Dit is ook een zoekboek. Zoek naar letters en woorden. Wijs de naam van Vos aan. Of die van Haas. Zie je Rob? Daar zit de o in van Vos. Twee keer o wordt de oo van boot en rood. Welke letters van vis zitten ook in is? En hoe maak je van een vis een vos? En o ja, kijk vooral goed uit naar de mummie. Hier en daar duikt hij op. Tel maar eens hoe vaak‌
HET BOEK VAN HA AS Het is mooi weer. Haas zit in de tuin. Ze leest een boek. ‘Waar gaat het over?’ vraagt Vos. Haas kijkt op. Haar ogen stralen. ‘Over het Oude Egypte’, zegt ze. En ze zucht: ‘O, wat wil ik daar graag heen! Dat was nog eens een tijd. De tijd van de farao’s. En van tempels en piramides.’ ‘Vergeet de mummies niet’, zegt Vos.
5
Net op dat moment klopt iemand op de deur. Gauw doet Vos open. En weet je wie daar staat? Rob! ‘Hoi!’ lacht Rob. ‘Ik heb alles te koop!’ ‘Dat weten we al lang’, zegt Vos. Maar Haas zegt: ‘Alles? Ook een reis naar ver weg en lang geleden?’ Ze steekt het boek over het Oude Egypte in de lucht. Rob kijkt een poos naar het boek. Hij denkt na. Dan grijnst hij van oor tot oor.
‘Komt voor de bakker!’ lacht hij.
‘Wacht even. Ik ben zo terug!’ En weg is hij. Vos pakt het boek en bladert erin. Hij fronst zijn wenkbrauwen. ‘Wil je daar echt heen, Haas?’ vraagt hij. Haas knikt. Ze straalt helemaal. Ze heeft er zo’n zin in! ‘Dan ga ik mee’, beslist Vos. ‘Ik wil wel eens een mummie zien!’ Daar is Rob alweer. Maar hij ziet er een beetje anders uit. Op zijn kop heeft hij een rood hoedje met een witte lap. Hij draagt een vest met zakken en vakken. Die zitten allemaal propvol.
‘Het treft dat jullie mij treffen’, knipoogt Rob. ‘We gaan naar het Oude Egypte, en ik ben jullie gids. Ik heb alles te koop, dus ook feitjes en weetjes.’ ‘Wat bedoel je met feitjes en weetjes?’ vraagt Vos. ‘Ditjes en datjes’, zegt Rob. Daar wordt Vos ook niet wijzer van. Daarom geeft Rob een voorbeeld. ‘Weet je dat het in Egypte heel droog en heet is?’ vraagt hij. ‘Ja’, knikt Haas. ‘Want in Egypte is er veel woestijn. Maar er stroomt ook een grote rivier door. Het is de Nijl.’ Rob kijkt sip. Daar gaat zijn weetje! Haas wist het al!
7
OP DE NIJL Rob zwaait met zijn arm. ‘Stap in’, zegt hij. ‘We gaan varen op de Nijl.’ Vos en Haas knipperen met hun ogen. Daar ligt een boot! Vos aarzelt. De boot is maar smal. ‘Is dat wel veilig?’ twijfelt Vos.
8
Rob lacht.
‘Natuurlijk is het veilig!
Ik ben jullie kapitein. Ik heb alle zeeën bevaren. Ik trotseerde de woeste golven. Voor een zeebonk als ik is dit kinderspel.’ Rob helpt Vos en Haas aan boord. Dan duwt hij de boot af. En daar gaan ze, met de stroom mee. Haas houdt haar boek goed vast. Zo spannend! Maar alles gaat goed. ‘Zie je wel dat het veilig is?’ lacht Rob. Er zijn nog meer boten. Daar zitten vissers op. Ze gooien netten in de rivier. Er komt ook een grote boot aan. Hij is van hout en heeft een zeil. Er staat zelfs een huisje op! De boot vaart de andere kant uit. Vos en Haas zwaaien naar de boot. En alle passagiers zwaaien terug! Zou er ook een mummie bij zijn? Vos kijkt goed. Maar hij ziet er geen.
Jammer!
‘Weet je dat de Nijl heel belangrijk is?’ vraagt Rob. ‘Ja hoor’, zegt Haas. Ze slaat haar boek open. En ze leest voor: ‘Zonder de Nijl was alles woestijn. Want Egypte is droog en heet. Daar wil niets groeien. Ook geen gras. Behalve daar waar water is. Bij de Nijl dus.’
Vos snapt het niet. ‘Hoe komt het water dan op het droge, Haas? Het gras groeit toch niet in het water?’ ‘Klopt’, geeft Haas toe. ‘Maar dat is nu juist zo bijzonder. De Nijl overstroomt. Niet elke dag en niet elke week. Eén keer in het jaar. Er komt een vruchtbaar laagje slib.’ Vos proest het uit. ‘Een slipje? Dat is grappig!’
10
Haas lacht niet. ‘Slib is modder’, zegt ze ernstig. ‘In modder groeien de plantjes goed. Zo krijg je mooie, groene weiden.’ ‘En daar grazen koeien in’, knikt Rob.
‘Nijlkoeien!’
Dat is natuurlijk een geintje. Want nijlkoeien bestaan niet. Nijlpaarden wel. ‘Nijlvarkens zul je bedoelen’, zegt Vos. ‘Daar lijken ze meer op.’ En dat is waar.
11
De nijlpaarden drijven lui in de rivier. ‘Ik heb ook wel zin in een frisse duik’, zucht Haas jaloers. Maar dat vindt Rob geen goed idee. ‘Nijlpaarden zijn gevaarlijk’, waarschuwt hij. ‘Net zo gevaarlijk als krokodillen. Die zitten hier trouwens ook.’ ‘Echt?’ schrikt Haas. Ze gaat gauw in het midden van de boot zitten. Stel je voor dat ze eruit valt! ‘Ik heb ook een weetje’, zegt Haas. ‘Sobek was een god in het Oude Egypte. Hij had de kop van een krokodil. Daarom is de krokodil een heilig dier.’ ‘Heilig?’ roept Vos uit. ‘Gevaarlijk zul je bedoelen. En niet Sobek, maar zo’n bek!’ Hij zwaait wild met zijn armen.
Straks slaat hij overboord! Straks kiept de boot om! Straks liggen ze alle drie in de Nijl! Tussen de nijlpaarden en de krokodillen! Maar dan zijn ze bij de oever. En Rob legt aan.
Oef!
12