Franky D'Oosterlinck, Bram Soenen, Eline Spriet, Katrien Sel
RELATIES OPBOUWEN MET KINDEREN EN JONGEREN IN CRISISSITUATIES
D/2016/45/387 - ISBN 978 94 014 3802 5 - NUR 847 Vormgeving omslag: Gert Degrande | De Witlofcompagnie Vormgeving binnenwerk: Fulya Toper © De auteurs & Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2016. Uitgeverij LannooCampus maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv. Alle rechten voorbehouden. Niets van deze uitgave mag verveelvoudigd worden en /of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Uitgeverij LannooCampus Erasme Ruelensvest 179 bus 101 3001 Leuven België www.lannoocampus.be
Inhoudstafel Voorwoord 7 Inleiding 9 Hoofdstuk 1 Interne relatie. Balans tussen steun en uitdaging Inleiding Het concept interne relatie Interne relaties in de context van het gezin en de familie Interne relaties binnen de context van hulpverlenende instanties Interne relaties in onderwijs Zoeken naar een balans tussen steun en uitdaging Van conceptueel kader naar praktijk Hoofdstuk 2 Interne relaties worden ervaren, methodes wijzen de weg Inleiding Noden bestaan Het samen zoeken vergt moed We leren van conflicten Kracht stuwt keuzes Cases: hoe methodisch werken helpt om tot interne relatie te komen
13 14 18 26 30 35 42 44
47 48 52 54 55 57 59
Hoofdstuk 3 De rol van het management bij het implementeren van methodisch handelen 73 Inleiding 74 Het implementatiemodel 77 Historiek 78 Visie als fundament voor methodisch handelen 79 Samenwerking als opstap tot een gedeelde handelingswijze 82 Werken met jongeren 85 Nog enkele cruciale randvoorwaarden ‌ 87 Tot slot 90
Inhoudstafel
5
Hoofdstuk 4 De conflictpositieve organisatie Inleiding Vragen bij conflicten Het concept van de conflictpositieve organisatie De praktijk van de conflictpositieve organisatie
93 94 95 96 100
Nawoord 107 Bronnenlijst 109 Eindnoten 111
6
Relaties opbouwen met kinderen en jongeren in crisissituaties
Voorwoord Een kind kan een appel op je doen dat je tot in je diepste zijn raakt. Dagelijkse gebeurtenissen kunnen zodanig onder je huid kruipen, dat je ervan wakker ligt. Weten dat dé waarheid niet bestaat, is het enige wat je met zekerheid weet. Met z'n vieren hebben we dit boek geschreven.. Als je onze jaren ervaring in het werken met kinderen en jongeren met specifieke noden zou optellen, zou je een indrukwekkend getal bekomen. Je zou kunnen veronderstellen dat we 'hét' ondertussen wel weten. Niets is minder waar. In ons werk met kinderen en jongeren, worden we dagelijks geconfronteerd met moeilijk gedrag, dat we niet kunnen negeren. Kinderen stellen storend en uitdagend gedrag en we weten niet altijd hoe we hiermee moeten omgaan. We hebben doorheen onze ervaringen geleerd dat kinderen niet zomaar iets doen, ze laten in hun gedrag zien dat er ‘iets’ is. We stellen vast dat mensen die moeite hebben met het aangaan van positieve relaties, minder kansen hebben. Ons werk blijft een dagelijkse zoektocht naar de juiste afstemming, naar de gepaste ingang om een proces in gang te zetten. In deze zoektocht vonden wij elkaar, vier mensen die elk vanuit onze eigen ervaringen en geschiedenis met hetzelfde bezig zijn. Het samen zoeken naar waardevolle ideeën, is een continue bron van ondersteuning en bijsturing van ons handelen in de praktijk. Het is vanuit dit proces, in het hier en nu, dat dit schrijven is gegroeid. Voor onszelf blijkt het resultaat van ons schrijven vandaag waardevol in ons werk. Het continu deel uitmaken van ervaringen, stuurt ons denken elke dag bij. Uiteraard konden we rekenen op de steun van heel wat mensen bij het tot stand komen van dit boek. Graag bedanken we Prof. Dr. Eric Broekaert,
Voorwoord
7
Wim Hanssens, Myriam Maes, Dr. Alexandra Boie en Kristel Naessens voor het zorgvuldig nalezen van dit werk en het aanreiken van boeiende ideeën. Heel graag bedanken we ook de collega’s en de kinderen en jongeren van OC Nieuwe Vaart en OC Sint-Idesbald. De ervaringen die we samen opdoen, vormen de inspiratie voor dit werk. Don Bosco Groenveld willen we graag bedanken omdat we met jullie mochten meekijken naar jullie inspirerende werking. De deelnemers van de LSCI-coachingsgroep bedanken we voor het meedenken rond de vormgeving van het model van de conflictpositieve organisatie. Het schrijven van dit werk heeft ons bevestigd in ons geloof in de kracht van het samen zoeken. We hopen jullie als lezer te ‘besmetten’ met dit geloof. Franky D’Oosterlinck Bram Soenen Eline Spriet Katrien Sel
8
Relaties opbouwen met kinderen en jongeren in crisissituaties
Inleiding Kun je een boom beschuldigen van dwerggroei als hij in de schaduw staat en geen water krijgt? Kun je boos zijn op een plant omdat die gele bloemen geeft als je rode verwacht? Zijn we bereid om planten en bomen lucht, licht, aarde en water te schenken? Zijn we bereid hun schoonheid en beperktheid met verwondering te aanvaarden? Geven we hen de plaats in de tuin waar ze het sterkst tot hun recht komen? Franky D’Oosterlinck In dit boek willen we het hebben over het ‘verbindend middel’ in de ecologie, niet voor planten en bomen maar voor kinderen en gezinnen. Meer specifiek voor kinderen en jongeren die opvallen door hun storend en onverwacht gedrag. Dit gedrag ‘appelleert’, doet een appel op ons, we kunnen er niet omheen, voelen dat we ‘iets’ moeten gaan doen, maar we weten niet meteen wat … De eerste vraag die we dienen te stellen is: Wie is deel van dit gebeuren? Het kind? Het gezin? De betrokkenen in het netwerk? Of de ‘ecologie’? Het concept ‘ecologie’ zal in dit boek een belangrijke plaats krijgen, in navolging van Hobbs definiëren we ecologie als ‘the study of the complex interaction of energies in natural systems’ (Hobbs, 1994). En hoewel we net zoals bij planten wel een idee hebben over een gezonde ecologie, dienen we hier rekening te houden met de beleving, de keuzes en de vragen van de kinderen en hun ouders. Zij hebben het recht om aan te geven of en hoe ze willen leren of veranderen, welke facetten ze willen ontwikkelen en welke plaats ze willen innemen in het geheel, gesteund door de mensen die voor hen iets betekenen.
Inleiding
9
Dit werk kunnen we niet opzetten zonder duidelijke keuzes te maken. Een eerste evidente keuze is gebaseerd op de rechten van het kind en laat ons stellen dat elk kind het recht heeft om zo dicht als mogelijk op te groeien bij zijn ouders, of de meest zorgende persoon in zijn omgeving. Ouders die omringd worden door hun familie, netwerk en omgeving. Om een kind op te voeden is er volgens de Indianen nu eenmaal een heel dorp nodig. Storend gedrag zien we, in navolging van Hobbs (1994), als een uiting van onevenwicht in de ecologie van het kind. Dit is een tweede keuze die we maken. Ouders merken een disharmonie tussen de draagkracht die ze hebben en de zorgzwaarte binnen de opvoeding van hun kind. Ze ervaren vandaag niet voldoende steun om in te grijpen en het evenwicht te herstellen. Met Bateson (1991) kunnen we ons de vraag stellen wat de verhouding is tussen het geheel en de delen, welke elementen in de ecologie mee bepalend zijn voor het huidig appellerend gedrag van dit kind of deze jongere. Al wie aanwezig is in de ecologie van dit kind en zijn gezin heeft verantwoordelijkheid. Met deze derde keuze willen we stellen dat in eerste instantie de familie en de omgeving geappelleerd zal zijn, maar vooral en ook dat de maatschappelijke instanties die in het leven van kinderen voorkomen (zoals kinderopvang, consultatiebureau, de school enzovoort) steun dienen te bieden. Inclusief onderwijs houdt in dat de noden van de kinderen binnen het onderwijs begrepen worden en dat daar de zorg kan plaatsvinden. Het uitgangspunt van inclusief onderwijs valt uiteraard niet te betwisten, maar soms zullen instanties ingeroepen worden om extra zorg of ondersteuning aan te leveren. We willen het principe aanhouden van zorg zo dicht als mogelijk binnen het reguliere kader. We pleiten alleen voor het verlaten van de gezinsomgeving als blijkt dat deze geen veilige, groeiondersteunende context is. De meest zorgende persoon voor een kind zal daardoor nu eenmaal in bepaalde gevallen te vinden zijn buiten het gezin ‌ Deze drie gemaakte keuzes bepalen hoe we naar kinderen en jongeren met storend gedrag kijken. Vandaar zoeken we een manier om samen met
10 Relaties opbouwen met kinderen en jongeren in crisissituaties
de kinderen en jongeren te komen tot de hulpvraag die zit achter het storende gedrag, om zo de nodige steun te realiseren. Alle mensen, en bijgevolg ook kinderen, bouwen relaties op om te overleven. De kenmerken van steunende relaties willen we omschrijven met het concept ‘interne relatie’. Dit doen we in hoofdstuk 1. In een interne relatie ontstaan ervaringen waarin de waarneming, de betekenis, het denken, voelen en willen van mensen op elkaar afgestemd zijn, zodat het samen handelen ervaren wordt als een respectvol, eerlijk, veilig en waardevol gebeuren. Deze ervaringen leren ons hoe het voelt om als mens ‘in balans’ te zijn. Het gevoel van ‘in balans’ te zijn geeft een evenwicht dat nodig is om de uitdagingen die op je afkomen te kunnen aangaan. Deze uitdagingen zijn heel verscheiden van aard. Voor een jong kind kan dit bestaan uit het exploreren van zijn wereld vanuit een veilige relatie met zijn moeder. Voor een kind op de lagere school zou dit kunnen bestaan uit de ‘strijd’ die hij aangaat met zijn ADHD, wetend dat zijn ouders hem koesteren en de leerkracht het evenwicht tussen leeropdrachten en steun weet te bewaren. Kinderen en jongeren die zelf niet in balans zijn, kunnen hun omgeving met hun storend gedrag uit balans halen. Op zo’n moment is er steun nodig om het evenwicht te herwinnen dat zo nodig is om de uitdagingen en opdrachten te kunnen aangaan. Deze steun dient geboden te worden door het aanbieden van interne relaties. Grenzen stellen, structuur bieden, verwachtingen formuleren, belonen en straffen zullen alleen aanleiding geven tot leermomenten als ze vanuit een relationeel respectvol perspectief gehanteerd worden, als er een goede communicatie is en als er ook mensen in de omgeving zijn voor wie men zich wil inzetten. We kiezen in dit werk specifiek voor theorieën die gericht zijn op de ecologie en sterktes van kinderen en jongeren en hun gezinnen. De theorieën die vertaald zijn naar methodieken genieten onze voorkeur omdat ze helpen de praktijk aan te sturen. Methodieken die gevalideerd zijn in de literatuur geven ons inzicht in hun werkbare elementen. Met dit werk willen we de kinderen, ouders, mensen in het netwerk, leerkrachten, opvoeders en andere betrokkenen uitnodigen om samen naar de situatie te kijken. De ouders en het kind zelf dienen hun proces te sturen. Deskundigheid kan leiden tot gefundeerde keuzes en het werkterrein wordt het gezin en
Inleiding
11
de ecologie van het kind en het gezin. Methodieken dienen aangepast te worden en inzetbaar te zijn in het gezin, de school, de context en de zorg. In hoofdstuk 2 worden gebeurtenissen beschreven waarbij methodieken worden ingezet om een interne relatie tot stand te brengen en op die manier verschil te creëren. Een mensvisie van zorg gebaseerd op noden van mensen is universeel geldig. Dit houdt in dat zowel kinderen, jongeren, ouders, leerkrachten als hulpverleners in essentie dezelfde ervaringen nodig hebben om tot interne relaties te komen, zorg te kunnen aanvaarden en geven en zo in balans te blijven. Voor iedereen is dit de enige manier om duurzaam inzetbaar te zijn. Bij gebrek aan evenwicht tussen de ontvangen zorg en kansen, de uitdaging en de resultaten, kan schoolmoeheid of burn-out optreden. Aan de hand van een implementatiemodel wordt in hoofdstuk 3 beschreven hoe een organisatie in zijn management hier rekening mee kan houden. Dit model omvat naast het aanbieden van opleiding ook andere elementen waarmee rekening gehouden moet worden gedurende het implementatieproces van methodisch handelen. In hoofdstuk 4 wordt het concept van de ‘conflictpositieve organisatie’ vormgegeven. In een dergelijke organisatie gaat men steeds weer zoeken naar en werken aan die elementen die bijdragen tot het leren uit conflicten. Steunende relaties worden er gezien als de basis van waaruit geleefd en geleerd kan worden. In dit hoofdstuk concretiseren we de acties en processen die in een conflictpositieve organisatie aan bod komen in een vragenlijst, aan de hand waarvan elke organisatie tot een ‘doorslag’ van zijn huidig functioneren kan komen. Op die manier kan er gewerkt worden aan een kwalitatief hoogwaardige implementatie van de uitgangspunten die aan de basis liggen van dit werk. Het proces dat dit op gang brengt, de reflectie en communicatie over ons eigen handelen, belevingen en ervaringen, dient fundamenteel bij te dragen tot de ecologie waar we dagelijks deel van uitmaken en mede verantwoordelijk voor zijn. Dit proces is nooit af, maar moet steeds opnieuw gevoerd worden, zodat de ecologie steeds maximaal steunend blijft voor wie er deel van uitmaakt.
12 Relaties opbouwen met kinderen en jongeren in crisissituaties
1
Interne relatie. Balans tussen steun en uitdaging
Interne relatie. Balans tussen steun en uitdaging
13
Inleiding Kinderen en jongeren die probleemgedrag vertonen en storend zijn in hun omgeving, stellen de mensen die met hen omgaan voor een grote uitdaging. Deze uitdaging situeert zich op het niveau van het aangaan van relaties. Omwille van opgedane ervaringen, bepaalde persoonskenmerken of een disfunctionerende ecologie kan het opbouwen van relaties voor deze kinderen en jongeren moeilijk zijn. In dit hoofdstuk zullen we een orthopedagogisch kader neerzetten dat als hefboom voor deze kinderen gehanteerd kan worden. De relatie die aangegaan wordt door de mensen die elke dag met het kind en het gezin omgaan, wordt expliciet gemaakt. In dit kader wordt het concept van een steunende ‘interne relatie’ in al zijn dimensies omschreven. Mensen die deskundig zijn in interne relatieopbouw begrijpen de noden en signalen van de kinderen, de jongeren en hun ouders, en creëren een relatie van vertrouwen, begrip en steun. Ze gebruiken de juiste woorden om die relatie-ervaring te benoemen. Met de sterktes die reeds voorhanden zijn, worden de gekozen uitdagingen aangegaan, die met gepaste steun leiden tot succes. Het spreekt voor zich dat iedereen deze positie voor een ander kan innemen. De bereidheid om een steunfiguur te zijn en te willen leren wat een interne relatie inhoudt, zijn voldoende om het verschil te kunnen maken. Dit engagement in het aangaan van relatie zal vaak heel sterk gewaardeerd worden door de mensen in de omgeving. Mensen doen tijdens hun leven allerlei ervaringen op. Als baby ervaar je de zorg die geboden wordt, als kind speel je met andere kinderen, mensen nemen deel aan feesten, maken deel uit van hun gemeenschap. Al die ervaringen worden door ons brein, maar ook door ons lichaam opgeslagen. Ons systeem verwerkt deze ervaringsinformatie multidimensionaal (cognitief, emotioneel, fysiek, …) en zal deze ook in al die verschillende dimensies een plaats geven. Fietsen is bijvoorbeeld een aangeleerde vaardigheid die je kunt oproepen als je gaat fietsen, maar die moeilijk onder woorden te brengen is vanuit je geheugen. Alle dimensies zijn met elkaar verbonden en de opgeslagen ervaringen, bewust of minder bewust, kunnen via deze dimensies worden opgeroepen. Het zijn niet alleen de feiten, of wat we ervaren hebben, die van belang zijn, maar ook en vooral de processen. Hiermee bedoelen we onder andere de manier waarop we dit hebben op-
14 Relaties opbouwen met kinderen en jongeren in crisissituaties
gelost, welke oplossingsvaardigheden gebruikt worden. De bijbehorende emoties zullen de indruk in het systeem verdiepen en ook daar een plaats geven. De mens is erop gericht om te overleven en probeert alle ervaringen te benutten om dit op de best mogelijke manier te doen. We zijn als het ware op elk moment in ons leven de verzameling van alle opgedane ervaringen in alle verschillende dimensies. Vandaar ontstaat de slagzin ‘We zijn onze ervaringen’ (Baker & White-McMahon, 2011). Met die ervaringen, met dat ‘zijn’ in het ‘hier en nu’ gaan we onze toekomst tegemoet. Het is een bril waardoor we kijken, een sturing en kleuring van onze waarneming, een kennis van feiten, een verzameling van oplossingsvaardigheden. We dragen hierdoor een groot deel van de ecologie waarin we leven mee in onze eigen persoon. Bepaalde ervaringen zullen ons vandaag nog beïnvloeden, ook al dachten we dat ze niet zo belangrijk waren, of dachten we dat ze niet opgeslagen waren omdat we er geen bewuste herinneringen aan hebben (Levine, 2011). Een meisje werd op de leeftijd van anderhalf jaar opgenomen op de afdeling intensieve zorgen van een ziekenhuis omwille van een zware infectie. Na enkele dagen sondevoeding mocht ze weer beginnen te eten en kreeg ze kleine stukjes banaan en enkele slokjes appelsap. Deze waren zo moeilijk te verteren dat ze meteen moest overgeven. Toen dit meisje, op de leeftijd van tien, tijdens een picknick plots een banaan en een blikje appelsap kreeg, voelde ze zich opnieuw erg misselijk. De herinneringen waren als het ware in elke vezel van haar lichaam opgeslagen, hoewel ze zich niet meer bewust herinnerde wat ze precies had gegeten in het ziekenhuis, bijna negen jaar daarvoor. Als we iemand zijn gedrag of zijn keuzes om te handelen observeren, ervaren, er getuige van zijn of erbij betrokken zijn, dan krijgen we informatie over de opgedane ervaringen in diens leven. Deze informatie gaat over hoe deze persoon probeert te overleven op de best mogelijke manier
Interne relatie. Balans tussen steun en uitdaging
15
en gebruikmaakt van de aangeleerde kennis, vaardigheden en oplossingsstrategieën die voorhanden zijn. Tijdens onze levensloop wordt elk van ons geconfronteerd met allerlei uitdagingen. Een uitdaging is zoals een vraagstuk in de wiskunde, het is een vraagstuk van het leven. We worden voor een probleem – klein of groot – gesteld en we proberen er een goede oplossing voor te vinden. Als mens zijn we gericht op uitdagingen en vooral ons brein houdt ontzettend van het proces om gepaste oplossingen te vinden. Daar ligt de basismotivatie om te leren. De uitdagingen die op het pad van een mens komen, geven de mogelijkheid om inzicht te krijgen, een nieuwe vaardigheid te leren. Het leven is een uitdaging, maar vormt daardoor ook meteen een kans om te veranderen en bij te dragen aan de ontwikkeling van jezelf en anderen. Die uitdagingen kun je alleen maar aangaan en benutten als je in evenwicht bent en steun krijgt vanuit je omgeving. Uitdagingen die we kunnen situeren binnen de context van het gezin zijn bijvoorbeeld de verandering die de komst van een kleiner broertje of zusje met zich meebrengt, de stress van verhuizen en het achterlaten van de bekende buurt en vrienden, of de verwachting van een nieuwe wereld die kan opengaan of het zoeken naar je eigenheid en identiteit in loyaliteit met je ouders zonder je vrienden teleur te stellen tijdens de puberteit. Dit soort uitdagingen komen vrij frequent voor in het leven van kinderen en jongeren en zijn ‘ontwikkelingseigen’. We kunnen ergens wel verwachten dat deze veranderingen een uitdaging betekenen en dat ze een portie stress met zich meebrengen. Anderzijds kunnen we ook verwachten dat, indien er voldoende sterke steunbronnen aanwezig zijn, deze uitdagingen min of meer probleemloos kunnen worden aangegaan, en dat er vrij snel opnieuw een evenwicht zal worden ervaren. Natuurlijk kan de ontwikkeling niet buiten beschouwing gelaten worden, als we het hebben over het zich afstemmen in relatie tot kinderen. Een kind leert zich op erg jonge leeftijd hechten. De manier waarop dit gebeurt, heeft invloed op de interne relaties die hij of zij later kan aangaan; bij het in balans komen met een ander is de afstemming op dit hechtingspatroon noodzakelijk. Wanneer een kind en een volwassene zich op elkaar afstemmen in een interne relatie, zal het de volwassene zijn die
16 Relaties opbouwen met kinderen en jongeren in crisissituaties
investeert in de relatie. Het kind stemt zich af op die meer of minder cognitief aangestuurde intentionele investering. Naast de emotionele ontwikkeling moeten we natuurlijk ook rekening houden met de ontwikkeling van de hersenfuncties. Uit de cognitieve neurowetenschappen is bekend dat bijvoorbeeld de ontwikkeling van zelfregulatie en executieve functies pas volledig ‘af’ is rond de leeftijd van de vroege volwassenheid. Dit zal uiteraard ook impact hebben op de manier waarop interne relaties worden aangegaan. Ongeacht de invloed van de ontwikkeling op de manier waarop afstemming in interne relatie zal gebeuren, is de gelijkwaardigheid van beide partners in een interne relatie ethisch gezien een belangrijk punt. Uiteraard komen we op ons pad ook minder frequent voorkomende, minder ‘ontwikkelingseigen’ uitdagingen tegen. Deze zijn soms te sterk of zetten aan tot dysfuncties. Denk maar aan situaties van kinderen die een vechtscheiding meemaken, opgroeien in extreme armoede of slachtoffer zijn van mishandeling. In dergelijke situaties kan het kind op zichzelf geen oplossing vinden omdat zijn hele ‘zijn’ overvraagd wordt en omdat het steun nodig heeft om het groter geheel in evenwicht te brengen. Deze ervaringen zullen hun sporen nalaten en het kind onveiligheid en onzekerheid laten ervaren. Een kind kan dit niet aan. Door de signalen die volwassenen in de omgeving van het kind ontvangen, ontstaat een heel pertinente vraag. Hoe kunnen we werken met deze kinderen? Ze laten vandaag in hun gedrag en handelen zien dat ze overvraagd worden en dat het niet vinden van oplossingen voor de grote uitdagingen die ze ervaren, hen parten speelt. Wanneer Filip, een jongen van zeven, de boodschap krijgt dat hij even zijn beurt moet afwachten en aan de volgende opdracht van het spel mag deelnemen, geeft hij de begeleidster een klap in haar gezicht. Ook dit kind kiest op dit moment op basis van zijn ervaringen de voor hem beschikbare handeling. Een typische uitdaging voor kinderen en jongeren is naar school gaan en in een klassituatie les krijgen om zo kennis te verwerven en vaardigheden te leren die helpend zijn tijdens het opgroeien. In traditionele klassituaties waarbij de leerkracht ‘ex cathedra’ doceert, zal een leerkracht op-
Interne relatie. Balans tussen steun en uitdaging
17
drachten geven die de leerlingen moeten uitvoeren. Deze opdrachten zijn meestal directief of aansturend van aard, in die zin dat er verwacht wordt dat de leerling zonder extra steun zal uitvoeren wat van hem of haar wordt gevraagd, en dit zonder dat de leerkracht zich continu hoeft af te vragen hoe de leerling zich daarbij voelt of wat hij denkt. Tegenwoordig wordt er in heel wat klassen gedifferentieerd en geremedieerd om zoveel mogelijk tegemoet te komen aan de noden, interessesferen en cognitieve uitdagingen van kinderen om tot leren te komen en tegemoet te komen aan cognitieve obstakels, zoals afleidbaarheid, motivatie, taakspanning, faalangst, hoogbegaafdheid enzovoort. Ook coöperatief leren en andere leervormen komen tegemoet aan de verschillende manieren waarop kinderen informatie verwerken en tot leren komen. We gaan ervan uit dat kinderen die de gepaste ervaringen hebben doorgemaakt, die voldoende steun in de rug voelen, in staat zijn om met de uitdagingen die onderwijs biedt om te gaan. Toch stellen we ons ook de vraag hoe we het best kunnen werken met kinderen die niet met deze uitdagingen om kunnen gaan. We willen het in dit hoofdstuk hebben over interne relaties. Het zijn namelijk deze interne relaties die zorgen voor de ‘ervaring van steun’ die zo nodig is om de uitdagingen in ons leven te kunnen aangaan. Dit kan doordat mensen met wie je een interne relatie hebt letterlijk in fysieke nabijheid steun bieden, maar alleen al de idee dat er voor jou een steunende interne relatie bestaat, kan net zo goed voldoende zijn om de uitdagingen op een succesvolle manier aan te gaan.
Het concept interne relatie Wat is er nu zo specifiek aan dit soort helpende relaties? Aan de hand van een aantal dimensies zullen we het concept ‘interne relatie’ definiëren. Deze dimensies zullen ons helpen om de ideeën rond ‘steun’ en ‘uitdaging’, die we aanhaalden in de inleiding, te concipiëren in een toepasbaar model. Het model zal op die manier verhelderen wat er moet gebeuren om zich af te stemmen op de ander in een helpende, steunende relatie.
18 Relaties opbouwen met kinderen en jongeren in crisissituaties
Om de dimensies van relaties te situeren, verwijzen we naar Wilber (1998). Een driedeling van werelden wordt van oudsher in verschillende theorieën en kaders gehanteerd. Elk van de werelden omvat een ‘waardensfeer’. De eerste wereld kunnen we benoemen als de wereld van het ‘Wij’. Deze waardensfeer omschrijft wat ‘goed’ is, en omvat het domein van de Ethica. Deze wereld is nodig om samen te kunnen leven in harmonie met onze medemensen. Ze omvat regels, waarden en normen als referentiekader. Ze zorgt ervoor dat je wat je ziet gebeuren tussen andere mensen kunt benoemen als ‘goed’ of ‘niet goed’. De tweede wereld is die van het ‘Ik’. De wereld van het ‘Ik’ betreft alles wat te maken heeft met het ‘mooie’, alles wat te vatten is onder de Kunst. Deze wereld reflecteert de persoonlijke keuzes van elke ‘Ik’ om te definiëren wat mooi is. Ieder van ons maakt zijn eigen keuzes in termen van perceptie en betekenis. Dit betekent dat wat in deze wereld als mooi wordt benoemd, voor elk van ons particulier anders kan zijn. Om zicht te krijgen op wat iemand anders mooi vindt, zullen we proberen contact te maken met de innerlijke belevingswereld van die persoon. De derde wereld, ten slotte, is die van het ‘Het’, en daarin wordt alles omschreven wat ‘juist’ is, te vatten onder het vakgebied van de Wetenschap. Deze waardensfeer betreft de wereld van de ‘feiten’ en betreft de objectieve, empirische, reproduceerbare waarheid. Het gaat hier over de ‘echte’ wetenschap die zoekt naar waarheden door steeds opnieuw empirisch te achterhalen of hypotheses bevestigd kunnen worden of gefalsifieerd zullen worden. We gebruiken deze opdeling van werelden om de dimensies van een relatie in een model te omschrijven (zie figuur 1). Dit model kunnen we dan gebruiken om het concept van een steunende, interne relatie te gaan definiëren.
Interne relatie. Balans tussen steun en uitdaging
19
Figuur 1: Dimensies van een relatie. WAARDENSFEER Wereld van 'Het'
DIMENSIE VAN DE RELATIE Gedrag Handelen Waarnemen Emoties
Wereld van 'Ik'
Betekenis geven Denken Voelen Willen
Wereld van 'Wij'
Waarden
In de wereld van het ‘Het’ situeren we alle feiten in een omgeving, ‘gedrag’ en ‘handelen’. Dit gaat over wat we objectief kunnen vaststellen, registreren, tellen of meten. Om half acht komt de bus op de hoek van de straat. Met ‘gedrag’ verwijzen we naar de acties of de reacties van iemand, gewoonlijk met betrekking tot de omgeving. Het gedrag kan bewust of onbewust, openlijk of heimelijk, en vrijwillig of onvrijwillig zijn. De bus was laat, je stond te wachten en keek herhaaldelijk op je horloge. In de dimensie van ‘handelen’ willen we het intentionele karakter van gedrag omvatten. Gieles (1992) definieert handelen als ‘wat de mens doet of laat en de betekenis die hij eraan geeft’. Toen de bus stopte, stapte je snel in en reed je richting school, je wilde op tijd aankomen. In de wereld van het ‘Ik’ kunnen we de dimensies situeren die te maken hebben met de belevingswereld van elke mens. Het ‘waarnemen’ gaat over de registratie en verwerking van prikkels via de zintuigen. We zien
20 Relaties opbouwen met kinderen en jongeren in crisissituaties
door de bril van onze opgeslagen ervaringen en daardoor maken we reeds een selectie van de wereld rondom ons. Een kind dat vaak agressie meemaakte, zal de wereld als bedreigender waarnemen. Deze waarnemingen kunnen in geval van dreiging onmiddellijk het deel in de hersenen activeren dat instaat voor het overleven en het alarmeren. Dit zal aanleiding geven tot ‘emoties’, lichamelijke reacties die niet door onze wil te controleren zijn. De hartslag van het kind stijgt, er wordt meer bloed naar de spieren gepompt. ‘Betekenis geven’ omvat het proces waarin gebeurtenissen een inhoud en een waarde krijgen voor de persoon die ze meemaakt. Op basis van ons zijn gaan we een betekenis verbinden aan het gedrag van de ander. Die man komt naar me toe, hij ziet er vriendelijk uit, hij zal iets willen vragen. Het ‘denken’ is de dimensie die alles wat zich bewust afspeelt in onze cognitieve geest omvat. Het zijn de oplossingen die we ophalen en inzetten. Dit neemt niet weg dat er irrationele gedachten of minder functionele oplossingen in ons brein opgeslagen kunnen zijn. Ik vertel de man hoe hij het gevraagde adres kan bereiken. Irrationeel: ‘Onbekende mannen zijn altijd gevaarlijk.' De dimensie ‘voelen’ betreft de innerlijke gewaarwording en de waardering ervan. We gaan samen met, voor of na onze gedachten ook gevoelens opwekken. Vaak gebeurt dit op basis van vroegere ervaringen. Pieter is aan het winkelen in de supermarkt, wanneer plots een studiegenoot en vriend tevoorschijn komt. Pieter lacht en voelt zich blij bij het weerzien.
Interne relatie. Balans tussen steun en uitdaging
21
Met ‘willen’ situeren we het zogenaamde ‘conatieve’ aspect van handelen. Dit heeft te maken met de neiging en de intentie om iets te gaan doen. We bedoelen hier de persoonlijke intentie zonder dat er rekening gehouden wordt met sociale druk. Eigenlijk wil ik mijn vriend eens duidelijk de waarheid vertellen. In de wereld van het ‘Wij’ kunnen we de dimensie van de ‘waarden’ definiëren. Waarden zijn fundamentele, gemeenschappelijke ideeën van mensen die nodig zijn om te kunnen samenleven. In die zin kunnen het belangrijke maatstaven of principes zijn die het eigen handelen sturen en op grond waarvan men het eigen handelen en dat van anderen beoordeelt. Een kenmerk van waarden is dat mensen ze vrijwillig aannemen, omdat ze er in geloven. Een voorbeeld van een waarde is ‘respect voor anderen’. Waarden vertellen je niet hoe je dat ideaal kunt bereiken, dit wordt geconcretiseerd in normen. Deze reflecteren een soort gedragsregels die gehanteerd worden in groepen van mensen en die helpen om waarden in praktijk te brengen. Doordat mensen zich voor waarden willen inzetten, zullen ze ook in staat zijn om anderen op het belang ervan te wijzen, wanneer deze riskeren gefnuikt te worden. We gaan ervan uit dat een mens deel uitmaakt van en communiceert met de omgeving en de personen die zich daarin bevinden. Als hij zich in alle beschreven dimensies kan situeren, als hij daar harmonie voelt, dan gaan we ervan uit dat iemand in balans is en klaar is om de uitdaging die op hem wacht aan te gaan. Als anderen die dit waarnemen in de dimensie van het ‘wij’ dit bevestigen, gaat het over een persoon die in balans is en zich sociaal aangepast gedraagt. In dit boek focussen we ons op het werken met kinderen en jongeren die het moeilijk hebben. Dit model kan hiervoor helpend zijn. Wanneer een kind niet in balans is, zal het dit laten blijken. Zelden zal dit signaal rechtstreeks verwoord worden, veel vaker zal dit gebeuren door het vertonen van bepaald gedrag.
22 Relaties opbouwen met kinderen en jongeren in crisissituaties