Skip to main content

9789401440295

Page 1

Philip Vanoutrive

MENEER DE CHAMPETTER Veldwachters vertellen

BW.indd 3

23/08/17 14:07


INHOUD

BW.indd 5

Voorwoord 7

Een kwalijke reputatie Een lange geschiedenis Doodgewone jongemannen met een doel Een streepje voor Zo vader, zo zoon Een lange weg bezaaid met doornen Andere actoren speelden ook weleens de baas Aan werkzekerheid en aanzien hing een prijskaartje De garderobe, het bureau en de wapenuitrusting Met de fiets door weer en wind Wachter van de velden Handhaver van de Openbare Orde Hoge hakken onder een nauw aansluitende jurk De Sheriff van Vleteren De Schietsjampetter Manusje-van-alles Vrederechter en biechtvader Iedereen gelijk voor de wet Gedaan met ‘De Paradijsvogels’ Een auto en een rijbewijs voor iedereen Een nieuw tijdperk Het einde van de landelijke politie en de naweeën Een korte beschouwing anno 2017

9 17 23 31 41 47 61 73 83 97 103 117 127 133 139 145 165 185 195 207 219 239 257

Dankwoord Geraadpleegde bronnen Causeriën

265 267 271

23/08/17 14:07


VOORWOORD

In zijn boek herinnert Philip Vanoutrive ons aan het belang van een politiekorps dat van de Franse Revolutie dateert: de landelijke politie. Sinds de hervorming, als gevolg van het Octopusakkoord (1998), maakt de landelijke politie samen met rijkswacht, gemeentepolitie en gerechtelijke politie deel uit van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus (lokaal en federaal). Met deze grote hervorming reageerde de overheid op de kritiek die het oude Belgische politiesysteem geregeld te verduren kreeg: te veel verschillende instellingen (en culturen), te weinig middelen, gebrekkige communicatie enzovoort. De landelijke politie werd al zeer snel ter discussie gesteld. Al na de Eerste Wereldoorlog vond een reorganisatie (op provincieniveau) plaats bij de veldwachters, omdat ze te geïsoleerd zouden zijn. Na de Tweede Wereldoorlog ontstond het idee hen dichter bij de gemeentepolitie te brengen. Dit werd een feit in 1986. De auteur beschrijft in het boek de recentste periode – vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw – aan de hand van een reeks interviews. Het gaat hier dus om mondelinge geschiedenis. De geïnterviewden vertellen over hun eerste stappen in het politieberoep, hun belangrijkste herinneringen, hun relaties met collega’s van rijkswacht en gemeentepolitie enzovoort. Al die verhalen lezen als een roman, veeleer een volks- dan een politieverhaal, en dat maakt dat het voor iedereen erg toegankelijk is. Er zijn zoveel anekdotes over het vroegere dorpsleven: boerentradities, lokale politieke zeden, de uitdovende aristocratie… De veldwachter kijkt actief toe hoe deze plattelandswereld verdwijnt door de uitbreiding van de steden en de geleidelijke invasie van koning auto. Als biechtvader en vrederechter (zie de titel van een hoofdstuk uit het boek), probeert hij zoveel mogelijk de samenhang in de maatschappij te bewaren. De vele herinneringen in het boek voeden een bekende tegenstrijdigheid. Deze gewezen veldwachters spreken van een tijd waarin de dagen veel langer, de werkomstandigheden moeilijk en de uitrusting tot het strikte minimum beperkt waren. De directe relatie met de bestuurlijke overheid (burgemeester) zorgde geregeld voor spanningen. Nochtans beschouwen de meesten die periode als een ‘gouden tijdperk’ waarin het leven aangenamer en gemakkelijker was dan nu. Alle geïnterviewden keuren het groeiende individualisme in onze

Voorwoord

BW.indd 7

7

23/08/17 14:07


samenleving af, alsook het gebrek aan contacten tussen de politieambtenaren en de bevolking. Bijzonder interessant om te lezen is hoe de jongere politieambtenaren, die nog steeds in dienst zijn, tegenover de recente ontwikkelingen staan. Ze benadrukken dat het beroep sinds een twintigtal jaar steeds sneller wijzigt. Daardoor hebben de mensen die toen hun loopbaan zijn begonnen, soms moeite om bij te benen. De fusie van de politiediensten heeft hen kennis leren maken met andere collega’s en werkwijzen. Dit blijkt uiteindelijk verrijkend te zijn. Door de technologische ontwikkelingen hebben ze andere reflexen aangeleerd die beter aansluiten bij de huidige criminele realiteit. Dit is een leuk boek dat vlot leest en de lezer op een aangename manier laat kennismaken met een stuk politiegeschiedenis. Catherine De Bolle, commissaris-generaal van de federale politie

8  Meneer de champetter

BW.indd 8

23/08/17 14:07


EEN KWALIJKE REPUTATIE

‘Meneer de champetter’, zei ik enthousiast. Meteen viel er een ongemakkelijke stilte aan de keukentafel. De rijzige man tegenover mij had net gevraagd hoe dit boek zou heten en staarde me nu als versteend en vol onbegrip aan. Mijn antwoord had hem blijkbaar recht in het hart getroffen. ‘Nu voel ik me echt gekwetst’, zei hij aangedaan, en hij zweeg opnieuw. Het gepruttel van het koffiezetapparaat op de achtergrond maakte de stilte nog gênanter. Dan herpakte de man zich, spreidde de handen op de tafel, boog voorover, en doorbrak de stilte – nu kordaat: ‘Champetter… Waarom nog steeds die neerbuigende en vernederende houding tegenover de veldwachter? Is er echt nog niets veranderd?’ Ik was ook even van slag en probeerde mijn gedachten weer op een rijtje te krijgen terwijl de man verderging: ‘Hebt ge ooit die reeks bierviltjes gezien, waarop oude ambachten stonden afgebeeld…? Hoe de veldwachter werd geportretteerd… Dat was ronduit beledigend!’ Paul Vandendriessche, gewezen (hoofd)veldwachter van Vleteren had een punt… Ik ben in het bezit van het bewuste bierkaartje van de Garde champêtre-Veldwachter, in de jaren zeventig uitgegeven door brouwerij Stella Artois. Een andere oud-veldwachter had me enkele maanden geleden een exemplaar geschonken, zonder er iets negatiefs over te opperen. Sindsdien stak het bierviltje in mijn champetterarchief, waar ik het af en toe eens tegenkwam. Ik kan niet ontkennen dat de beeltenis van de veldwachter, in tegenstelling tot de andere prenten uit de reeks, zoals die van de koperslager en de kantwerkster, allerminst flatterend oogt: vanonder een scheefgezakte kepie staren twee ogen in het opgeblazen hoofd (mét ezelsoren) je verdwaasd aan. Ook de jeneverneus boven een ferme snor ontbreekt niet. De veldwachter werd in het verleden inderdaad (te) vaak afgeschilderd als een karikaturale volksfiguur; een loopjongen, die meer zat dan nuchter, slaafs alle grillen van de burgemeester inwilligde en zich door sommige hardleerse, weerbarstige of sjoemelende dorpsgenoten makkelijk liet omkopen met een borrel, een konijn of wat groenten.

Een kwalijke reputatie

BW.indd 9

9

23/08/17 14:07


Auteurs en theaterschrijvers hielden de kwalijke reputatie van de veldwachters nog lang levendig. Zoals in het Vlaamse volkse toneelstuk De Paradijsvogels van Gaston Martens, dat in 1979 ook verwerkt werd tot een tv-serie. Nu nog wordt op YouTube geschaterlacht met de sjampetter die beweert de coureur van de koning niet te kennen, als de procureur des Konings wordt bedoeld, of die in alle ernst meedeelt dat de burgemeester in conterventie in plaats van in conferentie is. En meer van dat fraais. Nog een voorbeeld: in de stripverhalenreeks De Lustige Kapoentjes kenschetste en noemde Marc Sleen de dikke wijkagent champetter, omdat hij een slapjanus was die steevast het onderspit moest delven voor de guitenstreken van de kapoentjes. De generatie champetters die na de Tweede Wereldoorlog aan de slag ging, bracht een ommezwaai teweeg; weliswaar moeizaam, maar vastberaden en met succes. ‘Toen ik in Mesen als veldwachter begon, leek het alsof ik in de Far West werd gedropt’, herinnerde René Sohier zich. ‘Er heerste anarchie. De voorbije twee jaar was er geen veldwachter geweest en mijn voorganger had zijn dienst grotendeels gesleten aan de biljarttafel of de bingomachine in het café.’ Daniël De Sloovere vertelde: ‘Toen ik in 1957 als champetter in Nokere startte, hoorde ik een boer smalend tegen enkele omstaanders zeggen – luid genoeg, zodat ik het kon horen: “Als een pasgeboren kalf niet wil drinken, zet dan de kepie van de champetter op zijn kop.” Maar toch,’ voegde Daniël er onmiddellijk aan toe, ‘slaagde ik er binnen de kortste keren in om, samen met de burgemeester en de pastoor, de Heilige Drievuldigheid van de gemeente te vormen.’ Voornamelijk in Oost-Vlaanderen (soms tot ver buiten de provinciegrenzen) spraken de burgers hun veldwachter meestal aan met ‘meneer de champetter’ of kortweg ‘champetter’: de uiting van hun respect én de bevestiging van hun vertrouwen in de diender van de landelijke politie. Ook garde, de term waarmee de veldwachters in Vlaams-Brabant en zelfs hier en daar in West-Vlaanderen vaak werden aangesproken, was niet negatief (beide benamingen zijn afgeleid van het Franse garde champêtre). De oud-veldwachters die ik in Noord-Limburg bezocht, werden dan weer booi genoemd, afgeleid van bode. Veldwachters fungeerden nu eenmaal vaak als loopjongen. Mathijs, Mathieu of kortweg Thieu Goossens vertelde dat de oudere bewoners van Bocholt hem nu nog, vele jaren na zijn pensionering, aanspreken met ‘Thieuke de booi’. En Thieu vindt het fijn zo. ‘Een blijk van dank, die de Bocholtenaren nog steeds betuigen’, zei hij trots. ‘Iedereen noemde me champetter’, vertelde Daniël De Sloovere van Nokere. ‘Wanneer iemand zich tot mij richtte en zijn betoog begon met “mijnheer…”, dan pas moest ik op mijn qui-vive zijn!’

10  Meneer de champetter

BW.indd 10

23/08/17 14:07


Meneer de champetter is geen boek over een kolderieke dorpsfiguur, noch een bundeling van louter straffe verhalen, plezante anekdotes en dramatische voorvallen, maar een hommage aan de champetters, de booien, de veldwachters van weleer. Zij maakten deel uit van de gemeentepolitie van het landelijke type, kortweg de landelijke politie, en bogen op een lange geschiedenis. Aan de hand van de getuigenissen van meer dan dertig gewezen veldwachters (de oudste is 97 jaar) zoom ik in op de laatste vijftig jaar van hun bestaan. Jongemannen werden veldwachter omdat ze, nochtans vaak voor een lager loon, een betere toekomst nastreefden dan hun ouders. Of omdat ze een drang naar zelfstandigheid en een zekere vrijheid voelden. ‘In Schendelbeke noemde iedereen mij klein champetterke’, vertelde Lucien De Staercke lachend. ‘Dat mijn vader veldwachter was, heeft later mijn beroepskeuze beïnvloed: ge waart uw eigen baas.’ Tot nog lang na de jaren vijftig van de vorige eeuw kende de champetter alle inwoners van zijn gemeente bij naam en toenaam, en was hij op de hoogte van hun achtergrond en familiebanden. Hij trad op als bemiddelaar en verzoener in kleine conflicten, hielp waar nodig, maar liet ook niet met zich sollen. ‘Wij hadden een grote marge in de toepassing van de wet. Zo konden we vermijden om gewone mensen op de boek te zetten, zodat we niet in hun portefeuille zaten. Ze hadden het immers al moeilijk genoeg,’ zei Georges Legein van Oostduinkerke, ‘maar als het nodig was, trad ik streng op.’ Soms drong een kordaat optreden van de veldwachter zich op: bij caféruzies of bij echtelijke conflicten met geweldpleging. In Schaffen ging René Luyten daarbij wel eens zéér doortastend te werk, bekende hij: ‘Een geweldenaar die zijn vrouw had afgerost, pakte ik zonder compassie aan. “Ik zal het stof eens uit uw vest kloppen”, zei ik, en trakteerde hem vervolgens op een flinke rammeling met de matrak.’ René was lang niet de enige die de wapenstok wel eens bovenhaalde… Toch grepen de champetters hoofdzakelijk naar hun sterkste wapens: een dosis gezond verstand, diplomatie, een luisterend oor en een radde tong. ‘Ik heb me tegenover de inwoners van Melden nooit als een bijter gedragen’, zei Gerard Schietecatte. ‘Meestal volstond het om mijn bril af te zetten, streng te kijken en te waarschuwen: “Voilà, nu is het tussen u en mij…”.’ Oscar De Backer uit Melle vatte het samen als volgt: ‘De champetter, dat was de biechtvader en de vrederechter van de gemeente; hij genoot ontzag en respect.’ De champetter was het manusje van alles: 101 taken vielen op zijn schouders en meer dan eens kwam hij tussenbeide voor van de pot gerukte pietluttigheden. Rudy Delamper herinnerde zich: ‘Een jonge vrouw belde me om zich te be-

Een kwalijke reputatie

BW.indd 11

11

23/08/17 14:07


klagen over de vliegen die haar zonnebad te midden van de Scheldemeersen in Zevergem verstoorden.’ Maar soms verging het hen zeer anders, wanneer ze geconfronteerd werden met harde feiten zoals dodelijke ongevallen, moord en zelfdodingen. ‘Zeven heb ik er van de koord gehaald’, wist Daniël De Sloovere nog. Enkele veldwachters zijn nooit de eerste lijkschouwing vergeten waarbij ze aanwezig moesten zijn. Over één specifiek drama waren ze unaniem: de dood van een kind, dat was het ergste wat je kon meemaken. De burgemeester was de directe baas van de veldwachter. De samenwerking verliep niet altijd gesmeerd, zeker als de burgervader een andere veldwachter wou dan de kandidaat die uiteindelijk door de provinciegouverneur werd benoemd. ‘Politiek en politie: het is maar één lettertje verschil…’, merkten enkele veldwachters op. Soms probeerde een burgemeester de veldwachter als zijn persoonlijke knecht in te zetten, of poogden invloedrijke personen – een baron, een politicus of ander schoon volk – de champetter voor de kar te spannen om het recht naar hun kant te buigen. Maar de veldwachters waren niet te vermurwen: iedereen gelijk voor de wet! Zo haalde Jan Gielen, als jonge booi van de Limburgse gemeente Ophoven, de lokale kranten nadat hij de voltallige gemeenteraad, de burgemeester incluis, na sluitingsuur verzocht had om het café te verlaten. Op mijn weg ontmoette ik enkele bijzondere veldwachters. Zoals Joël Decloedt, de vroegere veldwachter van het West-Vlaamse Houtave; de Schietsjampettermolen van Wannegem-Lede is naar een interventie van hem vernoemd. Of Paul Vandendriessche, die zijn dienstrondes in Vleteren jarenlang te paard deed. En de op één na jongste veldwachter die ik interviewde, Katy Morel, geboren in 1963. Ze was blond, bevallig – dat is ze nog steeds – en leidde in een nauw aansluitende uniformjurk en op hakjes, het reilen en zeilen in De Pinte in goede banen. Ze was de eerste vrouwelijke veldwachter en vervolgens de enige vrouwelijke hoofdveldwachter van België! We volgen in dit boek ook de jongere generaties veldwachters, die de aanloop naar en het in werking treden, in 2001, van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus, hebben meegemaakt. Sommigen zagen de kans schoon om hun carrière succesvol uit te bouwen. Zo werkte Yves Asselman zich op tot korpschef van de politiezone Rhode & Schelde. Anderen werden echter het slachtoffer van die grote hervorming. Niet in het minst Dirk Bogaert, voormalig

12  Meneer de champetter

BW.indd 12

23/08/17 14:07


brigadecommissaris bij de landelijke politie. Als huidig verbindingsambtenaar bij de provincie West-Vlaanderen zal hij de (financiële) nadelen van de eenmaking van de politie tot en met zijn pensioen meeslepen. Geen enkele oud-veldwachter betwistte dat er nood was aan een betere organisatie. Het rurale karakter van het platteland ging zienderogen teloor. De veldwachter was allang geen ‘wachter van de velden’ meer en de typische opdrachten van weleer werden verdrongen door nieuwe prioriteiten. Het ‘boekje’ van de champetter maakte plaats voor de computer. Alles evolueerde razendsnel; ook de maatschappij. ‘De mensen werden mondiger, ze kenden op de lange duur beter hun rechten dan hun plichten’, zei Katy Morel, vandaag commissaris bij de politiezone Schelde & Leie. En: ‘De mensen werden individualistischer en communiceren nu op geheel andere wijze. Ze droppen hun ongenoegen, klachten en kritiek vaak overhaast en ondoordacht op de sociale media. De maatschappij is verzuurd. Het respect voor de politie kreeg een knauw en van de voeling met de burger die we vroeger hadden, blijft nauwelijks iets over.’ Met de invoering van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus, viel in 2001 voorgoed het doek over de gemeentepolitie (waaronder de landelijke), de rijkswacht en de gerechtelijke politie bij de parketten. Jammer genoeg is het kind met het badwater weggegooid, oordeelt de oudere generatie champetters. ‘De veldwachter was het cement tussen de bevolking en het plaatselijke bestuur’, vertelde Paul Vandendriessche. Albert Gauquie pikte daarop in: ‘Met ons vertrek zijn de burgers het persoonlijk contact met de politie kwijtgeraakt. Nu zijn er wijkinspecteurs, maar sinds de hervorming hebben we er in Kemmel maar één gekend, omdat hij onze overbuur was… Vraag niet wie hem is opgevolgd, we hebben ze nooit gezien..’ Thieu Goossens uit Bocholt daarentegen zei: ‘Of de veldwachters vandaag nog een rol van betekenis zouden kunnen spelen, betwijfel ik ten zeerste. Trouwens, er is een tijd voor alles, en we kunnen de klok toch niet terugdraaien.’ Veel hangt af van de mentaliteit van de burgers zelf, concludeert de jonge generatie veldwachters die nu nog aan het werk is. ‘Wanneer onze wijkinspecteur ‘s avonds bij mensen aanbelt – overdag zijn ze buitenshuis aan het werk – valt dat zelden in goede aarde en steken ze hun ongenoegen zelfs niet onder stoelen of banken. Vroeger werd er gauw een stoel bijgeschoven.’

Een kwalijke reputatie

BW.indd 13

13

23/08/17 14:07


Ter nagedachtenis De ervaringen van de gewezen veldwachters voerden mijn gedachten vaak terug naar de champetter die ik zelf zo goed heb gekend. Dierbare herinneringen aan lang vervlogen tijden. Eén geheugenis wil ik u niet onthouden… 1968 was een gezegend jaar. Een week na mijn plechtige communie zongen we met het schoolkoor een lied om het eeuwfeest van onze gemeente De Pinte luister bij te zetten en bij het ingaan van de zomervakantie kreeg ik mijn eerste echte jongensfiets. Eindelijk: twee handremmen verdreven de torpedorem voorgoed naar het verleden, vier versnellingen vermenigvuldigden het fietsplezier, de bovenbuis oogde stoer… Op een namiddag fietste ik door de hoofdstraat van De Pinte; vrij en vrolijk, de handen op de rug, op weg naar nergens. Opeens bracht een luid en dwingend bevel me uit balans: ‘Hela, gij daar, stoppen!’ Geschrokken greep ik het fietsstuur vast, kneep met één ruk de remmen dicht, schoof onverhoeds van het fietszadel en plofte met beide voeten onzacht op het wegdek. Nauwelijks bekomen – het was nog even wennen aan de bovenbuis! – priemde vanonder de hoge kepie een strenge blik mijn ogen, om vervolgens neer te dalen en mijn fietsstuur te monsteren. ‘Hm, een sleutelke van dertien…’, dacht de man voor mij luidop. ‘Misschien hebt gíj toevallig een sleutelke van dertien bij… Zo te zien is uw stuur overbodig, en ik heb thuis nog een fiets staan zonder…’ Dan luidde de stem genadiger: ‘Allee vooruit, het is goed voor deze ene keer.’ De champetter duwde af op de linkerfietspedaal, zwaaide behendig het andere been in de lucht, trapte zijn logge, zwarte fiets (met torpedorem!) weer op gang, en riep zonder omzien, de gebalde vuist hemelwaarts gericht: ‘En dat ik het nooit meer zie!’ Een rijkswachter – in De Pinte huisde ook een rijkswachtbrigade – had gegarandeerd zijn boekje uitgehaald en vaders portefeuille lichter gemaakt. Diezelfde dag – het was al een poosje na het avondmaal – rinkelde de deurbel. Mijn vader sommeerde me ón-míd-dél-lí k naar de woonkamer te komen. Meneer de champetter had zich al in een comfortabele fauteuil laten zakken – de kepie rustte op een knie. Zijn relaas over mijn lichtvaardig fietsgedrag die namiddag beperkte zich tot een kwinkslag; een luchtige voorzet tot het gebruikelijke ritueel bij zijn onverwachte bezoekjes. Enkele moppen en twee jenevers later fietste Georges Aelbrecht, veldwachter van De Pinte, de laatste honderd meter van die dag. Thuisgekomen hing hij zijn donkerblauwe uniformjas en kepie aan de kapstok, borg de wapengordel met pistool en matrak op in zijn hangkastje bovenaan de keldertrap en schoof vervolgens de voeten onder tafel. Madam van de champetter had ondertussen zijn avondeten opgewarmd. Ze was het gewend, het werk van haar man was nooit af. Georges was vaak ’s avonds nog op ronde met de fiets, om allerhande formaliteiten in orde te bren-

14  Meneer de champetter

BW.indd 14

23/08/17 14:07


gen bij de dorpelingen waar hij overdag voor een gesloten deur had gestaan. Bij een borrel of frisse pint kwamen de tongen los. Zo kende hij zijn pappenheimers door en door en bleef hij op de hoogte van het reilen en zeilen in de gemeente. Maar ook als er zich iets ernstigs voordeed was hij paraat, ook ‘s nachts of tijdens het weekend. Zijn vrije dagen waren schaars. Als alles naar wens verliep, genoot hij samen met zijn echtgenote van een jaarlijkse groepsreis met de autocar. Nu en dan bezochten ‘meneer de champetter’ en ‘madam van de champetter’ familie buiten de gemeentegrenzen. Dan bleef de fiets aan de kant en zagen we Georges en zijn vrouw voorbijrijden in hun DAF Daffodil. Meevieren op feesten en deelnemen aan allerhande activiteiten en manifestaties op de gemeente zat er meestal niet in, want dan moest de champetter instaan voor de goede orde: vooropgaan tijdens de processie, het verkeer in goede banen leiden tijdens wielerwedstrijden en bij begrafenissen, toezicht houden op de jaarmarkt, de paardenkoers, kermissen… Georges was geen ‘schrijver’, hij vermeed ten stelligste zijn dorpsgenoten te bekeuren. Niet straffen, maar helpen, dat was zijn devies. Wanneer de veldbrigadier onze champetter erop wees dat het toch wat (te) lang geleden was dat hij enkele processen-verbaal had opgesteld, stelde Georges zich op aan de gemeentegrens met Zevergem, om er langs de oude Oudenaardsesteenweg enkele ‘wildvreemde’ chauffeurs te bekeuren. Bij kleine overtredingen, futiele geschillen, misverstanden, burenruzies en echtelijke twisten in het dorp liet onze champetter het boekje op zak; een constructief gesprek of een hartig woordje leidden meestal tot een bevredigende oplossing. Het gezin van onze veldwachter Georges Aelbrecht telde vier kinderen: Gino en Rita ‘van de champetter’, de oudste zoon ‘Chris champetter’ en ten slotte mijn leeftijdsgenoot en goede kameraad van weleer Erik, of ‘kleine champetter’. We bejegenden de champetterkinderen met dezelfde achting die we voor hun vader en moeder hadden. Zagen we dat al eens over het hoofd, dan riep dochter Rita ons meteen tot de orde: ‘Pas maar op, of mijn pa steekt u in den bak!’ Rachel Van Goethem, madam Aelbrecht, madam van de champetter, fungeerde zowat als George’s hulpveldwachter. Als Georges (nog) niet thuis was, filterde ze de telefonische oproepen en gaf ze de vragen en klachten in orde van urgentie door aan haar man. De dagen en de avonden dat de telefoon niet rinkelde, waren zeldzaam. Het gezin Aelbrecht stond altijd paraat, voor iedereen. Georges Aelbrecht en zijn gezin zijn onlosmakelijk verbonden met mijn kinder- en jeugdjaren. Met mijn groeipijnen naar volwassenheid en met de tijd waarin de mensen elkaar nog kenden en met elkaar praatten. Natuurlijk was niet álles beter dan nu, maar het leven leek – achteraf beschouwd – minder gecompliceerd.

Een kwalijke reputatie

BW.indd 15

15

23/08/17 14:07


Daarom draag ik dit boek met heel veel warmte op aan Georges Aelbrecht; geboren in 1917, champetter van De Pinte vanaf 21 maart 1949, er benoemd tot hoofdveldwachter op 1 oktober 1977 en na zijn opruststelling op 1 juli 1982 geĂŤerd met de titel van ere-veldwachter van de gemeente. George Aelbrecht overleed in 2005.

16  Meneer de champetter

BW.indd 16

23/08/17 14:07


EEN LANGE GESCHIEDENIS

In de middeleeuwen fungeerde de vorster als een soort veldwachter avant la lettre: hij was bode, riep berichten om, maakte vonnissen en verordeningen bekend, hield toezicht op de gemeente-eigendommen, de jacht en de visserij, de veldvruchten en het vee; hij spoorde misdadigers op, en pakte stropers, zwervers en bedelaars aan. De vorster handelde in opdracht van een schout of een meier (een beambte in dienst van een lands- of dorpsheer) en genoot een zeker aanzien. Tijdens het Franse ancien régime vóór 1789 hielden ook ongeletterde drommels toezicht op de landerijen, bossen en vijvers van kasteel- en landeigenaren, in een poging hun schamele inkomsten bij te spijkeren. Deze ‘wachters’ waren echter niet opgeleid, droegen zelden een uniform en konden meestal lezen noch schrijven.

De Franse tijd (1794-1815) De geschiedenis van de Belgische veldwachters startte op het eind van de 18de eeuw, nadat Frankrijk in 1794 definitief een einde had gemaakt aan het Oostenrijkse bewind en de Zuidelijke Nederlanden, en het prinsbisdom Luik inlijfde. De Franse overheerser wilde, ook in de geannexeerde gebieden, elke aanleiding tot onrust en protest de baas blijven. Vandaar het artikel 50 uit het Franse decreet van 14 december 1789, dat in onze contreien op 10 december 1795 werd bekendgemaakt. Het regelde de werking van de municipalités (gemeenten) en verplichtte de gemeentebesturen een ‘goede’ politie in te voeren voor de reinheid, de gezondheid, de veiligheid en de rust in de straten en de (openbare) gebouwen. Bovendien schreef titel 11 van het decreet van 16-24 augustus 1790 de besturen voor erop toe te zien dat over de hele oppervlakte van hun gemeente de wetten en de politieverordeningen werden gerespecteerd. Waar nodig, werd een politiecommissaris aangesteld. Vanaf 1795 werden de gemeenten met meer dan vijfduizend inwoners hiertoe verplicht. In de kleinere kon een veldwachter worden aangesteld.

Een lange geschiedenis

BW.indd 17

17

23/08/17 14:07


Wegens de woelige situatie in die jaren, belastte artikel 7 van datzelfde decreet de gemeentebesturen uitdrukkelijk met het toezicht en het uiteendrijven (door de politie) van samenscholingen en het bestrijden van volksoproer. Het decreet van 2 oktober 1795 stelde hen zelfs aansprakelijk voor de handhaving van de goede orde op hun grondgebied. De artikelen van eerder vermelde drie decreten zijn bepalingen van vóór de Belgische gemeentewet van 1836, die nog steeds van kracht zijn en aan de basis liggen van onze huidige politiediensten. Zo wordt bij wijzigingen en aanvullingen van politieverordeningen die de gemeenteraden vandaag doorvoeren, nog dikwijls verwezen naar eerdere decreten, koninklijke besluiten en gemeentewetten en worden ze nog vaak voorafgegaan door de tekst ‘Gelet op het decreet van 14 december 1789 betreffende de inrichting van de municipaliteiten, inzonderheid artikel 50’ en ‘Gelet op het decreet van 16-24 augustus 1790 betreffende de rechterlijke inrichting, inzonderheid titel 11, artikel 3’. Eén van de vele voorbeelden is een uittreksel uit de notulen van de gemeenteraad van het Oost-Vlaamse Lierde, betreffende het politiereglement op het maken van de verkiezingspropaganda naar aanleiding van de gemeenteraads- en provincieraadsverkiezingen van 14 oktober 2012. In september 1791 stelden de steden die dit nodig achtten politiecommissarissen aan. Dankzij het decreet van 28 september-6 oktober 1791 konden de gemeentebesturen kiezen voor een garde champêtre. Eén gemeente kon over meerdere veldwachters beschikken, of één veldwachter kon meerdere gemeenten bedienen. Vanaf 1795 werden alle landelijke gemeenten verplicht om er ten minste één aan te stellen. Zo werd Michel Schoonbroeckx (°1732) – voordien vorster – in 1797 garde champêtre van Pulderbos, een dorp in de provincie Antwerpen. Als bijverdienste runde hij nog een handeltje in garen en lint.

Onafhankelijk België In 1830 werd België onafhankelijk. Onze grondwet kende aan de 2359 toenmalige gemeenten een zekere autonomie toe. Slechts een klein aantal telde meer dan tienduizend inwoners. Daar stond de gemeentepolitie in voor de orde en het naleven van de verordeningen en de politiewetten. In de meer dan tweeduizend kleinere (plattelands)gemeenten – België kende een uitgesproken ruraal karakter – waren veldwachters actief. De politiediensten werden nog niet ondersteund door een stevige structuur. Ook was er nog nauwelijks sprake van echte vakbekwaamheid bij de agenten en de veldwachters. In de grondwet werd

18  Meneer de champetter

BW.indd 18

23/08/17 14:07


bovendien niets ingeschreven over het statuut van de gemeentelijke of landelijke politie. Dat laatste lokte veel kritiek uit en zou pas enigszins veranderen met de invoering van de gemeentewet van 30 maart 1836. De burgemeesters werden vanaf dan benoemd door de koning, nadat ze verkozen waren volgens het cijnskiesrecht: een kiesstelsel waarbij enkel mannen hun stem mochten uitbrengen, op voorwaarde dat ze een bepaalde som belastingen (cijns) hadden betaald. Een wetswijziging zorgde er in 1848 voor dat de koning geen burgemeesters meer kon benoemen die niet tot de gemeenteraad behoorden. De koning kon echter (en kan nog steeds), te allen tijde om een nieuwe voordracht (van een burgemeester buiten de gemeenteraad) verzoeken. De gemeenten verwierven ruimere bevoegdheden, de burgemeesters verkregen de algemene politiebevoegdheid en de politieambtenaren maakten voortaan deel uit van het gemeentelijk personeel en werden dus door de gemeenten betaald. Tot goed in de 19de eeuw maakte iemand al kans om veldwachter te worden wanneer hij zijn eigen handtekening kon plaatsen. Wie over een redelijke geletterdheid beschikte om met haken en ogen eigenhandig een proces-verbaal neer te pennen, wist zich verzekerd van de aanstelling. De toenmalige veldwachters waren bovendien meestal geen jonge en kwieke kerels meer. Daarom liet in 1837 bijvoorbeeld de halfdove en halfblinde veldwachter van Erps, Cornelius Abeloos, zich op zijn avondronden vergezellen door zijn zoon. Hij was toen 65 jaar oud en bleef veldwachter tot aan zijn dood zes jaar later. De nieuwe code rural – het veldwetboek – van oktober 1886, voorzag voor elke gemeente minstens één veldwachter, en vermeldde: ‘De veldwachters zijn hoofdzakelijk ingesteld om te waken over het behoud van de eigendommen, de oogsten en de vruchten van de bodem. Zij helpen, onder het gezag van de burgemeester, mede aan de uitvoering der wetten en politieverordeningen, en aan de handhaving van de orde en de rust in de gemeente(n). Bovendien staan zij ter beschikking van de burgemeester voor alle administratieve diensten welke hun geschiktheid, den duur hunner andere werkzaamheden en het bedrag hunner wedde overeenkomen.’ De landelijke politie zou pas vanaf het begin van de 20ste eeuw beter georganiseerd worden.

Nieuwe tijden In 1977 schudde de fusie van de gemeenten de gemeentelijke en de landelijke politie flink door elkaar: bijna 1800 kleinere gemeenten werden opgeslorpt door grotere. In verhouding verminderde ook het aantal politiekorpsen. De landelij-

Een lange geschiedenis

BW.indd 19

19

23/08/17 14:07


ke werden meer en meer vervangen door de gemeentelijke politie. De champetter werd gebombardeerd tot politie-inspecteur, ontving nu orders van een politie(hoofd)commissaris (die niet zelden neerkeek op de ‘boerenveldwachter’) en verloor daardoor vaak zijn werkvreugde. Ik prijs de moed die Roger Vervaet uit Moerbeke-Waas aan de dag legde om te getuigen hoe hij daardoor compleet de pedalen verloor, maar zich met veel wilskracht herpakte. Voor de oudere ex-veldwachters werd in de nieuwe constellatie vaak een oogje dichtgeknepen. Ze stonden aan de vooravond van hun pensioen en mochten de laatste jaartjes van hun loopbaan nog even ‘champetter spelen’. Diegenen die het helemaal niet meer zagen zitten, namen de vlucht vooruit en gingen vervroegd op rust. In de jaren tachtig van de vorige eeuw werd België geteisterd door aanslagen van de CCC (Cellules Communistes Combattantes) en van de Bende van Nijvel. De ontoereikende (samen)werking van de politiediensten was zichtbaarder dan ooit. In 1996 raakte het land in shock door de affaire Dutroux. Een jaar later stelde de Commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden haar evaluatie van de politiediensten voor in de Senaat. Nadat Dutroux in 1998 twee rijkswachters te slim af was geweest en de benen had genomen, kwam in allerijl de wet van 7 december 1998 tot de organisatie van een geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus, tot stand. De landelijke politie ging de laatste twee jaar van haar lange bestaan in.

HANDIG OM TE WETEN De veldwachters gebruikten soms de termen 'gemeentepolitie', 'gemeentelijke politie' en 'stedelijke politie', waar een politiecommissaris aan het hoofd stond, door elkaar. Maar strikt genomen omvatte de gemeentepolitie zowel de politie van het landelijke type als die van het stedelijke type. Pas in 1986 schiep de wet van 11 februari op de gemeentepolitie hier klaarheid over. Tot ik deze wet in hoofdstuk 21 behandel, houd ik de termen landelijke en gemeentelijke politie aan om verwarring te vermijden.

20  Meneer de champetter

BW.indd 20

23/08/17 14:07


LEDEN VAN DE LANDELIJKE POLITIE

De leden van de landelijke politie waren: de veldwachter, de hoofdveldwachter en de brigadecommissaris. De landelijke politie werd ingedeeld in brigades. Elke brigade werd geleid door een brigadecommissaris (voorheen achtereenvolgens veldbrigadier en brigadechef geheten). Hij werkte onder het gezag van de arrondissementscommissaris en in overleg met die laatste, de betrokken burgemeesters en de gouverneur. BESTUURLIJKE EN GERECHTELIJKE POLITIE

De Belgische politie heeft opdrachten van bestuurlijke en van gerechtelijke politie. De belangrijkste opdracht van de bestuurlijke politie is de ordehandhaving: het doen naleven van wetten en reglementen, preventief optreden, de bescherming van personen en goederen, en bijstand verlenen aan personen in nood. Het preventieve karakter van de bestuurlijke politie primeert, maar indien nodig kan ze ook gebruik maken van dwang en geweld om de openbare orde te handhaven of te herstellen. De daden van de gerechtelijke politie hebben een repressief karakter. Ze richten zich in de eerste plaats op misdaden en wanbedrijven die gespecialiseerde opsporingen en onderzoeken vereisen, en op de bestraffing van de daders volgens de gerechtelijke procedures. Een burgemeester heeft, net als de provinciegouverneur en de arrondissementscommissaris, de hoedanigheid van Officier van Bestuurlijke Politie (OBP). De burgemeester staat aan het hoofd van de gemeentepolitie in de uitoefening van haar opdrachten van bestuurlijke politie. Bij de landelijke politie werden de brigadecommissarissen, de hoofdveldwachters, de aangestelde veldwachters en de enige veldwachters bekleed met de hoedanigheid van Officier van Gerechtelijke Politie (OGP, hulpofficier van de procureur des Konings, die ik voorts kortweg OGP noem). Een hoofdveldwachter bezat trouwens zowel de hoedanigheid van OGP als van OBP. In de volgende hoofdstukken gebruik ik voor de geĂŻnterviewden (gemakshalve) enkel de benaming champetter of veldwachter

Een lange geschiedenis 

BW.indd 21

21

23/08/17 14:07


(met uitzondering van de hoofdveldwachter en de enige veldwachter), ook al heten ze, naargelang hun hoedanigheid en bevoegdheden, theoretisch anders: • veldwachter; • aangestelde veldwachter (OGP, hulpofficier van de procureur des Konings); • toegevoegd veldwachter of hulpveldwachter; • gemeenschappelijke veldwachter (OGP) (bediende meerdere gemeenten); • enige veldwachter (OGP en OBP) (bediende als enige veldwachter één gemeente en was

bijgevolg korpschef zonder man-

schappen); • bijzondere veldwachter. Ondanks het einde van de landelijke politie in 2001, bestaat de functie van ‘bijzondere veldwachter’ nog altijd. Hij wordt erkend door de provinciegouverneur en aangesteld door een overheid of een particulier. Als OGP mag hij bijvoorbeeld een proces-verbaal opstellen met betrekking op het jacht- en natuurdecreet, de wet op de riviervisserij, het bosdecreet en het veldwetboek. Wildbeheereenheden en particulieren die kunnen aantonen dat ze een aaneengesloten jachtgebied bezitten van minimaal 100 hectaren, en gestelde overheden van provincie- en openbare domeinen, kunnen bij de provinciegouverneur een verzoek indienen tot erkenning van een bijzondere veldwachter, om hun eigendommen, de vis- en jachtterreinen en de vogelvangst te bewaken. Zo werd Filip Watthé in oktober 2016 aangesteld als bijzondere veldwachter om het domein, 350 hectare groot, van de familie Behaeghel de Bueren in het Oost-Vlaamse Kluisbergen te beheren. Hij beheert ook de bossen en de eigendommen van het Provinciaal Instituut Heynsdaele ten noordwesten van de stad Ronse. Terwijl de bijzondere veldwachter zijn functie uitoefent, moet hij in uniform zijn, het herkenningsteken zichtbaar dragen en in het bezit zijn van een geldige legitimatiekaart voorzien van een foto en een stempel van de provinciegouverneur.

22  Meneer de champetter

BW.indd 22

23/08/17 14:07


DOODGEWONE JONGEMANNEN MET EEN DOEL

De nieuwe code rural – het veldwetboek – van oktober 1886 voorzag in elke gemeente de aanwezigheid van minstens één veldwachter. Champetter worden was geen jongensdroom, maar voor doodgewone jongemannen van het platteland vaak een uitkomst voor een aantrekkelijker leven met meer zekerheid.

Ten zuidoosten van de Oost-Vlaamse stad Oudenaarde strekt Moregem zich uit over vier vierkante kilometer rust en vrede. Aan de rand van de geklasseerde dorpskern met het witte kerkje Sint-Pietersstoel, woont Aster Stichelbaut (1930). De gewezen champetter van de gemeenten Moregem en Ooike heeft voor mijn bezoek enkele fotoalbums op de eettafel uitgespreid. Het binnenvallende zonlicht wordt gefilterd door een glasgordijn en danst op een oude foto die meteen mijn aandacht trekt. Voor de gevel van een klein boerderijtje poseert een echtpaar. De man en de vrouw kijken ernstig, bezorgd zelfs. Hun voeten met slobberkousen steken in houten klompen en ik vermoed dat ze veel jonger waren dan wat de zwart-witfoto wil doen geloven. De tol van wroeten en labeuren. ‘Vader en moeder hadden een kleine boerderij met enkele beesten en wat land dat ze bewerkten’, legt Aster Stichelbaut uit. Op een andere foto in het album heeft de fotograaf een goedlachse tiener vastgelegd: Aster staat naast een hooimijt; trots, lachend, met de riek in de rechterhand. ‘Verder naar school gaan zat er voor mij niet in’, zegt Aster. ‘Mijn hulp op de boerderij en het land was onontbeerlijk. Maar toen het stilaan duidelijk werd dat er voor de keuterboeren geen toekomst meer was weggelegd, besloot ik om een andere weg in te slaan. Eigenlijk dacht ik er al een tijdje over na; ik wilde een beter leven dan dat van mijn ouders, met minder zorgen en meer zekerheid.’ Aster werd postbode in zijn dorpje Moregem en sprong na de postbedeling nog bij op de boerderij. Twee jaar later zette hij een volgende stap naar een betere toekomst: in 1959 stelde hij zich kandidaat om veldwachter te worden.

Doodgewone jongemannen met een doel

BW.indd 23

23

23/08/17 14:07


In diezelfde periode, niet ver daarvandaan, hakte een andere jongeman de knoop door. ‘Ach, jongen toch…’ De zucht van Daniël De Sloovere wordt onmiddellijk gevolgd door een fikse vloek. ‘Ik ben beginnen werken op mijn vijftiende, middenin de oorlogsjaren. Het was de start van een periode van twaalf stielen, dertien ongelukken, die zou duren tot ik bijna dertig jaar was. Ik startte als arbeider in een weverij. Maar in tegenstelling tot vandaag zetten ze toen niet de ouderen, maar wel de jongeren aan de deur. Na mijn ontslag kwam ik als jonge gast bij een elektricien terecht. Vervolgens werd ik, net als mijn vader, seizoenarbeider. Buiten het seizoen kluste ik bij voor verschillende bazen, dikwijls tot elf uur ’s avonds. Op het einde werkte ik in de schoenenfabriek van het Oost-Vlaamse Kruishoutem, waar ik in 1928 geboren was en waar ik woonde. Die job combineerde ik nog een tijd met de zomerse seizoenarbeid en de loopkoersen waaraan ik tijdens het weekend deelnam. Ik was een zeer goede loper, en viel soms in de prijzen. Zo won ik eens een lap goed (stof, red.) die ik aan ons moeder schonk – ze maakte er een kleedje van. Dolgelukkig was ze, we waren content met weinig.’ De hardloop- en sprintvaardigheden zouden Daniël De Sloovere later als veldwachter nog goed van pas komen. Hij trouwde met Jeanette, een meisje uit zijn dorp, en zocht vervolgens een standvastiger, zekerder beroep. Daniël bood zich enkele keren als kandidaat-veldwachter aan in verschillende West-Vlaamse gemeenten, zoals in het nabijgelegen Waregem, en daarna in zijn geboortedorp Kruishoutem. Maar het zou duren tot 1 mei 1957, drie dagen voor zijn 29ste verjaardag, vooraleer de gouverneur hem benoemde tot veldwachter van het Oost-Vlaamse Nokere. Vanachter een raam in de voorkamer zit Gerard Schietecatte op de uitkijk. Het is een stralende herfstdag, maar wanneer de vroegere veldwachter van het Oost-Vlaamse Melden me binnenlaat, valt een drukkende warmte op mij. ‘Als ge oud zijt, krijgt ge het rapper koud; ik heb de stoof aangestoken’, zegt de 91-jarige weduwnaar. Geboren in het Oost-Vlaamse Sint-Blasius-Boekel, verzeilde Gerard na wat omzwervingen in de buurt van Oudenaarde. In 1958 werd hij veldwachter van Melden. ‘Tijdens de oorlogsjaren volgde ‘Ik werd afgekeurd ik in Ronse een opleiding tot kleermaker. Dat beroep wegens één voerde ik jarenlang uit in Sint-Maria-Horebeke, samen slechte tand’ met mijn vrouw Jeaninne; zij was naaister.’ De textielnijverheid ging echter zienderogen achteruit, en Gerard wilde de totale catastrofe voor zijn. Hij volgde avondlessen in Brussel, legde examens af voor het Vast Wervingssecretariaat (het huidige selectiebureau van de federale overheid, Selor) en behaalde het getuigschrift van treinwachter – kaartjesknipper.

24  Meneer de champetter

BW.indd 24

23/08/17 14:07


www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Omslagontwerp: Studio Lannoo Omslagfoto: Philip Vanoutrive Vormgeving: Keppie & Keppie © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2017 en Philip Vanoutrive d/2017/45/661 – isbn 978 94 014 4029 5 – nur 689 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

BW.indd 272

23/08/17 14:07


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401440295 by Uitgeverij Lannoo - Issuu