PASCAL SIENAERT
Psychopathologie
LAN_Psychopathologie_overbodig verwijderd_freya.indd 3
24-08-17 10:13
D/2017/45/27 – ISBN 978 94 014 4108 7 – NUR 770
Vormgeving omslag : Keppie & Keppie Vormgeving binnenwerk : Karakters, Gent ©
Pascal Sienaert & Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2017.
Uitgeverij LannooCampus maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv. Alle rechten voorbehouden. Niets van deze uitgave mag verveelvoudigd worden en/of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Uitgeverij LannooCampus Erasme Ruelensvest 179 bus 101 3001 Leuven België www.lannoocampus.be
LAN_Psychopathologie_overbodig verwijderd_freya.indd 4
24-08-17 10:13
Inhoudstafel
VOORWOORD 13 Hoofdstuk 1 Diagnostiek en classificatie 1.1 Van zot naar ziek 1.2 Morele behandeling 1.3 Diagnostiek 1.4 Classificatie 1.5 Het medische model bekritiseerd 1.6 Diagnostiek verbeteren 1.6.1 Subtypering ? 1.6.2 Precisiediagnostiek ? 1.7 DSM-5 goed gebruiken
Hoofdstuk 2 Het kwetsbaarheid-stressmodel 2.1 Erfelijkheid 2.2 Heritabiliteit 2.3 Polygenetische overerving 2.4 Kwetsbaarheid-stressmodel 2.4.1 Kwetsbaarheid 2.4.2 Stress 2.5 Gen-omgevingsinteractie 2.6 ‘Kindling’ en sensitisatie 2.7 Persoonlijkheidsfactoren
15 15 16 20 22 24 29 29 30 31
35 35 36 38 38 40 41 45 47 49
Hoofdstuk 3 Psychose 51 3.1 Wat is een psychose ? 3.1.1 Wanen 3.1.2 Hallucinaties 3.1.3 Gedesorganiseerde spraak 3.1.4 Gedesorganiseerd gedrag of abnormaal motorisch gedrag 3.1.5 Negatieve symptomen 3.2 Psychosespectrum
LAN_Psychopathologie_overbodig verwijderd_freya.indd 5
51 52 55 59 59 59 62
24-08-17 10:13
6
psychopathologie
3.3 Schizofrenie 3.3.1 Symptomen 3.3.1.1 Positieve symptomen 3.3.1.2 Negatieve symptomen 3.3.1.3 Cognitieve symptomen 3.3.1.4 Affectieve symptomen 3.3.1.5 Gedragssymptomen (en motorische stoornissen) 3.3.2 Subtypes 3.3.3 Verloop 3.4 Schizofreniforme stoornis 3.5 De vroege stadia van psychose 3.6 Schizoaffectieve stoornis 3.7 Waanstoornis 3.8 Epidemiologie
63 65 65 66 67 68 68 69 69 72 72 75 77 79
Hoofdstuk 4 Depressieve stemmingsstoornissen
83
4.1 Depressieve episode 4.2 Depressieve stoornissen 4.2.1 Depressie(ve stoornis) – ‘Major depressive disorder’ 4.2.2 Depressieve stoornis : subtypen 4.2.2.1 Depressie met melancholische kenmerken 4.2.2.2 Depressie met psychotische kenmerken 4.2.2.3 Depressie met atypische kenmerken 4.2.2.4 Depressie met catatone kenmerken 4.2.2.5 Depressie met peripartaal begin 4.2.2.6 Depressie met seizoenspatroon 4.2.2.7 Vasculaire depressie 4.3 Differentiaaldiagnose 4.4 Verloop 4.5 Persisterende depressieve stoornis – Dysthymie 4.6 Premenstruele stemmingsstoornis 4.7 Epidemiologie
Hoofdstuk 5 Bipolaire stoornissen 5.1 Historische schets 5.2 Stemmingsepisoden 5.2.1 Manische episode 5.2.2 Hypomane of hypomanische episode 5.2.3 Gemengde episode 5.3 Bipolaire I en II stoornis
LAN_Psychopathologie_overbodig verwijderd_freya.indd 6
85 88 88 90 91 92 93 94 95 97 97 98 100 103 104 105
109 109 110 110 114 116 118
24-08-17 10:13
inhoudstafel
5.4 Bipolaire-spectrumstoornis 5.5 ‘Rapid cycling’ 5.6 Epidemiologie 5.7 Differentiaaldiagnose en comorbiditeit 5.8 Verloop 5.9 Postpartumpsychose
7
121 123 124 124 125 129
Hoofdstuk 6 Angststoornissen 131 6.1 Inleiding 6.2 Specifieke fobie 6.2.1 Kenmerken 6.2.2 Verloop 6.3 Sociale-angststoornis 6.3.1 Kenmerken 6.3.2 Plankenkoorts 6.3.3 Verloop 6.3.4 Differentiaaldiagnose 6.4 Paniekstoornis 6.4.1 Kenmerken 6.4.2 Differentiaaldiagnose, comorbiditeit en verloop 6.4.3 Is een paniekaanval een hyperventilatieaanval ? 6.5 Agorafobie 6.6 Gegeneraliseerde-angststoornis 6.6.1 Kenmerken 6.6.2 Differentiaaldiagnose, comorbiditeit en beloop 6.7 Epidemiologie
131 132 132 135 135 135 136 137 139 139 139 142 144 145 146 146 147 148
Hoofdstuk 7 Dwangstoornissen 151 7.1 Obsessief-compulsieve stoornis 7.1.1 Kenmerken en diagnostische criteria 7.1.2 Heeft een patiënt met dwangstoornis ziekte-inzicht ? 7.1.3 Differentiaaldiagnose 7.1.4 Comorbiditeit 7.2 Morfodysfore stoornis 7.3 Verzamelstoornis 7.4 ‘Body-focused repetitive behavior’ 7.4.1 Haaruittrekstoornis 7.4.2 Excoriatiestoornis – Huidpulkstoornis 7.5 Epidemiologie
LAN_Psychopathologie_overbodig verwijderd_freya.indd 7
151 152 157 158 161 162 163 164 165 166 166
24-08-17 10:13
8
psychopathologie
Hoofdstuk 8 Trauma- en stressorgerelateerde stoornissen 169 8.1 Trauma 8.1.1 DSM 8.1.2 Trauma 8.1.3 ‘Fight and flight’ 8.2 Acute stressstoornis 8.3 Posttraumatische stressstoornis 8.3.1 Herbelevingen 8.3.2 Vermijding 8.3.3 Negatieve veranderingen in cognitie en stemming 8.3.4 ‘Arousal’ 8.4 Complexe PTSS
169 169 169 170 171 173 173 174 174 175 177
Hoofdstuk 9 Dissociatieve stoornissen
181
9.1 Dissociatie 9.2 Dissociatieve identiteitsstoornis 9.3 Dissociatieve amnesie of psychogene amnesie 9.4 Depersonalisatie- en derealisatiestoornis
181 184 188 188
Hoofdstuk 10 Psychologische en psychiatrische problemen bij lichamelijke symptomen 10.1 Inleiding 10.2 Somatisch-symptoomstoornis 10.3 Chronischevermoeidheidssyndroom 10.4 Ziekteangststoornis 10.5 Conversiestoornis (functioneel-neurologisch-symptoomstoornis) 10.6 Nagebootste stoornis (pathomimie of ‘factitious disorder’) 10.7 Epidemiologie
191 191 192 194 198 200 202 206
Hoofdstuk 11 Eetstoornissen 209 11.1 Anorexia nervosa 11.1.1 Kenmerken 11.1.1.1 Gewicht 11.1.1.2 Angst 11.1.1.3 Lichaamsbeleving en cognitieve distorsies 11.1.1.4 Amenorroe 11.1.1.5 Hyperactiviteit of bewegingsdrang 11.1.1.6 Lichamelijke gevolgen
LAN_Psychopathologie_overbodig verwijderd_freya.indd 8
210 210 212 213 214 215 215 216
24-08-17 10:13
inhoudstafel
11.1.2 Verloop 11.1.3 Differentiaaldiagnose en comorbiditeit 11.2 Boulimia nervosa 11.2.1 Kenmerken 11.2.2 Verloop 11.2.3 Differentiaaldiagnose 11.3 Eetbuistoornis 11.4 Epidemiologie
9
217 218 218 218 219 219 220 221
Hoofdstuk 12 Middelengerelateerde en verslavingsstoornissen 223 12.1 Inleiding 12.2 Verslaafd worden 12.3 Stoornissen in het gebruik 12.3.1 Alcohol 12.3.2 Cannabis 12.3.3 Craving 12.3.4 Comorbiditeit 12.4 Gokstoornis 12.5 Stoornissen door een middel 12.5.1 Alcoholintoxicatie 12.5.2 Alcoholgeïnduceerde psychose of delirium tremens 12.5.3 Alcoholische hallucinose 12.5.4 Alcoholgeïnduceerde stemmingsstoornis 12.5.5 Syndroom van Wernicke-Korsakov 12.5.6 Cannabis
Hoofdstuk 13 Neurocognitieve stoornissen 13.1 Inleiding 13.1.1 Gezond ouder worden 13.1.2 Geheugenklachten 13.2 Delier 13.2.1 Klinisch beeld 13.2.2 Differentiaaldiagnose 13.2.3 Epidemiologie 13.3 Beperkte en uitgebreide neurocognitieve stoornis 13.3.1 Mild cognitive impairment 13.3.2 Dementieel syndroom 13.3.2.1 BPSD – ‘behavioral and psychological symptoms in dementia’
LAN_Psychopathologie_overbodig verwijderd_freya.indd 9
223 225 229 230 232 232 233 234 236 237 238 238 238 239 240
243 243 245 245 247 247 249 250 251 251 252 252
24-08-17 10:13
10
psychopathologie
13.3.2.2 Epidemiologie 13.4 Oorzaken van beperkte of uitgebreide neurocognitieve stoornis 13.4.1 Ziekte van Alzheimer 13.4.2 Neurocognitieve stoornis met Lewy-lichaampjes 13.4.3 Frontotemporale neurocognitieve stoornis 13.4.4 Vasculaire neurocognitieve stoornis
254 255 256 258 259 261
Hoofdstuk 14 Persoonlijkheidsstoornissen 265 14.1 Persoonlijkheid 14.2 Pathologie 14.3 Diagnostiek 14.4 Beloop 14.5 Etiologie 14.6 Drie clusters 14.6.1 Het zonderlinge, bizarre of excentrieke cluster 14.6.1.1 Paranoïde persoonlijkheidsstoornis 14.6.1.2 Schizoïde persoonlijkheidsstoornis 14.6.1.3 Schizotypische persoonlijkheidsstoornis 14.6.2 Het impulsieve, dramatische of emotionele cluster 14.6.2.1 Antisociale persoonlijkheidsstoornis 14.6.2.2 Borderline persoonlijkheidsstoornis 14.6.2.3 Histrionische persoonlijkheidsstoornis 14.6.2.4 Narcistische persoonlijkheidsstoornis 14.6.3 Het angstige cluster 14.6.3.1 Vermijdende persoonlijkheidsstoornis 14.6.3.2 Afhankelijke persoonlijkheidsstoornis 14.6.3.3 Dwangmatige persoonlijkheidsstoornis 14.7 Prevalentie
265 270 273 275 276 277 277 277 278 279 281 281 282 286 287 289 289 291 291 293
Hoofdstuk 15 Behandelaspecten 295 15.1 Historische schets 15.2 Het beste van veel werelden 15.3 Psychotherapie 15.3.1 Wat is psychotherapie? 15.3.2 ‘Everybody has won, and all must have prizes’ 15.4 Behandelingen met geneesmiddelen 15.4.1 De monoaminehypothese 15.4.2 Klassen psychofarmaca 15.4.2.1 Antipsychotica 15.4.2.2 Antidepressiva
LAN_Psychopathologie_overbodig verwijderd_freya.indd 10
295 297 298 298 300 302 302 303 303 304
24-08-17 10:13
inhoudstafel
15.4.2.3 Werken antidepressiva ? 15.4.2.4 Stemmingsstabilisatoren 15.4.2.5 Slaap- en kalmeringsmiddelen 15.5 Technische behandelingen 15.5.1 Elektroconvulsietherapie 15.5.2 Bijwerkingen 15.5.3 Transcraniële magnetische stimulatie 15.5.4 Andere neurostimulatietechnieken 15.5.5 Chronotherapie 15.6 Richtlijnen
11
305 306 307 307 308 309 310 310 311 312
Bibliografie 315
LAN_Psychopathologie_overbodig verwijderd_freya.indd 11
24-08-17 10:13
The care of the human mind is the most noble branch of medicine.
Hugo Grotius 1583 – 1645
LAN_Psychopathologie_overbodig verwijderd_freya.indd 12
24-08-17 10:13
voorwoord
Dit handboek psychopathologie biedt een beknopt en erg klinisch georiënteerd overzicht van de belangrijkste psychopathologische categorieën. Het beoogt niet volledig te zijn. Het is een inleiding die de student moet helpen om psychiatrische toestandsbeelden te herkennen en van elkaar te onderscheiden. Er worden kritische vragen gesteld over zin en onzin van ‘moderne’ categoriale diagnostiek. Op specifieke aspecten van de behandeling van de diverse stoornissen wordt niet ingegaan. In één hoofdstuk worden wel enkele principes van psychologische, medicamenteuze en technische behandelingen in de geestelijke gezondheidszorg belicht. Ook etiopathogenese en pathofysiologie worden slechts zijdelings aangeraakt, en alleen wat de stemmingsstoornissen betreft wordt hierop ingegaan. In dit handboek wordt consequent de term patiënt gebruikt. Niet het steeds vaker gebruikte cliënt. Psychiatrie is een medisch vak – the most noble branch of medicine, volgens Grotius – dat zich toelegt op de zorg voor mensen die lijden. Dit lijden zit vervat in het begrip patiënt, dat afkomstig is van het Latijnse patientia, dat lijden, dulden en volharding betekent. Het ligt niet voor de hand om een handboek psychopathologie met klinische casuïstiek te illustreren. De toegang tot de kliniek ontbreekt. Maar tegelijk staan de literatuur en de film bol van goed uitgewerkte en erg relevante klinische voorbeelden. De hedendaagse film biedt een gemakkelijke en bovendien vaak aangename inkijk in de psychopathologie.1 Het bekijken van films en het lezen van boeken is een aanvullende manier om zich klinisch te bekwamen.
Pascal Sienaert
LAN_Psychopathologie_overbodig verwijderd_freya.indd 13
24-08-17 10:13
HOOFDSTUK 1 DIAGNOSTIEK EN CLASSIFICATIE HOOFDSTUK 2 HET KWETSBAARHEID-STRESSMODEL HOOFDSTUK 3 PSYCHOSE HOOFDSTUK 4 DEPRESSIEVE STEMMINGSSTOORNISSEN HOOFDSTUK 5 BIPOLAIRE STOORNISSEN HOOFDSTUK 6 ANGSTSTOORNISSEN
1.1 Van zot naar ziek 1.2 Morele behandeling 1.3 Diagnostiek 1.4 Classificatie 1.5 Het medische model bekritiseerd 1.6 Diagnostiek verbeteren 1.7 DSM-5 goed gebruiken
HOOFDSTUK 7 DWANGSTOORNISSEN HOOFDSTUK 8 TRAUMA- EN STRESSORGERELATEERDE STOORNISSEN HOOFDSTUK 9 DISSOCIATIEVE STOORNISSEN HOOFDSTUK 10 PSYCHOLOGISCHE EN PSYCHIATRISCHE PROBLEMEN BIJ LICHAMELIJKE SYMPTOMEN HOOFDSTUK 11 EETSTOORNISSEN HOOFDSTUK 12 MIDDELENGERELATEERDE EN VERSLAVINGSSTOORNISSEN HOOFDSTUK 13 NEUROCOGNITIEVE STOORNISSEN HOOFDSTUK 14 PERSOONLIJKHEIDSSTOORNISSEN HOOFDSTUK 15 BEHANDELASPECTEN
LAN_Psychopathologie_overbodig verwijderd_freya.indd 14
24-08-17 10:13
Hoofdstuk 1
Diagnostiek en classificatie
Diagnosticeren is een film, geen foto. Allen Frances
1.1 VAN ZOT NAAR ZIEK Madness, insanity, gek zijn… In de loop van de geschiedenis heeft men afwijkend gedrag bestempeld als ‘gek’ wanneer het onvoorspelbaar, irrationeel of gevaarlijk was of simpelweg afweek van de norm. Begrippen zoals madness of insanity zijn beschrijvend. Ze impliceren geen oorzaak. Ze beschrijven gedrag dat ‘anders’ is. Meestal refereert dat afwijkende gedrag aan veranderingen in de persoonlijkheid van degene die ‘gek’ is. De persoon is niet langer zichzelf. Van daar is het maar een kleine stap naar de overtuiging dat iemand ‘bezeten’ is : bezeten door externe boze geesten. In verschillende oude beschavingen was de demonologie de heersende verklaring voor afwijkend gedrag en psychopathologie, en het bleef een van de dominante verklaringsmodellen tot in de achttiende eeuw. Naarmate steeds meer kennis werd vergaard over het ontstaan van lichamelijke ziekten, evolueerde het madness-concept van een breed beschrijvend begrip naar een enger ziektebegrip : madness werd mental illness. De Grieken, onder meer Hippocrates, beschreven al afzonderlijke ziekten. Toch is het moderne westerse ziekteconcept nog niet zo oud. Het werd het meest duidelijk geïntroduceerd door Thomas Sydenham (1624-1689), de vader van de medische nosologie (de wetenschappelijke classificatie van ziekten of classificatieleer). Sydenham beschreef onder meer de Chorea van Sydenham, een zeldzaam neurologisch ziektebeeld. Het werd vroeger Sint-Vitusdans genoemd, naar de eigenaardige motorische bewegingen die de getroffen patiënten maken. De ziekte komt vooral bij kinderen voor na een streptokokkeninfectie. Het was een
LAN_Psychopathologie_overbodig verwijderd_freya.indd 15
24-08-17 10:13
16
psychopathologie
voorbeeld van een welomlijnd ziektebeeld met specifieke symptomen, een specifiek verloop en een specifieke prognose. Het ziektebegrip werd verder sterk beïnvloed door twee belangrijke ontdekkingen. Enerzijds het verband dat werd gezien tussen bepaalde klinische ziektebeelden en postmortemafwijkingen (een verlamming aan één lichaamshelft door een hersenbloeding of een bloedklonter in de hersenen bijvoorbeeld), anderzijds de ontdekking van ziektekiemen als ziekteverwekkers. Een voorbeeld is het veelvoorkomende en gevreesde syfilis. Syfilis is een seksueel overdraagbare aandoening, die in verschillende stadia evolueert naar een ernstig beeld waarin ook psychiatrische symptomen, zoals apathie en dementie, kunnen voorkomen. De ontdekking, in 1905 door Schaudinn en Hoffman, dat deze ziekte door de spirocheet Treponema pallidum werd veroorzaakt, heeft in belangrijke mate bijgedragen aan de overtuiging dat ook psychiatrische toestandsbeelden, naar medisch model, een biologische oorzaak kunnen hebben (somatogene hypothese).
1.2 MORELE BEHANDELING Figuur 1.1 Het Parijse Salpêtrière-ziekenhuis, 2012 (Foto P. Sienaert).
LAN_Psychopathologie_overbodig verwijderd_freya.indd 16
24-08-17 10:13
diagnostiek en classificatie
17
Tot het midden van de negentiende eeuw werden mensen met afwijkend gedrag opgesloten in grote ‘gekkenhuizen’, kerkers vaak. Daar werden ze geketend en weggestopt voor de maatschappij. Een gedetailleerde diagnostische beschrijving was daarbij niet aan de orde. Al vanaf het einde van de achttiende eeuw probeerde onder meer de Franse psychiater Philippe Pinel (1745-1826) deze praktijk te veranderen. In 1793 werd hij arts in het Bicêtre-gasthuis met vierduizend opgesloten mannen. Twee jaar later verhuisde hij naar het beroemde Salpêtrière-ziekenhuis in Parijs, waar duizenden vrouwen zaten opgesloten. Pinel maakte hun ketenen los. Hij maakte een einde aan praktijken zoals aderlaten en installeerde een ‘morele behandeling’, die contact en observatie van patiënten centraal stelde. Pinel bezocht dagelijks zijn patiënten en praatte met hen. Hij maakte zorgvuldig aantekeningen om hun aandoening en ziekteverloop beter te begrijpen. Op die manier kwam hij tot een eigen classificatie. In zijn Nosographie philosophique ou la méthode de l’analyse appliquée à la médecine uit 1798 onderscheidde hij vijf categorieën : melancholie, manie met delier, manie zonder delier, dementie en idiotie (Weissmann 2016). Zijn Vlaamse evenknie is de Gentse psychiater Jozef Guislain (1797-1860). Hij ijvert voor een humane behandeling van geesteszieken. Samen met de congregatie van de Broeders van Liefde bouwt hij in 1857 het eerste ‘gesticht’. Het Guislain-ziekenhuis is vandaag nog steeds een actief psychiatrisch ziekenhuis, dat ook een belangrijk museum van de geschiedenis van de psychiatrie huisvest. Figuur 1.2 Pinel beveelt de ketenen weg te nemen in de Salpêtrière – Robert-Fleury (1876).
LAN_Psychopathologie_overbodig verwijderd_freya.indd 17
24-08-17 10:13
18
psychopathologie
In de asielen die vanaf het einde van de achttiende eeuw en vooral in de negentiende eeuw werden opgericht, verbleven patiënten die aanvankelijk grotendeels een en dezelfde beschrijvende diagnose hadden : insanity. Een vlag die diverse ladingen dekte en beelden zoals psychose, manie en ernstige depressies, maar ook mentale retardatie omvatte. Er ontstond behoefte aan ordening. Men wilde weten wat voor soort mensen in de grote asielen verbleef. In de Verenigde Staten werd in 1844 voor het eerst een classificatie opgesteld van patiënten die in de asielen verbleven, een soort inventaris : ‘statistical classification of institutionalized mental patients’. De daarin ondergebrachte categorieën bleven echter nog beperkt tot ‘mania, dementia, melancholia, partial insanity, moral insanity’. Het eerste meer omvattende classificatiesysteem voor psychopathologie is van de hand van de Duitse Emil Kraepelin (1856-1926). Kraepelin geloofde sterk in een exclusief biologische etiopathogenese. In zijn Compendium der Psychiatrie (1883) suggereert hij dat psychiatrische aandoeningen, net zoals lichamelijke aandoeningen, afzonderlijke ziekte-entiteiten zijn. Elk met een eigen oorzaak. En met een set van symptomen, wat hij een syndroom noemde. De invloed van het kraepeliniaanse denken op de hedendaagse psychiatrie is niet te overschatten. Aan het begin van de twintigste eeuw neemt de behoefte aan classificatie verder toe. Psychiatrische en psychologische problemen worden niet meer alleen in het ziekenhuis behandeld, maar steeds meer ook in ambulante praktijken. De psychotherapie viert hoogtij (denk aan de ontwikkeling van de psychoanalytische psychotherapie met figuren als Freud en Jung). Ook minder ernstige, nietpsychotische toestandsbeelden worden behandeld en dienen geclassificeerd te worden. De interesse in diagnostiek groeit (met name ook door de regulerende overheden) wanneer medicamenteuze behandelingen zich in het midden van de twintigste eeuw een weg banen in het therapeutische arsenaal. De noodzaak om een behandeling te kunnen koppelen aan een duidelijk diagnostisch label wordt groter. Het duurt echter tot 1948 vooraleer de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) aan de zesde editie van haar classificatiesysteem, de Internationale Classificatie van Ziekten (ICD) – vanaf 1853 een lijst met doodsoorzaken, de International List of Causes of Death – een aanzienlijke lijst met psychiatrische stoornissen toevoegt. De American Psychiatric Association kan zich niet helemaal vinden in deze lijst en publiceert in 1952 de eerste editie van het Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM-I).
LAN_Psychopathologie_overbodig verwijderd_freya.indd 18
24-08-17 10:13
diagnostiek en classificatie
19
De DSM-I was gebaseerd op etiologische theorieën. Zonder dat er een stevige wetenschappelijke basis voor was, werden ziekten verondersteld ofwel psychogeen te zijn, ofwel het gevolg van een ‘impairment of brain tissue function’. Hersenonderzoek beleefde een enorme bloei in de tweede helft van de twintigste eeuw, maar de bevindingen uit de neurowetenschappen en de vele honderden onderzoeken die (de werking van) de hersenen in beeld hebben gebracht, zijn er niet in geslaagd psychopathologie beter te omschrijven en te herkennen (Frances 2013a). Op enkele uitzonderingen na, is er tot vandaag geen wetenschappelijke basis voor een op etiologie gebaseerde classificatie. Psychiatrische diagnostiek is beschrijvend (descriptief), en dat zal in de nabije toekomst ook zo blijven. De basis van de DSM-II, die in 1968 verscheen, was de psychoanalyse enerzijds, en de psychobiologie van Adolf Meyer (1866-1950) anderzijds (Ghaemi 2003). Meyer was het niet eens met de kraepeliniaanse visie, die psychiatrische aandoeningen reduceerde tot hersenziekten. Hij vond dat hierdoor de invloed van sociale en psychologische factoren werd verwaarloosd. En dat een biologisch reductionisme (‘een psychiatrische ziekte is een hersenaandoening die genetisch bepaald is’) leidde tot een therapeutisch nihilisme. Hij propageerde de visie dat psychiatrische stoornissen reacties zijn op gebeurtenissen in de omgeving : een angstreactie, een depressieve reactie (Ghaemi 2003). Ook de psychoanalyse legde grote nadruk op de context waarin de klachten ontstonden, en ook op ervaringen in de jeugd. Het nadeel was ook hier dat de psychoanalyse niet gestoeld was op wetenschappelijke kennis. Zoals van Os stelt, ‘het was een kwestie van geloven in de methode’ (Van Os 2014). Ondertussen was in 1965 een grootschalig onderzoek gestart om de diagnostische praktijken in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten met elkaar te vergelijken : het US-UK Diagnostic Project. De resultaten van dit project waren ontnuchterend. In de Verenigde Staten werd dubbel zo vaak de diagnose schizofrenie gesteld als in het Verenigd Koninkrijk. En ‘results showed that the high frequency of schizophrenia and the low frequency of affective disorder among mental hospital admissions in New York compared to those in London were due largely to the diagnostic practices of the psychiatrists, the American concept of schizophrenia being more all-embracing than the British’ (Kendell e.a. 1971 ; Cooper e.a. 1972). Diagnose stelling bleek dus een subjectieve zaak te zijn. Het was duidelijk dat er behoefte was aan internationale afspraken voor diagnostiek, en aan meer eenduidige diagnostische criteria. Het pad voor een volgende DSM-generatie was hiermee geëffend.
LAN_Psychopathologie_overbodig verwijderd_freya.indd 19
24-08-17 10:13
20
psychopathologie
De in 1980 gepubliceerde DSM-III betekende een radicale breuk met de traditionele psychiatrie en met de vorige edities. ‘Weg met het psychoanalytisch geloof, weg met het uitgangspunt van een stoornis als reactie op de omgeving, weg met de aandacht voor onderliggende oorzaken’ (Van Os 2014). Voor het eerst werden lijsten opgemaakt met observeerbare diagnostische criteria. De diagnostische categorieën waren beschrijvend, en ‘atheoretisch’ (er was geen theorie over de etiologie). Het diagnostisch proces werd benaderd vanuit een empirische, op onderzoek georiënteerde basis. De nieuwe DSM-III zou gebaseerd zijn op criteria die door elke psychiater of psycholoog, ongeacht zijn theoretische oriëntatie, op dezelfde manier kon worden vastgesteld (Domken e.a. 2016). Toch was het geenszins de bedoeling afbreuk te doen aan het belang van klinische inschatting en ervaring. In teksten over de voorbereiding van de DSM-III werd bijvoorbeeld gesteld dat ‘the use of specified criteria does not, of course, exclude clinical judgment’. En dat ‘the proper use of such criteria requires a considerable amount of clinical experience and knowledge of psychopathology’ (Maj 2013). Belangrijke kanttekening : ook al was de DSM-III in principe atheoretisch, toch vond de aloude visie dat psychiatrische stoornissen hersenziekten zijn, geleidelijk aan opnieuw meer ingang (Van Os 2014). Verschillende edities van de DSM volgen : in 1987 verschijnt een gereviseerde versie (DSM-III-Revised) ; in 1994 de vierde editie en zes jaar later een tekstrevisie ervan (2000 DSM-IV-Text Revision). De vijfde editie verscheen in 2013. Tot vandaag worden de twee vermelde grote classificatiesystemen gebruikt : de DSM en de ICD, die ook somatische aandoeningen bevat. De DSM is echter uitgegroeid tot de wereldwijde referentie voor het classificeren en diagnosticeren van psychiatrische ziektebeelden. Het boek is echter geen handboek. En het is al helemaal niet ‘de bijbel van de psychiatrie’ zoals het zo vaak wordt genoemd. Het is een boek met diagnostische criteria ten behoeve van communicatie en onderzoek.
1.3 DIAGNOSTIEK Bij diagnostiek, vanuit het medische model, gaat het erom aan de hand van een reeks symptomen vast te stellen wat de aard van een aandoening is. Een psychiatrische diagnose heeft als doel het verklaren en begrijpen van de toestand van de patiënt en het instellen van een doeltreffende behandeling. De diagnose omvat daarom een groot aantal aspecten. Het gaat niet alleen om een beschrij-
LAN_Psychopathologie_overbodig verwijderd_freya.indd 20
24-08-17 10:13
diagnostiek en classificatie
21
ving van symptomen in hun samenhang en hun ontwikkeling, zoals de DSM suggereert. Terwijl de DSM atheoretisch is, zal in de dagelijkse praktijk bij een psychiatrische diagnose natuurlijk ook geprobeerd worden om na te gaan wat mogelijke lichamelijke en psychische oorzaken van de aandoening zijn. De invloed van persoonlijkheidsfactoren op het klinische beeld wordt ingeschat, evenals de invloed die gedrag kan hebben bij het instandhouden van de symptomen, maar ook bij het oplossen van de problemen (Vandereycken e.a. 2008). De hedendaagse psychopathologie blijft symptomen ordenen in homogene syndromen. Een syndroom is een groep van (dikwijls) samen voorkomende symptomen. Hiermee is dus niets gezegd over de aard van de samenhang tussen de symptomen, noch over de reden waarom ze samen voorkomen. Het woord symptoom komt uit het Grieks en betekent ‘toeval’ of ‘coïncidentie’, en betekent dus in essentie ‘wat samenvalt of coïncideert’ met de ziekte (Domken e.a. 2016). Een symptoom is een ‘ziekteteken’, een teken dat verwijst naar een pathologisch proces. Kernsymptomen (hoofdsymptomen, basissymptomen of sleutelsymptomen) zijn met enige zekerheid gekoppeld aan een specifieke stoornis ; facultatieve symptomen (bijsymptomen) maken het beeld van een stoornis volledig, maar zijn niet bepalend voor een gegeven diagnose. Een depressieve stemming en het onvermogen om plezier te beleven (anhedonie) zijn kernsymptomen van een depressie. Facultatieve symptomen zijn bijvoorbeeld moeheid en slaapstoomissen. Die zijn niet noodzakelijk aanwezig om van een depressie te kunnen spreken. De allesoverheersende wens om mager te zijn is een hoofdsymptoom van anorexia nervosa. Het uitblijven van de menstruatie is een bijsymptoom. Er worden twee typen diagnosen onderscheiden. •• De syndroomdiagnose of descriptieve diagnose is alleen beschrijvend en geeft geen informatie over de redenen en de manier van ontstaan. In een syndroomdiagnose worden symptomen geordend tot homogene syndromen, groepen van (dikwijls) samen optredende symptomen. Een voorbeeld van een syndroomdiagnose is : een matig ernstig depressief syndroom met melancholische kenmerken. •• Een structuurdiagnose kijkt net iets verder dan de criteria en geeft niet alleen een beschrijving van de symptomatologie maar ook waardoor en op welke wijze het syndroom ontstaan is (etiopathogenese). In deze beschrijving wordt ingegaan op zowel de neurobiologische als de psychologische aspec-
LAN_Psychopathologie_overbodig verwijderd_freya.indd 21
24-08-17 10:13
22
psychopathologie
ten. Hierbij wordt aandacht geschonken aan factoren die iemand kwetsbaar maken (predisponerende factoren), factoren die de stoornis uitlokken (luxerende factoren) en factoren die de stoornis onderhouden of versterken (onderhoudende factoren). Een syndroomdiagnose (‘label’) zal vaker aanleiding zijn voor een ‘eenvoudiger’ behandeling, met weinig op maat gesneden modaliteiten. Een depressie wordt behandeld met antidepressiva. Dat die depressie het resultaat is van jarenlang partnergeweld doet bij een syndroomdiagnose niet ter zake. Een structuurdiagnose laat meer ruimte voor het aanpassen van de behandeling aan de behoeften die de persoon, met zijn problematiek, in zijn specifieke context nodig heeft (antidepressiva, jobcoaching, individuele en relatietherapie). Die context is ten slotte ook niet los te zien van culturele normen en waarden, die een invloed hebben op de diagnostiek. Een diagnose zoals sociale fobie is in de jaren zeventig van de vorige eeuw sterk opgekomen, maar voldoet volgens sommigen ‘gewoon’ aan de fatsoensnormen uit de jaren vijftig. Het feit dat in onze maatschappij veel belang wordt gehecht aan de autonomie van het individu heeft ongetwijfeld een invloed op het ‘labelen’ van afhankelijke en vermijdende karaktertrekken als persoonlijkheidsstoornis (Van 2016). Het is belangrijk om voor ogen te houden dat een psychiatrische diagnose stellen een subjectief gebeuren is, hoe strikt de diagnostische criteria ook lijken. Er zijn geen biologische tests. Diagnoses zijn volledig afhankelijk van subjectieve oordelen die feilbaar zijn, altijd een hypothetisch karakter hebben en voortdurend opnieuw getoetst moeten worden. Bovendien is de belangrijkste bron van informatie over de patiënt de patiënt zelf en zijn familie. Ook zij hebben per definitie een subjectieve kijk op wat zich voordoet.
1.4 CLASSIFICATIE Een classificatie is een indeling, een ordening van verschijnselen in een systeem van klassen. In de geneeskunde is classificeren het benoemen van een ziektebeeld met een vooraf afgesproken term, aan de hand van vooraf gemaakte afspraken. Dat gebeurt op basis van een gestelde diagnose en reduceert de uitgebreide diagnostische bevindingen bij een individuele patiënt tot een algemene categorie. Aan deze categorie geeft men een afgesproken naam en een code. Hierdoor kan de communicatie tussen artsen, hulpverleners en onderzoe-
LAN_Psychopathologie_overbodig verwijderd_freya.indd 22
24-08-17 10:13