janneke van bockel
ijskastmoeder Een kind met autisme in huis
INHOUD Geuzennaam 9 Precies 12 In bad 14 Kruik 16 Begrenzen 17 Nachtzoen 18 Voetwrat 20 Naar de tandarts i 22 School 23 Openbaring 26 Grapje 28 Migraine 29 Stampei 31 Bangelaar 33 Kinderpsychiater 36 Droom 40 Intake 41 Neerdwarreltijd 43 Naar de tandarts ii 45 adhd 47 Plaatje 49 Ademruimte 51 Diagnose i 53 Googlen 56 Juf 58 Trein 60 Hommeles 63
Reprise 65 Disco 67 Vragen 71 Naar de tandarts iii 72 Huisdier 74 Pijn 76 Eindshow 78 Veel 79 Nee 81 Angst 83 Dag! 87 Zwemmen 89 Gezelschap 91 Vakantie i 93 Mijlpaal 95 Knoop 96 Vlinder 98 Fietsen 101 Poes 103 Puinhoop 105 Kleien 107 Caspar 109 Relaxed 112 Wiebeltand 114 Slaappop 116 Zucht 118 Vakantie ii 120
Kijken 122 In gesprek 124 Lezen 125 Aandacht 127 Stemmen 131 Diagnose ii 135 Sinterklaas 138 Planning 140 Kopzorgen 142 Wondje 144 Thuis 147 Huisbezoek 149 Valkuil 152 Oppas 154 Naar de tandarts iv 155 Geluk 157 Melkmachine 158 Cello 159 Beschikking 161 Soep 163 Prik 166 Prikkeldraad 168 Formulieren 170 Op stap 173
Spiraal 176 Hond 178 Steun 179 Jeroen 181 Knuffel 184 Wonder 185 Engel 186 Negatief 188 Ouderavond 190 Stom 193 Systeem 195 Gemopper 196 Houtje-touwtje 198 Ziek 200 Terug bij af 202 Hartsvriendin 204 Reflectie 205 Tot slot 208 Boeken en sites 211 Autisme in vogelvlucht 217 Hulp nodig? 221 Over de auteur 224
GEUZENNAAM Onze oudste is negen. Sinds drie jaar weten we dat ze geen kind volgens het boekje is, zoals wij al een paar jaar vermoedden. Maar je merkt dat niet op het eerste gezicht. Ze praat voor tien, ze is bijdehand, ze houdt ervan de leiding te nemen. Anderen ervaren haar als een haantje-de-voorste of wat al te eigenwijs, vinden haar hooguit onopgevoed als ze bruut inbreekt op een gesprek. Telkens als ik probeer aan mijn omgeving uit te leggen wat er zo complex is aan het leven met mijn oudste, word ik als overbezorgde moeder het bos ingestuurd met de geruststellende woorden: ‘Joh, dat komt vanzelf wel goed’, ‘Dat heeft die van mij ook wel eens’, ‘Ze is wel erg aanwezig maar toch ook lekker levendig?’, ‘Maak je niet zoveel zorgen, die en die heeft een kind en dat…’ De achterkant zien vooral wij: om een beetje goed in haar vel te zitten heeft ze veel structuur nodig. Ze is snel angstig, zoekt de grenzen op tot de rek eruit is, zet haar hakken in het zand als er iets nieuws in aantocht is en wat we haar ook proberen bij te brengen op sociaal gebied: het wil maar niet beklijven. Intuïtief heeft de ‘r’ van regelmaat in ons huishouden een groot gewicht gekregen. In het begin waren we het nog naïef eens met de opvoedbladen dat ouders wat meer aandacht voor structuur zouden kunnen hebben. Totdat bleek dat we ons regime niet konden versoepelen zonder een heel erg wiebelig meisje te krijgen. Onze dochter heeft een zogeheten ‘stoornis in het autistische spectrum’. Bovendien is ze gezegend met een bijzonder goed verstand, hoogintelligent volgens de test. Vandaar het zand dat ze eenieder in de ogen strooit, want ze blijkt heel behendig in vermijden en manipuleren. Modern hè? Want ieder kind heeft tegenwoordig wel wat. Toch? Het maakt me boos en onzeker tegelijkertijd. Ik heb een hekel aan ouders die een sticker zoeken als hun kind niet aan het wensenlijstje voldoet. Ik moet
| 9
wennen aan mijn nieuwe status als ouder van een gehandicapt kind. De confrontatie met mijn eigen vooroordelen vloert me keer op keer. Ik wil net zo hard dat er wel als dat er niet iets aan de hand is met mijn kind. Het allerliefst wil ik voor haar een zo normaal mogelijk leven, maar ik wil ook erkenning voor mijn dagelijks geploeter, mijn gevoel van onmacht. Sinds de diagnose begrijp ik waarom ik een ijskastmoeder ben. Waarom ik niet naar haar toe ren als ze gevallen is, maar wacht tot zij naar mij toe komt. En waarom ik haar, als ze dan komt, niet meteen vastpak en overstelp met troostende woorden en genezende moederzoenen – zoals andere moeders dat doen als hun kind gevallen is – maar rustig blijf en zeg dat een pleister zal helpen. Waarom ik zo bot met haar communiceer en verzoeken altijd formuleer als opdrachten. Dat is niet omdat ik zo’n kille, koude dame ben – zoals de onderzoekers in de jaren zestig dachten die constateerden dat autisme ontstaat door afstandelijke moeders – maar omdat mijn kind dat nodig heeft. Zij beleeft de wereld als woest, wild, onstuimig en onvoorspelbaar en vraagt van mij dat ik, onder alle omstandigheden, de kalme haven ben waar ze kan terugkeren om op adem te komen. Daarom ben ik zo koel. Of misschien is cool een beter woord. IJskastmoeder is mijn geuzennaam.
10 |
Soms slaat iemand zomaar de spijker op de kop. Twijfel Soms gaat het heel moeizaam Loopt er weer van alles mis En is het duidelijk merkbaar Dat hij toch echt heel anders is Soms gedraagt hij zich voorbeeldig Is hij aardig en sociaal Dan slaat direct de twijfel toe Overdrijven we het allemaal? Is het niet gewoon een fase? Of de leeftijd of zoiets? Zijn we wel verstandig bezig? Of mankeert hij misschien niets? Ik weet wel dat hij anders is Maar mijn hart wil er niet aan Hoe zeker ik het soms ook weet De twijfel blijft bestaan Uit: Storm in mijn hoofd, Arwin Wels, Uitgeverij Pica, 2007
| 11
PRECIES ‘Mama, hoe laat is het?’ ‘Eh, het is kwart over acht’, antwoord ik op de automatische piloot. ‘Nietes! Het is 13 minuten over acht.’ O ja, sorry hoor, ik was even vergeten dat ik zo’n exact meisje heb. Kijk dan verdorie zelf op de klok, wat maken die twee minuten nou uit, ‘men’ rondt dat af, dat heb ik je toch al tig keer verteld – gromt het in mijn hoofd. Maar het heeft geen zin, want voor mijn oudste is 13 minuten over acht niet hetzelfde als kwart over acht. ‘Mama, je rijdt te hard!’ ‘Nee hoor, je mag hier 80. Laat mij nou maar rijden.’ ‘Ja, het klopt dat je hier 80 mag, maar jij rijdt 82.’ O, die verdomde digitale kilometerteller! Waarom heeft Renault bedacht dat die in het midden van het dashboard moet zitten in plaats van achter het stuur, waar bemoeit die griet zich toch mee, ik plak nog eens een pleister op die betweterige mond van haar, ieder ander kind van zes houdt zich toch niet bezig met de borden langs de weg en waarom vaart ze nou nooit eens blind op wat een volwassene doet – gromt het in mijn hoofd. Maar het heeft geen zin, want strikt genomen heeft ze gelijk. ‘Mama, we moeten nog tandenpoetsen!’ ‘Het is al laat, hoogste bedtijd. Het hoort eigenlijk niet, maar vandaag slaan we het tandenpoetsen een keertje over’, zeg ik haar op samenzweerderige toon. ‘Maar dat mag niet! En hoef ik dan ook niet mijn pyjama aan en hoef ik ook niet te plassen en ah toe, doe je nog een verhaal, of twee? Nee, niet het licht uitdoen! Pak even mijn stiften beneden, dan ga ik nog tekenen…’ Grr, nog verder van huis, ik ben zo moe en ik wilde het een keertje makkelijk doen, ik had het ook kunnen weten, dit werkt natuurlijk niet, waarom heb ik nou niet even iets langer, beter, slimmer nagedacht voordat ik dat uit mijn mond liet vallen – gromt het in mijn hoofd, maar het is al te laat. 12 |
Altijd, altijd moet ik heel goed van tevoren nadenken over wat ik zeg en doe. Weten welke gevolgen dat gaat hebben, voorzien op welke weerstanden ik ga stuiten, voorkomen dat er valse verwachtingen worden gewekt. Nooit, nooit kan ik wegkomen met een slechte dag, want die krijg ik diezelfde dag plus de dagen erna driedubbel en dwars terug op mijn brood. En dan ben ik ook nog in de weer met die mensen die zeggen dat ik het wat meer los moet laten. Ik zou ze het wel eens willen zien doen, wat langer dan een uurtje of een dag de verantwoordelijkheid dragen voor een kind waarbij je consequent moet zijn tot in de dood. Ik zou ze kunnen opvegen na 36 uur.
| 13
IN BAD ‘Meisjelief, uitkleden en in bad!’ ‘Ik ga niet in bad!’ is het nukkige antwoord. ‘Jawel, het is zaterdag. In bad, of onder de douche, en haren wassen.’ ‘En toch ga ik niet in bad en ik ga al helemaal geen haren wassen!’ ‘Wie gaat er eerst, jij of je zus? Je mag ook samen.’ En als zuslief dan eerst wil, dan wil zij eerst en andersom, zeer voorspelbaar. Goed, naar de badkamer dus. ‘Kom, uitkleden en dan erin.’ Zuchtend en steunend gaat het ene na het andere kledingstuk uit en uiteindelijk ligt alles verspreid over de hele eerste verdieping. ‘Wat vies is in de wasmand, wat je nog aan kan over de stoel. Ga je kleren maar even bij elkaar pakken en uitzoeken.’ Met een beetje geluk werkt het, meestal verdwijnt alles in de wasmand, ook goed. Ondertussen doe ik een karweitje boven en probeer op die manier niet al te nadrukkelijk te wachten op haar (niet-)actie. Sinds kort durft ze alleen in het bad te stappen dat ik dan al voor haar heb laten vollopen. Tot voor kort wilde ze nog altijd mijn handen vasthouden bij het instappen – krukje, antislipstickers of niet, het maakte allemaal niet uit. ‘Ik kan dat niet, help me even.’ Altijd voelde ik weer hoe eng ze het vond om in bad te stappen. Wat is dat toch? Want als ze er eenmaal in zit, is ze er het eerste uur met geen stok meer uit te krijgen. Als baby krijste ze moord en brand in de tummytub. Niks gelukzalige glimlach en al dobberend herinneringen aan de baarmoeder ophalen. Diep ongelukkig, een en al krampachtigheid. Een badje was ook de oplossing niet. Weleda babybaddroesem deed haar niks. ’s Morgens, ’s middags of ’s avonds, voor of na het voeden, met of zonder liedje, het was één groot tranendal. Toen ze twee weken oud was, nam ik haar dicht tegen me aan mee onder de douche en, zowaar, dat accepteerde ze. Na een paar maanden ontspande ze zelfs enigszins, al was het altijd krijsen zodra we haar uitkleedden om mee in bad te nemen. 14 |
Inmiddels hebben we strakke afspraken. Elke dag voor het slapengaan tandenpoetsen en mama poetst na (drama), gezicht wassen (drama), billen wassen (‘Heb ik al gedaan!’ *not*) en op woensdag en zaterdag in bad. Op zaterdag haren wassen. Alles wat met persoonlijke hygiëne te maken heeft, lijkt problemen te geven. Haren kammen is ook zoiets. En schone onderbroeken… Het gaat wel beter, in heel kleine stapjes. Maar zoals de dochter van een vriendin – die drie jaar op haar voorloopt en waaraan ik in het begin mijn toekomst probeerde af te lezen – sinds haar vijfde zelfstandig doucht en tandenpoetst, nee, dat zal er de komende zes jaar voor ons niet inzitten, vrees ik.
| 15
KRUIK Pas toen mijn jongste het wekenlang telkens weer op een brullen zette zodra we buiten waren, viel bij mij het kwartje: dat kind heeft het koud. En ik schaamde me diep. Maar ik was het niet gewend. Mijn oudste heeft het nooit koud, ook niet te warm trouwens. Dus toen zij een baby was, vond ik dat gefriemel met mutsjes, sjaaltjes, maillotjes, sokjes en wollen hemdjes maar aanstellerig gedoe van overbezorgde ouders. Mijn meisje trok ik gewoon een jas aan en huppekee mee naar buiten… Nou heb je natuurlijk koukleumen en warmbloedigen. Ik heb er van elk een. Langzaamaan wordt echter duidelijk dat die oudste er wel een heel bijzondere temperatuurvoorkeur op na houdt. Als peuter at ze vaste voeding bij voorkeur koud en weigerde ze warme dranken. Hartje winter heeft ze nooit behoefte aan een sjaal of handschoenen en gaat ze het liefst met open jas naar buiten, want ‘Ik heb een kacheltje in mijn buik, mam.’ En in het zwembad aarzelt ze niet om in het koude dompelbad van de bijbehorende sauna te springen. Haar zus heeft in de winter een extra deken op haar bed en een kruik erbij nodig om niet midden in de nacht wakker te worden van de kou. Meisjelief niet, die slaapt zonder pyjama en ligt dan nog te zweten. Toch heeft ze vorig jaar het genot van een warme kruik in bed ontdekt. Althans, wat ze er precies fijn aan vindt, weet ik niet, want ze eist hem zo verschrikkelijk heet dat het bepaald kindonvriendelijk is. En wat ze vanavond in bad uitspookte, benam me plaatsvervangend de adem: eerst vulde ze het bad met steeds heter water en plotsklaps stak ze haar hoofd onder de ijskoude kraan. Wat is dat, hoe kan dat? Is ze gevoelloos? Is ze misschien de reïncarnatie van een oude Zweed? Of is het haar manier om het lijf, om haar begrenzing, te ervaren? 16 |
BEGRENZEN Ze is nog een baby en iedereen zegt: ‘Doe toch niet zo moeilijk met die slaaptijden, dan slaapt ze toch in de auto. Alle kleine kinderen zijn meteen vertrokken als je de straat uitrijdt.’ Maar die van mij niet. Ze krijst hartverscheurend en houdt dat gerust een halfuur vol. Tegen de tijd dat we op de plaats van bestemming raken, is ze over haar slaap heen – en ben ik toe aan een dutje om bij te komen van de enerverende rit. Ze is drie, vier, vijf en weer moet ik me verdedigen als ik tegen kinderbedtijd naar huis ga: ‘Ah joh, kijk dan, dat kind is zo moe, zodra jullie in de auto stappen is ze vertrokken.’ Maar nee hoor, als ik me weer eens laat verleiden, rijd ik met een klaarwakker meisje door Nederland. Niks serene rust op de terugweg, maar klepperdeklep en van me dit en me dat… Reuzegezellig, daar niet van, maar voordat ze dan thuis haar oogjes dichtdoet is het algauw een uur of negen. ‘Geef kinderen een doos en een pollepel en ze vermaken zich urenlang, geweldig!’ De keren dat mijn meisje zichzelf wist te vermaken zijn op een paar handen te tellen. Behalve dan wanneer ze in bad zit én, tatadaa, nu ze wat ouder is doen lange autoritten van minimaal een uur het goed. Het heeft even geduurd voor ik erachter kwam hoe het werkte. Cd-speler met koptelefoon mee, wat pennen en papier, werkbladen en wat ondefinieerbare speelgoedjes die multi-inzetbaar zijn en de achterbank vermaakt zich. Totale zussenvrede bovendien. De overeenkomst met het spelen in bad zit hem denk ik in de beperking, het geen kant op kunnen. Dat geeft duidelijkheid, veiligheid en het is plezierig overzichtelijk. Kijk, dat hebben wij dan weer wel. Daarom hoeven wij dus geen dvd-spelers aan te schaffen voor in de auto. | 17
NACHTZOEN
18 |
‘Welterusten lieverd, lekker slapen, morgen weer een nieuwe dag’, en terwijl ik mij vooroverbuig om haar te zoenen, word ik ruw weggeduwd. Huh? Wat krijgen we nu? We hadden vandaag net zo’n goeie dag samen. Ik verman me en zeg: ‘Nee kom, het is slaaptijd nu. Ik geef je een zoen en dan ga ik naar beneden.’ ‘Ik wil geen zoen’, zegt het donderwolkje en ze kruipt diep onder de dekens weg. Ik sta in dubio, ben geneigd ‘Oké, ook goed!’ te zeggen, maar dat voelt niet goed na onze fijne dag. Vroeger, toen het meisje nog een baby was, kwam ze nooit echt lekker tegen me aangevleid. Ze wilde rechtop! Vooruit! De wereld in, zo leek het… Ze is mijn oudste en ik zocht er niets achter. Ik bedoel, je hebt meer en minder knuffelige types en dat mag toch? Ik vond het wel jammer dat ze zich nooit zo liet zoenen en verwennen. Vanaf een jaar werd stoeien de ingang tot lijfelijk contact. Ik was blij dat te ontdekken, want het voelde toch wat ongemakkelijk om dat lijfje zo technisch te behandelen. Maar het bleef beperkt, ze wilde nooit een hand, kwam niet op schoot en veegde consequent alle zoenen af. Inmiddels zijn we een aantal jaren samen onderweg. Zij groeit, ik leer haar beter kennen en ze wordt in zekere zin toegankelijker. En toch. Juist zo bij het sluiten van de dag snijdt het door mijn ziel om weggeduwd te worden met ‘Ik wil geen zoen.’ Toen ze geen avondvoeding meer kreeg, ging ik voor het slapengaan graag nog even bij haar kijken. Voorzichtig gaf ik een kusje op dat boze bolletje dat zelfs slapend niet tot onschuld kwam. Geïrriteerd draaide ze haar hoofd weg. Tien minuten later lag ze te huilen in bed, troosten werkte averechts. En telkens als ik gehoor gaf aan de oeroude behoefte om voor het naar bed gaan mijn kroost even toe te dekken en te kussen, was het de drie kwartier die daarop volgden één groot krijsend bal. Dus ja,
wat doe je dan als je nachtrust je lief is? Ik passeerde de deur van haar kamertje voortaan op kousenvoeten, en met pijn in het hart. Die pijn sleet. Pas twee jaar later, in een nieuw huis, waagde ik het weer. Heel voorzichtig beroerden mijn lippen het slapende voorhoofd. Met een grom en een grauw draaide ze zich om. Ik hield mijn adem in, maar ze werd niet wakker. Triomf! Nou ja, triomf. Waarom wil ik eigenlijk mijn kind zoenen terwijl ze daar niet van gediend is? Zo zit ik daar nu ook weer, op de rand van het bed van mijn zesjarige. Ik wil zeggen: ‘Dan niet’, maar in plaats van respect voel ik woede. En dat is wat er niet goed zit. Soms krijg ik alsnog mijn nachtzoen met een grap en een grol, soms steel ik hem met grof geweld. Maar dan is het wel mijn nachtzoen en het is er niet een voor haar.
| 19
VOETWRAT
20 |
Mijn oudste heeft een wrat, een voetwrat. Ze zegt dat ze er geen last van heeft, maar ik betwijfel het, want het is een knoepert en hij zit op een lastige plaats. De gedachte echter dat er iets met haar lijf moet gebeuren maakt haar panisch. Liever pijn dan dat iemand zich met haar lijf bemoeit. Zo kleinzerig als ze is, zo idioot stoer doet ze als er echt iets aan de hand is. Lichtjes gestruikeld? Huis te klein! ‘Mama kijk, kijk, kijk!!! Heb ik bloed?’ gilt ze angstig van ver. En als er niks aan de hand is een verontwaardigde blik dat het heus heel erg is en dat het verschrikkelijk pijn doet, dat er een pleister op moet en dat ze vooral snoep verdiend heeft als troost (wees gerust, dat krijgt ze nooit, ze moet het doen met een zoen – maar die wil ze niet). Maar o wee als er echt bloed aan te pas komt. Dan mag ik haar niet aanraken en al helemaal geen pleister plakken. Wanneer ik me ervan wil vergewissen dat het niet te ernstig is – ik kan haar moeilijk met een gebroken arm laten rondlopen – kost me dat alle geduld en rust en overredingskracht die ik in me heb. Ze heeft zelfs nog nooit een paracetamolletje geslikt. Geen polonaise aan mijn lijf is haar credo. Maar goed, een akelige bloemkoolwrat dus op haar voetzool. Ik houd haar een paar dagen extra in de gaten en betrap haar erop dat ze de pijnlijke plek ontziet. Ook al ontkent ze dat uiteraard ten stelligste. Ik weet genoeg en maak een afspraak bij de huisarts. Ik vertel het haar pas een halfuur van tevoren omdat ze anders te veel over haar toeren raakt. Ik leg zo precies mogelijk uit wat we bij de huisarts gaan doen. Ik kan alleen niet inschatten of de wrat met stikstof weggehaald kan worden of dat hij weggesneden moet worden. Beide opties zijn voor haar een verschrikking, maar het feit dat ik haar geen zekerheid kan geven over het verloop van de behandeling maakt dat ze in een repeterend loopje raakt. ‘Wanneer gaan we? Hoe laat is het nu? Maar wat gaat hij dan precies doen?’ De kunst is
nu daar niet in mee te gaan, het een keer duidelijk uit te leggen en stug vol te houden om het daarbij te laten. Diep ademhalen, me sterk maken, het niet zielig vinden en ook niet boos worden dat ze weinig vertrouwen in mij heeft. Iedere vezel van het lijfje staat strak gespannen als we de spreekkamer ingaan. Oeps, een nieuwe huisarts in opleiding. Hij is echt hartstikke lief en doet op zijn manier zijn best, maar hij raakt bijzonder geïntimideerd door dit kind, dat de boel bij elkaar schreeuwt en op geen enkele manier wil meewerken. Hij praat en praat en poogt haar zo op haar gemak te stellen. Voorzichtig suggereer ik dat maar achterwege te laten en samen aan de slag te gaan. Maar hij vat de hint niet en kijkt me bevreemd aan, denkt zeker dat ik zo’n hardvochtige moeder ben die het niks kan schelen dat haar kind in paniek is en niet nog een keer wil langskomen omdat dat met haar werk niet goed uitkomt. Halfhartig stipt hij de wrat uiteindelijk aan en hij houdt onmiddellijk op als het meisje kermt dat het vreselijk veel pijn doet. ‘Zijn we nou klaar?’ ‘Ja, we moeten over drie weken terugkomen maar nu zijn we klaar.’ En dan zie je de gedaantewisseling. Ze ontspant, praat honderduit, lacht en stelt de nieuwe dokter de ene vraag na de andere. Ze dartelt door de spreekkamer en maakt geen aanstalten om te gaan. Ik pak haar bij de hand, zeg haar dat ze de dokter gedag moet zeggen en laat de jonge basisarts in opperste verwarring achter…
| 21
NAAR DE TANDARTS I ‘Ik wil niet, ik doe het gewoon niet, ik ga niet mee!’ ‘Kom maar, ik weet dat je het spannend vindt, maar we gaan wel. We gaan samen en ik blijf bij je. Kom, we gaan nu.’ Ik neem haar stevig bij de hand en loop gedecideerd naar buiten. In de auto op weg naar de tandarts hoopt ze dat alle stoplichten op rood staan en we daardoor te laat gaan komen. ‘Misschien is er dan al iemand anders aan de beurt en dan is er geen tijd meer voor mij.’ We rijden de gracht op. ‘O jee, hier is het, hè? Misschien is er wel geen parkeerplaats’, zegt ze hoopvol. Maar we parkeren voor de deur en vanaf dat moment wijkt ze geen moment meer van mijn zijde. Samen halen we een parkeerkaartje, maar ze wil niet zoals anders chippen en de tijd bepalen. We gaan naar binnen, eerst jas ophangen, meteen door naar de wc, altijd poepen, dan tandenpoetsen. Dat is allemaal nog vooraan in de hal, relatief veilig terrein. Dan moeten we langs de receptioniste naar de wachtkamer. Ik voel dat ik haar steeds meer mee moet trekken. Ze duikt in het hoekje van de tweezitter. Met haar zes jaar maakt ze zich zo klein als ze kan, duim in de mond, opgekruld in foetushouding. Andere ouders zie ik puzzeltjes maken en boekjes lezen. Met een schuine blik kijken ze naar ons. Zachtjes jammerend, kreunend en wenend schokt mijn meisje in het hoekje van ‘haar’ bank. Ik zwijg en probeer mijn hand op haar te laten rusten. Soms staat ze dat toe. Praten helpt nu niet, elke poging tot afleiding leidt tot een boze blik. Niet het kinderlijke soort, maar van die boze blikken die kunnen doden. Ik ben daar niet meer bang voor, ik weet dat ik nu vooral kalm moet blijven en versteen tot rots in de branding. Ik ben er. Ik ben. 22 |
www.lannoo.com
Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen.
Omslagfoto: Corbis Omslagontwerp: Studio Lannoo Vormgeving binnenwerk: Keppie & Keppie Auteursfoto: Allard Willemse © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2009 en Janneke van Bockel D/2016/45/153 – isbn 978 94 014 3388 4 – nur 854/320 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Omwille van de privacy zijn de namen die in dit boek genoemd worden verzonnen. Verder is alles echt, en echt gebeurd.