Sterke meisjes huilen niet
Lore T. en Frauke Joossen
Sterke meisjes huilen niet
Vijf jaar in de handen van een tienerpooier
voor je begint te lezen
Ik ben achttien, maar soms voel ik me tachtig. Ik heb te veel gezien, te veel meegemaakt. Ik ben hard geworden, of zo lijkt het voor veel mensen. Ik heb harde dingen gedaan, slechte dingen. Maar vanbinnen voel ik me nog altijd een klein meisje, te zacht voor de grote boze wereld. Ik heb in instellingen verbleven, ben opgepakt voor overvallen, heb vijf jaar in een tienerpooiercircuit vastgezeten. Ik heb een fout leven geleid. En heel eerlijk: soms mis ik het. Soms verlang ik terug naar toen, toen alles spannend was. Er was altijd geld, er waren altijd drugs, er was altijd avontuur. Als ik wilde winkelen, werd er met mij gewinkeld. Als ik uit wilde gaan, gingen we met een groep uit. En niemand die dan in mijn buurt moest komen, ik had mijn bende ‘bodyguards’. Hoe leg je uit hoe een leven vol gedwongen seks, drugs en geweld toch ook een ontzettende aantrekkingskracht kan hebben? Hoe laat je iemand begrijpen dat de bende tienerpooiers voelde als de familie die ik nooit had gehad? Hoe kan ik zulke slechte dingen gedaan hebben en toch eerlijk zeggen dat ik geen slecht mens ben? Laat me je meenemen in mijn leven. Ik begin bij het einde, bij de gewelddadige overval die ik heb gepleegd. Kwestie van
5
het ergste al gehad te hebben. Als je daarna niet bent afgehaakt, neem ik je mee in mijn leven. Ik wil het je allemaal vertellen en hoop dat je, tegen het einde van het boek, zult begrijpen waarom ik zo ben geworden. Ik wil dat je weet dat ik geen excuses zoek met mijn verhaal, alleen verklaringen. Ik hoop oprecht dat ik, door mijn verhaal eerlijk en zonder verbloemen op te schrijven, andere jonge, kwetsbare meisjes kan behoeden voor wat mij is overkomen. Het allerergste wat tienerpooiers met je doen is misschien wel dit: ze brengen je helemaal in de war. Het rechte pad wordt scheef, maar je hebt nog nooit zo’n mooi pad gezien. Je weet dat het fout is, dat het fout loopt, en toch blijf je verdergaan. Je voelt je meer dan ooit alleen, en toch zijn zij de enigen die je hebt. Ze worden meer en meer je hele wereld. Ze hebben je in hun macht en je hebt het niet eens door. Dat ik in tienerpooierhanden zou terechtkomen, stond eigenlijk in de sterren geschreven. Ik heb het zelf ontdekt toen ik meisjes moest ronselen: ze gaan voor de kwetsbaarsten. Degenen van wie ze zien dat ze verdrietig zijn, onzichtbaar. Ik kan je mee naar buiten nemen, de straat op, het je tonen. Je wandelt gewoon rond en je zoekt naar een groepje jonge mensen. Er is er altijd eentje dat een beetje achter de anderen staat. Eentje aan wie je zo ziet dat ze onzeker is. Ze praat niet veel, durft je niet recht aan te kijken. Ze is gewoon blij dat ze bij het groepje mag staan en niet gepest wordt. Dat is het meisje dat er wordt uitgepikt, want zulke meisjes zijn vatbaar voor lieve woordjes, mooie wagens en leuke kleren. Het zijn de meisjes
6
die nergens thuishoren – of toch dat gevoel hebben. Het zijn meisjes zoals ik. Heb ik ooit van Mo gehouden? Ik denk het wel. Verliefd ben ik nooit geweest, maar ik heb van hem leren houden. Misschien heb ik in mijn hoofd een sprookje gemaakt van de nachtmerrie waar ik in zat. Omdat iets doen uit liefde zoveel makkelijker is dan iets doen omdat je anders wordt geslagen. Misschien is er een stukje in mij dat hem nog altijd graag ziet. Kan ik hem daarom nog altijd niet zien voor wat hij echt is? Een meedogenloze klootzak die jonge, kwetsbare meisjes inlijft en hen zich voor hem laat prostitueren. Een man die niemand graag ziet, ook mij niet. Jaren heb ik geloofd dat hij van me hield. Dat, als hij me sloeg, hij niet echt doorsloeg. Dat hij het alleen maar deed om me te helpen, niet om me pijn te doen. Je krijgt een verknipte geest als je zo wordt gemanipuleerd en niemand hebt om je te helpen, dat heb ik intussen geleerd. Ik ben nu bijna twee jaar uit het circuit, maar ik ben er nog altijd niet van bevrijd. Ik heb intussen al bijna een jaar een relatie, maar tot rust ben ik nog altijd niet gekomen. Ik houd nog steeds niet van de nacht. Dan wil ik de doembeelden die opduiken, elke keer weer, ontvluchten. Ik probeer mijn leven van toen achter me te laten, maar de beelden, de gesprekken in mijn hoofd, ze blijven me achtervolgen. Ik ben nog niet geheeld. Ik weet niet eens of dat kan. Ik probeer nu zo goed mogelijk mijn emotionele wonden te verzorgen. Het worden littekens die ik nooit meer kwijtraak, dat weet ik. Maar ik hoop
7
dat ik ooit naar mezelf kan kijken in de spiegel en kan denken: Het is okĂŠ. Je hebt het gehaald. Ik hoop dat ik op een dag gelukkig kan zijn.
8
homejacking
Het enige wat ik zie, zijn combi’s om ons heen. Ik begrijp het niet. ‘Handen omhoog! Handen omhoog!’ roepen de agenten. We zijn toch geen terroristen? Het enige wat ik heb gedaan, is een homejacking, denk ik. Moeten ze daar nu zoveel combi’s voor sturen? We worden uit de auto gesleurd, ik zie hoe Abdel en Ahmed geduwd worden. Ze stribbelen tegen, krijgen kletsen van de agenten. Ik word in een combi gezet. ‘Do you speak Dutch?’ vraagt een van de agenten. ‘Natuurlijk spreek ik Nederlands, wat is dat nu voor een vraag?’ antwoord ik. Ik zie hen kijken. Ik vind het grappig. Ik ben Lore, zeventien jaar. Ik heb net een blinde man overvallen in zijn eigen huis. Ik heb hem gedrogeerd en bedreigd met een mes. Ik ben over twee tuinmuren gesprongen en geklauterd, ik ben gepakt en ik weet dat ik me hier niet uit kan lullen. En ik vind het alleen maar grappig. Ik weet niet wat ik zou moeten voelen. Ik weet niet wat normale mensen zouden voelen op zo’n moment. Ik weet wél dat
9
normale mensen hier niet zouden zitten, in een combi. Normale meisjes van zeventien, die giechelen om hun eerste vriendje, die kijken uit naar hun laatste honderd dagen, die twijfelen of ze die dure broek al dan niet zullen kopen en denken na over hoe ze twee kilo kunnen afvallen. Ik ben niet normaal. Ik ben Lore. Onderweg naar het politiekantoor concentreer ik me op het verhaal dat ik zo meteen zal vertellen. Ik heb het alleen gedaan, het was mijn plan, Abdel en Ahmed hebben er niks mee te maken, zij weten van niks. Dat zal ik vertellen. Ahmed wist inderdaad nergens van, die dacht dat ik bij een oom langs zou gaan. Abdel wist wel wat er aan de hand was. Hij had de overval mee bedacht. Ik zie ons nog zitten op het appartement op de achtste verdieping. Klein en ongezellig, maar verdomme, dat uitzicht. Uren hebben we er gezeten, hij en ik. Op zijn schoot, dicht tegen hem aan, keek ik naar buiten. Stil en hardop droomden we van wat voor ons lag: de wijde wereld. ‘Ooit, Lore, zijn wij daar, met z’n tweeën’, zei Abdel dan. Wat was ik verliefd op hem. Ik wist nog niet dat hij getrouwd was en kinderen had. Ik dacht nog dat hij mijn redder was, de man die me het hele loverboycircuit zou kunnen doen vergeten. Toen het idee kwam om een overval te plegen, twijfelde ik dus geen moment. We wisten van een man die slechtziend was en veel geld in huis had. Hij woonde alleen, het enige probleem was de beveiliging. We waren geen profs, het enige wat
10
ik eerder had gedaan was hier en daar een autoraampje inslaan, wat fietsen pikken, een handtas meegrissen. Maar een echte overval, dat was nieuw. Ik had geen idee hoe we het moesten aanpakken, maar toen stak het lot ons een handje toe: de blinde man zocht een persoonlijke assistente om hem bij te staan. Mijn ticket naar binnen! Ik weet niet meer of het Abdels idee was of het mijne. Ik weet niet of hij me erin luisde. Ik was blind. Eindelijk, na al die jaren, was ik verliefd. Als hij me had gevraagd iemand te vermoorden voor hem, had ik het waarschijnlijk ook gedaan. Ik belde naar de man, zei hem dat ik graag op gesprek wilde komen voor de baan en maakte een afspraak. Ik zou binnengaan, Abdel zou buiten wachten. Ik maakte hem wat te drinken terwijl we praatten. Ik denk dat hij het attent vond, terwijl ik gewoon drugs in zijn drankje draaide om hem aan te kunnen. Hij speelde piano, herinner ik me nog, terwijl ik zo stil en snel mogelijk alles doorzocht op zoek naar geld. Niks was er. Hoe langer ik zocht, hoe bozer ik werd. Ik moest geld hebben. Abdel en ik zouden ermee naar het buitenland trekken, ons nieuwe leven tegemoet. Wat moest ik nu? Hoe kon ik met lege handen weer buitenstappen? Ik bedreigde de man met een mes, schreeuwde hem toe dat hij moest zeggen waar het geld was. Hij was het bewustzijn aan het verliezen maar mompelde nog dat hij alles naar de bank had gebracht.
11
Ik moest zo snel mogelijk weg, besefte ik. Ik liep rond, zocht naar een uitweg. Alles was op slot. Ik voelde de adrenaline door mijn aderen pompen, ik was een en al focus. Ik moest weg. Eindelijk vond ik een keukenraam dat ik open kon draaien. Ik griste mijn handtas mee, kroop door het raam, zag de twee hekken voor me, ademde diep in en probeerde weg te komen. Ik scheurde mijn broek bij het tweede hek. Zodra ik terug op straat was, stapte ik zo onopvallend mogelijk weg. Twee politiewagens passeerden me. Trots keek ik hen na. Ze hadden niet eens door dat ze naar mij op zoek waren. Eindelijk zag ik de auto met Ahmed en Abdel. ‘Waar bleven jullie?’ riep ik, terwijl ik instapte. Nog voor ik de kans kreeg te vertellen dat het mis was gelopen, waren de combi’s er. ‘Geen zorgen, ik verraad je niet’, zei ik nog snel tegen Abdel. ‘Ik was het’, zei ik tegen de procureur. ‘Ik alleen. Ik heb die twee jongens wijsgemaakt dat de blinde man mijn oom was. Het spijt me dat ik hen zo heb bedrogen.’ Het enige waar ik spijt van had, was dat we het allemaal niet wat beter gepland hadden. Het had kunnen lukken, als ik weer niet eens zo impulsief had gehandeld. De procureur vroeg me hoe oud ik was. ‘Zeventien’, zei ik. ‘Ben je niet beschaamd?’ vroeg hij. ‘Wat doe je je ouders aan?’ Ik haatte die man tegenover me, met heel mijn hart, om wat hij vroeg.
12
‘Mijn ouders?’ zei ik zo arrogant mogelijk. ‘Mijn moeder pikt ergens dronken een vieze vent op. En mijn vader, die heeft nooit naar me omgekeken. Ik denk niet dat ik hen zoveel aandoe.’ Natuurlijk geloofde de procureur niet dat Abdel en Ahmed niets met de overval te maken hadden. Maar wat kon hij doen? Abdel en Ahmed hielden zich aan hun verhaal en ik ook. Ik zag Abdel nog heel even. Hij mocht weg, keek me aan met tranen in zijn ogen. Hij wilde me niet alleen laten, zei hij. Maar ik wist waarvoor ik het deed. Abdel had al een serieus strafblad, was meerderjarig én voorwaardelijk vrij. Als ik het niet allemaal op mij nam, zou hij de gevangenis ingaan, voor lang. Mij stonden hooguit een paar maanden in Beernem te wachten. De procureur bleef me vragen stellen, en ik bleef hetzelfde antwoorden: ‘Je zult er alleen mijn vingerafdrukken vinden, ik heb het helemaal alleen gedaan. Ik ben alleen, er is niemand die voor me zorgt. Ik had geld nodig. Ik probeer gewoon te overleven.’ ‘Je gaat naar de gesloten instelling’, dreigde de procureur. Ik vond het grappig. Beernem, Mol: voor sommigen de hel, voor mij was het mijn tweede thuis.
13
Dit boek verscheen in samenwerking met Child Focus.
www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen.
Omslagfoto : Arcangel © Ebru Sidar Omslagontwerp: Studio Jan de Boer Ontwerp en vormgeving: Studio Lannoo i.s.m. Keppie & Keppie © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2016 D/2016/45/535 – ISBN 978 94 014 3729 5– NUR 402/740 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.