1 ‘In naam van het Centrum voor Experimenteel Neurologisch Onderzoek mag ik u danken, dames en heren, voor uw talrijke aanwezigheid op deze academische zitting. De internationale uitstraling van de vijfjaarlijkse Belcrayprijs is u bekend, evenals die van het tijdschrift BrainWave, waarin de onderzoeksresultaten werden gepubliceerd. Deze prijs werd ons toegekend voor het onderzoek naar een experimentele behandeling van zware alcoholverslaving. Ik wil deze eer graag delen met mijn assistent Robbe Mertens en met professor Hubert Van Herlaer, eredirecteur van het centrum.’ Lars De Ruyter pauzeert even, wisselt een blik met Ann, op de eerste rij. Ze ziet er goed uit, helemaal hersteld van haar ziekte. Ze gleed dag na dag verder weg van hem, werd bijna een vreemde, na vijftien gelukkige huwelijksjaren. Maar dat was vorige herfst en winter, dat is voorbij, Ann is een sterke vrouw, haar mond glimlacht weer, haar ogen stralen weer. ‘Waarom raakt een mens verslaafd aan alcohol? Een man of een vrouw staat onder zware druk, kan de problemen niet aan, zoekt in een fles de roes, de vergetelheid. Die visie gaat uit van een oordeel over iemands karakter, levensloop, wilskracht, discipline. De neurowetenschapper oordeelt niet, maar meet welk hersencentrum de behoefte aanstuurt waaraan telkens weer met een volgend glas moet worden voldaan. Bij zestien perso-
7
nen die jarenlang aan een alcoholverslaving leden, werd een elektrode ingebracht tot diep in de hersenen, tot in het centrum dat bij verslaving overactief is. In de schouderholte werd een batterij ingeplant die verbonden is met die elektrode. Door het toedienen van stroomimpulsen zijn wij erin geslaagd de werking van dat centrum af te remmen, en later zelfs uit te schakelen. Bij al deze personen is de alcoholverslaving nu al minstens een jaar overwonnen.’ Er komt applaus. Lars weet dat er alvast één iemand is die niet applaudisseert, professor Anton Bossuyt, eminent psychiater. Die is hier om de leden van de Raad van Bestuur te beïnvloeden, te beletten dat ze ook de tweede fase van het experiment zullen goedkeuren en subsidiëren. Hij wil het geld voor zijn eigen project, ‘Kern en Integratie’. Alles wil die vent integreren: zen, yoga, indianen, Bantoes, aboriginals. ‘Kritiek is niet uitgebleven, dames en heren, ook niet hier aan onze eigen universiteit. Je hebt een alcoholverslaving, je krijgt een implantaat en het probleem is opgelost. Maar neen, het moet uitgaan van de patiënt zélf, zo wordt gezegd. De patiënt moet ontdekken waarom hij drinkt en hoe het begonnen is, zo leert ons de cognitieve psychologie. De patiënt moet leren de omstandigheden te onderkennen die tot drinken aanleiding geven, en daartegen een gepaste strategie ontwikkelen, zo leert ons de gedragspsychologie. Daarmee is niet gezegd, dames en heren, dat de hierop gebaseerde therapieën, eventueel aangevuld met medicatie, niet waardevol kunnen zijn. Maar bij onze proefpersonen hebben deze therapieën niet gewerkt, ook al werden ze lange tijd volgehouden. Want door een te verregaande verslaving gaat het brein anders functioneren, alsof er een schakelaar wordt omgedraaid. Daardoor wordt de verslaving
8
ingeprent in een meer primitief deel van de hersenen, het mesolimbisch systeem, waar ze een eigen leven gaat leiden. Zo krijgt de verslaafde een ander brein, wordt hij een ander mens, niet meer herkenbaar voor zijn omgeving en voor zichzelf.’ En zelfs niet voor zijn psychiater, denkt Lars erbij. Hij heeft opzettelijk de psychoanalyse genegeerd, de slimste manier om aan te geven dat hij die niet meer relevant vindt. Professor Anton Bossuyt blijft er een stugge maar eloquente volgeling van. Hij ziet hem nu zitten, op de vierde rij: pokerface, wil laten zien dat hij absoluut niet onder de indruk is. Anton is sluw, en niet vies van een maneuver in het geniep. Maar hij heeft een zwakke plek die hijzelf voorlopig nog niet kent: negen van de zestien proefpersonen zijn eerder bij hem in therapie geweest, maanden of jaren, zonder resultaat. ‘Wat is het heelal? Astronomen zoeken het antwoord in het verste verleden en aan de uiterste grens. Wat is de materie? Fysici zoeken het antwoord in de allerkleinste subatomaire deeltjes. Wat is de mens? Neurologen zoeken het antwoord in de hersenen, anderhalve kilo weke materie, twee halvemanen vol groeven en kronkelingen. Want daar gebeurt het allemaal, dames en heren, de hele menselijke evolutie, van de vuistbijl tot de laser, van de menhir tot de wolkenkrabber, van de simpelste stamelwoordjes tot de subliemste poëzie. Denken, voelen, waarnemen, zich herinneren, oordelen, spreken, handelen, alles wordt aangestuurd door verhoogde elektrochemische activiteit in een specifiek hersencentrum, dat dan in interactie gaat met andere hersencentra. Het zal u bekend zijn, dames en heren, dat deze opvatting op veel weerstand stuit, waarbij wordt gesteld dat de mens méér is dan zijn brein. “Mijn geest denkt, niet mijn brein”, zo vatte een
9
professor het onlangs samen in de titel van zijn boek. Een functionele MRI-scan kan wel aantonen welk hersengebied actief is bij het maken van een schilderij, zo argumenteert hij, maar bij toepassing op de Mona Lisa zegt zo’n scan niet meer dan dat Da Vinci verf heeft uitgesmeerd over een paneel en zegt die absoluut niets over het artistieke genie dat van deze verfstrepen een tijdloos kunstwerk heeft gemaakt.’ Lars pauzeert even. Hij laat zijn blik over de vierde rij glijden, zonder Anton te fixeren. Lars heeft Antons naam niet vermeld, maar de meeste aanwezigen weten dat hij de auteur is van dat boek. Antons blik blijft zelfverzekerd, want hij heeft veel positieve respons gekregen. En de algemene teneur loog er niet om: eindelijk een tegenstem, eindelijk worden die breinfanaten op hun plaats gezet. ‘Het is inderdaad zo, dames en heren, dat hersenonderzoek tot nu toe niet heeft kunnen uitmaken wat precies de genialiteit van een kunstenaar veroorzaakt. Maar indien Da Vinci enkele jaren eerder, toen hij zijn Laatste Avondmaal schilderde, van zijn vier meter hoge stelling op zijn hoofd was gevallen en daarbij zware hersenbeschadiging had opgelopen, dan zou er geen sprake zijn geweest van zijn Mona Lisa, niet van de verfstrepen, maar evenmin van een tijdloos kunstwerk. Als het brein defect raakt, als de elektrochemie niet langer werkt, verdwijnt het genie spoorloos. Dames en heren, in onze hersenen bevinden zich honderd miljard hersencellen of neuronen, elk daarvan is uniek, elk daarvan maakt zevenduizend synapsen of verbindingen via zenuwbanen over een lengte van honderdvijftigduizend kilometer. Ook die professor zal wel snappen dat nog lang niet alle geheimen zijn ontraadseld. Daarom is er nood aan meer en
10
eter onderzoek, duurder onderzoek, en dat kan niet worden b gerealiseerd zonder verhoging van de subsidie.’ Het hoge woord is eruit. Lars ziet professor Hubert Van Herlaer instemmend knikken, erevoorzitter van het CENO, decaan van de faculteit, mentor en schoonpapa. Het bedrag is hoog. Lars weet van Hubert dat sommige leden van de Raad van Bestuur daarom aarzelen. En als ze bovendien oren hebben naar mensen zoals Anton Bossuyt, die niet akkoord gaan met de methode en het doel van het experiment, dan wordt het risico op weigering reëel. ‘Gnothi seauton, ken uzelf. Die eeuwenoude wijsheid betekent vanaf nu: ken uw brein. Dames en heren, als wij ooit onze hersenen willen begrijpen, dan moeten wij leren luisteren naar wat ze écht te zeggen hebben. Tot nu toe werd geluisterd naar de geest, een soort innerlijk wezen dat ons doen en denken aanstuurt. Wij zijn aanbeland op een cruciaal keerpunt: gedachten zijn niet de taal van ons bewustzijn, gevoelens zijn niet de taal van ons hart, gedachten en gevoelens zijn de taal van onze honderd miljard hersencellen. Onze geest ontstaat en evolueert door de werking van die honderd miljard hersencellen, onze geest is een modus operandi van ons brein.’ Lars neemt een slok water: dit is een belangrijk moment, dit is glad terrein. Naarmate dit nieuwe inzicht veld wint, groeit ook de tegenstand. Want velen, ook wetenschappers, kunnen zich niet vinden in wat zij een reductionistische, een puur materialistische visie op de mens noemen. Zij zijn van oordeel dat juist die spirituele dimensie de mens zijn waardigheid geeft. Lars is ervan overtuigd dat de tegenargumenten, hoewel ze als rationeel worden voorgesteld, in wezen emotioneel zijn, en hij besluit daarom in die toonaard voort te gaan.
11
‘De verrukking van verliefdheid, de gloed van de grote liefde, dat zou dan enkel het resultaat zijn van elektrochemische processen in ons brein? De mens zou niet meer zijn dan wat de geciteerde professor een “vochtige robot” noemt? Hoe banaal is dat, zeg. Dat is gewoon akelig! Zijn die gevoelens dan minder mooi als ze ontstaan uit hersencellen? Wat is er mis met hersencellen? Zijn ze vies misschien, en zo ja, zijn ze dan veel viezer dan de cellen van het hart? Wij kennen nochtans onze mooiste gevoelens probleemloos toe aan het hart, een banaal orgaan eigenlijk, een pomp van vlees. Wij moeten meer leren houden van onze hersenen, dames en heren. Hersenen zijn mooi, het is prachtig om het brein aan het werk te zien, als het ons binnenlaat, als het ons laat zien wie wij zijn. Het zou op toverij kunnen lijken, of magie, maar het is de taal van de wetenschap, het is de schoonheid van de pure waarheid.’ Lars merkt dat hij de volle aandacht heeft, hij wacht even om het effect nog wat aan te scherpen. Hij camoufleert een glimlach omdat hij denkt aan zijn vader die deze vertellerstruc graag hanteert in zijn romans, maar ook als hij vertelt bij de open haard. Dan onderbreekt hij zijn verhaal op een cruciaal moment om een blok op het vuur te leggen en whisky bij te schenken. ‘Vrij recent is men erin geslaagd de zorg van ouders voor hun kinderen te lokaliseren in het ventrale tegmentale gebied van de hersenen. Als ouders foto’s van hun eigen kinderen te zien kregen, werd dit hersengebied geactiveerd, waardoor het feller oplichtte in de hersenscan. Ik kies dit voorbeeld bewust, omdat het huiver oproept, weerstand, afwijzing. De ouderliefde die geen grenzen kent, is er iets mooiers, iets edelers in deze wereld?
12
Dat heilige gevoel zou niet meer zijn dan materie, hersengeflikker, hersenblubber? Dat gevoel komt toch voort uit onze persoonlijkheid, uit ons ik, uit wie wij diep vanbinnen zijn. Maar wie zijn wij dan wel diep vanbinnen, dames en heren? Zegt u mij wat ik mij daarbij moet voorstellen. Wat voert dat ik uit? Hoe brengt het die ouderliefde tot stand, die eindeloze energiestroom waardoor ouders hun kinderen kunnen verzorgen, beschermen, leiden, loslaten? We hebben apparatuur ontwikkeld waarmee we de achtergrondruis van de oerknal kunnen meten, dertien komma zeven miljard jaar geleden, maar we hebben geen toestel om de liefdesenergie van het ik te detecteren. Geeft u zelf het antwoord, dames en heren: komt de liefde dan voort uit niets?’ Sterke retorische vraag tot slot, de toehoorders aarzelen even op de rand van het applaus. De journalist op de hoek van de tweede rij bergt zijn notitieblok op, de fotograaf komt vanaf de zijkant weer dichterbij om nog een laatste shot te nemen. Maar Lars wil niet afronden, hij voelt zich gedreven door een kracht die hij pas recent bij zichzelf heeft onderkend, de passie om getuigenis af te leggen over wat de toekomst kan brengen. De tijd is rijp voor een nieuw inzicht, met evenveel innovatieve kracht, met een even verreikende invloed als ooit het inzicht dat de aarde rond de zon draait en niet andersom: God is een schepping van de mens, en niet andersom. Hij merkt dat zijn gehoor heeft begrepen dat er nog meer komt, de fotograaf doet weer enkele stappen terug, Lars schraapt de keel. ‘Dames en heren, we staan op het keerpunt van een nieuwe copernicaanse revolutie, van dualisme naar monisme. De stelling is niet langer: de mens heeft een brein en hij werkt ermee. De stelling luidt voortaan: de mens ís een brein en het werkt
13
in hem. En de talloze woorden die ooit zijn bedacht om uit te drukken dat er iets anders moet zijn, iets wat groter is, hoger en dieper reikt: ziel, geest, innerlijk, essentie, de zijnskern, het ontos on, het zijn van het zijn. Alle refereren zij aan een soort spiritueel wezen in ons, misschien ontstaan uit de materie, maar niet langer behorend tot de materie, een onstoffelijke emanatie van ons brein, er niet langer door gestuurd of bepaald: de suprematie van de geest over de stof. Achter al deze formuleringen, dames en heren, zit uiteindelijk het geloof dat er in de mens iets is wat zich kan onttrekken aan de wet van de materie, de wet van ontstaan en vergaan, en dat geloof vindt zijn ultieme legitimatie in een opperwezen, in welke vorm dan ook. Want als de ziel loskomt van de stof, waarom zou die dan terugkeren naar de stof wanneer die stof vergaat? De bestemming van die ziel ligt elders, bij diegene die de stof ontstijgt, bij diegene die de dood overwint, bij God.’ Lars ziet verwondering op het gezicht van Ann. Zij heeft zijn voordracht gelezen, maar hij heeft deze wending er vannacht nog aan toegevoegd. Hubert grijnst: hij heeft Lars gewaarschuwd voor de mogelijkheid dat de leden van de Raad van Bestuur de heikele beslissing wel eens zouden kunnen doorschuiven naar het Comité Ethische Evaluatie, een convent van schimmige humanisten bij wie de strikte vrijzinnigheid wel eens gaat knellen. Zij zullen een weigering beargumenteren met intelligente drogredenen, die een camouflage zijn van een occulte huiver omdat de verkeerde weg wordt gekozen, omdat de grens wordt overschreden. En ga het maar na in elke religie: het stellen van een grens is het handelsmerk van God. ‘Maar God woont niet tussen de honderd miljard sterren die het heelal uitmaken, God woont tussen de honderd miljard
14
euronen die de hersenen uitmaken. Het godsgeloof en de daarn op gebaseerde religie boden een evolutionair voordeel. Overal dreigde gevaar en het ontzag voor de waarschuwende, reddende vader was groot, nog groter het ontzag voor de leider van de groep, en het grootst het ontzag voor diegene die het gevaar kon weghouden van de grot of de hut, op voorwaarde dat je een altaar voor hem bouwde en daar een offer bracht. De neurobiologie is erin geslaagd om dat religieuze centrum, die godsmodule steeds nauwkeuriger te situeren in de cortex, in de linker temporale kwab, in de onmiddellijke buurt van het centrum dat het zelfbewustzijn genereert. Ter wille van dat evolutionaire voordeel kon het godsgeloof het zelfbewustzijn onderdrukken, waardoor in de mens het besef werd geënt dat de zin van zijn bestaan niet in hemzelf lag, maar in iets buiten hem, in iemand anders. En algauw doken er profeten en priesters op die het godsgeloof vertaalden in een morele code van deugd en zonde, van beloning en straf.’ Lars merkt dat zijn schoonmoeder Elisabeth haar hoofd even zijdelings kantelt, in die voorname inclinatie waarmee zij voor het tv-toestel onfatsoenlijk nieuws uitzit. Hij weet dat er onder zijn gehoor mensen zijn die moeite hebben met wat hij zegt, ook al spreekt hij hier in de aula van een vrijzinnige universiteit. Mensen die geloven, mensen die geloofd hebben en bij wie het geloof altijd weer opstoot, als een kramp, als een koorts. Mensen die bang zijn, voor het lijden zonder zin, voor de dood zonder verlossing, voor een leeg universum. Weinigen durven zich zonder enige schroom atheïst te noemen, alsof ze daarmee een ultiem taboe doorbreken. De evolutie heeft in de mens een aangeboren dualisme geprent: dat de stof ten dienste staat van de geest; en een aangeboren teleologie: dat het leven een zin moet hebben die niet zinloos wordt, een doel dat niet doelloos
15
wordt wanneer het door de dood wordt afgebroken. Ze willen, ze moeten kunnen geloven in iets, ze geloven in geloven. ‘Dames en heren, de wetenschap spreekt zich niet uit over gevoelens en overtuigingen van een individu. Wie vindt dat het godsgeloof een waarheid in zich draagt die de wetenschappelijke waarheid overstijgt, zal in dat geloof willen leven en sterven, om met de woorden van het gebed te spreken.’ En dan ziet Lars hem zitten, schuin achter Ann, op de derde rij. Hij staart, hij staart alsof hij die goddeloze spreker met zijn blik zou willen verpulveren. Hij is kaal, hij heeft een perfect ei vormig hoofd en zijn lippen bewegen zonder geluid, prevelen een gebed, een bezwering, een vervloeking. Zijn aanwezigheid verwondert Lars niet echt. Hij weet dat het hersenonderzoek met argusogen wordt gevolgd door de predikers, er duikt altijd wel een spion op om te luisteren, om de heilige verontwaardiging te voeden. Maar dit is een extreem exemplaar, Lars voelt meteen een fysieke afkeer van hem. ‘Maar anderzijds kan ik niet anders dan vaststellen dat in de welbekende ethische kwesties het geïnstitutionaliseerde geloof nog altijd richtlijnen uitvaardigt, verbodsbepalingen oplegt en daarbij het zelfbeschikkingsrecht ontkent: de mens is slechts de rentmeester van zijn leven. En dit wordt gepredikt in de naam van een God van wie het bestaan nooit is bewezen, wiens bestaan alleen maar geloofd is door de eeuwen der eeuwen. Uit dat besef zou nederigheid moeten voortkomen, geen hoogmoed; menslievendheid, geen dwingelandij. Ik kan respect opbrengen voor individueel geloof, niet voor de dogmatiek van een instituut.’
16
Lars kijkt naar de man. Het staren duurt voort, het prevelen duurt voort. Lars denkt aan zijn vader, die lust zo’n paap rauw. Vader is een ex-katholiek, en dus nu een strijdbare h eiden, zo zegt hij het zelf. Vader kan hier niet zijn: een ongeval, met als gevolg een zware bloeduitstorting in de hersenen. Het komt goed, zegt Ann, die hem in een kunstmatige coma heeft gebracht. Het komt goed, zo zegt Hubert, die de operatie perfect heeft uitgevoerd. Maar Lars voelt nu plots angst voor een slechte afloop. Geen seconde is hij bang geweest, maar nu ineens wel. Komt het door dat spook daar, met zijn ijskoude ogen, dat spook dat hem haat, dat hem kwaad toewenst? Zijn vader is schrijver, heeft altijd een batterij woorden klaar, en Lars hoort die nu klinken in zijn eigen stem: ‘Het is dus niet zo dat God de mens geschapen heeft op de zesde dag, het is de mens die in het gat van de zevende dag God geschapen heeft. Dames en heren, u kent allemaal het fresco van Michelangelo in de Sixtijnse Kapel, waarop de wijsvingers van God en Adam elkaar bijna raken. God schenkt het leven aan Adam, stort zijn geest in hem uit – zo werd het altijd uitgelegd. Maar het is precies andersom, het is Adam die God doet ontstaan. Hij is erbij gaan liggen, ons aller eerstevader, want die hele nieuwe wereld is te veel ineens. Hij is te jong, te bloot, al moe van bij het begin en daarom bedenkt hij het visioen van een God die hij opblaast en laat wegzweven, door engelen gedragen tot op de hoogste troon, vanwaar hij zal oordelen, Adam zelve en diens hele nageslacht. Dames en heren, ik dank u voor uw welwillende aandacht.’ Applaus. Lars komt van het podium, Hubert staat op, ze drukken elkaar de hand. De eierkop dringt zich tussen twee rijen stoelen heen, hij schiet op Lars af, maar zijn assistent houdt hem
17
met gemak tegen. Robbe is een robuuste kerel, een kop groter dan die razende vent. ‘U bent een dwaas, meneer, een hovaardige idioot. Denkt u dat u God kunt analyseren, hem kunt “lokaliseren” in uw laboratorium?!’ Lars kijkt vragend naar zijn schoonvader: wat doe ik hiermee? De decaan bewaart zijn kalmte: ‘Professor De Ruyter heeft een wetenschappelijke visie verwoord, meneer. Hij heeft ook duidelijk gesteld dat hij zich niet wenst uit te spreken over persoonlijke overtuigingen en gevoelens.’ ‘De professor dwaalt, hij is buiten de waarheid, ik zal dat bewijzen!’ ‘Met respect, meneer, maar ik denk dat in deze context uw bewijsvoering strikt wetenschappelijk zal moeten zijn.’ ‘Gods waarheid geldt voor iedereen, ook voor professoren, ook voor goddelozen!’ Hij richt zich tot het publiek nu: ‘Ik eis het recht om te antwoorden, in de naam van God!’ Na een hoofdknik van Lars duwt Robbe de man naar de uitgang. Nu duikt ineens de fotograaf weer op, en de journalist volgt in zijn spoor; ze zien blijkbaar de kans op een extraatje. De decaan bedankt de sprekers, bedankt de aanwezigen en nodigt iedereen uit voor de receptie. Het publiek begint de zaal te verlaten. Lars gaat weg, Robbe laat de man los. Die staat een moment besluiteloos, wil dan toch weer achter Lars aan gaan… De fotograaf maakt een close-up op het ogenblik dat hij Lars naroept dat hij een lafaard is, dat hij bang is voor de stem van God.
18
www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Omslagontwerp en zetwerk | Studio Lannoo Omslagbeeld | Shutterstock, WAYHOME studio Als u opmerkingen of vragen heeft, dan kunt u contact nemen met onze redactie: fictie@lannoo.com D/2017/45/197 | NUR 300 ISBN 978 94 014 4224 4 Š Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2017 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.