Serafina kronkelstaf enendedezwarte mantel
Vertaald door Mireille Vroege
en de Robert beatty
Robert beatty
Vertaald door Mireille Vroege Vertaald door Mireille Vroege
www.lannoo.com Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2017 ISBN 978 94 014 4254 1 D/2017/45/662 NUR 283 Oorspronkelijke titel: Serafina and the Twisted Staff Oorspronkelijke uitgever Disney Hyperion, 2016 © Copyright tekst © Robert Beatty, 2016 In overleg met de auteur. Alle rechten voorbehouden. © Nederlandse editie Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2017 Vertaling Mireille Vroege Omslagillustratie © Alexander Jansson Vormgeving cover Maria Elias & Studio Lannoo Opmaak binnenwerk Mieke Smalle
Dit boek draag ik aan jullie op, aan de lezers die er mee voor hebben gezorgd dat Serafina en de zwarte mantel een succes is geworden en daarmee ook dit tweede boek mogelijk hebben gemaakt. En ik draag het op aan Jennifer, Camille, Genevieve en Elizabeth, mijn grote liefdes, die dit boek samen met mij hebben bedacht en gemaakt.
Huize Biltmore, Asheville, North Carolina 1899
Drie weken nadat de man met de zwarte mantel verslagen werd
1
Serafina liep door het struikgewas in het door de maan beschenen bos. Ze hield haar lichaam laag, haar ogen op haar prooi gericht. Een paar meter voor haar zat een grote pluimstaartrat te knagen op een kever die hij had opgegraven. Haar hart klopte krachtig en rustig in haar borst op het ritme van haar langzame, stille sluippassen. Haar spieren tintelden, klaar om toe te slaan, maar ze nam de tijd. Ze draaide haar schouders naar voren en naar achteren om precies de juiste stand voor haar aanval te vinden, en ze wachtte op precies het juiste moment. Toen de rat zijn kopje omlaag deed om nog een kever te pakken, sloeg ze toe. Op het moment dat ze sprong, ving de rat in zijn ooghoek een glimp van haar op. Ze begreep niet waarom zo veel dieren in het bos verstijfden van angst op het moment dat zij toesloeg. Als zíj vanuit het duister door een doodsbedreiging met tanden en klauwen zou worden besprongen, zou ze vechten. Of vluchten. Ze zou in elk geval íéts doen. Bosdiertjes zoals ratten, konijnen en eekhoorns stonden niet bekend om hun moedige karakter, maar met verstijven van doodsangst schoot je toch ook niets op? Ze stortte zich op de rat, greep hem nog voor hij met een snorhaar kon trillen vast, en klemde hem in haar hand. Nu het 6
veel te laat was, begon hij te spartelen, te bijten en te krabben. Zijn harige lijfje werd een kronkelende slang en zijn piepkleine hartje ging als een razende tekeer. Nou, eindelijk, dacht ze toen ze het bonken van zijn hartslag in haar blote hand voelde. Hij vecht, eindelijk. Haar eigen hart begon er sneller door te slaan en haar zintuigen werden scherper. Ze nam plotseling alles in het bos om haar heen waar – het geluid van een boomkikker die op een tak tien meter achter haar ging verzitten, in de verte het schrille gepiep van een eenzame houtsnip, en een flits van een vleermuis die boven het bladerdak van de bomen langs de sterrenhemel scheerde. Het was natuurlijk allemaal oefening, dat sluipen, toeslaan en de prooi grijpen. Ze doodde de wilde dieren waarop ze jaagde niet, dat was nergens voor nodig, maar dat wisten die beesten natuurlijk niet! Ze waren doodsbang voor haar. Zij was de dood! Dus waarom verstijfden ze dan op het laatste moment van haar aanval? Waarom vluchtten ze niet? Serafina ging op de bosgrond zitten, met haar rug tegen de oude, knoestige, met mos begroeide eik, en hield haar vuist, met daarin de rat geklemd, op haar schoot. Toen opende ze langzaam haar hand. De rat schoot zo snel hij kon weg, maar ze pakte hem vlug beet en legde hem weer op haar schoot. Ze hield de rat een paar seconden stevig vast en opende toen opnieuw haar hand. Deze keer ging de rat er niet vandoor. Hij bleef trillend en hijgend op haar hand zitten, te geschrokken en te moe om in beweging te komen. 7
Ze hield het doodsbange knaagdiertje op haar geopende hand wat hoger, hield haar hoofd schuin en bekeek het eens goed. De pluimstaartrat zag er heel anders uit dan de gemene grijze rioolratten die ze vroeger ving in het souterrain van Huize Biltmore. De rat die ze nu had gevangen had het litteken van een scheur in zijn linkeroor. Hij had dus al eens eerder in de problemen gezeten. En met zijn donkere oogjes, sidderende snorharen en lange, spitse neus zag hij er meer uit als een schattige, mollige bruine muis dan als het echte ongedierte waar zij haar titel aan had verdiend. Ze zag hem al bijna voor zich met een hoedje op zijn kop en een jasje met knopen aan. Ze voelde zich plotseling schuldig dat ze hem had gevangen, maar ze wist ook dat als hij opnieuw probeerde te vluchten, ze hem weer zou vastgrijpen voor ze er zelfs maar over had nagedacht. Dat was geen besluit. Dat was een reflex. De kleine rat probeerde op adem te komen en zijn oogjes schoten van links naar rechts, op zoek naar een vluchtroute, maar hij liet het wel uit zijn hoofd. Hij wist dat ze hem, zodra hij zou proberen te vluchten, weer vast zou pakken, dat haar soort nu eenmaal de neiging had om met hem te willen spelen, hem beetpakken, vasthouden, tot hij eindelijk dood was. Maar ze keek naar de rat en zette hem toen neer op de grond. ‘Sorry, ventje… ik moest even oefenen.’ De rat keek niet-begrijpend naar haar op. ‘Ga maar’, zei ze vriendelijk. De rat keek naar het bosje distelplanten. ‘Het is geen valstrik’, zei ze. De rat geloofde haar zo te zien niet. 8
‘Ga maar naar huis’, zei ze. ‘Eerst langzaam weglopen, niet te snel – zo gaat het goed. En hou de volgende keer je ogen en oren open, zelfs als je een kever gevangen hebt, ja? Er lopen veel gemenere wezens in dit bos rond dan ik.’ De pluimstaartrat met het gescheurde oortje wreef verbaasd met zijn handjes over zijn snuit en deed zijn kopje omlaag, bijna alsof hij voor haar boog. Ze liet door haar neus een snuivend lachje horen; de rat schrok en kwam eindelijk in actie. Hij kwam snel bij zijn positieven en schoot het bosje in. ‘Prettige avond verder’, zei ze. Ze vermoedde dat hij, naarmate hij verder bij haar uit de buurt raakte, de herinnering aan zijn moed mooier zou maken dan die was en dat hij tegen de tijd dat hij ’s avonds thuiskwam voor het eten zijn vrouw en kindertjes een mooi verhaal te vertellen had. Met een glimlach op haar gezicht stelde ze zich voor hoe hij omringd door zijn gezin een geweldig, niet helemaal eerlijk verhaal zat op te dissen, over dat hij in het bos gewoon op zijn gemak op een kever zat te kauwen en dat toen een gemeen roofdier boven op hem was gesprongen en dat hij voor zijn leven had moeten vechten. Ze vroeg zich af of ze in het verhaal een beest of een woeste kracht zou zijn. Of gewoon een meisje. Op dat moment hoorde ze een geluid, alsof er een herfstwindje door de boomtoppen woei, maar er stond geen wind. De nacht was koud, stil en volkomen roerloos, alsof God zijn adem inhield. Ze hoorde teer, bijna doorzichtig, fluisterachtig gemompel. Ze keek omhoog, maar zag alleen de takken van de bomen. Ze kwam overeind, veegde de eenvoudige groene werkjurk 9
schoon die mevrouw Vanderbilt haar de dag ervoor had gegeven en liep door het bos terwijl ze naar het geluid luisterde. Ze probeerde vast te stellen van welke kant het kwam. Ze hield haar hoofd schuin naar links en toen naar rechts, maar het was net alsof het geluid geen vaste plaats had. Ze liep naar een rotsig klif, waar de grond steil omlaag liep naar een bebost dal. Vandaar kon ze heel ver kijken, kilometers ver over de mist tot aan het silhouet van de Blue Ridgebergen aan de andere kant. Een dunne laag opgloeiende zilverwitte wolken dreef langzaam voor de maan langs. De helle maan strooide een wijde lichtkring over de vederlichte wolken, scheen erdoorheen en wierp een lange, onregelmatige schaduw op de grond achter haar. Ze stond op de rotsrand en tuurde over de vallei die voor haar lag. In de verte stegen de torenspitsen en leien daken van het voorname Huize Biltmore op uit de duisternis van het omringende bos. De lichtgrijze kalkstenen muren waren versierd met gargouilles van mythische beesten en fraaie beeldhouwwerken van krijgers uit vroegere tijden. De sterren werden weerspiegeld door de schuine ruiten, en de met goud en koper afgewerkte dakrand van het landhuis glinsterde in het licht van de maan. Daar in het grote huis sliepen meneer en mevrouw Vanderbilt op de eerste verdieping, net als hun neefje, haar vriend, Braeden Vanderbilt. De gasten van de familie Vanderbilt – familieleden van buiten de stad, zakenmensen, hoogwaardigheidsbekleders, beroemde kunstenaars – sliepen op de tweede verdieping, ieder in zijn eigen luxueus ingerichte kamer. 10
De vader van Serafina onderhield het met stoom aangedreven verwarmingssysteem, de elektrische dynamo, de wasmachines, aangedreven door ronddraaiende leren riemen, en alle andere nieuwerwetse apparaten op het landgoed. Ze woonde samen met haar vader in de werkplaats in het souterrain aan het einde van de gang, achter de keukens, de washokken en voorraadkamers. Alle mensen die ze kende en van wie ze hield sliepen ’s nachts, maar Serafina zelf niet. Overdag deed ze zo nu en dan een dutje, opgekruld op een vensterbank of verstopt in een donker hoekje in het souterrain. ’s Nachts sloop ze door de gangen van Huize Biltmore, zowel boven als beneden, als een stille, ongeziene wachter. Ze verkende de kronkelpaden in de uitgestrekte tuinen en het landgoed en de donkere valleitjes van het omringende bos. En ze ging op jacht. Ze was een meisje van twaalf jaar, maar ze had nog nooit een naar de maatstaven van andere mensen normaal leven geleid. De enige die vond dat ze een normaal leven had geleid, was zijzelf. Ze had altijd in het enorme souterrain van het landhuis op ratten gejaagd. Haar vader had haar, een beetje voor de grap, de erv genoemd: de Eerste RattenVanger, maar ze had de titel met trots gedragen. Haar vader had altijd van haar gehouden en haar op zijn eigen onbehouwen manier zo goed mogelijk grootgebracht. Ze had het in elk geval nooit erg gevonden om elke avond met haar vader samen te eten en dan ’s nachts door het donker te sluipen om het grote huis van zijn knaagdieren te verlossen. Wie wel? Maar diep in haar hart was ze best een beetje eenzaam geweest en enorm in de war. Ze had nooit begrepen waarom 11
de meeste mensen in het donker een lantaarn droegen of wat hun bezielde om de hele nacht te slapen, terwijl allerlei dingen dan juist op hun mooist waren. Ze had de kinderen die op het landgoed rondliepen vaak genoeg uit de verte bekeken om te weten dat zij anders was. Als ze in een spiegel keek, zag ze een meisje met grote amberkleurige ogen, sterk schuin staande jukbeenderen, en een rommelige bos bruin haar met lichte strepen erdoor. Nee, ze was geen normaal, alledaags kind. Ze behoorde geen enkele dag toe. Ze was een wezen van de nacht. Terwijl ze daar zo aan de rand van de vallei stond, hoorde ze opnieuw het geluid dat haar daarheen had gebracht – een zacht gedwarrel, als een rivier van gefluister dat werd meegevoerd op de stroming van de wind hoog boven haar. De sterren en planeten hingen in de donkere lucht en fonkelden alsof er tienduizend zielen leefden, maar ze hadden geen antwoord op het raadsel. Er trok een kleine, donkere vorm voor de maan langs, die vervolgens verdween. Haar hart sloeg een slag over. Wat was dat? Ze keek. Er trok nog een vorm langs de maan, en toen nog een. Eerst dacht ze dat het vleermuizen waren, maar vleermuizen vlogen niet in zo’n rechte lijn. Ze fronste niet-begrijpend en gefascineerd haar voorhoofd. Het ene na het andere vormpje gleed voor de maan langs. Ze keek omhoog naar de lucht en zag de sterren verdwijnen. Haar ogen werden groot van schrik, maar toen begon haar langzaam te dagen wat ze zag. Als ze haar ogen precies genoeg samenkneep, zag ze grote zwermen zangvogels over de vallei vliegen. 12
Niet een of twee, of zelfs tien, maar lange stromen waar geen einde aan leek te komen, hele wolken. De lucht was vergeven van de vogels. Het geluid dat ze hoorde was het zachte gemurmel van duizenden vleugeltjes van spreeuwen, winterkonink jes en pestvogels die aan hun najaarstrek bezig waren. Het waren net edelstenen, groen en goud, geel en zwart, gestreept en gevlekt, duizenden, maar dan ook duizenden. Het was eigenlijk al veel te laat in het jaar om nog te trekken, maar ze deden het toch. Ze joegen met fladderende vleugeltjes langs de hemel, voor de winter op weg naar het zuiden. Ze reisden stiekem ’s nachts om de haviken die overdag jaagden niet tegen te komen, en ze oriënteerden zich op de bergrichels onder hen en de stand van de glinsterende sterren boven hen. De schichtige, zenuwachtige beweging van vogels had haar altijd gefascineerd, had haar hart sneller doen slaan, maar deze keer was het anders. Die nacht voelde ze tot diep in haar hart hoe stoer en mooi de trek van deze vogeltjes over de bergketen van het continent was. Ze had het gevoel alsof ze iets meemaakte wat ze nooit meer zou meemaken, maar toen besefte ze dat de vogels het pad volgden dat hun ouders en grootouders hun hadden gewezen, dat ze al miljoenen jaren deze route vlogen. Het enige wat hieraan ‘eenmalig’ was, was zíj, het feit dat zij hier was, dat zij het zag. En ze was er erg van onder de indruk. Toen ze de vogels zag, moest ze aan Braeden denken. Hij hield van vogels, en van alle andere dieren. ‘Ik wou dat je dit kon zien’, fluisterde ze, alsof hij wakker in zijn bed lag en haar over de kilometers die hen scheidden heen 13
kon horen. Ze verlangde ernaar dit moment met haar vriend te delen. Ze wilde dat hij naast haar stond en omhoogkeek naar de sterren, de vogels, de zilvergerande wolken en de maan in al zijn pracht. Ze wist dat ze er hem de volgende keer dat ze hem zag meteen over zou vertellen, maar woorden die je overdag sprak konden nooit de schoonheid van de nacht vangen. Een paar weken geleden hadden Braeden en zij de man met de zwarte mantel verslagen en de zwarte mantel aan flarden gescheurd. Braeden en zij waren bondgenoten geweest, en goede vrienden, maar het drong opnieuw tot haar door, en deze keer dieper dan ooit, dat ze hem al een paar nachten niet had gezien. Elke nacht verwachtte ze dat hij in de werkplaats zou langskomen, maar elke ochtend ging ze weer teleurgesteld naar bed, en knaagde de twijfel aan haar. Wat was hij aan het doen? Wilde hij om de een of andere reden niet naar haar toe komen? Ontweek hij haar met opzet? Ze was zo blij geweest dat ze eindelijk een vriend had met wie ze kon praten. De gedachte dat zij hooguit een nieuwigheidje voor hem was geweest dat hij nu al niet meer spannend vond, en dat ze nu in eenzame nachten weer in haar eentje op jacht moest, maakte dat ze vanbinnen ziedde van woede. Ze waren vrienden. Dat wist ze zeker. Toch was ze bang dat ze bij daglicht niet bij het leven op de hogere verdiepingen paste, dat ze daar niet thuishoorde. Zou hij haar dan al zo snel vergeten zijn? De zwerm vogels werd minder dicht, het moment was voorbij en ze keek peinzend uit over de vallei. Nadat ze de man met de zwarte mantel hadden verslagen, beschouwde ze zichzelf als een van de wachters – de marmeren leeuwen die aan 14
weerskanten van de voordeur van Huize Biltmore stonden en het huis beschermden tegen demonen en kwade geesten. Ze beschouwde zichzelf niet alleen als de erv van klein ongedierte op vier pootjes, maar van alle soorten indringers. Haar vader had haar altijd gewaarschuwd voor de wereld en de gevaren die voor haar ziel dreigden, en na alles wat er was gebeurd, wist ze zeker dat er nog veel meer demonen in de wereld waren. Ze was nu al weken aan het kijken en het wachten, als een wachter op een wachttoren, maar ze had geen idee wanneer of in wat voor gedaante de demonen zouden komen. Diep in haar hart was haar grootste zorg, als ze heel eerlijk was, of ze wel sterk en slim genoeg zou zijn, of ze als het roofdier of als de prooi zou eindigen. Misschien wisten de kleine dieren, zoals de pluimstaartrat en de eekhoorn, dat de dood elk moment kon toeslaan. Beschouwden die zichzelf als prooi? Misschien verwachtten zij bijna dat ze zouden doodgaan, waren ze bereid om dood te gaan. Zij absoluut niet. Zij wilde nog van alles doen. Haar vriendschap met Braeden was nog maar net begonnen, en die ging ze niet zomaar opgeven omdat er moeilijkheden op hun pad waren gekomen. En ze begon ook maar net te begrijpen hoe haar band met het bos in elkaar zat, en wie en wat ze was. Nu ze de familie Vanderbilt persoonlijk had ontmoet, had haar vader erop aangedrongen dat ze zich als een echt meisje met een leven overdag ging gedragen. Mevrouw V. riep haar vaak bij zich en had altijd een vriendelijk woord voor haar. Nu had ze dus het souterrain, het bos en de hogere verdiepingen van het huis; van iemand die te weinig familie had, had ze er 15
nu opeens te veel en werd ze drie kanten tegelijk op getrokken. Ze had jaren alleen met haar vader geleefd, zonder wat voor familie ook, dus het was fijn om nu aan haar nieuwe leven te beginnen. Dat was allemaal mooi en aardig. Als er zich gevaar aandiende, wilde ze vechten, wilde ze blijven leven. Wie niet? Maar stel dat het gevaar zich zo snel aandiende dat ze het helemaal niet zag aankomen? Stel dat de klauwen, net als wanneer een uil een muis aanvalt, uit de hemel vielen en haar doodden nog voor ze zelfs maar doorhad wat er aan de hand was? Stel dat het echte gevaar er niet alleen uit bestond of ze kon vechten tegen de dreiging die zich aandiende, wat die ook mocht zijn, maar ook of ze haar wel als zodanig herkende voor het te laat was? Hoe meer ze nadacht over de zwermen vogels die ze had gezien, hoe meer haar gemoedsrust erdoor van slag raakte. Het was nog heerlijk warm, maar ze kon de gedachte niet van zich afzetten dat het december was en voor de vogels dus veel te laat in het jaar om nog te trekken. Ze fronste haar voorhoofd en tuurde de hemel af op zoek naar de Poolster. Toen ze die vond, besefte ze dat de vogels niet eens de goede kant op gevlogen waren. Ze wist niet eens of het wel het soort vogels was dat voor de winter naar het zuiden trok. Terwijl ze daar op de rotsrand van het klif stond, sijpelde er een duistere angst haar botten binnen. Ze keek omhoog naar waar ze daarnet de vogels had zien vliegen, en toen keek ze in de richting waaruit ze waren gekomen. Ze tuurde uit over het donker geworden bos. Ze probeerde te 16
snappen wat het te betekenen had. En opeens begreep ze wat er gaande was. De vogels waren niet aan het trekken. Ze waren op de vlucht. Ze haalde lang en diep adem, en haar lichaam maakte zich klaar. Haar hart begon te bonken. De spieren van haar armen en benen spanden zich aan. Ze wist niet wat het was, maar het kwam eraan. Het kwam er nĂş aan.
17