1944-1978
TOM NAEGELS
NIEUW
BELGIË
E E N M I G R AT I E G E S C H I E D E N I S
Dit boek kwam tot stand met de steun van Literatuur Vlaanderen en het Fonds Pascal Decroos.
www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Vormgeving: Mario Debaene Coverfoto: © Stephan Vanfleteren Auteursfoto: © Hervé Debaene © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2021 en Tom Naegels D/2021/45/501 – ISBN 978 94 014 3450 8 – NUR 680 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
INHOUD
9 Proloog Deel 1 – Opstaan en herbeginnen 19 Hoofdstuk 1 – De Wehrmacht in de mijnen 37 Hoofdstuk 2 – ‘Leer een taal en vertrek’ 61 Hoofdstuk 3 – Ook mensenrechten zijn mensenwerk 81 Hoofdstuk 4 – Een rationele herverdeling van mensen 103 Hoofdstuk 5 – Een rampjaar 129 Hoofdstuk 6 – Verloren illusies Deel 2 – Roes en ontnuchtering 153 179 205 235 257 281 305 331
Hoofdstuk 7 – Economische groei veronderstelt bevolkingsgroei Hoofdstuk 8 – Een muur in Berlijn, een poort in Ankara Hoofdstuk 9 – Open grenzen Hoofdstuk 10 – Een nieuw New York Hoofdstuk 11 – Gast of last? Hoofdstuk 12 – De eerste barsten van een nieuwe kloof Hoofdstuk 13 – Vechten om controle Hoofdstuk 14 – De prijs van de rijkdom
361 Dank, veel dank 363 Noten 383 Geraadpleegde bronnen 399 Register
PROLOOG
Ik zou u willen uitnodigen om terug te denken aan uw jeugd. Kies een periode uit waar u levendige herinneringen aan hebt, niet alleen aan uzelf en uw ouders, maar ook aan de wereld waarin u toen opgroeide. En maak nu in uw hoofd een lijst van alles wat er sindsdien veranderd is. Telkens als ik die oefening doe – bijvoorbeeld wanneer mijn kinderen mij vragen stellen als ‘Bestond de iPad al toen jij zo oud was als ik?’ of ‘Waren er al auto’s?’ – sta ik ervan te kijken hoeveel voorbeelden ik kan bedenken. Zo kan ik me een leven zonder het internet niet meer voorstellen. Toch was ik al 21, toen ik voor het eerst een website bezocht. Voor mijn ouders was het onderscheid tussen katholiek en vrijzinnig nog relevant. Ik heb mijn jeugd dus doorgebracht in de laatste restanten van wat ‘de verzuiling’ heette. Mijn moeder speelde amateurtoneel bij een socialistische, vrijzinnige toneelkring – zelfs een onschuldige hobby beoefende je toen in een ideologisch gescheiden omgeving. Naar mijn verjaardagsfeestjes kwamen geen christelijke kinderen. En als we met het gezin gingen skiën, dan deden we dat ‘met de Moraal’. Dat vind ik nu een grappige uitdrukking, alsof het met de andere skiërs, die zonder moraal op de piste stonden, niet anders dan bergaf kon gaan. Maar toen stelde niemand zich er vragen bij. ‘De Moraal’ was hoe wij de vrijzinnige vereniging noemden waar mijn ouders bij aangesloten waren. Die organiseerde skivakanties en culturele uitstappen, en nog wel meer leuks voor in de vrije tijd. Mijn eetgewoonten zijn veranderd. De houding van mijn vader ten aanzien van buitenlandse gerechten kun je samenvatten als: ‘Iek mut-a ni’emme.’ (‘Ik lust dat niet.’) Zelfs jegens rijst of pasta koesterde hij wantrouwen. De eerste keer dat er bij ons thuis over sushi werd
10
gesproken, was dat op de lacherige toon vol ongeloof – rauwe vis? – zoals je die nu nog hoort als Belgen het hebben over mensen die kwal eten, of spinnen. Ik dacht eraan toen ik niet zo lang geleden, in gezelschap, ging eten in een all you can eat-restaurant in de Antwerpse haven, een megatent vol enorme ronde tafels die opgesteld stonden naast een doolhof aan buffetten. Er was keuze uit de Belgische keuken (frietjes, kip, chocoladefontein), de Italiaanse (pasta), de Indonesische (nasi, bami), de Chinese (dimsum), de Indische (curry) en de Japanse (sushi, tempura). Het was geen chique gelegenheid, verre van. Het zakelijke model was duidelijk gebaseerd op het zo goedkoop mogelijk aanbieden van de grootste gemene culinaire deler. Toch werd er sushi geserveerd. Het zijn maar anekdotes, banale wellicht, en misschien vraagt u zich af waarom ik er dit verhaal mee begin. Was dit geen boek over migratie? Jazeker. Ik maak de oefening, en ik nodig u uit om hetzelfde te doen, omdat er te vaak over migratie wordt gesproken als een historische anomalie, een breuk met de natuurlijke loop van de Belgische geschiedenis. Dat is niet de visie van dit boek. Migratie of niet, de geschiedenis zit sowieso vol breuken. Ieder van ons heeft al meegemaakt dat er gebruiken en overtuigingen aan het schuiven gingen, dat oude conflicten verdwenen en dat er nieuwe voor in de plaats kwamen. Soms was het een verandering waar u aanvankelijk enkel in de krant over las, soms begon het met kleine gewoontes in uw eigen leven. Soms veroorzaakte een uitvinding ze (de auto, de tv, het internet…), soms een politieke of economische gebeurtenis, en soms is het niet duidelijk wat de aanzet gegeven heeft (sushi, wie heeft dat plots zo populair gemaakt?). En doorgaans is het pas als iemand aan het einde van zijn leven terugblikt naar het begin dat hij merkt hoe ingrijpend de samenleving gewijzigd is. Er bestaat een boutade onder historici die zegt: ‘Het verleden is een ander land.’1 Een variant daarop is de zin uit Mohsin Hamids roman Exit West, die ik als motto voor dit boek koos: ‘We zijn allemaal migranten in de tijd.’ In de periode die dit verhaal zal beslaan, heeft het katholieke geloof zijn invloed verloren als machtsfactor en als leidraad bij het maken van levenskeuzes. We hebben onze visie bijgesteld over wat het betekent om man of vrouw te zijn. We denken anders over relaties, we denken anders over seks. We voeden onze kinderen anders op. Homoseksualiteit, nog niet zo lang geleden taboe, is doodnormaal.
P R O LO O G
11
We hebben andere hobby’s. We stemmen op andere partijen. We staan anders tegenover de dood. Dat zijn geen kleinigheden. Het zijn omwentelingen die naar de essentie gaan van wat het betekent om als individu in een gemeenschap te leven. En ze gingen gepaard met hevige conflicten. Vaak genoeg waren de kemphanen er op het moment zelf van overtuigd dat er iets existentieels op het spel stond – als je déze evolutie geen halt toeriep, dan kwam onze identiteit in gevaar! Maar uiteindelijk groeide er berusting. Wat eens ondenkbaar leek, lijkt nu onvermijdelijk. De wonden uit het verleden zijn geschiedenis geworden. Er wordt over verteld in academische publicaties, in musea, in schoolboeken, in films, in romans, in de familieverhalen die ouders aan hun kinderen vertellen. ‘Oma mocht eerst niet met opa omgaan, omdat hij een socialist was…’ Die kinderen proberen zich vruchteloos voor te stellen hoe hun voorouders gelukkig konden zijn, in een tijd met zulke vreemde gewoontes. Toch kunnen ze zich evenmin inbeelden dat zijzelf, als zij op hun beurt oud zijn, met even grote ogen zullen terugblikken op de codes die voor hen, nu, vanzelf spreken. Ook onze bevolkingssamenstelling is gewijzigd. In dezelfde periode waarin de bovenstaande omwentelingen zich hebben afgespeeld, is België een immigratieland geworden. Je kunt discussiëren over wat er met die term bedoeld wordt. Ik gebruik hem om uit te drukken dat ons land gedurende het grootste deel van de naoorlogse periode een positief migratiesaldo heeft gekend (er kwamen dus meer mensen naar België dan er vertrokken) en dat dat saldo al geruime tijd rond de 50.000 per jaar schommelt. Het heeft ertoe geleid dat, waar in 1947 slechts 4,3 procent van de Belgische bevolking van buitenlandse herkomst was, dat aandeel nu gestegen is tot 32,1 procent. In sommige steden, zoals Antwerpen, gaat het om meer dan de helft, en in Brussel heeft zelfs drie kwart van de bevolking een migratieachtergrond.2 Daarover is er nog geen berusting ingetreden. Wie de traditionele of sociale media volgt, ziet dat daar schijnbaar onophoudelijk gedebatteerd wordt over thema’s die van ver of dichtbij met migratie te maken hebben: over asielzoekers, over racisme, over de islam, over de ‘omvolking’, over nationalisme, over terreur… Mensen identificeren zich met hun positie in die debatten. Er is, zoals politieke wetenschappers dat noemen, een nieuwe breuklijn rond ontstaan, een kloof die dieper gaat
12
dan het rationele meningsverschil. Ze is emotioneel beladen, omdat de kemphanen ervan overtuigd zijn dat er iets existentieels op het spel staat. In dit boek wil ik, voor zover dat mogelijk is, ontsnappen aan de dynamiek van dat ideologische conflict. Het is niet mijn bedoeling om u te onderhouden over mijn eigen politieke overtuiging. Ik ben hieraan begonnen precies omdat ik een stap achteruit wilde zetten en begrijpen waarom die evolutie, die zulke heftige emoties oproept, zich heeft voorgedaan. Dit is dus een historisch verhaal. In zekere zin gaat het om een overbekende geschiedenis, die van het naoorlogse België. Maar ik wil ze vertellen met de nadruk op de mensen die uit andere landen hierheen gekomen zijn, en op de invloed die ze daarmee hebben gehad. Ik wil de verhalen vertellen van de immigranten zelf en van de autochtonen die met hen samenleven, maar ik wil ook de bredere binnen- en buitenlandse context schetsen waarbinnen hun levens zich hebben afgespeeld. Op die manier wordt het een verhaal over ‘België in de wereld’ dat, zo maak ik me sterk, voor veel lezers wel nieuw zal zijn, aangezien het nu nauwelijks deel uitmaakt van de gecanoniseerde Belgische geschiedenis zoals die in het onderwijs, in musea of in de media wordt overgedragen. Het boek dat u nu leest, vertelt het eerste deel van die geschiedenis. De evolutie van België tot migratieland is immers in twee fasen verlopen. Ik beloof u dat ik het aantal grafieken tot een minimum zal beperken, maar de onderstaande geeft een mooi algemeen beeld van de migratiestromen naar ons land. Hij heeft mij vaak geholpen wanneer ik het overzicht dreigde te verliezen, en ik denk dat hij nu ook helpt om uit te leggen waarom ik twee grote periodes van elkaar onderscheid.3 Totale internationale migratie (Belgen en vreemdelingen) 1948-2020 200000
IMMIGRATIES EMIGRATIES MIGRATIESALDO
150000 100000 50000 0
9 201 6 201 3 201 0 201 8 200 5 200 2 200 9 199 6 199 3 199 0 199 7 198 4 198 1 198 8 197 5 197 2 197 9 196 6 196 3 196 0 196 7 195 4 195 1 195 8
194 -50000
P R O LO O G
13
U ziet hoe de zwarte lijn, die de immigraties naar België voorstelt, tussen 1948 en 1975 scherpe pieken en dalen vertoont. In sommige jaren komen er dus veel mensen aan, in andere duidelijk minder. Dat is de periode van de ‘gastarbeid’, toen België, net als andere West-Europese landen, actief buitenlanders rekruteerde om de tekorten op de eigen arbeidsmarkt in te vullen. België was dus vragende partij. Toch was het nooit de bedoeling om een migratieland te worden. België meende dat het een slim systeem had uitgedacht dat ervoor moest zorgen dat migranten alleen kwamen als ze nodig waren en ook weer vertrokken zodra hun taak erop zat. Die periode eindigde toen er, na de oliecrisis van 1973, een langdurige recessie aanving. Net als zijn buren besliste België toen om niet langer buiten de Europese Economische Gemeenschap (EEG) te rekruteren. Dat wordt vaak de ‘migratiestop’ genoemd. En u ziet op de grafiek inderdaad hoe de zwarte curve daalt. Gedurende een lange tijd vertrekken er zelfs meer mensen uit België dan dat er aankomen. Dat is waar de grijze lijn, die de emigraties voorstelt, boven de zwarte ligt. Pas aan het eind van de jaren 1980 stijgen de migratiecijfers weer. Maar dat doen ze opeens veel sterker dan voorheen, niet meer met pieken en dalen, en ook niet meer gestuurd door de vraag van het land van aankomst. Waar die heropleving vandaan komt en hoe België erop heeft gereageerd, behandel ik in een tweede boek. Dit deel beslaat dus de periode die de Fransen les trente glorieuses noemen, de dertig ‘gloriejaren’ van de wederopbouw en de economische boom. De sterke groei die West-Europa toen beleefde, zou onmogelijk zijn geweest zonder de arbeidsmigranten uit de gordel van landen rond de Middellandse Zee. Het is ook de periode waarin de internationale verdragen werden opgesteld die de rechten van vluchtelingen regelden. Het is de periode waarin de economische en politieke samenwerking van West-Europese landen, inclusief het vrije verkeer van hun werknemers, vorm kreeg. Het is de periode van de dekolonisatie, die zijn eigen migraties veroorzaakte. Het is de periode van de Koude Oorlog, die bepaalde met welke landen er migratieakkoorden werden gesloten. En het is de periode waarin, door de transitie van steenkool naar petroleum, de macht van de olieproducerende landen in het Midden-Oosten sterk steeg, wat eveneens zijn consequenties had voor de geschiedenis die ik hier vertel. Al die evoluties hebben ertoe geleid dat dat ‘slimme’ migratiebeleid in
14
de praktijk niet vol te houden bleek. Toen de Belgische regering in 1977 voor het eerst een staatssecretaris aanstelde die bevoegd was voor de integratie van de migranten, was dat een officiële erkenning van hun blijvende aanwezigheid. Op dat symbolische moment eindigt dit eerste deel. Voor we van start gaan, nog dit. Ik begin dit verhaal na de Tweede Wereldoorlog. Dat wil uiteraard niet zeggen dat ons land voordien geen migratie kende. Iedereen kent het leed van de Joodse (en andere) vluchtelingen in het interbellum. Er was ook al arbeidsmigratie. Ik zal er, als het past, in de loop van het boek op terugkomen. Maar er is één ijkpunt uit de vooroorlogse periode dat ik meteen wil introduceren. Het heeft te maken met dat ‘slimme’ migratiebeleid, waar ik het hierboven over had. Dat werd mogelijk gemaakt door een Koninklijk Besluit (KB) dat in de volle crisis van de jaren 1930 was gestemd. Het zocht het evenwicht tussen de wens van de werkgevers om buitenlandse arbeiders aan te werven als ze geen Belgen bereid vonden, en de vrees van de Belgische arbeiders dat die hun concurrentie zouden aandoen. Dat werd het KB van 31 maart 1936, dat stelde: 1. Geen werkgever mag een vreemdeling in hoedanigheid van hand- of geestesarbeider in dienst hebben zonder daartoe vooraf de toelating te hebben verkregen. 2. Geen vreemdeling mag in iemands dienst staan, in hoedanigheid van hand- of geestesarbeider, zonder daartoe vooraf de toelating te hebben verkregen. Werkgever en werknemer hadden dus allebei de toestemming van de overheid nodig. De werkgever kreeg die pas als hij kon aantonen dat hij de vacature in België had bekendgemaakt en dat er zich geen geschikte sollicitanten hadden aangediend. Daarna kon de immigrant de toestemming krijgen. De voorwaarden waar hij zich aan moest houden, waren streng. Zijn arbeidskaart B was maximaal twee jaar geldig. Na die tijd diende hij te vertrekken of de procedure opnieuw te doorlopen. Bovendien gold de toestemming enkel voor die ene baan in dat ene bedrijf – de immigrant kon zelfs niet binnen hetzelfde bedrijf van werk veranderen. Van werkgever veranderen kon al helemaal niet. Pas als hij op die manier tien jaar lang onafgebroken in België (of in Congo) had gewerkt,
P R O LO O G
15
kon hij een arbeidskaart A krijgen, die hem toegang verschafte tot de hele Belgische arbeidsmarkt. Maar de kans dat iemand tien jaar lang onder die omstandigheden aan de slag bleef, was klein.4 Het was een regeling die bedoeld was om een precisie-ingreep uit te kunnen voeren in de arbeidsmarkt: enkel voor die banen waar het echt niet anders kon en enkel voor de periode dat het niet anders kon, zouden er buitenlanders mogen komen. Tegelijk kon ze flexibel worden toegepast. Als er in een bepaalde sector of in een bepaalde periode heel veel nood was aan extra arbeiders, dan kon de overheid gul zijn met de toestemmingen en in één klap grote groepen laten komen. Niettemin zouden die allemaal weer moeten vertrekken, zodra hun arbeid niet meer nodig was. Wat nu volgt, vertelt hoe die illusie aan scherven viel.
DEEL 1
OPSTAAN EN HERBEGINNEN
HOOFDSTUK 1
DE WEHRMACHT IN DE MIJNEN
De eerste buitenlanders die na de Tweede Wereldoorlog geholpen hebben om de Belgische economie er weer bovenop te krijgen, waren Duitsers. Dat mag gek klinken, aangezien het ook Duitsers waren geweest – nee, ‘dén Duits’ – die die economie in het slop hadden doen belanden door een oorlog te beginnen en het land te bezetten. Maar die twee zijn dan ook met elkaar verbonden. Om dat te begrijpen, moeten we terugkeren naar het eerste jaar na de bevrijding. Dat was, anders dan je het je misschien voorstelt, geen vrolijk jaar. De bevrijding zelf, ja, die was vrolijk. Ook Belgen die ze niet meegemaakt hebben, herinneren zich (van de talloze documentaires die erover gemaakt zijn) de stoet van brommers, jeeps, vrachtwagens en tanks die stapvoets, als praalwagens, afhangend van de liefdeshongerige vrouwen, door de straten van Brussel reed. Soldaten deelden sigaretten uit. Jongens schaterden: ‘Tommy!’ Mannen gooiden hun hoeden de lucht in. Van pure blijdschap ging iedereen kinderen maken. En in de volgende collectieve herinnering zijn die kinderen groot en beginnen de golden sixties. Maar zo verliep het natuurlijk niet. De dag na de bevrijding ging het leven verder. En dat bleek weinig te verschillen van dat in de dagen ervoor. Sterker: het ging slechter.1 De oorlog was immers niet voorbij. De Duitsers hadden België weliswaar spoorslags verlaten, maar net over de oostgrens boden ze nog altijd heftig weerstand. Het geallieerde plan om Nederland snel te bevrijden, mislukte. Canadese, Britse, Poolse en Amerikaanse divisies zetten daarna alles op alles om de monding van de Schelde te veroveren. De Antwerpse haven bleef onbereikbaar zolang de Duitsers Zeeland controleerden, en de geallieerden hadden dringend nood aan een
20
HOOFDSTUK 1
grote haven dichter bij het front, want hun aanvoerlijn vertrok nog altijd vanuit Normandië. België werd daardoor onverwacht de uitvalsbasis voor de laatste fase van de oorlog tegen Duitsland. Ingesloten vanuit het oosten en het noorden, met wegen en transportmiddelen die waren opgeëist voor het leger en de belangrijkste haven die was geblokkeerd, viel ons land ten prooi aan een nog grotere schaarste dan tijdens de bezetting. De Belgen hadden honger. Omdat de bevrijding tijdens de oogst had plaatsgevonden, was die in het honderd gelopen. Koeien, paarden, varkens, schapen en geiten waren omgekomen bij bombardementen of vuurgevechten, afgeslacht door terugtrekkende Duitsers of van de honger gestorven. De boeren die nog aardappelen, groenten, kaas, boter, melk of vlees te koop hadden, kregen die moeilijk tot in de winkels. De wegen waren kapot, de kanalen onbevaarbaar, vrachtwagens en treinen door de Duitsers meegenomen of door de geallieerden opgeëist. En voedsel importeren lukte evenmin. De slag om de Schelde duurde tot november. Toen de Duitsers eindelijk verdreven waren, moest de vaargeul ontmijnd worden, wat nog eens weken duurde. Bovendien was ook het scheepvaartverkeer opgeëist voor oorlogsdoeleinden. Slechts kleine percentages in de laadruimtes mochten worden gebruikt voor burgerlijke doeleinden, zoals het transport van eten. De Belgen hadden het ook koud. Naarmate de herfst overging in de winter – de buitengewoon koude winter van 1944, die in het nog bezette deel van Nederland bekend zou worden als ‘de hongerwinter’ – werd de nood extreem, vooral in de steden. Wat gold voor voedsel, gold ook voor jassen, mutsen, broeken, rokken, kousen, truien, hemden, schoenen en dekens: ze moesten worden geïmporteerd, of tenminste de stoffen waarvan ze konden worden gemaakt. En de steenkool waar mensen hun huizen mee verwarmden, was streng gerantsoeneerd. Er was één plek waar schijnbaar nog wel alles te koop was: de zwarte markt. Maar terwijl die parallelle economie tijdens de bezetting de redding van de Belgen betekend had (ze genoot zelfs een aura van vaderlandsliefde, omdat ze werd gezien als passief verzet tegen de Duitsers), hinderde ze nu het herstel. Na jaren van stelen, smokkelen, sjacheren en sjoemelen was corruptie een deel van het dagelijkse leven geworden. Alle goede bedoelingen om de schaarste eerlijk te verdelen, liepen erop stuk. Ambtenaren die verantwoordelijk waren voor de bedeling van de voedselrantsoenen, drukten er zelf achterover. Met