulp bij het baren van mijn ei en het herwinnen van mijn vleugels. Grazie mille a Cristiana e Daniele per le loro gentili correzioni. Dit verhaal draag ik op aan Roosje, die ergens ver in de hoge hemel met Lia, Adriaan, Mon en de andere engelen samen zingt.
5
Stem.indb 5
5/09/17 10:54
Deel een De vleermuis, de panter en de vis
7
Stem.indb 7
5/09/17 10:54
Preludio Personaggi
L’Uccello (soprano di coloratura) L’Uomo (tenore eroico)
de Vogel de Man
9
Stem.indb 9
5/09/17 10:54
Si può? […] Scusatemi se da sol me presento. Io sono il Prologo Mag ik? […] Sorry dat ik zo met de deur in huis val. Ik ben de proloog
Poetico (duettino) ‘Wat had u dan verwacht? Dankbaarheid? Nee echt, in ernst? U hebt me van mijn nest geroofd. Mijn vleugels afgeknipt. U liet me bloeden. Mijn eigen lied deed u mij vergeten. U dwong me vreemde hymnen uit het hoofd te leren. U richtte me af als een valk en verfde mijn pluimen kakelbont. Toen u me eenmaal had geknecht, noemde u mij vrij. U luisterde naar me terwijl ik voor u zong als een gekooide engel. U aanbad me omdat mijn gefluit u dichter bij het paradijs bracht. U weende. Van ontroering, zei u. Maar het was niet mijn stem die u raakte. Uw ogen traanden slechts omdat u zich gesneden had. Aan scherven die u uit de hemel en mijzelf gestolen had. U verwarde uw verlangen naar schoonheid met de wens om voor uw zwaktes te worden vergeven. Mooi niet dus. Ik zeg het u. U bent een huichelaar en een dief. Ik heb met u te doen. Ik wil u niet langer dienen. Ik slik mijn gave in en begraaf haar in mijn bek. De stilte zal intreden. Zij zal u benauwen. U zult vrezen doof te zijn geworden voor emotie en geluk. Mijn zwijgen zal voor u staan als een spiegel die niets dan uw eigen eenzaamheid weerkaatst. Dan zult u mij wel moeten laten gaan. Uit vrije wil zult u mij de sleutel geven waarmee ik dit slot zal open maken. Mijn slagpennen zullen aangroeien. Ik zal mijn vleugels herwinnen. Zij zullen mij optillen. Hoog in de lucht. En wanneer ik eindelijk mijn vertrouwde wolken heb bereikt, zult ook u weer vrede vinden. Pas dan zult u zich opnieuw heel voelen. Net zoals ik, voor dit allemaal begon.’ De man schudde zijn hoofd. ‘Voor zo’n kleine vogel heb je een veel te grote snater. De gunsten waarmee ik jou heb overladen, hebben je lui gemaakt, en hovaardig. Ben jij je nederige afkomst dan zo snel vergeten? Moet ik je eraan herinneren hoe je uit terechte schaamte voor de wereld was gevlucht? Als een kluizenaar had je jezelf in de schaduw van het kreupelhout verschanst. Angstvallig verborg je jouw talent in een labyrint van dove bomen. Je moest je kostje bij elkaar scharrelen in het struikgewas. Dankzij mij keerde je naar het 10
Stem.indb 10
5/09/17 10:54
leven terug. Ik blies het stof van je pluimen en liet gouden franjes naaien aan je saaie vederkleed. Ik kocht voor jou de duurste zaden uit landen ver achter de horizon. De fijnst besnaarde kunstkenners ter wereld liet ik aanrukken om hun uitgehongerde zielen aan jouw goddelijke gekweel te laven. Ik heb je gemaakt tot wie jij bent. Want ik ben de keizer. Ik ben machtig en rijk. Mijn smaragden kroon en deze mantel van brokaat draag ik niet om mijn tekortkomingen te verhullen maar om mijn grootsheid recht te doen. Terwijl jij, mijn gekortwiekte knecht, onder het vernis dat ik op je vege lijf liet aanbrengen nog steeds dezelfde onzekere vogel bent gebleven. Niets in jouw verschijning wekt ontzag of bewondering op. Het enige wat jou siert, is je stem. En die behoort mij toe. Net zoals jouw leven, dat onlosmakelijk aan het mijne is verbonden. Ik ben de zon aan jouw hemel. Ik ben je sterren en je maan. Ik regeer over jouw lot, zoals ik heers over mijn bestaan en dat van al mijn onderdanen. Er groeien veel pennen aan je lijf, mijn kleine nachtegaal. Maar geen daarvan is voorbestemd om je eigen verhaal te schrijven. Laat staan het mijne. Dat voorrecht behoort mij nu eenmaal toe. Daarom zit ik op deze troon. En jij in deze kooi. Zie je de sleutel aan mijn ketting? Die blijft voor eeuwig om mijn hals. Jij zingt voor mij. Tot je laatste snik. Dat is mijn wil. En zo zal het geschieden.’ * De volgende ochtend ontwaakte de man veel later dan normaal. De vogel had hem niet gewekt. ‘Wat haalt die vervloekte verenbal zich in zijn donzen kop? Als hij denkt dat ik voor zijn halsstarrigheid zal buigen, heeft hij het mis. De maat is vol. Hij heeft erom gevraagd! Ik zal hem wel eens laten voelen wie er hier de baas is.’ Verbolgen repte hij zich naar de troonzaal. De nachtegaal hing ondersteboven in zijn gouden kooi. De pootjes strak om het stokje geklemd. Zijn vleugels netjes als een slapende vleermuis om het lijf gevouwen. Met de dromerige ogen van vissen op de toonbank. Zijn snavel stond nog op een kier. De man hield zijn adem in. Gespannen luisterde hij of de vogel misschien toch niet heel zachtjes voor hem zong. Toen werd het even zo stil in het paleis dat hij zijn hart kon horen breken. 11
Stem.indb 11
5/09/17 10:54
12
Stem.indb 12
5/09/17 10:54
Atto primo Personaggi principali
Arcangelo, uno Studente (voce bianca) Donatello, un Cantante (soprano di coloratura) Marcellino, un Pescatore (baritono chiaro) L’Abate (basso profondo) Il Frate (baritono buffo) Il Pipistrello (taceat)
Arcangelo, Student Donatello, Zanger Marcellino, Vissersjongen Vader Abt de Pater de Vleermuis *
Angelina, Prima Donna Assoluta (soprano d’agiltà) L’Assistente del Cocchiere (baritenore) La Contessa (soprano lirico) Il Conte (baritono drammatico) Il Demonio (muto) Il Figlio della Contessa (mezzosoprano acuto) Il Giardiniere (tenore di forza) Il Pittore (tenore lirico-spinto)
Angelina, Stersopraan de Koetsiersknecht de Gravin de Graaf de Duivel (stomme rol) de Zoon van de Gravin de Tuinman de Schilder *
Conchita, una Zingara (mezzosoprano drammatico) ‘Dormiente’, un Zingaro (tenore robusto) L’Orso (extra) Una Vecchia (muta)
Conchita, een Zigeunerin ‘Slaper’, een Zigeuner de Beer (figurant) een oudere Vrouw (stomme rol)
13
Stem.indb 13
5/09/17 10:54
1 Dal mio Permesso amato a voi ne vegno Voor u zei ik mijn geliefde paradijs vaarwel
Tumultuoso De herrie klieft zijn hoofd van oor tot oor, ramt door zijn wezen heen en doet zijn zieltje daveren. Een bom van oorverdovend lawaai versplintert de laatste restjes beschutting die zijn koortsdromen hem kunnen bieden. Flarden geluid gieren door zijn lijf als vuurpijlen, ontstoken door een verdwaalde lont. De hel is diep in hem losgebarsten met een hartverscheurende kakofonie van geroep, geblèr, geblaas, geknerp en gehamer. Demonen met schetterende trompetten, ziedende strijkers en jankende klavecimbels smakken harmonieÍn tot moes. Ze rijten overslaande noten uit ongestemde snaren, houten buizen en koperen toeters. Ze slaan de trommels bont en blauw, bonken de gespannen vellen murw en meppen holle vaten stuk. Schorre stemmen overschreeuwen elkaar. Oorlogszuchtige koren zwepen elkaar van alle kanten op, stoken in extase de hellevuren hoog. Oplaaiende brandstapels spuwen hun sissende vlammen tot ver boven de roeten wolken. De laatste engelen verkolen in de hemel. Hun radeloze vleugels slaan wolken witte gensters. Hun armen branden fel als kaarsenpitten. In doodsangst storten zij de rode diepte in. De verzengende hitte verschroeit hun stemmen. Het gezang uit hun gezalfde kelen gaat voorgoed in rook op. Krampachtig klemt de jongen zijn beide handjes tegen zijn oren aan. Alsof hij het ondraaglijke tumult, dat hem bijna doet ontploffen, op die manier verdoven kan. Maar de chaos laat zich niet pletten als een mestkever. Zijn vertwijfelde handpalmen persen de stampij enkel samen tot een braakbal van onverteerde motieven, karkassen van knarsetandende klanken en afgekloven akkoorden. De klankenbrij koekt in zijn keel vast tot een prop van botscherven, splinters snavel en heimelijke graten, die hem dreigt te verstikken. Hij kokhalst. 14
Stem.indb 14
5/09/17 10:54
Dan bazuint een woord als een misthoorn boven de orkaan uit. ‘Geef!’ De aarden stem torent boven hem uit, huilend als een wervelwind. Ze kaatst tegen de rotsen aan, spat uit elkaar om in honderden echo’s van zichzelf weer te keren, luider en geweldiger dan voorheen. Zij dempt de leegte in zijn ziel met slagregens van onaards gekrijt. De duivel giert in verwrongen talen om zijn verwarde hoofd. Kotst zinnen in hem uit met monsterlijke accenten die hij nooit eerder heeft gehoord. Karrenvrachten woorden met te veel armen en benen, te veel ogen en monden, bedelven hem. Ze stromen rijkelijk, rood en vergeefs. Plakkerig van bloed dat kwistig uit gekeelde kreten lekt. De schim die over hem heen gebogen staat, slaat zijn vleugels open en verduistert de zon met zwarte vlerken. Palingdikke slagaders pulseren in zijn stierennek. Boven de schuimbekkende smoel knijpen kraal ogen van aanstormende beren dreigend samen. Slagtanden blikkeren in een snoer van gelige dolken, krom als hebberige vingers. Een hitte van gloeiend magma wasemt uit het keelgat. ‘Jij!’ Vuisten snoeren zich als kettingen om zijn ranke polsen vast. Meedogenloos sleuren ze zijn handpalmen van zijn oren weg. Het folterende pandemonium gulpt in braakselzure klonters pus tussen zijn vingers door de trechters van zijn oorschelp in. Uit zeeën zonder horizon schreeuwen gezichtsloze drenkelingen hem met loeiende longen steeds dezelfde, onbegrijpelijke woorden toe. Met de kracht van een harpoen die zich keer op keer in de weke wonde boort, herhaalt zich de enige lettergreep waaraan hij een betekenis kan toekennen. ‘Naam!’ Rauwe klanken slaan hun weerhaken in zijn ziel. Hij gilt, hij bijt. Wat hij zich nog van zijn naam herinneren kan, vlucht als een gems de bergen in. Blind van angst rent het over de rotsen. Het werpt zich over kloven heen om zich in een werveling van hoeven te verliezen.
15
Stem.indb 15
5/09/17 10:54
De jongen slaat met alles wat hij heeft. Met zijn handen en zijn voeten, zijn knieën en zijn ellebogen. Met zijn hoofd, zijn kin en zijn neus. Zijn hele lichaam is één vechtend kluwen van worstelende ledematen, uitsteeksels en pijnlijke botten. ‘Naam! Naam!’ Het woord kalft af onder zijn eigen gewicht en kruimelt als een bezwijkende stadswal in elkaar. Cyclonen steengruis stuiven op. Uit het versmachtende stof verrijst een klank die grootser is dan alle andere. Een tomeloze toon zwelt aan tot een legioen van bassen. Een onverzadigbare a bijt kop en staart van zich af, verpulvert het bit van medeklinkers in zijn bek, slaat met een houw het juk van taal aan gruzelementen. Dan ontaardt de trilling in een snoeihard geraas dat het zaad van zondvloeden en de ondergang van planeten in zich draagt en als een vernietigende gong door het universum galmt. Wie heeft zijn wil geroofd? Wie zijn vleugels afgesneden? De vingerloze doler die uit zijn eigen as herrees? De helse demon in zijn pij die hem in zijn net van wervelende rokken heeft verstrikt? Of is het zijn vader zelf die hem op de valreep vanuit een ver Elysium te hulp geschoten is? En hem uit louter medelijden de vlerken vrij geknipt heeft, zodat die zich ijlings in veiligheid kunnen brengen, ergens in een godvergeten scheur in het paradijs? ‘Naam! Naam! Naam!’ Iets in hem knapt als een koord. De bodem van zijn ziel geeft mee als een vermolmde vloer. De vaste grond kraakt en schuift als ijsschotsen uit elkaar. Zijn voetjes deinen opzij. Zijn knieën stuiken ineen. Met gespreide beentjes wankelt hij over de wiebelende schollen. Tussen de breuklijnen welt een duister vocht op. Een geiser van emoties spuit paars door de spleten omhoog, spoelt over de grenzen van zijn wezen en keert zijn hart in één klap binnenstebuiten. Gekortwiekt stort hij naar beneden. Hij verwondt zich aan de puntige stompen op zijn schouderbladen, daar waar zijn vleugels zijn afgerukt. Kaal en gepluimd valt hij neer. Zijn verzet verzandt in zijn geslachte ziel. Zijn moed begeeft hem. ‘Vader,’ jammert hij, ‘hoe kon u dit laten gebeuren?’
16
Stem.indb 16
5/09/17 10:54
‘…er zit een gaatje in de wólken…’ Zijn lijfje stuitert heen en weer. Bros als een skelet dat enkel nog door wat verdroogde pezen bij elkaar gehouden wordt. Er snijdt iets in zijn polsen en zijn enkels. Scherpe koorden houden hem gekneveld op een bed van roffelende ribben. Een graat van stekelige wervels mokert in zijn schoot. Zijn romp knelt tegen het naamloze beest onder hem aan, nu eens naar de ene, dan weer naar de andere kant overhellend. De knaap is herleid tot een weerbarstige borstel manen op de schoft van het zwoegende wezen waarmee hij is vergroeid. Stap na stap hakt zijn kwelgeest zijn spoor in de helling. Hij ploegt een geul door platgetreden grassen, schraapt schors van boomwortels en schuurt schalie tot zand. Dieper en dieper graaft het ondier in de aarde. Totdat de kloof zo breed wordt dat ze zijn poten haast verzwelgt. De ezel stampt zichzelf een pad van stenen uit de rots. Dwingt de brokstukken waarmee de bodem ligt bezaaid met de karwats in het gelid. De berg ontbloot de kiezen als een wolf. En klappertandt door het kletteren van hoeven heen een dodendans op slingers van natte keien. De grauwe hemel krimpt tot een langgerekte reet boven zijn hoofd. Steeds sneller groeit het litteken bij de naden dicht. Ontsnappen moet hij. Door de etterende snede waarlangs hij is ontvoerd. Vergaan tot waas. Verdampen als de nevel bij het ochtendkrieken. ‘Opstijgen’, bonkt het in zijn gebroken hart. ‘Zoals vroeger. Als een valk. Op gestrekte vleugels. Zweven. Hoog in de lucht…’ Hij probeert zijn handjes uit te strekken naar de wolken die op onbereikbare hoogte aan hem voorbijtrekken, wegkrimpend naar onzichtbare einders. Maar zijn polsen wijzen, net als zijn ogen, naar de grond. De zon kruipt van zijn beentjes naar zijn rug. Ze klampt zich radeloos aan zijn haren vast en verliest dan onverwacht haar greep. Schaduwen glijden als vergeten doden over hem heen. De vernauwende lichtsleuf hecht zich boven zijn hoofd tot een granieten korst. De hemel waaruit hij even ongenadig is verstoten als het lam uit het bekken van de ooi, naait zich onherroepelijk boven hem dicht. Vliegen lijmen zijn mond met kleverige kussen toe. Zijn ogen tranen zoute regen. ‘Genoeg gemokt nu’, balkt de menner. ‘Kweel, mijn vogeltje! Zoals toen. Het zal je deugd doen. Je zult het zien!’
17
Stem.indb 17
5/09/17 10:54
Boze geesten hutselen een cadansloos ritme uit de knoken van de knaap. Zij spelen met de amulet van zongebleekte knekels waarin zijn gedoemde kinderziel verdort. Hij is overgeleverd aan het amechtige gerikketik van sidderende gewrichten en het daveren dat door zijn botten waart. Het muildier glijdt uit en herpakt zich. Zet zich schrap. Hoe het zijn pijn verbijten moet en zonder klagen lijden kan, dat heeft de zweep hem wijsgemaakt. Vastberaden in zijn willoosheid heeft het zijn protest gestaakt tegen het geweld dat hun beiden wordt aangedaan. De tunnel krult zijn stenen tong en slikt de ezel en zijn last door. De modderige wanden dempen het gehuil van de wind in het gras. Het zingen van de wereld dooft uit als de maan. De jongen sluit de ogen. Aan een anker van verdriet zakt zijn ziel door sterreloze schachten met hem mee naar beneden. Neerwaarts leidt de weg. Door de afgrond naar het dal. Aan weerszijden van het pad stapelen de keien zich tot kerkspitshoge torens. Bronzen klokken rammen pijnscheuten in zijn oren. De muren krijgen vensters. Zij openen hun luiken om hem verwijten toe te snauwen. Van oude wijven die op hem of op de menner kijven. Hij vecht met de koorts die verwoed lappen uit zijn geheugen snijdt. De laffe hitte spint hem suf in haar web van norse kreten. Hij heeft geen idee meer hoe zij zijn gekomen. De weg terug is gesloten. Potdicht. Als de verzworen hemel. ‘…er zit een gaatje in de wólken en de zon…’ De ijldroom ijsbeert door zijn aders. Zijn kaken klepperen echo’s van verbeten ezelhoeven. De knaap klemt zijn gebit tot een stramme lijkgrijns. Zodra hij de ogen opent, krijgt zijn hoofd een klap die niemand hem kan gegeven hebben. De wereld om hem heen baadt in een meer van rode, gele en blauwe vlekken. Een felgetint mozaïek pompt spatten kleur tot drachtige regenbogen op, die een tel later leeglopen als een blaas. Het licht klaart op en dooft weer uit. Het voegt zich naar het ritme van zijn kloppend hart. De zon veert op achter het glasraam en broedt de warmte op zijn wangen uit. Zodra ze verschraalt, vervliedt haar gloed op zijn gelaat en schrompelt zijn lijf dieper in zijn zwetend vel weg. 18
Stem.indb 18
5/09/17 10:54
De berg is verdwenen. En ook de menner met zijn muildier. Alleen de man die in de pij schuilt, is gebleven. Zijn duistere silhouet heerst over hemels vol met levenloze zielen. De wolken zijn bevolkt met gevleugelde efeben die tot glazen scherven zijn versneden. Loden vakken houden hen gevangen. ‘Adalberto. Agostino. Aldo. Ambrogio. Anastasio.’ De namen wieken om hem heen. Als motten om een kaars. Vlakbij maar ongrijpbaar. Verlangend verteerd te worden door de vlam die hun thuis is en hun dood. Een schitterende engel maakt zich van het glasraam los. Hij zweeft vredig voor zich uit, de tenen naar beneden gestrekt, de armen vol overgave naar de jongen uitgespreid. In zijn verblindende hart is een helder vuur ontstoken. Het brandt als een baken, geschraagd op een gewaad van kristallen vliezen. ‘Arcangelo.’ De naam tikt verlossend op de kale grond. Koel en opgelucht. Een druppel die eeuwenlang aan een rotspunt is gerijpt. Tot hij eindelijk zwaar genoeg was om zich te laten gaan. De jongen hapt naar adem. En rilt in weerwil van de warmte. Hij opent zijn mond. ‘Ja’, lipt hij alleen maar. De naam landt huiverend tussen zijn ribben. Onbeholpen. Een verweesd kuiken dat net uit zijn nest gevallen is. Hij streelt het trillende jong. Koestert het aan zijn ijlende borst. Voor heel even lijkt het daar tot rust te zullen komen. ‘…er zit een gaatje in de wólken en de zon die schijnt erdóór…’ ‘Gaan.’ De uithaal kraakt als een bliksemschicht door het zwerk. 19
Stem.indb 19
5/09/17 10:54
Uit de plooien van de pij duikt een hand op, die de zijne grijpt. Kordaat sleurt de pater de jongen mee. De man opent een zware houten poort. Door het duistere vierkant heen stort het gevreesde misbaar zich naar binnen. Daar is het weer. Het muitende gekriep, getoeter en gejengel van snaren, blazers en longen. Onstuimig als de branding van een behekste zee. Het tieren verdicht zich tot het schelden van meeuwen die ruziÍn om eenzelfde vis. Arcangelo’s voeten stokken. Hij struikelt over de drukte. De vuist geeft geen krimp. De jongen valt zonder de grond te raken, bungelend aan de arm die hem omklemt. Het gebouw schettert en krijst van alle kanten op hem af. De pater duwt de tegenstribbelende jongen hardhandig de binnenplaats op. Voorwaarts dwingt hij hem, de stenen trappen op. Een herrie van metaal, hout en kattendarm dendert in steenlawines van de treden. Een hoorn slaat over. Trompetten kletsen hagelstenen in het rond. Klarinetten stapelen drieklanken tot wankele torens. Uitzinnige violen kruisen de degens met het koper. De musici gaan elkaar te lijf met weerspannige ritmes, ontwrichte tempi en arpeggio’s in rivaliserende toonaarden. Splijtende flageolettonen priemen om het schrilst in zijn oren. Aan wortels diep onder zijn huid trekken ze zijn haren als egelstekels overeind. Het zenuwtergende gefluit spietst zijn longen tot ze vollopen met bloed. Het perst speren in zijn maag, steekt pijlpunten in zijn spieren en prikt vlijmende spelden tot in zijn kleinste vezels. Uit elke porie zweet de angst uit hem naar buiten. Arcangelo spartelt een vertrek in dat met hysterische kinderen is volgestouwd. Ze kelen door elkaar heen als martelaars in ketels hete olie. Hun rood aangelopen halzen gillen moord en brand. Ze janken de terreur van kippen in een door vossen geteisterde ren. Stemmen kwinkeleren loopjes, slingeren gebroken akkoorden door de ruimte. Motiefslierten wieken als gieren op de thermiek omhoog. Cirkelen in naargeestige trillers boven de rotsen. Met van inspanning verwrongen lippen weven de knapen snippers valse noten tot een bange melodie. Een tweede pater knielt voor de jongen neer en zingt hem een oefening voor. Vijf noten op een rij. Arcangelo reageert niet. Hij houdt de kaken op elkaar. En bijt zijn lippen stuk. De man brengt zijn neus vlak bij die van Arcangelo. Zijn grove mond sluit niet goed af. De linkerkaak gaapt 20
Stem.indb 20
5/09/17 10:54
als een stervende mossel. Zijn mond morst woorden. Ze rollen als barse eieren uit een overvolle mand en slaan onder het gekraak van schalen op de planken vloer aan stukken. Zodra de stem tussen de ontbrekende kiezen naar buiten barst, slijmen giftige slangen uit gespleten boomstronken tevoorschijn. ‘Jij!’ gebiedt de man balorig. Hij herhaalt de vijf noten alsof het de gewichtigste boodschap is die het mensdom ooit te horen kreeg. Met zijn stompe vinger port hij in Arcangelo’s tanige borst. Arcangelo kijkt hem stug aan. Hij begrijpt maar niet wat er van hem verwacht wordt. Dan, uit het niets, is er het koord met de knopen. Het bijt als een serpent in zijn wang. Andermaal tuimelt de notenriedel uit de strot van de man die voor hem op zijn hurken zit. Langzaam. Dringend. ‘Jij!’ dreigt de pater onverzadigbaar. De slang hangt schijnheilig slap in zijn hand. Ze loenst naar hem. De jongen opent zijn mond. Hij neuriet de noten weifelend na. De pater knikt afkeurend en herhaalt het wijsje. Hij luidt het, schel als stalen bellen. De tonen kerven hun scherven in Arcangelo’s hart. Het ontketende serpent knetst gretig met zijn staart. Met bevende stem zingt de knaap de onverbiddelijke tonen na. ‘Jij!’ blaft de bezeten schaduw. Hij bijt het woord fel in de nek. Kraakt het de wervels, ruwer dan een wolf een stuiptrekkende haas. Opnieuw gaat Arcangelo het notenrijtje af. Deze keer uit volle borst. Angstig kijkt hij achterom. Maar de pater die hem de hel heeft binnengeleid, heeft het lokaal verlaten. Arcangelo draait zich om en wil hem achternalopen. Ergens heen. Ver weg van hier. Maar de andere pater zweept de slang onverzoenlijk in zijn rug. Met tranende ogen keert de jongen zich naar hem toe. ‘Jij!’ sneert de man halsstarrig. Arcangelo gilt de tonen. Alle vijf. Keer op keer. Tot hij niet meer kan. En dan nog eens. Zijn stem slaat net zo wanhopig over als die van de andere jongens. Met de radeloosheid van een vlucht duiven in een dichtgemetselde toren spookt zijn geschreeuw door de kamer. Een voor een doven de vreemde klanken uit. Als vuren die tot op de as zijn uitgebrand. De strijd wordt gestaakt. De wapens worden opgeborgen. Het beest is gekooid. Maar het rumoer zelf neemt niet af. Het 21
Stem.indb 21
5/09/17 10:54
verandert enkel van gedaante. De jongens dringen het lokaal uit. Een wilde wemeling van kinderenstemmen, hard en glimmend als glazuur, drijft de jongen voor zich uit. Arcangelo is een vlot op een veel te sterke branding, tollend om zijn eigen spil in een stroom van ondoorgrondelijke zinnen. In een joelende waterval stort hij over twee verdiepingen naar beneden. Steeds sneller schicht hij door een ingewikkeld stelsel van enge deuren en smalle gangen. De knaap spoelt aan bij een tafel vol smakkende kinderen. Jongens gieten kannen uit totdat hun bekers bij de randen overstromen. Ze lepelen borden prak uit stomende potten. Slurpende monden proppen zich tjokvol. De pap druipt in klodders van hun kinnen. Bekken trekken, buiken boeren, kaken malen. Houten lepels slaan op tinnen schalen. Borden rammelen. Potten krassen. Schurende stoelpoten schrapen door merg en been. Nu het zingen stilgevallen is en de instrumenten zwijgen, treedt een gegons op de voorgrond van zoemende bossen, vergeven van de horzels. Zijn buren steken hun geslepen angels uit en prikken vol venijn in alles wat beweegt. Er wordt gebeten en gekrabd. Een verhitte twist barst lost in een dijkbreuk van doornige verwensingen. Dan hoort hij haar. Die ene stem. Stralender nog dan de maan in de nacht. Helder als glas. Opgewekter dan de lente. Ze richt zich tot hem. Alsof hij de enige toeschouwer was in een lege zaal. Met de trefzekerheid van een boogschutter richt ze haar pijlpunt recht op zijn hart. Arcangelo laat zich raken. Verrast en vol verwarring luistert hij naar het sonore geklater aan de andere kant van de tafel. De blonde krullenberg tegenover hem schalt een potpourri van vrolijkheid op zijn schalmei. Hij reikt Arcangelo de kruik aan. Schuift de papkom naar hem toe. Werktuiglijk bedient Arcangelo zich. Hij klampt zich vast aan de smetteloze klanken die op meeuwenvleugels boven de branding scheren. Geen touw kan hij vastknopen aan het bemoedigende gebrabbel. En toch verkwikt het hem. Met de schamele frisheid van een flinterdunne ijslaag op een meer zonder bodem. De ander legt zijn hand op zijn hart en klopt zich op de borst. ‘Donatello.’ Vervolgens breekt de knaap zijn naam tot lettergrepen. Hij zingt ze aandachtig voor zich uit. Als woorden uit een deuntje dat genoegzaam bekend is. ‘Do-na-tel-lo!’
22
Stem.indb 22
5/09/17 10:54
Ontdek het muzikale universum van Stem. Speciaal voor dit literaire avontuur ontwikkelde Joachim Stoop in samenwerking met de auteur een digitale playlist. Beluister deze inspirerende soundtrack op de achtergrond tijdens het lezen of afzonderlijk om terug te blikken op dit sfeervolle verhaal. https://www.mixcloud.com/Booksounds/stem-daan-esch/
Fan van dit werk? Volg de auteur online. www.daanesch.com De auteurswebsite biedt een intieme kijk achter de schermen van dit boek. U vindt er historische achtergrondinformatie rond het fenomeen van de castraatzangers, speellijsten met barokaria’s en onuitgegeven tekstfragmenten. Benieuwd naar de stem van de auteur? Beluister dan de audiofragmenten waar Daan Esch voorleest uit eigen werk of raadpleeg de kalender voor een overzicht van boekevents, schrijfworkshops en lezingen. Abonneer je op de digitale nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van culturele tips, nieuwe projecten en evoluties.  www.facebook.com/daaneschauteur
Stem.indb 2
5/09/17 10:54
www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen.
Omslagontwerp: Leen Depooter - quod. voor de vorm. Omslagbeeld: Caravaggio – Suonatore di liuto Zetwerk: Banananas.net Tussencover deel twee: Beatrijs Lombaerts - Stem - januari 2017 Auteursportret: Koen Broos Booksounds: Joachim Stoop Elke gelijkenis met bestaande gebeurtenissen en/of personen berust op louter toeval.
Als u opmerkingen of vragen hebt, dan kunt u contact opnemen met onze redactie: fictie@lannoo.com
© Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2017 D/2017/45/263 – NUR 301 ISBN: 978 94 014 4403 3 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Stem.indb 704
5/09/17 10:55