D IRK MUSSCHOOT
MOEDER IS WEG Als alzheimer het leven verandert
3|
Alle situaties in dit boek zijn echt gebeurd. Om privacyredenen heb ik wel enkele mensen en plaatsen een andere naam gegeven. Dirk Musschoot
INHOUD Luciferdoosje 7 Het gaat niet over 9 Narcose 13 Elf is één plus één 17 Controle 21 Scheelt er iets? 25 Dag of nacht? 29 Afwaswater 33 Hoezo, in Engeland? 37 Westende-blues 41 De weg kwijt 45 Meneer de psycholoog 51 Veilig in het ziekenhuis 57 Zonnewende 65 Alzheimer is een smeerlap 77 Het kind in oma 83 Zeventig 87 Neighbours 91 Opruimen 97 Mist 101 La vie en rose 107 Rietjes en lepeltjes 113 Vrienden van vroeger 117 Onbekwaam 125 Blijven proberen 129 Hebt u even? 133 5 |Eén jaar later 135
Dementie en alzheimer 141 Boeken over dementie en alzheimer waar ik zelf iets tot veel aan gehad heb 142 Boeken voor kinderen (hoofdzakelijk lagereschoolleeftijd) 144 Informatie over dementie en alzheimer in Vlaanderen 145 Informatie over dementie en alzheimer in Nederland 146 Internationale sites 147
LUCIFERDOOSJE
Op het doodsprentje van papa beloven mijn broer, mijn zus en ikzelf dat we voor moeke zullen zorgen. Hij hoeft zich ginder – ik stel me voor dat dat achter de wolken is, vanwaar hij ons gadeslaat – geen zorgen te maken: wij redden het wel. En zij ook. In de begindagen, -weken en zelfs -maanden loopt dat vanzelf. De dag na de begrafenis van mijn vader wordt een boek van mij voorgesteld. Zij zit op de eerste rij en krijgt veel belangstelling. Ze geniet, ondanks alles. We moedigen haar aan om bezig te zijn. Ze engageert zich in een kringloopwinkel, waar ze samen met haar vriendin Irène kleren sorteert en beoordeelt op hun kwaliteit. Ze gaat als vrijwilligster zieken bezoeken, ze verkoopt wenskaarten en kaarsen voor het goede doel, ze gaat op reis met de seniorenclub en brengt van die reizen goedbedoelde maar afgrijselijke cadeautjes mee. Mensen die het kunnen weten, hebben gewaarschuwd voor het zwarte gat dat dreigt als een vrouw haar man verliest. Het lijkt me niet iets waar zij bang voor hoeft te zijn. Met de sociale contacten die zij en mijn vader hebben opgebouwd, kan ze nog een leven lang verder. Oma wordt zo vaak mogelijk ingeschakeld als babysit. Dat helpt ook. Wat goed dat Fons, een jeugdvriend van mijn ouders, haar opnieuw heeft leren autorijden. Haar rijbewijs stamt uit de tijd dat je het voor niets kreeg, de praktijk is er in al die jaren niet eenvoudiger op geworden. Maar ze doet het, en het lukt. We ruilen haar auto, een Opel Omega waar vroeger een heel gezin mee naar Oostenrijk 7 | reisde, voor een Agila. We gaan het karretje – ik vind het maar
|7
niets, maar het is ongetwijfeld haar ding – op een ochtend af halen in de garage, waar men er een kleine plechtigheid rond bouwt. Een glas bubbels en een foto. Doe normaal, denk ik, en de man van de garage nodigt ons uit voor een inlooprit. Mijn moeder achter het stuur, hij ernaast (om de knopjes aan te wijzen) en ik achteraan – toch nog ruim, zo’n luciferdoosje. De rit duurt een halfuurtje of zo en ik sta doodsangsten uit. Ze rijdt veel te veel aan de rechterkant, vind ik, de ene keer te snel en de andere keer te traag. Het duurt ook veel te lang voor ze schakelt, en als ik op de ringweg de hete adem van een flinke vrachtwagen in mijn nek voel, leun ik naar voren tussen de twee stoelen, klaar voor een opmerking. De man van de garage heeft het zien aankomen. Hij heft zijn hand op (Zeg maar niets, wil dat zeggen) en maant mijn moeder op een allervriendelijkste manier aan tot wat meer gas. Ze doet wat hij vraagt en hij knipoogt naar mij. Autoverkopers zijn psychologen. Dat autootje wordt haar vrijheid, denk ik – hoop ik. Ze rijdt ermee van hot naar haar en ik zie dat ze langzaam maar zeker weer zin krijgt in het leven. Ik draai me op mijn rechterzij en kan voor het eerst sinds lang een hele nacht doorslapen.
8|
HET GAAT NIET OVER
We zijn twee jaar verder, maar dat nieuwe, onbezorgde leven is maar schijn. Nooit staat de radio nog aan, nooit nog schuift ze een cd’tje in de speler. Toch zijn er genoeg in huis. Er zit een cd-speler in haar auto, maar ook die blijft stom. Het wordt zomer en de achterdeur van het huis blijft dicht. Jarenlang stond die op warme dagen wagenwijd open, met gekleurde plastic linten in het deurgat om vliegen buiten te houden. De linten hangen nu samengeknoopt in een dikke dot. Vroeger is voorbij, de tijd dat we onbezorgd achteromliepen, door de tuin en zo naar de keukendeur. We duwden ons hoofd tussen de linten en riepen Storen we? De achterdeur blijft niet alleen dicht, ze is ook op slot. Dat merk ik als ik nog maar eens, uit pure gewoonte, naar de achterkant van het huis loop en zo niet meer binnen raak. Naast de achterdeur staan tuinstoelen in elkaar gestapeld. Ze zitten onder het stof, onbezeten als ze zijn. Er staan geraniums en begonia’s in potten op de vensterbank en op de grond, maar het is duidelijk dat ze niet de zorgen krijgen die ze verdienen. Ik mis de uitbundigheid van een bloeiende tuin, de vrolijkheid van wapperende linten, het welkom van openstaande deuren, gewassen tuinstoelen en een met een plastic laken gedekte tuintafel. Er zit onkruid in het gras en tussen de voegen van het met natuurstenen geplaveide tuinpad. Ik neem de voordeur. Binnen, waar gordijnen het zonlicht buiten houden, vraag ik waarom ze de achterdeur dichthoudt. ‘Voor je het weet staan ze in 9 | je huis’, zegt ze. ‘Je leest het elke dag in de krant.’ Ze bedoelt ven-
|9
ters, verkondigers van het evangelie en oplichters. ‘Of erger’, weet ze. ‘Een paar weken geleden nog…’
10 |
Ik kan niet bij mijn moeder op bezoek komen of ik krijg iets van vroeger cadeau. Het is een gulheid die ook mijn broer en mijn zus te beurt valt. ‘Heb ik toch niet meer nodig’, zegt ze dan. Een fles wijn, te oud om nog drinkbaar te zijn. ‘Drink ik toch niet meer.’ Dat barbecuestel. ‘Te groot voor mij alleen.’ Het valt me op hoe nadrukkelijk die grote foto van papa in het midden van de eettafel blijft staan. Tijdens de begrafenis stond die op zijn kist. Nu staat hij daar, al meer dan twee jaar. Ze brandt er de ene kaars na de andere, het enige licht in het donkere huis. Ik vraag me af of dat gedoe met die kaarsen wel veilig is. Ze dooft ze toch als ze het huis uitgaat, of gaat slapen? Op een dag stel ik die vraag hardop. Ze snuift. Wat denk ik wel? Maar enkele weken later zie ik dat ze de brandende kaars heeft vervangen door een flikkerende kaars op batterijen. Het lijkt nergens op, maar het is beslist veiliger, dus zeg ik niets. Aan de muur hangt nu een zweverige tekst over Danny – zijn naam. Ik vraag haar waar ze die vandaan heeft. Gekocht, zegt ze. Overal in het huis kom ik mijn vaders doodsprentje tegen en op zolder – daar waar vroeger mijn kamertje was, ik kan er nu slechts komen met een smoes – zie ik dat ze foto’s van vroeger heeft zitten bekijken. Ik laat de uitgestrooide foto’s door mijn handen glijden. Ze waren een knap koppel, zij was een mooie vrouw. Ik moet mezelf corrigeren: is. Terug beneden wil ik haar vragen of ze hem mist. Het is een overbodige vraag, want ik ken het antwoord. Het is ook een intieme vraag en aangezien we nooit erg intiem zijn geweest, stel ik ze maar niet.
Maar een antwoord komt vaak ongevraagd. Of geheel onverwachts en toevallig. Op de keukentafel vind ik een doosje antidepressiva en ik vraag – dom van mij, of juist niet? – ‘Wat is dit?’ ‘Pillen!’ ‘Zijn die wel nodig?’ ‘De dokter zegt van wel. Bovendien: beseffen jullie wel wat dat is: alleen zijn?’ ‘Eh, je bent toch elk weekend bij ons? En je komt toch vaak babysitten? En we zijn laatst toch wel samen naar Helmut Lotti gegaan?’ ‘Jaja, maar elke avond weer in je eentje in dit lege huis zitten, weer in dat koude bed kruipen… Besef jij wel wat dat is?’ Het klinkt verwijtender dan het is bedoeld, ongetwijfeld, maar ik laat me desondanks opjutten. ‘Denk jij misschien dat wij papa niet missen, dat wij niet aan hem denken? Waarom neem je je leven niet weer op? Waarom zoek je geen lief ?’ Het is eruit voor ik het goed en wel besef en haar ogen schieten vuur. Een ander na hem? Een groter verraad kan ze zich niet indenken.
11 |
| 11
NARCOSE
Ze belt. Ze heeft buikpijn, zegt ze, verschrikkelijke buikpijn. Ik heb haar nogal horen klagen, aandacht vragen. Hoe maak je het? en dan een heel verhaal. Eén druivensuikertje en ze is zo weer gezond. ‘Overdrijf je niet?’ ‘Wat weet jij daar nu van?’ Maar dit klinkt anders. Ik voel iets van paniek in haar stem. Het is ook de eerste keer dat ze expliciet belt om te zeggen dat er iets mis is in dat lijf van haar. ‘Ben je zeker van die buikpijn?’ ‘Het is al sinds vanmiddag.’ Het is te laat op de avond voor de huisarts, dus zeg ik dat ik meteen kom. Een vreemde onrust maakt zich van mij meester. Het is een gevoel dat ik een eerste keer kreeg toen ik, op mijn hotelkamer in New York, te horen kreeg van de kanker van mijn vader. Beneden krioelden duizenden mensen op Times Square, maar in België had zopas een man te horen gekregen dat hij darmkanker had. Eén man, wat maakte het uit? Niets, ware het niet dat hij mijn vader was. Machteloosheid maakte zich van mij meester. De waaromvraag. En mijn vliegtuig ging pas drie dagen later. Een organisatorisch probleem kan ik oplossen. Een technisch probleem laat ik oplossen. Maar dit is anders, en ik krijg er op slag maagpijn van. Mijn auto rijdt vanzelf naar mijn ouderlijk huis, hij kent intussen 13 | de weg. Ik bel mijn zus, want misschien moeten we het straks wel
over vrouwenzaken hebben en daar voel ik me eerlijk gezegd wat onwennig bij. Bovendien: hoe openhartig wil mijn moeder tegen mij zijn? Ik heb trouwens eerder al gemerkt dat ze over bepaalde zaken meer aan mijn zus of aan mijn vrouw vertelt dan aan mij. Dus bel ik haar. Ik probeer niet al te dramatisch te klinken, maar ik ben ongerust – nu wel. Ze komt direct, zegt ze. Ze brengen samen uren door op de spoedafdeling van het ziekenhuis. Er is iets aan haar maag. Niets levensbedreigends, maar wel iets waarnaar gekeken moet worden. ‘Iets aan haar maag? Wat dan?’ vraag ik aan de telefoon, het is inmiddels nacht. ‘Dat weten ze zelf nog niet helemaal’, zucht mijn zus. ‘Morgen weten we meer.’ Minstens die nacht blijft ze in het ziekenhuis. Morgen weten we meer, dat hoop ik van harte. Het wordt een operatie en de avond voor D-day breng ik door op haar kamer. Ze krijgt twee witte boterhammetjes met wat mager beleg, een kopje koffie en een potje yoghurt. ‘Dik word je daar ook niet van.’ ‘Zwijg.’ ‘Sorry.’ We kijken naar het journaal en we vermijden het onderwerp dat ons in beslag neemt: haar operatie. Een routine-ingreep, heeft de arts tegen mijn zus gezegd, maar dat geloof je toch nooit helemaal. Ik ben geneigd te zeggen dat je moet opletten met routineingrepen, met routine in het algemeen, maar dat houd ik vanavond maar beter voor mezelf. 14 |
Ik ben onrustig en ik zie dat zij het ook is. Het verbaast me dat zij het is. Voor een operatie is ze nooit bang geweest – ze heeft er een paar gehad. ‘Ze doen je in slaap en als je wakker wordt, ben je gerepareerd. Geopereerd en gerepareerd. Haha. Meer is daar niet aan.’ Zo probeerde ze ons altijd gerust te stellen. Maar vanavond moet zij worden gerustgesteld. Ik probeer het met dezelfde woorden, maar dat valt niet in goede aarde. ‘Jij weet niet wat dat is, een operatie.’ Ze heeft gelijk en ik prijs me gelukkig dat ik dat niet weet. Ik heb nog nooit van mijn leven een operatiekamer aan de binnenkant gezien en wat mij betreft mag dat nog jaren zo blijven. Om acht uur klinkt door de luidsprekers dat het bezoekuur is afgelopen. Ik maak aanstalten om te vertrekken. Dan begint ze te huilen. ‘Wat scheelt er?’ ‘Wat scheelt er? Wat scheelt er? Jij hebt geen idee…’ ‘Ik heb geen idee van wát?’ ‘Zo’n operatie… En er helemaal alleen voor staan.’ Ik neem haar in mijn armen. ‘Je staat er niet alleen voor. Je zult het zien. Als je wakker wordt, zullen wij er zijn.’ We zijn er allemaal, haar kinderen, als ze wakker wordt in die beslist ongezellige ontwaakkamer. Ze is verward. Dagen later is ze dat nog. ‘Een zware narcose op wat oudere leeftijd is nooit goed’, zegt de arts. Weken later blijkt dat de operatie niet helemaal is geslaagd en dat ze nog een keer onder het mes moet. Ze ziet het allemaal niet meer zitten, al kan er op een keer wel nog een grapje vanaf: ‘Ze 15 | zouden me beter een rits kunnen geven, vind je niet?’
Deze keer leveren de artsen een voorbeeldig werkstukje af, maar het is opnieuw de verdoving die moeke parten speelt. Veel later zal een arts vragen: ‘Is uw moeder de jongste jaren onder narcose geweest?’
16 |
ELF IS ÉÉN PLUS ÉÉN
We praten niet over wat ons nu al enkele jaren bezighoudt, maar we weten van elkaar dát het ons bezighoudt. Er is een feestje met de uitdrukkelijke aanwezigheid van een lege stoel. Ze haalt een ingelijste foto uit haar handtas, zijn foto, en geeft hem een prominente plaats op de tafel. We vinden het goed. Natuurlijk vinden we het goed, maar toch. Horen zulke dingen niet een beetje te slijten? Ik probeer het te vatten. Haar verdriet is mijn verdriet maal tien. Dus nee, ze overdrijft niet. Maar ze overdrijft wel als ze op een keer haar haar een spoeling geeft en met een halfgroen hoofd bij ons thuis verschijnt. Disco-oma, lach ik, maar daar kan zij niet om lachen. Ze wil niet zeggen wat er is gebeurd, en ik dring maar niet aan want ik weet dat we binnen enkele seconden ruzie kunnen hebben. Enkele dagen later hébben we ruzie. Tien minuten voor op televisie haar lievelingsfeuilleton Thuis van start gaat, belt ze me op. Ik lig languit op de bank na een vermoeiende dag op de krant en ze zegt dat ze het televisiekanaal niet terugvindt waarop Thuis wordt uitgezonden. Het is op elf, weet ze, maar haar afstandsbediening is kapot. Ofwel is het haar televisietoestel zelf. Alle zenders tot negen werken perfect, maar vanaf tien gaat het niet meer. Ik probeer me voor te stellen wat het probleem zou kunnen zijn. Zitten er wel batterijen in de afstandsbediening? Misschien zijn ze leeg? Ja, er zitten batterijen in het toestel – wat denk ik wel? En nee, ze 17 | zijn niet leeg, want het lukt wel om af te stemmen op de kanalen
één tot en met negen. Maar vanaf tien gaat het dus niet meer. En Thuis is op elf! En over zes minuten begint haar programma! En of ik haar nu eindelijk eens wil uitleggen waarom ze niet op elf komt? Ik vraag haar hoe ze anders op elf komt. ‘Gewoon, door op elf te drukken.’ Ik zeg haar dat er toch geen cijfer elf op de afstandsbediening staat. Stilte aan de andere kant van de lijn. ‘Waar is die dan naartoe?’ Ik bijt op mijn tanden en leg haar uit dat je de elf vormt door de combinatie van twee keer het cijfer één. Ik hoor haar proberen en zuchten. Het lukt niet, zegt ze. Als ze twee keer op één drukt, komt ze op één terecht en daar zit een andere zender en dus niet Thuis. Verdomme! Ik wind me op en vraag of er op haar afstandsbediening geen knop zit die ze moet indrukken vooraleer ze cijfers gaat combineren. Nee, die knop zit er niet. Of er geen knop is met een pijltje erop, zo’n knop om de programma’s in oplopende of aflopende volgorde op te roepen? Nee, zo’n knop heeft ze ook niet. Verdomme – deze keer iets luider. Ik schakel de telefoon uit, trek mijn schoenen aan en spring in mijn auto. Als het meezit, ben ik in minder dan tien minuten bij haar.
18 |
‘Zó doe je dat!’ Ik druk op de toets, vorm twee keer de één en meteen zitten we in een geanimeerd gesprek tussen Janine Bischops en Nolle Versyp. ‘Is dat nu zo moeilijk?’ Mijn moeder haalt haar schouders op. Haar aandacht is meteen getrokken door haar favoriete televisieprogramma en ze zegt: ‘Kijk,
dokter Dré.’ Ze neemt de afstandsbediening uit mijn handen, gaat voor de televisie zitten en sopt haar boterhammen in koude koffie. Ik probeer nog een gesprek aan te knopen, te vragen wat dat allemaal te betekenen had. Het enige wat ze zegt is: ‘De groeten thuis.’ Onderweg naar huis bedenk ik dat ik dat nog nooit heb meegemaakt: mijn moeder die voor de televisie haar boterhammen zit op te eten.
19 |
www.lannoo.com Registreer u nu op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Omslagontwerp Studio Lannoo Omslagfoto Getty Images Vormgeving binnenwerk Keppie & Keppie Foto p. 149 Kristof Ghyselinck © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt en Dirk Musschoot, 2009 D/2016/45/592 – ISBN 978-94-014-4276-3 – NUR 740 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, cd-rom, internet of anderszins 151 | zonder voorafgaande uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de uitgever.