Lene Kaaberbøl
De wilde heks
De wraak van Chimaera
de kronieken van de kroon Lene Kaaberbøl
De
wilde heks Jennifer A. Nielsen
De wraak van Chimaera Vertaald door Corry van Bree
www.lannoo.com Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. ISBN 978 94 014 3555 0 D/2016/45/245 NUR 282/283 © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2016 Oorspronkelijke titel Vildheks – Kimæras hævn Oorspronkelijke uitgever Florlaget Alvilda, Kopenhagen, 2011 Copyright: © Lene Kaaberbøl, Kopenhagen, 2011 Gepubliceerd in overeenkomst met Lars Ringhof Agency ApS, Kopenhagen © Vertaling Corry van Bree © beelden in cover verwerkt: Shutterstock Vormgeving omslag: Studio Lannoo Vormgeving binnenwerk: Mieke Smalle
1
HET MUSSENHART Ik was een vogel. Kleine grijsbruine mussenvleugels droegen me door de lucht, ik vloog tussen takken en bladeren door. Het was voorjaar, bijna tenminste, dus rook alles levend en groen en hadden de takken prille knoppen die ik kon eten. In zeker opzicht wist ik dat ik droomde. Ik wist dat ik geen mus was, maar een meisje dat Clara heette, en dat ik geen vleugels of een snavel had en niet vond dat wilgen knoppen en zaadvliesjes een geschikt ontbijt waren. Maar tegelijkertijd vloog ik toch door dat bos en voelde ik het voorjaar om me heen, voelde ik hoe veel moeite het kostte om mijn vleugels te bewegen, hoe mijn klauwen zich automatisch rond de dunne takken kromden als ik ergens landde om met mijn snavel in een sappige knop te pikken. 5
Ineens zag ik iets op de bosgrond. Het was een bes. Een oranjerode, enigszins ingedroogde lijsterbes die nog niemand had gegeten! Dat gebeurde zelden in deze tijd van het jaar, en mijn kleine mussenmaag ram melde bij de aanblik ervan. Toch vloog ik niet meteen naar beneden, want de bes lag naast… iets. Ik wist niet zeker wat het was, maar wel dat het anders was, dat het niet thuishoorde in het levende voorjaarsbos. Het was bedekt met bladeren die niet alleen verdord, maar dood waren. Ik zag grijze bladnerven zonder kleur. Uitgeteerde, volkomen levenloze bladskeletten. Het was niets nieuws dat bladeren verdorden en van de bomen vielen. Dat gebeurde elk jaar, tot grote blijd schap van kevers en regenwormen en een heleboel kleine smakelijke en knapperige insecten. Dit was… anders. Ik zag geen insecten op de uitgeteerde bladskeletten, niets wat krioelde en knabbelde en scharrelde. Ik vond het griezelig, maar ik was gek op lijsterbessen. En deze bes zag er telkens als ik ernaar keek smakelijker uit. De oranje kleur riep: ‘Ik ben heerlijk!’, de geur riep: ‘Kom hier en eet me!’ Ze leek zo knapperig en zoet en besachtig, en het was zo lang geleden dat alle lekkere najaarsbessen waren ingepikt en opgegeten. Ik vloog naar de laagste tak. De bes was maar een paar vleugelslagen weg… 6
O, o, o. Ik wilde haar zo graag hebben… Maar het lukte me niet om ze te pakken. Mijn vleugels verstijfden. Mijn klauwen trokken een paar keer samen en verloren hun grip rond de tak. Ik tuimelde naar beneden, maar kon mijn vleugels niet spreiden. Ik kon me niet bewegen, mezelf redden, iets dóén. Mijn mussenhart sloeg tegen mijn holle borst been, het bloed dreunde in mijn aderen, en toch… toch kon ik me niet bewegen. Iets had me te pakken, iets onzichtbaars dat verschrikkelijk sterk was. Het verlamde me, perste het leven uit me. Mijn veren wer den van mijn vleugels gerukt, mijn botten braken als lucifershoutjes. Ik belandde met een zachte bonk op mijn rug tussen de dode bladeren en het laatste wat ik zag voordat mijn ogen barstten waren de hemel, de grijze bladnerven en de oranjerode bes die ik nooit, nooit zou bereiken. ‘Clara!’ Ik spreidde mijn armen geschrokken en raakte iets hards en hoekigs. Ik had armen in plaats van vleugels, stond duizelig en wankelend op slappe spaghettibenen en moest iets vastgrijpen om niet te vallen. Mijn tastende handen vonden een windjack, en ik klampte me vast aan de jas die aan de kapstok voor het aardrijkskunde lokaal hing. 7
‘Wat is er met je aan de hand?’ vroeg Oscar. ‘Ben je ziek of zo? Je ziet er heel vreemd uit.’ Als het Oscar niet was geweest, dan had ik niets ge zegd, maar hij wist bijna alles. Dat ik een tante had die een wilde heks was, dat ik zelf óók een soort wilde heks was, ook al was ik niet bepaald goed, en dat mijn leven op zijn kop stond vanaf de dag dat Kat me op mijn voorhoofd had gekrabd en mijn bloed met zijn ruwe en warme kattentong had opgelikt. ‘Ik was een vogel’, liet ik me ontglippen. ‘Ik vloog rond en was een vogel, maar toen… toen ging ik dood.’ Achter me giechelde iemand. Natuurlijk was het Jose fine, een van de meest irritante meisjes uit mijn klas. ‘Clara zegt dat ze een vogel is!’ riep ze. ‘Heb je jezelf daarin omgetoverd of zo? Sorry, maar ik weet niet zeker of het gelukt is. Kun je misschien een beetje met je vleu gels fladderen, zodat we het beter kunnen beoordelen?’ Ik kon me er absoluut niet op concentreren er een grapje over te maken met de een of andere humoris tische opmerking, ook al wist ik heel goed dat dat het verstandigst zou zijn. Mijn hart bonkte net zo hard als dat van de mus, en ik moest mijn oogleden met mijn vingertoppen aanraken om er heel zeker van te zijn dat de oogbollen eronder hetzelfde waren als altijd, rond en heel onder de zachte huid, en niet geplet als een bes 8
waarop iemand had getrapt. Waaraan was de mus dood gegaan? En hoe kwam het dat ik droomde terwijl ik klaar wakker was? Het ene moment stond ik samen met Oscar in de gang, het volgende… ‘Clara.’ Oscar raakte mijn arm aan. ‘Zal ik een leer kracht of zo halen?’ ‘Nee. Nee, er is niets. Ik… was alleen in gedachten.’ Hij kon aan me zien dat ik loog, maar hij zei niets. Het was zijn schuld dat de anderen me pestten, niet alleen omdat we zogezegd verkering hadden – dat hadden we niet, we waren gewoon elkaars beste vrienden – maar ook omdat ik een heks was. Of liever gezegd, ze pestten me omdat ze dachten dat ík dacht dat ik een heks was en allerlei tovertrucs kende. Oscar had dat per ongeluk aan Thijs uit zijn klas verteld, en natuurlijk kon Thijs geen geheim bewaren, dus nu wist de hele school het. Bovendien begrepen ze er niets van, ze wisten helemaal niet wat een wilde heks was en wat die wel en niet kon. Op dit moment kon ik blijkbaar niet in de gang voor mijn klaslokaal staan zonder in een vogel te veranderen. Een bijzonder slecht begin van de dag. ‘Ga maar’, zei ik tegen Oscar, want ik wist dat hij mu ziekles had. ‘We zien elkaar later.’ Hij keek twee keer over zijn schouder terwijl hij 9
wegliep, maar kwam niet terug. Hij wist ook dat we maar beter zo gewoon mogelijk konden doen. Nadat Oscar twee dagen weg was geweest omdat Chimaera hem had ontvoerd, dacht zijn moeder dat we samen het een of andere zonderlinge rollenspel speelden, en ze was van mening dat ‘zijn gevoel voor realiteit daardoor was verdwenen’, zoals ze het noemde. Ze wil de het liefst niet dat we elkaar te vaak op eigen houtje zagen en stuurde die arme Oscar om de woensdag naar een therapeut. Ik leunde tegen de koele muur en probeerde te doen alsof er niets aan de hand was. Josefine stond op het punt om nog een paar grappige opmerkingen te maken en vertelde Ina uit de parallelklas iets over vogels en vleugels en mijn bizarre ideeën. Ik probeerde te doen alsof er niets aan de hand was, maar ik was zowel bang als verdrietig. Verdrietig omdat het zo echt had gevoeld, ook al was het maar een droom geweest. Het mussenhart was gebarsten, de kleine vogel was dood, en ik kon er niets aan doen dat ik daar verdrietig over was. Bovendien was ik bang omdat ik nog nooit had ge droomd terwijl ik rechtop stond. En stel… stel dat het geen droom was geweest?
10