boek exiteconomie-def.indd 3
9/01/18 11:49
D/2018/45/192 – ISBN 978 94 014 4094 3 – NUR 740, 784 Vormgeving omslag: Paul Verrept Vormgeving binnenwerk: Peer De Maeyer © Jo Reynaerts, Jakob Vanschoonbeek & Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2018. VIVES monografie 5 Uitgeverij LannooCampus maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv. Alle rechten voorbehouden. Niets van deze uitgave mag verveelvoudigd worden en/of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Uitgeverij LannooCampus Erasme Ruelensvest 179 bus 101 3001 Leuven België www.lannoocampus.be
boek exiteconomie-def.indd 4
9/01/18 11:49
INHOUD OVER DIT BOEK 9 HOOFDSTUK 1. INLEIDING 13 1.1 1.2 1.2.1 1.2.2 1.3 1.3.1 1.3.2
De eeuw van de dwergen 13 De club-benadering en de vraag naar soevereiniteit 16 Theoretisch kader 16 Toepassing: het Schotse onafhankelijkheidsdebat 18 De productiebenadering en de impact van soevereiniteit 21 Theoretisch kader 21 Toepassing: de economische divergentie tussen de Amerika’s 24
DEEL I. OORZAKEN VAN STAATSDESINTEGRATIE 28 HOOFDSTUK 2. INLEIDING 31 HOOFDSTUK 3. IDEOLOGISCHE EN BUDGETTAIRE MODELLEN VAN STAATSVORMING 35 3.1 Een ideologisch model van staatsvorming 36 3.1.1 Technische details* 39 3.1.1.1 Uitgangspositie 39 3.1.1.2 Het ideologische keuzeprobleem 40 3.1.1.3 Staatsvorming onder een sociale planner 41 3.1.1.4 Staatsvorming in een democratie 42 3.1.1.5 Staatsvorming in een autocratie 43 3.1.1.6 Uitbreiding: staatsvorming onder meerlagig bestuur 44 3.1.2 Confrontatie met de data 48 3.1.2.1 Bivariate analyse 49 3.1.2.2 Regressieanalyse 62 3.1.2.3 Predictieve validiteit 66 3.2 Een budgettair model van staatsvorming 68 3.2.1 Technische details* 70
5
boek exiteconomie-def.indd 5
9/01/18 11:49
3.2.1.1 Uitgangspositie 70 3.2.1.2 Het budgettaire keuzeprobleem 71 3.2.1.3 Staatsvorming onder een sociale planner 72 3.2.1.4 Staatsvorming onder een democratie 72 3.2.1.5 Staatsvorming onder een autocratie 75 3.2.2 Confrontatie met de data 76 3.2.2.1 Bivariate analyse 78 3.2.2.2 Regressieanalyse 83 3.2.2.3 Predictieve validiteit 85 3.3 Bedenkingen 87
HOOFDSTUK 4. NAAR EEN EENGEMAAKTE THEORIE VAN STAATSVORMING 89 4.1 Een meer holistische benadering van staatsvorming 90 4.1.1 De economische afscheidingskosten 90 4.1.2 De politieke welvaartswinst 91 4.1.3 Het effect op de belastbare basis 92 4.1.4 Het herverdelingseffect 93 4.1.5 Het belastingreducerende effect van politieke verdeeldheid 94 4.2 Een simulatiemodel van staatsvorming 95 4.3 Een nieuwe maatstaf van politieke verdeeldheid* 99 4.3.1 Bestaande maatstaven 99 4.3.2 Een nieuwe maatstaf 99 4.3.3 Implicaties: politieke verdeeldheid in Europa 103 4.4 Een rangorde van regionale (in)stabiliteit in Europa 105 4.5 Bedenkingen 110
HOOFDSTUK 5. BINNENLANDSE REMEDIES 115 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5
Striktere afscheidingsregels: de tirannie van de meerderheid 116 Ideologische transfers: een elixir tegen politieke verdeeldheid 120 Inkomensgebaseerde transfers: olie op het centrifugale vuur 127 Decentralisatie: een tweesnijdend zwaard 131 Natievorming: de gevaarlijke weg van de geleidelijkheid 136
HOOFDSTUK 6. INTERNATIONALE CONTEXTFACTOREN 139 6.1
Handelsopenheid: van economische integratie naar politieke desintegratie 139
6 | EXITECONOMIE
boek exiteconomie-def.indd 6
9/01/18 11:49
6.2 6.3 6.4
Oorlog: van militaire integratie naar politieke desintegratie 144 Internationale erkenning: van het wilsoniaanse moment naar politieke desintegratie 148 Het relatieve belang van de internationale context 150
DEEL II. GEVOLGEN VAN STAATSDESINTEGRATIE 156 HOOFDSTUK 7. INLEIDING 159 HOOFDSTUK 8. DE ECONOMIE VAN EEN ONAFHANKELIJKHEIDSVERKLARING 161 HOOFDSTUK 9. DE ECONOMISCHE IMPACT VAN HISTORISCHE AFSCHEIDINGEN 169 9.1 Inleiding 169 9.2 Op zoek naar het onafhankelijkheidsdividend 170 9.3 Een dubbel probleem 172 9.4 Een raamwerk voor het berekenen van het dividend* 175 9.5 De berekening van het dividend 176 9.5.1 De naïeve benadering: verschil-in-gemiddelden 176 9.5.2 De minder naïeve benadering: verschil-in-verschillen 179 9.5.3 De gesofistikeerde benadering: de synthetische controlemethode 182 9.5.3.1 Motiverend voorbeeld: Oekraïne 184 9.5.3.2 Algemene resultaten 188 9.5.3.3 De synthetische controlemethode als oplossing voor het dubbele probleem 190 9.5.4 De prijs van onafhankelijkheid 191 9.6 Uitgelichte resultaten 192
HOOFDSTUK 10. DETERMINANTEN VAN HET ONAFHANKELIJKHEIDSDIVIDEND 197 10.1 Resultaten 199
HOOFDSTUK 11. BESLUIT 209 EINDNOTEN 221 BIJLAGE A 250 BIBLIOGRAFIE 253
INHOUD | 7
boek exiteconomie-def.indd 7
9/01/18 11:49
8 | EXITECONOMIE
boek exiteconomie-def.indd 8
9/01/18 11:49
OVER DIT BOEK ‘Een spook waart door Europa – het spook van het communisme’. Met deze bekende woorden opent het Manifest van de Communistische Partij van Marx en Engels (1848). Als Karl Marx en Friedrich Engels echter zo’n vijftig jaar later waren geboren, bestaat de kans dat ze hun manifest in plaats daarvan hadden geopend met ‘een spook waart door Europa – het spook van het separatisme’. Op dat moment spat het Oostenrijks-Hongaarse rijk immers uiteen in een lappendeken van opvolgerstaten, wat de voorbode vormt voor een periode van Europese kleinstaterij die tot vandaag aanhoudt. Beide fenomenen – communisme en separatisme – kennen in zekere zin een gemeenschappelijke oorsprong: ongelijkheid en verdeeldheid in de bevolking. Waar Marx en Engels (1848) echter alleen de toenemende inkomensongelijkheid als motor van de geschiedenis zien, in de vorm van een klassenstrijd tussen proletariërs en kapitaalbezitters die onvermijdelijk zou leiden tot communisme, appelleert separatisme bovendien ook aan de ongelijkheid in politieke opvattingen die vaak aanwezig zijn in de samenleving. Waar inkomensongelijkheid binnen het communisme nog een convergerende uitwerking heeft die vervat zit in de oproep ‘proletariërs aller landen, verenigt u!’, groeit de combinatie van inkomensongelijkheid en politieke verdeeldheid in het separatisme juist uit tot een divergerende kracht, die we naar analogie kunnen samenvatten in de oproep ‘gelijkgestemden aller landen, scheidt u af’. Deze monografie biedt een geïntegreerd kader om de politiek-economische oorzaken en gevolgen van het opsplitsen van landen te bestuderen. Daarmee richt de studie zich op de centrale maar tot voor kort verwaarloosde taak van de politieke economie om theorievorming te ontwikkelen over veranderingen in de voornaamste bouwstenen van de internationale orde en de implicaties daarvan voor de economische prestaties van landen en regio’s. Dat een dergelijk overzichtswerk gelegen komt, blijkt onder meer uit de actuele relevantie van het fenomeen van staatsdesintegratie in een tijdperk van Brexit, Schotse en Catalaanse onafhankelijkheidsreferenda en hernieuwde Oost-West-spanningen in de Krim. Ook op academisch vlak volgen ontwikkelingen elkaar in sneltempo op sinds het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, resulterend in een wildgroei aan theoretische modellen van staatsvorming. Bijgevolg lijkt het moment gekomen om de balans op te maken en de essentiële ingrediënten van het hedendaagse, politiek-economische denken rond staatsvorming samen te brengen in een overkoepelend ver-
9
boek exiteconomie-def.indd 9
9/01/18 11:49
klaringsmodel, dat vervolgens beter ingebed kan worden in de bestaande sociaalwetenschappelijke literatuur over dit onderwerp. Deze monografie onderscheidt zich daarbij van andere publicaties over dit onderwerp door haar uitgesproken empirische focus. De analyse besteedt uitgebreid aandacht aan zowel historisch-anekdotische als statistische informatie om de plausibiliteit van de bestaande modellen en hun theoretische voorspellingen in de ‘echte’ wereld na te gaan. Deze persistente zoektocht naar testbare hypothesen dient als voornaamste doel om een empirisch fundament voor de politieke economie van staatsvorming uit te bouwen, omdat de afwezigheid daarvan vaak beschouwd wordt als het voornaamste obstakel om dit veld te doen uitgroeien tot een volwassen onderzoekstraditie. Daarbij dient opgemerkt dat de aangehaalde historisch-anekdotische evidentie – wegens een gebrek aan gespecialiseerde kennis bij de auteurs alsook door het veelvuldige gebruik van secundaire bronnen – een veeleer exploratief karakter heeft en ongetwijfeld verder verfijnd kan worden door economische (en andere) historici. Bovendien zijn er voor veel landen maar weinig historische kwantitatieve gegevens beschikbaar, waardoor de statistische analyse van historische periodes vaak noodgedwongen gestoeld is op een beperkt aantal datapunten. Deze beperking ontslaat economisten echter niet van de verantwoordelijkheid om politiek-economische intuïties te confronteren met de beschikbare empirische evidentie. In een samenleving waar de vraag naar de oorzaken en gevolgen van regionale instabiliteit toeneemt, vormt de reflex om na te gaan wat geleerd kan worden van historische gevallen net een nuttig instrument om het vaak emotionele debat over dit onderwerp te objectiveren. Ten slotte besteedt het empirische bewijsmateriaal nadrukkelijk aandacht aan het Europese verhaal van staatsvorming. Afgezien van een aantal excursies naar onder andere Latijns-Amerika, wordt deze Europese focus vooral verklaard doordat wetenschappelijk onderzoek naar staatsvorming zich disproportioneel toespitst op de Europese ervaring, waar de eerste moderne staten immers het levenslicht zagen. Bovendien lijkt de regio ook vandaag nog een voorloper, die als eerste succesvol experimenteert met supranationale samenwerkingsvormen in de Europese Unie. Het is op dit punt dat de statistische blik op de samenhang tussen staatsvormingspatronen en hun vermeende determinanten zijn meerwaarde kan bewijzen: aan de hand daarvan kan immers geverifieerd worden in welke mate theoretische voorspellingen niet alleen stroken met de Europese ervaring, maar ook met geobserveerde patronen van staatsvorming over de gehele wereld. De monografie is daarbij opgebouwd uit twee overkoepelende delen, voorafgegaan door een inleiding en gevolgd door een besluit. Deel I spitst zich toe op de vraag naar de politiek-economische oorzaken van separatisme: vanaf wanneer wordt politieke onafhankelijkheid beschouwd als een begeerde (trofee)prijs? Hoofdstuk 2 situeert de politiek-economische literatuur in de bestaande academische literatuur rond dit onderwerp. Vervolgens staat hoofdstuk 3 uitgebreid stil bij de twee belangrijkste politiek-economische stromingen die het opsplit-
10 | E X I T E C O N O M I E
boek exiteconomie-def.indd 10
9/01/18 11:49
sen van landen proberen te verklaren, met name de ideologische en de budgettaire stroming. Hoofdstuk 4 brengt dan eigen onderzoekswerk voor het voetlicht dat de inzichten uit de ideologische en de budgettaire stroming verenigt in één verklaringsmodel van staatsvorming en dit model vervolgens gebruikt om de hedendaagse scheurgevoeligheid van een grote verzameling Europese regio’s te voorspellen. Hoofdstuk 5 evalueert een aantal vaak voorkomende overheidsstrategieën om de stabiliteit van de landsgrenzen te verhogen op hun efficiëntie. Ten slotte werpt hoofdstuk 6 een blik op de rol die de internationale context speelt bij het (her)tekenen van landsgrenzen. Deel II van deze monografie is gewijd aan de vraag naar de economische gevolgen van staatsdesintegratie: wat is de kostprijs van onafhankelijkheid? Hoofdstuk 7 biedt een panoramisch overzicht van de historische ontwikkeling in het economische denken rond de kosten en baten van een afscheiding. Vervolgens overloopt hoofdstuk 8 de economische kanalen waarlangs een afscheuring het groeipotentieel van nieuw-onafhankelijke staten kan beïnvloeden. Hoofdstukken 9 en 10 presenteren eigen onderzoekswerk dat achtereenvolgens (i) onafhankelijkheidsdividenden berekent voor een grote groep van nieuw-onafhankelijke landen in de periode 1816-2016 en (ii) onderzoekt via welke kanalen de afscheiding het economisch groeipotentieel in de betrokken landen beïnvloedde. De belangrijkste bekommernis hierbij was om tot een laagdrempelige tekst te komen die gelezen kan worden door een breed publiek. Om ook lezers te bedienen die geïnteresseerd zijn in meer achtergrondinformatie over dit onderwerp, werd een uitgebreid eindnotenapparaat opgenomen dat voorziet in bijkomend (bronnen)materiaal en technische details. Voorts zijn een aantal technische paragrafen voorzien van een sterretje en worden beknopte technische uitweidingen gemarkeerd door lichtgroene vakken. Zowel de eindnoten als deze technische paragrafen kunnen genegeerd worden zonder de krachtlijnen van de analyse te missen. Vanuit dezelfde overweging werden letterlijke citaten in de tekst door de auteurs naar het Nederlands vertaald om het leesgemak te bevorderen, terwijl het eindnotenapparaat in de oorspronkelijke taal citeert. Onze grote dank gaat in de eerste plaats uit naar het Vlaams Instituut voor Economie en Samenleving (VIVES) in het algemeen en Joep Konings in het bijzonder, die het onderzoek dat aan de basis van deze monografie ligt mogelijk hebben gemaakt en zonder wie dit werk niet had bestaan. Bijzonder belangrijk voor de totstandkoming van dit boek was de VIVES ‘Workshop on the Stability of Regions, Cultures and Institutions’ die plaatsvond op 2 juni 2016 en ons onder de vleugels van de onderzoeksinstelling de gelegenheid gaf om drie internationale experts uit te nodigen om van gedachten te wisselen over de verschillende thema’s die hier aan bod komen. We zijn ook vzw Pro-VIVES in het algemeen en Remi Vermeiren in het bijzonder erkentelijk voor hun steun en inzichten. Voorts gaat een speciaal woord van dank uit naar Koen Breemersch, Erik Buyst, Margit Didelez, Ronald Grossey, Klaas Staal en Rudy Vanschoonbeek, die het manuscript
O V E R D I T B O E K | 11
boek exiteconomie-def.indd 11
9/01/18 11:49
lazen en becommentarieerden. Hun opmerkingen en suggesties zorgden ervoor dat de tekst er zowel inhoudelijk als stilistisch sterk op vooruitging. Ook de collega’s van VIVES zorgden voor een stimulerende intellectuele omgeving en waren een belangrijke inspiratiebron en klankbord voor diverse ideeën in deze tekst. Het academisch onderzoek dat de basis vormt voor de analyse kreeg ook vorm tijdens verschillende conferenties en seminaries. Daarom gaat onze dank ook uit naar Nauro Campos, Jan De Loecker, Klaus Desmet, Geert Dhaene, Luigi Moretti, Tommaso Orlando, Sašo Polanec, David Stadelmann, Marvin Suesse en deelnemers van verschillende VIVES-onderzoeksseminaries, het Center of Excellence: Governments & Markets Seminar, de ‘Workshop on the Stability of Regions, Culture and Institutions’ en de 32ste jaarlijkse bijeenkomst van de European Economic Association in Lissabon. Ook Sofie Trossard, Kaat Reynaerts, Patrick Van Cayseele, Koen Deconinck, Thijs Vandemoortele en Jesse Stroobants droegen elk op hun manier bij tot het tot stand komen van deze tekst. Bovendien willen we ook het uitgeversteam van LannooCampus en Niels Janssens bedanken voor een constructieve samenwerking. Ten slotte werd dit boek ook mogelijk gemaakt door de financiële steun van het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek – Vlaanderen en de wetenschappelijke en organisatorische omkadering van de KU Leuven.
12 | E X I T E C O N O M I E
boek exiteconomie-def.indd 12
9/01/18 11:49
HOOFDSTUK 1
INLEIDING 1.1
DE EEUW VAN DE DWERGEN
Staatsvorming is historisch gezien een verhaal van de accumulatie van grondstoffen, territorium en macht (Tilly, 1990). Gedurende de laatste eeuw werd de wereld echter in toenemende mate geconfronteerd met een proces van staatsdesintegratie waarbij het aantal onafhankelijke staten gestaag toenam, maar tegelijkertijd hun omvang stelselmatig verminderde. Ter illustratie toont figuur 1 de evolutie van het aantal onafhankelijke staten tussen 1816 en 2016 en zet die af tegen de evolutie van de gemiddelde omvang van een land (uitgedrukt in 1000 km2) en gegevens over de wereldwijde vraag naar separatisme, uitgedrukt in het aantal actieve afscheidingsbewegingen.1
FIGUUR 1. Van territoriale expansie naar desintegratie (1816–2016) Noot: de figuur toont de evolutie van het aantal onafhankelijke landen (volle lijn), de gemiddelde oppervlakte van een land (onderbroken lijn) en het aantal afscheidingsbewegingen (grijs) tussen 1816 en 2016.
Grootte (1000 km²)
0
500
50
1000
100
Aantal
1500
150
200
2000
Bron: Lake en O’Mahony (2004), Correlates of War (2010), Griffiths en Butcher (2013), The Madison Project (2013), Griffiths (2015), Wereldbank (2016), eigen berekeningen.
1816
1841
# landen
1866
1891
Grootte
1916
Jaar
1941
1966
1991
2016
# afscheidingsbewegingen
13
boek exiteconomie-def.indd 13
9/01/18 11:49
Enerzijds toont de figuur dat een dalende trend in het aantal onafhankelijke staten in de negentiende eeuw omgebogen wordt in een duidelijke trend naar staatsdesintegratie in de twintigste eeuw, wanneer het aantal landen consistent aangroeit van 58 in 1900 tot 191 in 2000 en 195 in 2016. Dit proces van desintegratie vond grotendeels plaats in drie golven: een eerste in Oost-Europa tijdens het interbellum; een tweede in de groep van voormalige Europese kolonies na de Tweede Wereldoorlog, en een derde met het uiteenvallen van zowel de Sovjet-Unie als Joegoslavië in de jaren negentig. Ook toont de figuur dat de gemiddelde omvang van een land een omgekeerd U-vormig verloop vertoont: na een initiële periode van territoriale expansie, onder meer ten gevolge van de Duitse en Italiaanse eenmaking in de loop van de negentiende eeuw en de westelijke gebiedsuitbreiding van de Verenigde Staten (VS), bereikte de gemiddelde omvang van onafhankelijke landen een piek in de periode tussen 1900 en de Tweede Wereldoorlog om vervolgens stelselmatig af te nemen. Ten slotte toont de figuur dat de vraag naar afscheiding, afgezien van een bescheiden Latijns-Amerikaanse piek aan het begin van de negentiende eeuw en een tweede piek tijdens het interbellum, een fenomeen is dat vooral in de naoorlogse periode op de voorgrond treedt. Deze dubbele evolutie naar een wereld met meer, maar kleinere landen wordt in een recent Credit Suisse-rapport omschreven als ‘een van de centrale geo-economische trends van de laatste dertig jaar’ (Natella en O’Sullivan, 2014, p. 1) en motiveert de karakterisering van de twintigste eeuw als de eeuw van de dwergen. Bovendien suggereren de recente onafhankelijkheidsreferenda in Schotland en Catalonië, en de parallelle toenemende electorale steun voor regionalistische partijen in landen zoals België en Italië, dat dit proces van staatsdesintegratie ook in de nabije toekomst een prominente plaats zal bekleden op de (Europese) beleidsagenda, zelfs in de afwezigheid van imminente onafhankelijkheidsverklaringen. Een belangrijke nieuwigheid is dat regionale onafhankelijkheidsbewegingen vaker een beroep doen op de electorale arena om regionale autonomie – of zelfs afscheiding – van het centrale gezag te bekomen (Sorens, 2008); hierbij motiveren ze hun programma ook steeds vaker op basis van economische argumenten (Rodríguez-Pose en Gill, 2005). Deze ontwikkelingen plaatsen economisten voor een dubbele uitdaging: (i) de onderliggende politiek-economische processen te identificeren die dit proces van staatsdesintegratie vormgeven, en (ii) de economische gevolgen te beschrijven waartoe dat aanleiding geeft. Het theoretische onderzoek naar de politiek-economische oorzaken van desintegratie raakt in een stroomversnelling in de nasleep van de implosie van de Sovjet-Unie. Toch merkt Spolaore (2009, p. 8) op dat deze literatuur ‘nog in haar kinderschoenen staat’, onder meer als gevolg van de afwezigheid van empirisch onderzoek dat nagaat in welke mate deze theoretische voorspellingen stroken met bestaande gevallen van staatsdesintegratie. Bovendien bestaat er, ondanks de huidige maatschappelijke relevantie, weinig theoretisch of empirisch onderzoek naar de economische gevolgen van de fragmentatie
14 | E X I T E C O N O M I E
boek exiteconomie-def.indd 14
9/01/18 11:49
(Rodríguez-Pose en Stermšek, 2015). Daardoor blijft het voorlopig onduidelijk of, en onder welke omstandigheden, een afscheiding aanleiding geeft tot een ‘onafhankelijkheidsdividend’ en of er met andere woorden een ‘prijs voor onafhankelijkheid’ betaald moet worden. Deze monografie biedt een geïntegreerd overzicht van de recente vooruitgang op beide terreinen, waarbij de nadruk ligt op de confrontatie van de centrale bevindingen uit de bestaande literatuur met de beschikbare historische gegevens over afscheidingen. Drie bekommernissen liggen aan de grondslag van deze opzet. Ten eerste biedt het samenbrengen van de diverse inzichten uit de gefragmenteerde literatuur rond de politieke economie van staatsdesintegratie de mogelijkheid om een meer omvattend inzicht te verkrijgen in de oorzaken en gevolgen van de huidige episode van regionale instabiliteit. Voorts stelt doorgedreven empirisch onderzoek ons in staat na te gaan wat geleerd kan worden uit historische gevallen van desintegratie, en functioneert het als een nuttig instrument om de bestaande literatuur te valideren. Ten slotte tonen diverse opiniestudies dat economische overwegingen een belangrijke invloed uitoefenen op de gepercipieerde wenselijkheid van regionale autonomie en, dus, op stemgedrag.2 In die zin lijkt een beter begrip van de werkelijke kosten en baten van onafhankelijkheid essentieel om tot een beter functionerend democratisch beslissingsproces te komen. Daartoe formuleert het vervolg van deze inleiding een eenvoudig, overkoepelend theoretisch kader dat economisten traditioneel aanwenden om staatsvorming te begrijpen, belangrijke van bijkomstige factoren te onderscheiden en toekomstige ontwikkelingen in regionale (in)stabiliteit te voorspellen. Een summiere toepassing op, achtereenvolgens, het Schotse onafhankelijkheidsdebat en de ongelijke economische ontwikkeling van Noord- en Zuid-Amerika vanaf de negentiende eeuw illustreert hoe dit paradigma inzicht kan verschaffen in de afwikkeling van een aantal cruciale historische episodes van regionale instabiliteit. Dit kader fungeert als leidraad voor de volgende twee delen van deze monografie, die de verschillende componenten ervan, namelijk de oorzaken en de gevolgen, verder uitdiepen. Deel I biedt een overzicht van de bestaande politiek-economische literatuur rond de oorzaken van staatsdesintegratie, die de regionale verschillen in beleidsvoorkeuren en inkomen verbindt met het tot stand komen van landsgrenzen. Vervolgens wordt deze literatuur samengevat in een eenvoudig model van staatsvorming dat het mogelijk maakt om af te leiden welke relaties er bestaan tussen regionale inkomensverdelingen en regionale beleidsvoorkeuren enerzijds, en de mate van regionale instabiliteit anderzijds. Daarna wordt dit model aangewend om de Europese regio’s te identificeren die, althans volgens de bestaande literatuur, vandaag het meest vatbaar zijn voor separatisme en welke Europese landen vandaag het meest robuust zijn voor regionale instabiliteit. Samengevat behandelt dit deel de volgende vragen: wat zijn, volgens de hedendaagse economische literatuur, de belangrijkste oorzaken van regionale (in)stabiliteit? Hoe zijn ze on-
H O O F D S T U K 1 | 15
boek exiteconomie-def.indd 15
9/01/18 11:49
derling gerelateerd? Hoe zou de huidige kaart van Europa eruitzien wanneer ze bekeken wordt door de lens van deze literatuur? Deel II bespreekt aansluitend de bestaande literatuur over de economische gevolgen van staatsdesintegratie en legt zich toe op de berekening van het onafhankelijkheidsdividend. Hiertoe wordt een recent ontwikkelde methode benut die het mogelijk maakt om de evolutie van het BBP per capita van landen die onafhankelijk werden tussen 1816 en 2016 te benaderen, in het hypothetische (of tegenfeitelijke) geval dat ze zichzelf niet onafhankelijk hadden verklaard. Een vergelijking van het werkelijk geobserveerde groeipad van het BBP per capita met dit gesimuleerde groeipad, dat de economische toestand in afwezigheid van secessie weergeeft, resulteert in een inschatting van de landspecifieke nettowinst van een onafhankelijkheidsverklaring. Ten slotte wordt bekeken of deze geschatte ‘onafhankelijkheidsdividenden’ betekenisvol gerelateerd zijn aan een aantal onderliggende economische kenmerken van deze landen, om na te gaan via welke kanalen een onafhankelijkheidsverklaring het groeipotentieel beïnvloedt. Samengevat behandelt dit hoofdstuk de volgende vragen: wat zijn, volgens de hedendaagse economische literatuur, de belangrijkste factoren die de economische gevolgen van een onafhankelijkheidsverklaring beïnvloeden? In welke mate heeft de onafhankelijkheidsverklaring het groeipotentieel in de landen die ontstonden na 1950 gewijzigd? Wat zijn de economische kanalen waarlangs de onafhankelijkheidsverklaring het groeipotentieel beïnvloedde in deze groep van nieuwe landen?
1.2
DE CLUB-BENADERING EN DE VRAAG NAAR SOEVEREINITEIT
1.2.1
Theoretisch kader
De opmerkelijke toename en daaropvolgende afname in de gemiddelde omvang van landen wekt onvermijdelijk de aandacht van een groeiende schare academici, geïnteresseerd in het blootleggen van de determinanten ervan. Daarbinnen heeft een invloedrijke politiek-economische literatuur haar oorsprong in de zogenaamde ‘club’-benadering (Yarbrough en Yarbrough, 1998, p. 173), die de optimale grootte van een land bestudeert aan de hand van een afweging tussen de voor- en nadelen van territoriale expansie. Typerend voor deze benadering is dat ze landen impliciet beschouwt als vrijwillige verzamelingen van groepsleden, die zich verenigen om te voorzien in een aantal deelbare ‘clubgoederen’ zoals veiligheid en leefmilieu, waarvan de consumptie exclusief voorbehouden is aan de groepsleden. Figuur 2 illustreert de fundamentele intuïtie van de clubgeoriënteerde benadering van staatsvorming. De figuur toont hoe de totale welvaart van een land verandert als de omvang, uitgedrukt in het inwonersaantal (N), met één onderdaan toeneemt. De bijkomende welvaart die daaruit gerealiseerd kan worden, in eco-
16 | E X I T E C O N O M I E
boek exiteconomie-def.indd 16
9/01/18 11:49
nomisch jargon beter bekend als de marginale baten (MB) van territoriale expansie, vloeit voort uit het vermogen om de kosten van overheidsbeleid te spreiden over een grotere groep belastingbetalers, schaalvoordelen in de administratie van het land te benutten en beter in militaire veiligheid te voorzien. Deze voordelen van territoriale expansie vertonen een dalend verloop, omdat de bijkomende welvaartswinst van een extra onderdaan steeds kleiner wordt. De welvaartskosten die een land oploopt bij de opname van een extra inwoner, kortweg de marginale kosten (MK) van territoriale expansie, omvatten de toenemende diversiteit in beleidsvoorkeuren, de toenemende kosten van controlemechanismen met betrekking tot belastinginning en het toegenomen risico op vrijbuitersgedrag. Deze kosten van territoriale expansie kennen een stijgend verloop, omdat ze geacht worden toe te nemen in de bevolkingsomvang van landen. De combinatie van stijgende kosten maar afnemende baten van territoriale expansie betekent dat de optimale omvang van een land ontstaat waar beide curves elkaar kruisen: voor kleinere landen brengen extra inwoners meer welvaart op dan ze kosten, waardoor een toename in hun omvang welvaartsverhogend werkt; in grotere landen ligt de welvaartswinst van extra inwoners lager dan hun welvaartskosten, zodat de totale welvaart toeneemt wanneer ze hun omvang beperken.3
FIGUUR 2. Optimale omvang van een land volgens de clubbenadering Noot: de figuur toont hoe de optimale grootte van een land (N), conform de clubbenadering, volgt uit een afweging van de kosten (MK) en baten (MB) van territoriale expansie. Bron: overgenomen van Yarbrough en Yarbrough (1998).
MK’
MB, MK van bijkomend groepslid
MK
MB’ MB N***
N*
N**
N
De specifieke constellatie van marginale kosten en baten van territoriale expansie in figuur 2 suggereert dat de optimale grootte van dit land N* bedraagt. Merk op dat een plotselinge wijziging in deze marginale kosten of baten een wijziging in de optimale grootte van dit land veroorzaakt. Wanneer de marginale baten van territoriale expansie toenemen, bijvoorbeeld ten gevolge van militaire technolo-
H O O F D S T U K 1 | 17
boek exiteconomie-def.indd 17
9/01/18 11:49
gische innovaties die de defensiekosten drastisch opdrijven, verschuift de marginale batencurve van MB naar MB’ en neemt de optimale grootte van een land toe tot N**. North (1981) en Huntington (1996) argumenteren dat de wijzigende modus operandi van oorlogvoering vanaf de zestiende eeuw, onder meer ten gevolge van de introductie van buskruit en zware artillerie, een hogere mate van centralisatie en militaire uitgaven vergde om in veiligheid te voorzien. Als gevolg van toegenomen fiscale (budgettaire of belastinggerelateerde) schaalvoordelen nam de optimale grootte van landen toe, resulterend in een periode van territoriale expansie waarbij het politieke gezag voorzag in militaire bescherming in ruil voor belastinginkomsten (Tilly, 1985).4 Aan de andere kant leidt een toename in de marginale kosten van territoriale expansie, bijvoorbeeld omdat de uitbouw van de democratische controlekanalen het centrale gezag gevoeliger maakt voor de politieke kosten van een verdeelde bevolking, tot een opwaartse verschuiving van de marginale kostencurve van MK naar MK’ en neemt de optimale grootte van een land af tot N***. Alesina en Spolaore (1997) betogen dat het naoorlogse democratiseringsproces dissidente groeperingen voorzag van electorale wapens om hun onvrede te uiten over het gevoerde overheidsbeleid, wat het samenhouden van grote (koloniale) rijken bemoeilijkte. Dat deed de optimale grootte van landen afnemen, en er volgde een periode van territoriale contractie.5
1.2.2
Toepassing: het Schotse onafhankelijkheidsdebat
Vooruitlopend op deel I, dat dieper ingaat op de kanalen die ingrijpen op de marginale kosten en baten van territoriale expansie, is het nuttig te verduidelijken hoe dit kader een gestructureerde analyse mogelijk maakt van het ontstaan van de Anglo-Schotse unie en het daaropvolgende Schotse onafhankelijkheidsdebat. Een Schotse commissie voor handel stelt in 1681 al dat Schotland zich alleen door middel van territoriale expansie, in de vorm van een nauwere band met Engeland dan wel in de vorm van een eigen overzeese kolonie, economisch zal kunnen handhaven in een periode gekenmerkt door toenemende militaire spanningen en mercantilisme (Harris, 2010). Na de mislukte poging om de kolonie Caledonië te vestigen in het huidige Panama, wordt een unie met Engeland in 1707 de meest levensvatbare optie geacht om de Frans-jakobitische dreiging het hoofd te bieden en blijvend te voorzien in afzetmarkten voor Schotse exportproducten.6 Een bijkomende pecuniaire baat van de unie bestaat uit het ‘Equivalent’, de som uit te betalen aan Schotland ter compensatie van de belastingtoename en deelname in de Engelse overheidsschuld (Spence, 2010). De afwezigheid van democratische drukkingsmiddelen betekent ten slotte dat de massale volksprotesten tegen de unie, aangestuurd vanuit de vrees voor een verlies van Schotse invloed in het nieuwe Britse parlement en een toename in de belastingdruk, nauwelijks een rol speelden bij de onderhandeling van de Acts of Union (Davies, 2000).7 Het hielp daarbij wel-
18 | E X I T E C O N O M I E
boek exiteconomie-def.indd 18
9/01/18 11:49
licht ook dat de Engelse onderhandelaars het gouverneurschap van verschillende Britse kolonies in het vooruitzicht konden stellen aan de Schotse elite.8 De militair-economische voordelen van het Britse rijk vormen lange tijd het cement voor de Anglo-Schotse unie, waarbij een Schots nationalisme ‘schitterde door zijn afwezigheid’ (Devine, 2006, p. 165). De invoering van universeel stemrecht zal vanaf 1928 echter geleidelijk een democratisch deficit blootleggen, in de vorm van steeds verder uiteengroeiende Schotse en Engelse partijvoorkeuren. Zo is Labour sinds 1960 vrijwel onafgebroken de populairste Schotse partij, maar levert ze slechts zeven van de veertien Britse eerste ministers. Marr (2013) stelt in dit verband dat de heropleving van het Schotse onafhankelijkheidsstreven, vanaf 1934 politiek vertegenwoordigd door de Scottish National Party (SNP), geen gevolg is van een emotioneel nationalisme, maar voortvloeit uit de afwijkende Schotse voorkeur voor een centrumlinks beleid en de uitbouw van de welvaartsstaat.9 Het ontbreken van een eigen parlement zou daarbij uitgroeien tot een belangrijke factor in het Schotse nationalisme, gezien de inherent beperkte invloed van een regionaal georiënteerde partij op het nationale publieke beleid. Eén treffende illustratie hiervan is het contrast tussen de electorale resultaten van de SNP en haar corresponderende vertegenwoordiging in het Britse parlement: zo behaalt de partij in 1974 een historische verkiezingsoverwinning wanneer ze meer dan 30% van de Schotse stemmen binnenrijft, maar krijgt ze daardoor minder dan 2% van de zetels in het Britse parlement. De SNP zal daarom de democratische marge die ontstaat aan het begin van de twintigste eeuw primair benutten om een eigen wetgevende vergadering af te dwingen (Marr, 2013). Hoewel de eerste plannen daartoe worden opgeborgen als gevolg van het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, zal een referendum over de kwestie in 1979 uiteindelijk in 1998 uitmonden in de oprichting van het Schotse parlement. Met dit nieuwe parlement als belangrijkste hefboom markeert de verkiezingsoverwinning in 2007, wanneer de SNP voor het eerst uitgroeit tot de grootste partij, een keerpunt in de AngloSchotse electorale geschiedenis omdat de partij daardoor een duidelijk mandaat krijgt om het Schots onafhankelijkheidsreferendum, het belangrijkste punt in haar verkiezingsprogramma, aan te kondigen. Tegenover deze naoorlogse toename in de politieke kosten van de AngloSchotse unie, via een toegenomen risico op electorale afstraffing door de SNP, eroderen in dezelfde periode ook haar belangrijkste economische en militaire baten. Een eerste stap daarin is de relatief snelle desintegratie van het Britse koloniale rijk na de Tweede Wereldoorlog, dat de economische aantrekkelijkheid van de door de unie geboden imperiale afzetmarkten ondergraaft. Velen vrezen dat daarmee het economische cement dat de unie samenhield afbrokkelt, een bekommernis die reeds vervat zit in Gibbs (1937, p. 311) observatie dat ‘het voortbestaan van het koloniale rijk de belangrijkste factor was in het veiligstellen van het AngloSchotse verbond gedurende de laatste drie eeuwen’. Tezelfdertijd zal het Europese
H O O F D S T U K 1 | 19
boek exiteconomie-def.indd 19
9/01/18 11:49
integratieproces een steeds uitdijende, eengemaakte Europese markt creëren. De Britse toetreding daartoe in 1973 slaat een bijkomende deuk in de economische aantrekkelijkheid van het Anglo-Schotse verbond, aangezien EU-lidmaatschap voor Schotland sindsdien een gegarandeerde toegang tot ’s werelds rijkste consumentenmarkt betekende.10 Bovendien reduceerde de aanvang van dit Europese integratieproces het risico op een inter-Europees militair conflict, wat de SNP toeliet te stellen dat een onafhankelijk Schotland in staat zou zijn zonder belastingverhogingen te voorzien in zijn veiligheid, door middel van het terugschroeven van militaire ambities (Brancati, 2014). De recente omarming van NAVO-lidmaatschap door de partij betekent bovendien dat Schotland, in geval van militaire dreiging, niet alleen aanspraak kan maken op de militaire capaciteiten van het Verenigd Koninkrijk, maar tevens van alle andere aangesloten leden. Ten slotte wordt vanaf 1960, na de ontdekking van olievelden voor de Schotse kust, ook het stabiliserende effect van de hedendaagse versie van het ‘Equivalent’ (Spence, 2010, p. 390) ondergraven. Hoewel Schotland, onder de Barnett-formule, geniet van budgettaire transfers vanuit de rest van het Verenigd Koninkrijk, worden deze transfers sindsdien minstens deels gecompenseerd door de ‘misgelopen’ olie-inkomsten waarover een onafhankelijk Schotland zou kunnen beschikken.11 Dat beweegt McCrone (1975, p. 16) ertoe om in een, wegens politieke gevoeligheid lang geheimgehouden, memo aan de Britse regering al in 1974 te waarschuwen dat ‘de ontdekking van Noordzee-olie de traditionele economische argumenten tegen het Schotse nationalisme compleet weerlegt. [...] Dus, voor het eerst sinds de goedkeuring van de Act of Union, kan geloofwaardig beargumenteerd worden dat Schotlands economische voordeel in haar uittreding ligt’. Hoewel voorlopig geen consensus bestaat over de motieven van de Schotse onderhandelaars om de Anglo-Schotse unie goed te keuren, suggereert een clubgeoriënteerde lezing dat de combinatie van haar hoge economisch-militaire baten met haar lage politieke kosten hen mee tot instemming bewoog. Bovendien lijkt hetzelfde paradigma ook in staat de naoorlogse aantrekkingskracht van het Schotse onafhankelijkheidsstreven te verklaren als het gevolg van een erosie van de economisch-militaire baten en de gelijktijdige toename van de politieke kosten van het behoud van de unie. Zo bekeken verlegt een blik op de recente Anglo-Schotse geschiedenis door de lens van de clubgeoriënteerde benadering de verwachtingen naar een Verenigd Koninkrijk dat ook in de nabije toekomst geconfronteerd zal blijven met Anglo-Schotse instabiliteit.
20 | E X I T E C O N O M I E
boek exiteconomie-def.indd 20
9/01/18 11:49
1.3
DE PRODUCTIEBENADERING EN DE IMPACT VAN SOEVEREINITEIT
1.3.1
Theoretisch kader
De economische aantrekkelijkheid van een afscheiding is, strikt materieel gezien, louter afhankelijk van de vraag of regionale overheden beter in staat zijn om economische groei te realiseren dan hun nationale tegenhangers. In de economie is het bruto binnenlands product (BBP) per inwoner (of per capita) immers de belangrijkste maatstaf voor de economische welvaart van een land, een conventie die we ook in dit werk overnemen door de prijs van onafhankelijkheid in deel II te definiëren als de toe- of afname in BBP per capita die voortvloeit uit de onafhankelijkheidsverklaring. Daarmee raakt de vraag naar de economische impact van een afscheiding, die menig onafhankelijkheidsdebat beheerst, aan een bekommernis die economisten al sinds het ontstaan van de economische wetenschap bezighoudt. In de groeiliteratuur bouwt een invloedrijke ‘productiebenadering’ voort op het baanbrekende werk van Solow (1956) om economische groei te verklaren aan de hand van een productiefunctie met arbeid, kapitaal en factorproductiviteit. Samengevat stelt deze benadering dat de mate waarin de inzet van arbeid (L) en kapitaal (K) resulteert in economische output (BBP) kritisch afhangt van de productiviteit van de ingezette productiemiddelen (A). Het groeipotentieel per capita van een economie vloeit daarom primair voort uit het tempo van technologische innovaties, vervat in de groeivoet gA van A, die de productiviteit van gegeven combinaties van arbeid en kapitaal verhogen. Chu (2010) formuleert als eerste een uitbreiding op dit groeimodel om de economische impact van het uiteenvallen van landen te bestuderen, door te veronderstellen dat de productiviteit van de ingezette productiemiddelen niet alleen afhankelijk is van de stand van de technologie, maar ook van lopende processen van staatsvorming.12 Het is eenvoudig in te zien dat een toename in factorproductiviteit, A, bij een constante inzet van arbeid en kapitaal resulteert in een hogere totale economische output, BBP, en een hoger welvaartsniveau per capita, BBP/L. Staatdesintegratie beïnvloedt het economische groeipotentieel dus primair via haar impact op de productiviteitsgroei, gA: wanneer een onafhankelijkheidsverklaring snellere productiviteitsgroei mogelijk maakt is ze economisch voordelig, terwijl ze het groeipotentieel ondergraaft wanneer ze innovaties belemmert. Een belangrijke nuance is dat transitiekosten de baten van een eventuele versnelling in de productiviteitsgroei mogelijk tijdelijk tenietdoen (Young, 2014).13
H O O F D S T U K 1 | 21
boek exiteconomie-def.indd 21
9/01/18 11:49
EEN GROEIMODEL VAN DE ECONOMISCHE IMPACT VAN EEN AFSCHEIDING Om de economische impact van een afscheiding te bestuderen, schrijft Chu (2010) het economische productieproces van een (nieuw-onafhankelijk) land als
BBP=AKα L1-α,
α ∈ [0,1]
(1)
waar de linkerkant de totale economische welvaart van een land weergeeft, in termen van het BBP, en de rechterkant de determinanten van deze output: arbeid (L) en kapitaal (K) en de productiviteit van de ingezette productiemiddelen (A).14 Het is essentieel dat de groeivoet van de factorproductiviteit, gA van A in dit model deels afhangt van beslissingen om landsgrenzen te hertekenen.
Om de belangrijkste implicaties van de productiegeoriënteerde benadering van staatsvorming te illustreren, vergelijkt figuur 3 het groeipad van het inkomen per capita in een fictieve regio onder vier hypothetische scenario’s: zonder onafhankelijkheid (BBP/L1), onder een economisch voordelige onafhankelijkheidsverklaring (BBP/L2), onder een economisch dure onafhankelijkheidsverklaring (BBP/L3) en onder een economisch voordelige onafhankelijkheidsverklaring met kortetermijnovergangskosten (BBP/L4). In het basisscenario is er geen regionale instabiliteit en behoudt de regio onverkort de unie met het moederland. De figuur toont dat de betrokken regio in dit geval een constante jaarlijkse productiviteitsgroei vertoont die gelijk is aan gA en leidt tot het BBP-groeipad per capita BBP/L1. Aangezien dit groeipad de economische situatie in afwezigheid van onafhankelijkheid weergeeft, fungeert het in wat volgt als referentie om een aantal mogelijke welvaartsimplicaties van staatsdesintegratie in kaart te brengen. In een tweede scenario leidt een onafhankelijkheidsverklaring tot een toename in de productiviteitsgroei (gA’ > gA), bijvoorbeeld omdat de competitie met het moederland de nieuw-onafhankelijke regio aanzet tot een betere bescherming van eigendomsrechten. De acceleratie in productiviteitsgroei zorgt ervoor dat ook de inkomens per capita sneller toenemen, zodat een afscheiding in dit geval welvaartsverhogend is. North (1981), Jones (1990) en Weingast (1995) stellen dat de territoriale instabiliteit van het Europese interstatelijke systeem vanaf de vijftiende eeuw in belangrijke mate zal bijdragen tot de industriële revolutie. De vrees voor politieke instabiliteit, emigratie en kapitaalvlucht zou politieke elites immers bewegen tot de ontwikkeling van institutionele kanalen ter bescherming van (intellectuele) eigendomsrechten en handel, om zo externe en interne politieke concurrenten het gras voor de voeten weg te maaien. Zo bekeken installeerde
22 | E X I T E C O N O M I E
boek exiteconomie-def.indd 22
9/01/18 11:49