Hans Peeters - Karel Neels Nele Havermans - Dimitri Mortelmans Nina Donvil - David De Wachter Lise Cordeel
DE KLEUR VAN VERGRIJZING OVER DE PENSIOENEN VAN MIGRANTEN
BW DEF.indd 3
13/03/18 11:57
In memoriam Prof. dr. Jos Berghman (1949-2014)
D/2017/45/566 – ISBN 978 94 014 3609 0 – NUR 747, 825 Vormgeving omslag: Stéphane de Schrevel Vormgeving binnenwerk: Keppie & Keppie © De auteurs & Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2017. Auteurs: Hans Peeters, Karel Neels, Nele Havermans, Dimitri Mortelmans, Nina Donvil, David De Wachter, Lise Cordeel. Uitgeverij LannooCampus maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv. Alle rechten voorbehouden. Niets van deze uitgave mag verveelvoudigd worden en /of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Uitgeverij LannooCampus Erasme Ruelensvest 179 bus 101 3001 Leuven België www.lannoocampus.be
BW DEF.indd 4
13/03/18 11:57
Inhoudstafel INLEIDING 11 DEEL I / ACHTERGROND HOOFDSTUK 1 Migrantenpopulatie in België 1 De migratiegeschiedenis van België na de Tweede Wereldoorlog 1.1 Europese gastarbeiders in de jaren 1940 en 1950 Uitbreiding van aanwervingsgebieden en gezinsmigratie in de jaren 1960 1.2 Terugdringen van gastarbeiders en kettingmigratie in de jaren 1970 en 1980 1.3 Heterogene migratieredenen vanaf 1990 2 Eerstegeneratiemigranten en hun (klein)kinderen 3 Versoepeling van nationaliteitsverwervingen door drie wetten HOOFDSTUK 2 Het Belgische pensioenlandschap 1 Eigen pensioenrechten in de eerste pijler 1.1 Het rustpensioen van werknemers 1.2 Het rustpensioen van zelfstandigen 1.3 Het rustpensioen van statutaire ambtenaren 1.4 Minimumregelingen voor werknemers en zelfstandigen 2 Afgeleide pensioenrechten in de eerste pijler 2.1 Gezinspensioenen voor eenverdienersgezinnen 2.2 Overlevingspensioenen voor weduwes en weduwnaars 2.3 Echtscheidingspensioenen voor gescheiden gepensioneerden 3 Aanvullende pensioenen in de tweede pijler 4 Pensioensparen en levensverzekeringen in de derde pijler 5 Sociale bijstand voor ouderen in België
17
18 18 19 20 20 21 22 23
26 26 27 29 31 32 36 36 37 38 39 40 41
5
BW DEF.indd 5
13/03/18 11:57
DEEL II / DATA EN STEEKPROEF
43
HOOFDSTUK 3 Beschrijving van data 1 Een steekproef van actieven en een steekproef van 65-plussers 2 Persoonskenmerken in het Rijksregister 3 Meting van migratiekenmerken 3.1 Nationaliteit en geboorteland 3.2 Migratiegeneratie 3.3 Tijdstip van en leeftijd bij migratie 3.4 Herkomst 4 Meting van pensioenrechten 4.1 Eigen pensioenrechten in de eerste pijler 4.2 Afgeleide pensioenrechten in de eerste pijler 4.3 Pensioenrechten in de tweede pijler 4.4 Pensioenrechten in de derde pijler 5 Loopbaankenmerken van zuivere werknemers 6 Inkomenssituatie van 65-plussers 6.1 Het individueel en equivalent huishoudinkomen 6.2 Twee metingen van het armoederisico
44 44 45 46 46 46 50 51 52 53 55 56 57 58 59 59 61
HOOFDSTUK 4 De steekproef in kaart gebracht 1 Relatieve grootte van herkomstgroepen 2 Demografische kenmerken 2.1 Een veelal gelijke geslachtsverdeling 2.2 Een jongere leeftijdsstructuur in niet-Europese herkomstgroepen 2.3 Verschillen in burgerlijke staat tussen herkomstgroepen 2.4 Inwonende kinderen bij actieven en 65-plussers 3 Migratiekenmerken 3.1 Eerste-, tweede- en lateregeneratiemigranten 3.2 Verschillen in nationaliteitsverwerving naar migratiegeneratie 3.3 Recente migratie uit EU12-landen en Afrika
62 62 63 64 65 67 69 71 71 74 75
6
BW DEF.indd 6
De kleur van vergrijzing
13/03/18 11:57
DEEL III / RUSTPENSIOENEN
79
HOOFDSTUK 5 Verschillen in rustpensioen naar herkomst
80
HOOFDSTUK 6 De directe invloed van loopbaankenmerken op het rustpensioen 1 Personen zonder eigen pensioenopbouw 2 Het stelsel van pensioenopbouw 2.1 Verdeling naar stelsel 2.2 Het rustpensioen van voormalige mijnwerkers 3 Loopbaankenmerken van zuivere werknemers 3.1 Het loon als eerste determinant van pensioenhoogte
86 86 94 94 98 103 104
3.1.1 Gemiddeld voltijds equivalent bruto maandloon
104
3.1.2 Loonplafonds zwakken herkomstverschillen in pensioenhoogte af
110
3.1.3 Minimumregelingen zwakken herkomstverschillen
in pensioenhoogte af
112
3.2 De lagere werkintensiteit van migranten van niet-Europese herkomst 3.3 Het grotere belang van gelijkstelling bij migranten van niet-Europese herkomst 3.4 Pensioenopbouwintensiteit als tweede determinant van pensioenhoogte 3.5 De lengte van de loopbaan als derde determinant van pensioenhoogte 4 Algemene bevindingen
117 121 126 130 133
HOOFDSTUK 7 De indirecte invloed van de gezinssituatie op het rustpensioen 1 Burgerlijke staat en eigen pensioenrechten 2 Gezinsvorming en eigen pensioenrechten 2.1 Het effect van gezinsvorming op het type pensioenopbouw 2.1.1 Beschrijvende resultaten
145
2.1.2 Multivariate analyse
148
Inhoudstafel
BW DEF.indd 7
138 139 144 144
7
13/03/18 11:57
2.2 Het effect van ouderschap op de hoogte van het pensioen 2.2.1 Beschrijvende resultaten 2.2.2 Multivariate analyse
3 Gezinsstructuur, arbeidstrajecten en eigen pensioenrechten 3.1 Verschillen in gezins- en arbeidstrajecten naar herkomst en migratiegeneratie 3.2 Gezins- en arbeidsmarkttrajecten en de hoogte van de pensioenopbouw
155 155 157
161 162 164
3.2.1 Verschillen in pensioenhoogte in functie
van gezins- en arbeidstrajecten
164
3.2.2 Verschillen in pensioenhoogte in functie van herkomst
en migratiegeneratie
165
3.2.3 Verschillen in pensioenhoogte in functie van herkomstgroep
na controle voor gezins- en arbeidstrajecten
4 Besluit
169
DEEL IV / BIJKOMENDE PENSIOENEN EN ANDERE INKOMENS
173
HOOFDSTUK 8 Afgeleide pensioenen 1 Afgeleide pensioenen van 65-plussers 1.1 Het overlevingspensioen van verweduwden en het rustpensioen aan gezinstarief 1.2 Verklaringen voor herkomstverschillen in afgeleid pensioen bij 65-plussers 2 Afgeleide pensioenen van de huidige actieven 3 Algemene bevindingen HOOFDSTUK 9 Aanvullende pensioenen 1 Aanvullende pensioenrechten in de tweede pijler 1.1 Aandeel personen met pensioenopbouw in de tweede pijler 1.2 Hoogte van de pensioenopbouw in de tweede pijler 2 Aanvullende pensioenen in de derde pijler 2.1 Aandeel personen met pensioenopbouw in de derde pijler 2.2 Hoogte van de pensioenopbouw in de derde pijler 3 Algemene bevindingen
8
BW DEF.indd 8
166
174 175 175 177 184 188
190 191 191 196 199 199 203 205
De kleur van vergrijzing
13/03/18 11:57
HOOFDSTUK 10 Bijkomende inkomstenbronnen van ouderen en armoederisico 1 Het inkomen van 65-plussers 2 Het armoederisico van 65-plussers 2.1 Aandeel personen met een huishoudinkomen onder de armoedegrens 2.2 Aandeel personen die sociale bijstand ontvangen 3 Algemene bevindingen
206 207 211 211 214 218
HOOFDSTUK 11 CONCLUSIE 221 1 De loopbaan als basis voor pensioenbescherming 221 2 De invloed van loopbaankenmerken op het eerstepijlerpensioen 224 2.1 Loopbaanverschillen worden doorgezet in pensioenopbouw 224 2.2 Verschillen in professioneel statuut versterken ongelijke pensioenopbouw 225 2.3 Solidariteitsmechanismen zwakken invloed van loopbaankenmerken af 225 2.4 Op het kruispunt van gender en migratie: pensioenbescherming van vrouwen van vreemde herkomst 229 3 Herkomstverschillen in pensioenen uit de tweede en derde pijler 231 4 Inkomenssituatie en armoederisico van ouderen van vreemde herkomst 232 5 Beleidsaanbevelingen 233 6 Pistes voor verder onderzoek 236 REFERENTIES 238 LIJST VAN FIGUREN
245
LIJST VAN TABELLEN
249
EINDNOTEN 251
Inhoudstafel
BW DEF.indd 9
9
13/03/18 11:57
BW DEF.indd 10
13/03/18 11:57
Inleiding Door de verschillende migratiegolven in de loop van de twintigste eeuw steeg het aantal personen van vreemde herkomst in België aanzienlijk. Als gevolg daarvan maakt de populatie met een migratiegeschiedenis aan het begin van de eenentwintigste eeuw een wezenlijk deel uit van de huidige Belgische samenleving, met in 2010 bijvoorbeeld 18 procent inwoners van vreemde herkomst (Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, 2013). België kent daarmee – relatief ten opzichte van de gehele bevolking – een van de grootste migrantengemeenschappen in Europa (OECD, 2008). Tegelijkertijd is de kloof tussen autochtonen en personen van vreemde herkomst op de arbeidsmarkt in België beduidend dieper dan in andere Europese landen (OECD, 2008; Pina e.a., 2015). Eerder onderzoek over de socio-economische positie van personen van vreemde herkomst in België heeft aangetoond dat zij gemiddeld lager opgeleid zijn dan autochtonen en – mede ten gevolge daarvan – een zwakkere beginpositie op de Belgische arbeidsmarkt bekleden (Glorieux e.a., 2008; OECD, 2013). Deze zwakkere startpositie zet zich voort gedurende de verdere loopbaan: personen van vreemde herkomst zijn vaker inactief en hun loopbaan wordt vaker gekenmerkt door een hoge mate van werkonzekerheid en instabiliteit (FOD WASO & Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, 2013; Okkerse & Termote, 2004; Vanduynslager e.a., 2013). Deze zwakke arbeidsmarktsituatie leidt er onder meer toe dat het armoederisico van personen van vreemde herkomst bijna vier keer hoger ligt dan dat van autochtonen in België (OECD, 2012). Bovenstaande inzichten verbergen echter heel wat heterogeniteit binnen de populatie van vreemde herkomst: de socio-economische positie verschilt sterk naar herkomstland, migratiegeneratie en nationaliteit. Zo zijn personen van Europese herkomst in vergelijking met personen van nietEuropese herkomst veelal hoger opgeleid en hebben ze een meer stabiele loopbaan (FOD WASO & Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, 2013; OECD, 2012b). Ongeacht het land van herkomst zijn tweede- en lateregeneratiemigranten vaak beter geïntegreerd in de Belgische arbeidsmarkt dan eerstegeneratiemigranten. Vooral bij personen die recent naar België migreerden, verloopt de integratie moeilijker
Inleiding
BW DEF.indd 11
11
13/03/18 11:57
omdat zij zich op verschillende vlakken moeten aanpassen (bijvoorbeeld taal leren) (Dustmann & Van Soest, 2002). Verder blijkt vooral bij nietEuropese herkomstgroepen het al dan niet bezitten van de Belgische nationaliteit gerelateerd te zijn voor een sterkere positie op de arbeidsmarkt. Migranten met de Belgische nationaliteit hebben hogere tewerkstellingskansen dan migranten met een vreemde nationaliteit (Corluy e.a., 2011). Deze publicatie draagt bij aan de reeds bestaande literatuur over de socioeconomische positie van personen van vreemde herkomst in België door na te gaan in welke mate hun zwakke arbeidsmarktpositie wordt vertaald naar lagere pensioenen. Tot nog toe bestaat er – in België evenals internationaal – weinig tot geen kennis over de pensioenrechten van personen van vreemde herkomst. De nood aan onderzoek daaromtrent groeit echter, gezien het toenemende aantal ouderen met een migratiegeschiedenis. Waar België in 1970 ongeveer 35.000 ouderen van vreemde herkomst telde, was dit aantal in 2005 bijna verdrievoudigd tot 110.000 (Perrin, 2007). Ter vergelijking, in die tijdsspanne steeg het totale aantal 65-plussers in België ‘slechts’ met ongeveer 40 procent, van bijna 1,3 miljoen tot ongeveer 1,8 miljoen. Het aantal ouderen van vreemde herkomst steeg dus veel sterker dan het totaal aantal ouderen binnen de Belgische populatie. In deze publicatie vergelijken we de pensioenen van autochtonen met die van personen van vreemde herkomst. De pensioenen van personen van vreemde herkomst worden verder onderscheiden naar herkomstland, migratiegeneratie en nationaliteit. We onderzoeken niet alleen de pensioenrechten binnen de eerste, tweede en derde pensioenpijler, maar ook andere inkomens waarover ouderen binnen hun huishouden kunnen beschikken. We besteden bijzondere aandacht aan het rustpensioen, omdat dit voor ongeveer twee derde van de gepensioneerden in België het enige pensioen binnen de eerste pijler is (Berghman e.a., 2010). We trachten niet enkel om herkomstverschillen in het rustpensioen in kaart te brengen, maar ook om deze verschillen te verklaren. Hierbij kijken we in de eerste plaats naar de loopbaan, omdat dit een belangrijke directe determinant van het rustpensioen is. Zo kunnen personen die nooit hebben gewerkt geen rustpensioen opbouwen en verschilt de pensioenberekening sterk tussen het werknemers-, zelfstandigen- en ambtenarenstelsel. Binnen elk stelsel afzonderlijk zijn dan weer het loon, het aantal gewerkte dagen en de loopbaanlengte
12 De kleur van vergrijzing
BW DEF.indd 12
13/03/18 11:57
bepalend voor het uiteindelijke rustpensioen. Naast de loopbaan, bekijken we in welke mate de gezinssituatie de variatie in de hoogte van het rustpensioen verklaart. De arbeidsmarktsituatie wordt immers in belangrijke mate beĂŻnvloed door de burgerlijke staat en ouderschap. Specifiek voor vrouwen besteden we daarbij aandacht aan de interactie tussen gezinsvorming, arbeidsmarktparticipatie en pensioenopbouw. Na de bespreking van het rustpensioen concentreren we ons op andere pensioenen en inkomensbronnen waarover 65-plussers kunnen beschikken. We gaan na in welke mate de herkomstverschillen in het rustpensioen worden versterkt of afgezwakt wanneer ook deze inkomens in rekening worden gebracht. Het rustpensioen kan immers aangevuld worden door een afgeleid pensioen uit de eerste pijler en/of een aanvullend pensioen uit de tweede en derde pensioenpijler. Naast het pensioen kunnen ook andere inkomens van belang zijn, zoals een socialebijstandsuitkering of het arbeidsinkomen van inwonende kinderen. Daarom bespreken we ook het totale individuele en huishoudinkomen. Tot slot onderzoeken we of het huishoudinkomen van 65-plussers voldoende beschermt tegen armoede. Hiertoe brengen we herkomstverschillen in het armoederisico in kaart. Dit onderzoek is in meerdere opzichten vernieuwend. Voor het eerst worden exacte cijfers gegeven die toelaten de pensioenrechten van autochtonen te vergelijken met die van personen van vreemde herkomst. Daartoe gebruiken we administratieve data om de nationaliteit en het geboorteland van de ouders te bepalen, in tegenstelling tot vorig onderzoek dat zich voornamelijk op surveys baseerde. Deze administratieve data zijn nog maar sinds kort beschikbaar in het Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming en laten toe om gedetailleerde metingen van herkomst, migratiegeneratie en nationaliteit op te nemen in de analyses. Verder bevat deze publicatie niet enkel cijfers over de huidige pensioenen van 65-plussers, maar ook over de pensioenrechten die de huidige actieven aan het opbouwen zijn. Eerder pensioenonderzoek concentreerde zich daarentegen bijna uitsluitend op de pensioenen van huidige gepensioneerden. Ten slotte brengen we de pensioenopbouw van actieven binnen alle drie de pijlers van het Belgische pensioensysteem in kaart. Vooral analyses met betrekking tot pensioenopbouw binnen de tweede pijler
Inleiding
BW DEF.indd 13
13
13/03/18 11:57
zijn vernieuwend, omdat er tot voor kort enkel gegevens beschikbaar waren over reeds uitgekeerde tweedepijlerpensioenen. De vreemde herkomstgroepen die we in deze studies onderzoeken, zijn personen afkomstig uit Zuid-Europa (Spanje, Griekenland, Italië en Portugal), uit de twaalf laatste landen – met uitzondering van Kroatië – die tot de Europese Unie toetraden (Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slovenië, Slowakije, Tsjechië, Bulgarije en Roemenië), uit Turkije, uit de Maghreblanden (Marokko, Tunesië en Algerije) en uit andere Afrikaanse landen (Congo, Burundi, Rwanda, Egypte, Libië, Mauritanië en andere). Deze herkomstgroepen maken een belangrijk deel uit van de vreemde populatie in België (Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, 2013). Gezien de gunstigere arbeidsmarktsituatie van personen afkomstig uit de buurlanden (Vanduynslager e.a., 2013), verwachten we geen noemenswaardige verschillen in pensioenopbouw in vergelijking met autochtonen. Bijgevolg bespreken we deze herkomstgroep niet. Deze publicatie is het eindresultaat van het MIGRAGE-project (20122015). Dit project is een samenwerking tussen het Centrum voor Sociologisch Onderzoek (KU Leuven) en het Centrum voor Longitudinaal en Levensloop Onderzoek (UAntwerpen) in opdracht van het Federaal Wetenschapsbeleid (BELSPO). Deze publicatie telt vier delen, die op hun beurt een aantal hoofdstukken bevatten. In deel I bieden we de lezer de nodige achtergrondinformatie om de resultaten uit de volgende delen te kunnen kaderen en begrijpen. In hoofdstuk 1 schetsen we de samenstelling en de kenmerken van de huidige migrantenpopulatie op basis van de Belgische migratiegeschiedenis. In hoofdstuk 2 beschrijven we de werking van het Belgische pensioensysteem. In deel II (hoofdstuk 3 en 4) bespreken we de steekproeftrekking, de operationalisering van de gehanteerde variabelen en de demografische en migratiekenmerken van de steekproef. In deel III brengen we eerst de herkomstverschillen in het rustpensioen van autochtonen, Europese en niet-Europese migranten in kaart (hoofdstuk 5). Daarna gaan we op zoek naar verklaringen voor deze verschillen. Eerst onderzoeken we in hoofdstuk 6 de directe invloed van de loopbaan en vervolgens in hoofdstuk 7 de indirecte invloed van de gezinssituatie. In deel IV analyseren we de herkomstverschillen in andere inkomens van 65-plussers. In hoofdstuk 8 komen de afgeleide pensioenrechten aan bod.
14 De kleur van vergrijzing
BW DEF.indd 14
13/03/18 11:57
Vervolgens vergelijken we in hoofdstuk 9 het aanvullend tweede- en derdepijlerpensioen van autochtonen en migranten. Tot slot behandelen we in hoofdstuk 10 het volledige huishoudinkomen van 65-plussers, en het belang van pensioenen daarin, alsook het armoederisico van ouderen. In de conclusie brengen we de belangrijkste bevindingen samen en formuleren we enkele beleidsaanbevelingen.
Inleiding
BW DEF.indd 15
15
13/03/18 11:57
BW DEF.indd 16
13/03/18 11:57
I ACHTERGROND
Achtergrond
BW DEF.indd 17
17
13/03/18 11:57
HOOFDSTUK 1 MIGRANTENPOPULATIE IN BELGIË Naar schatting 18 procent van de Belgische bevolking is geboren met een vreemde nationaliteit. Ongeveer twee derde van de personen die geboren zijn met een vreemde nationaliteit is afkomstig uit een EU27-lidstaat. Verder zijn personen van Marokkaanse en Turkse herkomst sterk aanwezig in België (Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, 2013).1 De samenstelling en kenmerken van de huidige migrantenpopulatie zijn het resultaat van: (1) verschillende migratiegolven gedurende de Belgische naoorlogse periode; (2) verschillen in migratiegeneratie; (3) verschillen in verwerving van de Belgische nationaliteit. In de volgende secties bespreken we achtereenvolgens deze drie aspecten.
1
De migratiegeschiedenis van België na de Tweede Wereldoorlog Hoewel er voor de Tweede Wereldoorlog al een beperkte arbeidsmigratie was uit buurlanden, is het vooral na 1945 dat migratie een belangrijk demografisch fenomeen werd. Net zoals elders in West-Europa, kunnen we in België een onderscheid maken tussen drie migratiegolven na de Tweede Wereldoorlog (White, 1993). Een eerste migratiegolf bestaat uit personen die naar België migreerden omwille van arbeidsmotieven, zogenoemde arbeidsmigranten. Omwille van de economische crisis kwam er in 1974 een einde aan door de overheid georganiseerde arbeidsmigratie. Een tweede migratiegolf bestaat uit migranten die omwille van gezinsmotieven naar België kwamen, eerst in het kader van gezinshereniging en later ook gezinsvormende migratie. Dit is nog steeds een belangrijke drijfveer achter hedendaagse migratiepatronen. Deze tweede migratiegolf ging van start in het midden van de jaren 1960. De derde migratiegolf begon eind jaren 1990 en bestaat uit een zeer heterogene groep migranten wat betreft herkomstland en migratieredenen. Er is in deze periode ook een duidelijke toename van asielmigratie (Geets e.a., 2006).
18 Achtergrond
BW DEF.indd 18
13/03/18 11:57
Bovengenoemde migratiegolven overlappen elkaar, waardoor bepaalde periodes gekenmerkt worden door het samengaan van meerdere migratiegolven. In de volgende secties bespreken we de belangrijkste migratieredenen en herkomstlanden voor verschillende periodes in de naoorlogse migratiegeschiedenis van België.
1.1
Europese gastarbeiders in de jaren 1940 en 1950 Na de Tweede Wereldoorlog werd de ontginning van steenkool gezien als cruciaal voor de wederopbouw van de Belgische economie. Om de steenkoolprijs zo laag mogelijk te houden, was er nood aan goedkope arbeidskrachten. Omwille van de zware en ongezonde arbeidsomstandigheden in de steenkoolmijnen, was er een tekort aan Belgische mijnarbeiders. De Belgische overheid deed daarom een beroep op buitenlandse arbeidskrachten om in de steenkoolontginning te werken. Hiervoor richtte men zich in de eerste plaats op Italië, waar de naoorlogse economische situatie alarmerend was. In 1946 werd een bilaterale overeenkomst gesloten tussen Italië en België. De Italiaanse overheid ging hierin akkoord om gastarbeiders naar België te sturen en kreeg in ruil de mogelijkheid om goedkoop brandstof van België aan te kopen. Er kwamen naar schatting 77.000 Italianen naar België in het kader van deze overeenkomst. De mijnramp van Marcinelle in 1956 maakte echter een einde aan het Italiaans-Belgisch akkoord (Geets e.a., 2006; Martens, 1973). Door de ontbinding van de samenwerking met Italië was men gedwongen om gastarbeiders in andere landen te zoeken. In 1956 ging België daarom een bilateraal akkoord aan met Spanje en in 1957 met Griekenland. De voorwaarden in deze akkoorden waren dezelfde als die met Italië. Tussen 1955 en 1961 werden er aan ongeveer 7000 Spanjaarden en 10.000 Grieken arbeidsvergunningen toegekend. Naast een uitbreiding van de aanwervingsgebieden, breidde ook het aantal sectoren uit waarin vreemdelingen tewerkgesteld werden. De voornaamste nieuwe sectoren waren de staal-, bouw- en metaalnijverheid en in mindere mate de persoonszorg. In deze laatste sector werden voornamelijk vrouwen tewerkgesteld in laagbetaalde jobs (Martens, 1973).
Migrantenpopulatie in België
BW DEF.indd 19
19
13/03/18 11:57
1.2
Uitbreiding van aanwervingsgebieden en gezinsmigratie in de jaren 1960 De arbeidsmigratie uit de voorgaande decennia werd verdergezet in de jaren 1960. Door de grote economische groei kwam er een spanning op de arbeidsmarkt. In verschillende sectoren wilde men meer werknemers aanwerven dan er beschikbaar waren. Een verdere economische groei werd hierdoor bemoeilijkt. De uitbouw van een reserve aan arbeidskrachten werd in die periode een van de speerpunten van de economische politiek. De vraag naar gastarbeiders beperkte zich immers niet enkel tot ons land, aangezien de buurlanden zich ook in een periode van hoogconjunctuur bevonden. Ten gevolge hiervan werden de aanwervingsgebieden nogmaals verruimd. In 1964 werd een akkoord tussen België en Marokko gesloten en in diezelfde periode sloot België ook een bilateraal akkoord met Turkije. Voorts werden buitenlanders die als toerist het land binnenkwamen, gelegaliseerd. Zij kregen een arbeidskaart om in de mijnen te werken. Eind jaren 1960 werd ten slotte ook met andere Maghrebijnse landen (Tunesië en Algerije) een akkoord gesloten (Martens, 1973). De sectorale uitbreiding kreeg in deze periode een structureel karakter. Meer dan 125.000 buitenlandse werknemers werden in deze periode ingeschakeld in verschillende sectoren, van de industrie tot de diensten. Doordat meer sectoren werden aangeboord, vond er ook een geografische verschuiving in de vestigingspatronen van migranten plaats. Tot dan toe kenden voornamelijk Wallonië en de Limburgse Kempen een belangrijke aanwezigheid van migranten. In de jaren 1960 werden ook steden zoals Brussel, Antwerpen en Gent aantrekkingspolen voor migranten (Martens, 1973). De regering voerde in 1965 de mogelijkheid van gezinshereniging in. De belangrijkste reden hiervoor was dat men België een aantrekkelijker gastland voor migranten wilde maken dan de buurlanden, die ook op zoek waren naar buitenlandse arbeidskrachten (Gropas & Triandafyllidou, 2012).
1.3
Terugdringen van gastarbeiders en kettingmigratie in de jaren 1970 en 1980 Eind jaren 1960 liep de conjunctuur terug en werd de procedure om toeristen te regulariseren beperkt. Werkgevers kregen enkel nog toestem-
20 Achtergrond
BW DEF.indd 20
13/03/18 11:57
ming om buitenlanders in dienst te nemen bij een daling van de werkloosheid. In de eerste helft van de jaren 1970 volgde er een periode van stabilisatie. Buitenlanders die reeds lange tijd in België verbleven, kregen een arbeidsvergunning. Er werd echter niet langer actief gezocht naar nieuwe buitenlandse arbeidskrachten (Martens, 1973). Omwille van de economische recessie in 1974 sloot België haar deuren voor arbeidsmigranten (Eggerickx e.a., 1996). Enkel hooggeschoolden en bepaalde gespecialiseerde categorieën werden nog toegelaten als nieuwe migranten. De regularisatie van de in ons land verblijvende toeristen en migratie omwille van gezinshereniging en -vorming waren nog wel toegelaten (Gropas & Triandafyllidou, 2012). België kende vooral een toename van migratie uit huwelijksmotieven na deze periode. Voordien vond huwelijksmigratie in veel beperktere mate plaats, onder meer omdat een groot deel van de vroegere gastarbeiders reeds gehuwd was op het moment van migratie (Eggerickx e.a., 1996). Er kwamen echter meer en meer ongehuwde mannen naar België als gastarbeider. Deze mannen huwden vrouwen uit het land van herkomst die dan naar België migreerden. Huwelijksmigratie kwam vooral voor bij migranten uit Turkije en in de tweede plaats bij migranten uit Marokko (Surkyn & Reniers, 1997).
1.4
Heterogene migratieredenen vanaf 1990 In de jaren 1990 zetten de migratiepatronen van de voorbije decennia zich gedeeltelijk voort. Hoewel er nog steeds een arbeidsmigratiestop gold, zorgde kettingmigratie door gezinshereniging en gezinsvorming nog steeds voor een toename van de migrantenpopulatie. Het waren niet langer enkel eerstegeneratiemigranten van wie gezinsleden migreerden naar België, maar ook tweede- en lateregeneratiemigranten kozen er regelmatig voor om te huwen met iemand van het land van herkomst (Geldof, 2011). Nieuw is wel dat vanaf 2000 gezinshereniging ook een belangrijk migratiemotief werd voor oudere migranten. Eerstegeneratiemigranten laten vaak hun ouders naar België migreren om hun zorgplicht na te komen. Deze migranten, die vaak op hogere leeftijd naar België kwamen, wonen overwegend in bij hun kinderen. Ongeveer 15 procent van de 65-plussers met een Turkse of Marokkaanse herkomst kwam bijvoorbeeld naar België na 2000 (Lodewijckx, 2013).
Migrantenpopulatie in België
BW DEF.indd 21
21
13/03/18 11:57
Kenmerkend na 2000 is ook de toename van migranten uit nieuwe Europese lidstaten. In 2004 breidt de Europese Unie uit met een aantal voormalige lidstaten van de Sovjet-Unie (Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Slovenië, Slowakije en Tsjechië), Grieks-Cyprus en Malta. In 2007 treden Roemenië en Bulgarije toe. In 2013 wordt ook Kroatië lid van de Europese Unie. Binnen de Europese Unie zijn personen vrij zich te vestigen en te werken in andere lidstaten. De toetreding van deze nieuwe lidstaten bracht een migratiebeweging op gang waarop de migratiestop van 1974 niet van toepassing was (Wets & Pauwels, 2011). Deze migratiebeweging zet zich tot vandaag door: op basis van migratiecijfers van 2011 blijkt bijvoorbeeld dat 56 procent van de nieuwe migranten uit de Europese Unie komt (Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, 2013). Vanaf de jaren 1990 was er ook een sterke toename van het aantal asielaanvragen in België (Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, 2013). Na het uiteenvallen van de communistische regimes in Centraal- en Oost-Europa kende het aantal asielaanvragen een eerste piek in 1993 met ongeveer 27.000 aanvragen. In 2000 was er een tweede piek met ongeveer 40.000 aanvragen. Deze piek kan onder andere verklaard worden door de oorlog in Tsjetsjenië en de conflicten in Kosovo en de Democratische Republiek Congo (Wets, 2001). Tussen 2006 en 2011 was er wederom een stijging van het aantal asielaanvragen (Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, 2011). Deze toename kende twee oorzaken. Vooreerst speelden internationale conflicten een belangrijke rol in het aantal asielaanvragen. Zo was bijna 30 procent van de migranten die tussen 1995 en 1999 een asielaanvraag indiende, afkomstig van het voormalige Joegoslavië (Wets, 2001). In de tweede plaats heeft de migratiestop ervoor gezorgd dat niet-Europese arbeidsmigranten via de asielprocedure een verblijfsvergunning in België trachtten te bekomen (Wets, 2001).
2
Eerstegeneratiemigranten en hun (klein)kinderen De huidige migrantenpopulatie in België is sterk heterogeen wat betreft migratiegeneratie. Er kan een onderscheid gemaakt worden tussen eerste-, tweede- en lateregeneratiemigranten. Eerstegeneratiemigranten zijn
22 Achtergrond
BW DEF.indd 22
13/03/18 11:57