DE REDEN WAAROM
ROLAND BERGE YS
de oude man onder de tram liep
DE REDEN WAAROM de man zijn dochter niet meer zag
Aan mijn lief Leentje, voor haar immer geweldige steun. Met grote dank aan Frank De Vos, Renilde Thys en Kitty Polderman voor hun feedback tijdens het schrijfproces en aan de enthousiaste filmproducent PIXURE (www.pixure.be) voor de boeiende boekentrailer. Mijn bijzondere dank gaat ook uit naar Johan Ghysels, mijn uitgever die in mij geloofde, en Yaele Vanhuyse, voor haar schitterende suggesties. Zonder hen zou deze dubbelroman er niet zijn.
DE REDEN WAAROM de oude man onder de tram liep
5
‘Waanidee: een op grond van psychische voorstellingen voorkomende onjuiste en zinledige voorstelling van de werkelijkheid, die niet als zodanig wordt erkend en ook niet door redelijke bewijzen kan worden weerlegd.’ Encyclo.nl, Nederlandse encyclopedie
‘Waan die mij gelukkig maakt, weegt op tegen waarheid die me bedroeft.’ Christophe Wieland (1733-1813), Duits dichter
7
*
H
et knippen van de schaar hoort hij nog amper. Zijn blik volgt hoe hij de foto van de vrouw eerst horizontaal, dan verticaal en diagonaal versnijdt. Een stuk van haar trouwjurk valt op de vloer, een deel van haar hand ook, dan haar hele arm en haar hals. Bij het hoofd aarzelt hij, hij houdt het bevend tussen duim en wijsvinger, probeert tevergeefs zijn hand stil te houden, en mompelt: ‘Ik kan dat toch niet stuksnijden? Of toch? Vooruit, het moet!’ Het wipneusje en de blauwe ogen die in de lens kijken, vertederen hem nog even, net als haar diadeem, die ze vanwege de wind moest vastspelden op hun huwelijksdag. Dan doet hij een schietgebedje en knipt het papier in strookjes, die hij daarna nog eens in kleinere stukjes scheurt. Hij vertoont geen emotie. Zijn blik is star, zijn mond onbewogen in zijn glazige huid – perkament met inktvegen, smaalt hij telkens als hij zijn ouderdomsvlekken in de spiegel ziet. Maar wat hij net gedaan heeft, vindt Alfred Wittewrongel goed; zelfs vele jaren na de feiten is het haar verdiende loon! Hij krabt aan zijn wang. Stoppels. Een huidschilfertje kruipt onder zijn nagel vandaan en dwarrelt naar de vloer. ‘Uit hoeveel schilfertjes bestaan we,’ mijmert hij, ‘uit hoeveel moleculen? Miljarden? En hoeveel ervan bepalen dat we leven en dat we mens zijn?’ Hij zucht, het zijn vragen waarop hij nooit een antwoord zal hebben. Jonas, zijn trouwe dwergparkiet, fladdert om de kroonluchter, landt op zijn schouder en schuift op naar zijn hals. Zijn kop schudt bij elk stapje, zijn snavel bijt in zijn kraag. Hij aait hem eerst, maar jaagt hem dan weg en kijkt naar buiten. Het vensterglas breekt de zonnestralen, die niet verder reiken dan de eettafel. De woonkamer is ruim, hij is tevreden in zijn appartement,
9
dat hij jaren geleden heeft gekocht met wat hij vroeger heeft verdiend op de lange vaart. In Mortsel heeft hij weliswaar geen contact meer met andere vroegere zeelui, maar dat deel van zijn leven is voorbij. Hij heeft het volgehouden tot zijn benen niet meer konden, en na zijn laatste vaart salueerde hij naar zijn schip, als was het een dierbare overledene die hij groette. Had hij eerder moeten stoppen met varen, zoals sommigen beweerden? Neen, hij hield van de zee. Had hij dan niet mogen trouwen? Evenmin. Had hij geen kinderen mogen hebben? Hij houdt van zijn dochter. Al had ze hem die ene keer niet mogen slaan. Of was het haar man die dat deed? Hij weet het niet meer. Hij kijkt naar de vloer. Tussen zijn huidschilfertjes ligt het hoofd van zijn echtgenote versnipperd op het parket. Bij de aanblik slaat hij zijn vuist in zijn handpalm. Hij vloekt: ‘Zij… Mijn godverdomde vrouw had moeten veranderen!’
10
I Windin’ your way down on Baker Street Light in your head and dead on your feet Well another crazy day You’ll drink the night away (‘Baker Street’, Gerry Rafferty)
11
1
H
et herenhuis staat in een zijstraat van een zijstraat van de hoofdweg. In het midden ligt een groenstrook met heesters en naaldgewassen, en met oude lantarens die normaal een zacht licht verspreiden. Nu ligt de straat echter in het donker. Enkele arbeiders proberen een leiding in een put te herstellen. Alle elektriciteit is uitgevallen. De vrouw stopt naast hen en draait haar autoraampje open: ‘Duurt het nog lang?’ ‘Nog een uur’, roept een van hen. Zijn gezicht oogt griezelig in de straal van de noodlamp. Tja, zulke storingen repareren ze niet in een handomdraai. De koplampen van de bestelwagen achter haar jagen haar op, ze laat de auto inhalen, vertraagt voor een negentiende-eeuws herenhuis, parkeert en stapt uit. Wanneer ze achter het venster op de eerste verdieping een oranje licht ziet schijnen, zucht ze: ‘Ik heb hem nog zo gezegd dat hij moest wachten.’ De wind speelt door haar haren en streelt haar wangen, haar hakken tikken op de straatstenen. Ze opent de glazen voordeur, haalt een zaklamp uit haar tas, en schijnt voor zich uit. Voor de tralies van de lift hangt een papier waarop ‘Buiten gebruik’ staat. Gabriella, de conciërge, heeft het er opgehangen. Er zit niets anders op dan de trap te nemen. Haar stap echoot door de hal, de lichtstraal cirkelt op de muren en blijft dan hangen op de deurbel op de eerste verdieping. Ze duwt erop, beseft dan dat die ook niet werkt, haalt een sleutel uit haar sleutelbos, en opent de deur. Als ze naar binnen kijkt, moet ze meteen een gilletje onderdrukken. Het interieur baadt in het schijnsel van tientallen kaarsen. ‘Pa?’
12
Haar vader is nergens te zien. Nee toch?! Ze is die afgrijselijke gewoontes van hem spuugzat! Zijn parkiet fladdert kwetterend rond. Ze roept opnieuw: ‘Papa?!’ Eén keer. Twee keer. Ze merkt onthutst dat de kandelaars gevaarlijk dicht tegen het behang staan, de barsten in de muur die vertakken tot spinnenwebjes dansen in de gloed. Ze blaast de kaarsen een voor een uit. ‘Pa…’ ‘Wat is er?’ Haar vader verschijnt in de deuropening van de keuken, hij houdt met twee handen een pannetje vast. De straal van haar lamp schijnt in zijn ogen. Vanuit de hoeken lopen rimpels tot diep in zijn slapen. De lichtbundel glijdt van zijn kin over zijn borst naar het pannetje. Het water erin kookt. ‘Dat meent u niet?!’ ‘Ik maak een kop thee, Simone.’ ‘U belde me omdat het licht hier is uitgevallen door die storing. Ik haastte me hierheen. En alsof het niets is, kookt u water in het donker?’ Ze weet dat hij elk argument zal negeren, ook al kiest ze haar woorden zorgvuldig en zegt ze ‘u’ tegen hem. De aloude beleefdheidsvorm zit er bij haar ingebakken. ‘Vergeet je discipline niet, ik verdien eerbied!’ Dat riep hij vroeger altijd als ze daartegen zondigde. Eerbied voor het leven was hem bijgebracht op de zeevaartschool, en respect voor ouderen begon bij de aanspreekvorm. Al had hij nu bij het woordje ‘discipline’ even geaarzeld: zijn instructeurs van toen zouden hem de laatste tijd eens bezig moeten zien! ‘En die kaarsen, papa? Ik heb lampjes bij me die op batterijen werken.’ Hij bijt op zijn lip. Dat doet hij altijd wanneer hij zich druk maakt. Het licht van haar lamp schijnt in de keuken. Op het aan-
13
recht staan nog twee kandelaars naast het rek met de vuilniszakken. Dat doet haar eraan denken dat ze de volle zak straks even tegen de voorgevel moet zetten. Links naast de deur. Voor het grijpen voor de mannen van de vuilniswagen. Hij duwt zijn grijze haar naar achteren. Vroeger had hij zwart haar zoals zij, ze hebben dezelfde fijne neus, een kin met een kuiltje erin en vlezige lippen. Ze haalt de lampjes uit haar handtas, zet ze op de eettafel en op de vensterbank, kijkt of er ergens nog kaarsen branden en gaat naar de slaapkamer. Daar opent ze het hoekkastje en slaakt een zucht van opluchting: het geld ligt er nog in, daar is tenminste niets mee gebeurd. Vorige keer had hij het onder zijn hoofdkussen verstopt – zeker zo’n duizend euro, van de man van de bank die hem elke maand zijn pensioen komt uitbetalen. Zij mag dat van hem niet halen met zijn kaart. ‘En al dat geld dat u in huis hebt, papa…’ ‘Stel dat ik naar het ziekenhuis moet?’ ‘Dan betaalt u de factuur achteraf.’ ‘Nooit!’ Ze hebben er elke keer dezelfde hoogoplopende discussie over, met hetzelfde resultaat: het is zijn leven, en zijn geld! Waarna hij zich buigt over een kruiswoordraadsel en niet meer opkijkt. Hij beweert dat hij alles oppot voor haar, voor haar en haar alleen wil hij zelf geen nieuwe kleren kopen en eet hij kaas in plaats van steak. Over dat alles wil ze nu niet eens beginnen, maar wel over die verdomde kaarsen: sommige staan op nog geen centimeter van de muur. ‘Het behang gloeit van de hitte. Snapt u dat dan niet?’ Hij kijkt weg van haar. ‘Of u dat niet doorhebt, pa!’ Hij schudt heftig van nee. ‘Maar voel dan zelf!’
14
Ze heeft net kunnen vermijden dat het appartement in de fik vloog, misschien zou heel het gebouw in vlammen zijn opgegaan, met zijn hoge plafonds, gipsen zuilen en oude parketvloeren. ‘En u hing niet uit het raam.’ Meestal wanneer hij weet dat ze onderweg is, staat hij op de uitkijk en zip, verdwijnt hij van zodra hij haar ziet. Meestal treft ze hem daarna aan in zijn bed terwijl hij naar het plafond staart – ‘lijkje spelen’ noemt ze het, om aandacht te trekken. Hij kijkt naar buiten. ‘Het regent.’ Als het windstil is, roept hij dat het stormt, als het vriest, heeft hij het warm. Ze kijkt naar de pukkel op zijn kin. Hij glimt. ‘Ja papa, het regent.’ ‘Ik heb Wim eruit gegooid.’ Zijn jeugdvriend. Dat is wat. ‘U kent hem al tachtig jaar.’ ‘En we zaten samen in de Weerstand. We hielden de moffen onder de knoet. We waren helden!’ Ze bestudeert haar vingernagels. Zijn enige heldendaad is nog het sorteren van de voorraad in de keuken, waarna hij doodmoe in slaap valt. En ze weet wat er zal volgen: na de oorlog gingen we Bonn bezetten… ‘Na de oorlog gingen we Bonn bezetten…’ Zie je? Hetzelfde verhaal als gisteren. ‘… en we hadden het er goed. Enkele wijven…’ ‘… vrouwen…’ ‘… enkele wijven werkten met ons mee. Hoeren. Wim ging volop zijn gang.’ ‘En u niet. Uiteraard niet. Ik weet het, ik weet het.’ Ze gelooft er geen moer van. Haar vader is nooit een doetje geweest. ‘Ik zette hem de deur uit omdat hij er weer over begon.’
15
‘Hij was de enige die nog kwam buurten.’ Geen antwoord. Deze week klaagde hij nog steen en been over de ellenlange dagen die hij in eenzaamheid doorbracht. Hoe kunnen dagen lang lijken op je negentigste? Op die leeftijd wordt het leven toch almaar korter, vroeg ze zich af. ‘Straks zit u hier helemaal alleen.’ Geen antwoord. Hij is doodsbang dat het woord ‘rusthuis’ valt, dat is het! Ze wil het naar hem roepen, het laten opborrelen vanuit haar diepste binnenste en het in zijn gezicht spuwen, maar haar aandacht wordt afgeleid. Buiten floept het licht weer aan, sneller dan verwacht. ‘Wacht. Ik ga naar het toilet.’ Ze verdwijnt naar de hal, pakt pisnijdig de telefoon van een tafeltje en toetst snel, zenuwachtig een nummer. Aan de andere kant klinkt een stokoude mannenstem. Haar vraag is kort, het antwoord ontluisterend: ‘Waarom je pa mij de deur heeft gewezen? Ik weet niet waar je het over hebt, ik heb hem al weken niet gezien. Weet je, we zaten samen in de Weerstand…’ Niemand. Niemand kan voelen wat zij voelt, hoe de angst in haar lijf zit, geen mens heeft er benul van hoe ze dag in dag uit grenzen verlegt om onzin aan te horen, te sussen, hoe het haar nachtrust verstoort en haar eetlust bederft. Hoeveel keren heeft ze niet gehoopt dat ze op een knopje kon drukken om hem zomaar op te laten lossen in het niets? En ze heeft haar handen al vol aan haar man. Louis. Louis die de hele dag in zijn tram zit en vooral: zo weinig bij haar.
16
Ze murmelt maar wat, hangt op, en gaat terug naar de woonkamer. Wanneer ze er binnenkomt, gaat zijn toon lichtjes de hoogte in: ‘Kind?’ Ze haat dat woord. Ze is geen kind. Niet meer. ‘Wat?’ ‘Nu je hier toch bent, wil ik je nog iets zeggen, iets wat ik je nooit heb verteld!’ Ze begint de lantarenpalen in de straat te tellen. Twaalf op een rij. Ze staan voor achttien gevels met in totaal dertig vensters. Negen vierkante, eenentwintig rechthoekige. ‘Het gaat over je moeder. Mama bedroog mij.’ ‘Hoe durft u? Ze is al vierendertig jaar dood!’ Na een wespensteek op Mallorca. Elke keer dat ze haar naam hoort, denkt ze er weer aan. ‘Je gelooft me niet!’ ‘Ik krijg hier hartkloppingen van, papa, hou ermee op.’ Het maakt niet uit wat ze zegt. De dokter beweert dat er slechts twee mogelijkheden zijn: ze moet alles ondergaan, of anders de relatie met hem verbreken, na achtenveertig jaar! Hij moet straks sowieso naar een bejaardenhuis, daar is ze rotsvast van overtuigd, wie het omgekeerde beweert, is zelf knetter. Maar het besef dat hij daar zou belanden zonder dat ze elkaar nog zouden zien, maakt haar kotsmisselijk. Ergens waar hij zijn eigen paaseieren kan verstoppen en er nog plezier aan zal beleven door ze te zoeken, zei die pillendraaier. En waar hij alles en iedereen zou vergeten? Waar hij louter lichamelijk aanwezig zou zijn met als enige troost haar foto op zijn nachtkastje? Een schim uit het verleden? Dat is het laatste. Maar nu zou ze haar handtas naar zijn hoofd willen gooien. Of een vaas stukslaan en roepen dat hij moet stoppen met al zijn klinkklare nonsens. Tot haar blik op de lege fotolijst valt die op het kastje tegen de muur ligt en ze stamelt: ‘Jullie trouwfoto…’
17
Daarop ziet ze de snippers onder het tafeltje. ‘Vorige week nog zei u dat mama zoveel van u hield.’ ‘Vroeger, ja.’ ‘Met wie zou ze u dan hebben bedrogen?’ ‘Met de overbuurman.’ Een droogstoppel met witte sokken en een colbertje, hij vertoeft trouwens al een jaar niet meer onder ons. Zijn appartement staat nog steeds leeg. En zulke dingen zouden zijn overbuurvrouw, mevrouw Vermeulen, nooit zijn ontgaan, een grotere roddeltante bestaat niet. ‘Heel de straat wist het allang, en ik weet het net van de hovenier.’ Zijn geroep klinkt als dat van een duivel die brult, de glazen staan op springen en de maan lijkt te huilen om al die nutteloze herrie. Maar dan wordt het stil. Zo stil zelfs dat ze zichzelf zowaar hoort denken en een diepe droefheid haar overvalt: alles wat hij vertelt, gaat over vroeger en is amper na te trekken. Alleen: haar pa heeft nooit een hovenier gehad, het gebouw heeft niet eens een tuin.
18
2
S
ommigen vinden Louis Schuddinck een watje, al klopt dat niet helemaal: hij durft te zeggen wat hij denkt, maar een brul aap is hij evenmin, zijn verschijning leent zich daar niet toe. Hij is klein, mager, heeft een ongelijke rij tanden, een wat lijzige gang, een levendige fantasie, en is goedlachs, een zelfuitgeroepen meester in happy ends met enig gevoel voor avontuur. ‘Schalkse Louis’ noemden ze hem op school, Louis die alles afdeed met een kwinkslag of met zijn lijfspreuk: ‘Ja, nee, ’t komt wel oké’, waar hij ieders hart mee veroverde. Zoals destijds dat van zijn vrouw Simone. Ondanks haar achtenveertig lentes heeft ze het figuur van een mannequin, en haar blik is zwoel als de nacht. Toch is tussen hen niet alles meer koek en ei. ‘Louis, slechts weinigen hebben na zoveel jaren nog zo’n mooi vrouwtje’, zeggen zijn collega’s. ‘Maar zij houdt van schaatsen – vooral scheef. En van marcheren – vooral schuin…’ Schalkse Louis. ‘Als het in bed niet gaat, moet je zien dat je zelf aan je trekken komt.’ Hij is wel eens een seksfilm gaan huren, en navelstaren op porno sites is niet zijn ding. Bovendien is het een heel gedoe om er in het geniep naar te kijken. Plus: je maakt het ook niet allemaal zelf mee. ‘Hoe?’ ‘Wat, hoe?’ ‘Hoe ik aan mijn trekken zou kunnen komen.’ ‘Je vindt je weg wel.’ Na zulke gesprekken droomt hij op den duur van een andere wereld, waar de zon altijd schijnt en hij in een hangmat aan een cocktail lurkt terwijl de vrouwen aan zijn vingers hangen. Ach,
19
hij houdt nog van Simone, maar de ruzies over haar vader lopen soms de spuigaten uit. Om rellen te vermijden doet hij regelmatig boodschappen voor hem. En wat Louis écht dwarszit: het vuur is eruit, hij kent haar lijf vanbuiten. Toen ze de laatste keer vrijden, zag ze in de spiegel dat hij in zijn neus peuterde terwijl ze hem pijpte, en de sfeer was gezet. ‘Ja, zeg, Louis!’ ‘Wat?’ ‘Wie doet nu zoiets?’ ‘Mijn neus jeukte.’ Prima dat ze hem schalks noemden, maar toen ging hij rechttoe rechtaan op zijn bek. Sindsdien houdt zij zich uitsluitend bezig met het runnen van haar kapsalon, hij met rondrijden in zijn tram, en met het leven in De Broze Biecht, dat wel. Wekelijks zet hij de bloempjes buiten in die havenkroeg, een van de allerlaatste waar zowel de hoertjes als hun klanten komen ontspannen. Hun namen zeggen de doorsnee sterveling niets, maar voor hem klinken ze als muziek: de Chinese Mei Lan, Dikke Monique, Pauline Poezepoot en de reus Eenoog kleuren zijn tweede leven, dat hij zonder meer wonderbaarlijk noemt. Iedereen is zondaar in De Biecht, en je dromen vertellen is er de regel. Vroeger, voordat hij met de tram reed, heeft hij veel boeken gelezen, maar de wijsheid ligt volgens hem elders. Voor Louis beginnen dromen tegenwoordig bij een pint en eindigen ze af en toe met een wip met de Chinese. Hij doet er niemand kwaad mee. Als hij er goed over nadenkt, loopt Simone tegen de vijftig, Mei Lan is eenentwintig, de eerste heeft zichzelf geschorst, bij de tweede kan hij zijn gedachten verzetten. Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen. Je vindt je weg wel…
20