SUDOKU
Dank aan Larisa Reniers en Kristof Declercq voor het over mijn schouder meelezen tijdens de finishing touch van Sudoku. Dank aan Alexia voor de geweldige tip om een sudoku te plaatsen aan het begin van elk hoofdstuk, aan Jelena als onbewuste bron van inspiratie en aan mijn vrouw voor de tekst van a-ha hieronder, die verrassend relevant is.
sudoku He likes to have the morning paper’s crosswords solved Words go up words come down Forwards, backwards twisted round He grabs a pile of letters from a small suitcase Disappears into an office It’s another working day And his thoughts are full of strangers Corridors of naked lights And his mind once full of reason Now there’s more than meets the eye Oh, a stranger’s face he carries with him (a-ha, ‘Train of thought’)
BART DEBBAUT
SUDOKU
Boete en berouw verbrijzelen het zondig hart. Dat de druppels van mijn tranen een milde balsem mogen zijn (uit de ‘Mattheüspassie’ van J.S. Bach)
Elk hoofdstuk begint met een sudoku. Een unieke sudoku, die steeds gevulder wordt. In elk hoofdstuk geef ik een cijfer prijs. Wanneer slaag jij erin de sudoku volledig op te lossen? De oplossing vind je in mijn volgende boek…
Proloog
S
tilaan kwam hij bij bewustzijn. De hoofdpijn was niet te harden. Het bonsde in zijn hoofd, het was alsof er iemand met een voorhamer zijn hoofd bewerkt had. Waar was hij? Met veel moeite probeerde hij zijn ogen te openen, het lukte niet. Hij lag ongemakkelijk, maar slaagde er niet in een andere houding aan te nemen. Wat was er gebeurd? Waarom had hij zo’n hoofdpijn? En hoe kwam het dat hij niet kon bewegen? Hij probeerde zich te concentreren, maar vond geen aanleiding voor deze vreemde gewaarwording. Wat was er gebeurd? Was hij bij een ongeval betrokken geraakt? Lag hij in een ziekenhuis? Het leek onwaarschijnlijk, tenzij ze hem op een spijkerbed hadden gelegd. In zijn rug prikten oneffenheden die hij niet kon verklaren. Hij voelde een lichte bries. Lag hij buiten? Was het ongeval pas gebeurd? Was hij uit zijn auto geslingerd en onzacht in de berm terechtgekomen, waar hulpverleners hem straks zouden vinden? Hij spitste de oren. Geen geraas van auto’s, geen stemmen, geen sirene van een aanstormende ambulancewagen. Hooguit wat fluitende vogels. Met de grootste moeite slaagde hij erin zijn ogen te openen. Een helse pijnscheut dwong hem ze meteen weer te sluiten. Hij ademde snel, raakte in paniek. Hoelang lag hij hier al? Wie kon hem hier vinden? En wanneer? Een lichte tinteling in de vingers van zijn rechterhand gaf hem moed. Maar hoe hij ook probeerde, hij slaagde er niet in om te bewegen. Hij leek wel vastgesnoerd, en toch was dat niet het geval. Was hij onder zijn voertuig gekneld geraakt? Of erger nog, was zijn nek gebroken
5
en was hij nu verlamd? Was dat zijn lot, dat hij voortaan enkel nog zijn hoofd zou kunnen bewegen, met veel moeite dan nog? Opnieuw, voorzichtig nu, opende hij zijn ogen. Zijn hoofd bonsde nog steeds, een pijn die bijna ondraaglijk was. Hij zag links en rechts struiken, bomen. Het was bewolkt. Hij lag buiten, op zijn rug. Op een harde ondergrond, met scherpe randen die in zijn rug en benen priemden. De pijn verbijtend draaide hij langzaam zijn hoofd naar rechts. Toen hij zag waar hij lag, sloeg de angst hem om het hart. In de verte, hij kon de afstand niet inschatten, zag hij enkele schimmen rond een voertuig staan. Even verderop een tweede voertuig. Hij wilde hen roepen, maar verder dan een schor keelgeluid, bijna onhoorbaar, kwam hij niet. Wat was er gebeurd? Hij bleef het zich afvragen, terwijl paniek zich van hem meester maakte. Onder hem begon de grond te trillen. De drie schimmen gingen in een van de twee auto’s zitten en reden weg. Help me dan toch, probeerde hij te schreeuwen, vruchteloos. Het getril onder hem werd heviger, even later hoorde hij een snerpend geluid. Zijn hart bonsde in zijn keel. Het lawaai zwol aan tot een oorverdovend gekrijs. Help me, smeekte hij, maar hij wist dat niemand hem zou horen. Hij sloot zijn ogen opnieuw, wist wat er komen zou. Het laatste wat hij voelde, was een traan die over zijn gezicht gleed.
6
Hoofdstuk 1 1
I
lse en de twee kinderen zaten rechts, hij zat links van het gangpad. De stoel naast hem was vrij. Bij het raam zat een Aziaat, vermoedelijk een Japanner, dacht Philippe, al kon het evengoed een Koreaan zijn. Of een Chinees. Maar hij bleef bij zijn eerste gedachte. Want de manier waarop de man hem vriendelijk had toegeknikt toen hij zijn trolley in de bagageruimte bovenaan had opgeborgen en plaats had genomen op stoel 17C langs het gangpad, had hem ervan overtuigd dat het om een Japanner ging. Hij straalde een zekere respectvolle beleefdheid uit die je niet zou toeschrijven aan een Chinees. Het was misschien een vooroordeel, maar hij vond Chinezen over het algemeen minder gereserveerd dan Japanners. Net op het moment dat zijn nieuwsgierigheid hem dwong om de vermeende Japanner aan te spreken, werd hij aangeklampt door een rijzige man. In gebrekkig Engels vroeg die hem of hij eventueel
7
van plaats wilde wisselen. Zijn vrouw had de middelste stoel en hij zou helemaal vooraan moeten gaan zitten. Hij wees naar de vrouw achter hem die geen aandacht voor het gesprek leek te hebben, maar voor zich uit staarde. Philippe aarzelde. Aan de andere kant van het gangpad zaten zijn vrouw Ilse en hun kinderen Louise en Vince. Het vooruitzicht om helemaal op de eerste rij te moeten gaan zitten, vond hij daarom niet prettig. Hij wilde de Japanner erover aanspreken, maar zag toen hoe die net een praatje begon te maken met de mensen op de rij voor hen. ‘Mag ik u vragen uw plaats in te nemen?’ vroeg een stewardess aan de rijzige man. Ze was fors gebouwd en had een hoekig gezicht. ‘Lucia’ stond er op haar naamplaatje. ‘Sorry’, zei Philippe. ‘I would like to keep my seat. Next to my family.’ De man herhaalde zijn vraag, de ontgoocheling op zijn gezicht als ultiem argument. ‘Mijnheer,’ drong de stewardess nu met een kordate blik aan, ‘neem alstublieft uw plaats in. We gaan zo dadelijk opstijgen.’ Ze herhaalde het in het Engels. Daarop volgde een woordenwisseling tussen de rijzige man en zijn vrouw in een taal waaraan Philippe niets kon vastknopen. Uit zijn lichaamstaal kon hij wel opmaken dat de man duidelijk niet opgezet was met zijn weigering om plaats te maken. De vrouw fronste haar wenkbrauwen. Ze keek Philippe onzeker, ietwat angstig aan. Enkele ogenblikken later, nadat hij even was opgestaan om haar te laten passeren, had ze zich op de middelste stoel neergezet. Haar man had haar nog enkele woorden toegeworpen, daarna was hij nors kijkend naar voren gestapt. Een zeker schuldgevoel bekroop Philippe. Had hij plaats moeten maken en toch moeten kiezen voor de eerste rij? Hij was er snel uit. Waarom zou hij dat doen? ‘Wat was dat allemaal?’ vroeg Ilse.
8
Philippe legde het haar uit. Ze haalde haar schouders op. ‘Pech.’ ‘Het is wel erg voor haar.’ Opnieuw haalde ze haar schouders op en ze keek hem lachend en uitdagend aan. ‘Maak jij dan een praatje met haar. Ze is nogal knap, is het jouw type niet? Voor ze het beseft, heb je haar helemaal ingepalmd en zijn we geland.’ Ze giechelde, want ze vond het best grappig om haar man wat te kunnen plagen. Hij schudde zijn hoofd. ‘Goed bezig, mevrouw De Putter.’ Zijn grijns, vergezeld van hoog opgetrokken wenkbrauwen, lachte ze weg. ‘Amuseer je maar, ik ga met de kinderen naar een film kijken.’ Louise en Vince waren druk in de weer met het installeren van de tablet en het inpluggen van hun koptelefoons. Ze hadden enkele films gedownload en gingen hun vliegreis zo aangenaam mogelijk maken met Ten things I hate about you, of een andere film waarover ze dan nog uren zouden napraten. Hij opende de weekendkrant die op zijn schoot lag. Het artikel over de bankier die nu al jaren een niet te winnen, onvoorstelbare strijd voerde tegen kanker trok zijn aandacht. Hij las hoe de bankier eerst zijn vrouw verloren had aan borstkanker en drie jaar later zelf getroffen werd door een heel agressieve en zeldzame bloedkanker. De manier waarop hij met zijn ziekte omging, de kracht die van hem afstraalde in zijn schijnbaar op voorhand verloren strijd maakte een diepe indruk op Philippe. Toen de dokters hem in het universitair ziekenhuis van Leuven hadden opgegeven, was hij verder blijven vechten. Hij was naar Hamburg getrokken, waar een wereldvermaarde arts met een nieuwe, nog experimentele techniek begonnen was om de kanker via stamceltherapie te bestrijden. Zes maanden lang had zijn leven aan een zijden draadje gehangen, toen was hij terug
9
www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. omslagontwerp | Wil Immink Design omslagbeeld | iStock ontwerp binnenwerk | Studio Lannoo, Mediactief zetwerk | Mediactief Elke gelijkenis met bestaande gebeurtenissen en/of personen berust op louter toeval. Als u opmerkingen of vragen heeft, dan kunt u contact nemen met onze redactie: fictie@lannoo.com D/2017/45/354 | NUR 300 ISBN 978 94 014 4225 1 Š Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2017 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.