Vos en Haas De club van wij
Deze is speciaal voor Damiaan. S.V.H.
De club van wij
Sylvia Vanden Heede met tekeningen van ThĂŠ Tjong-Khing
Pluim is op de koffie bij Ping Wing. Dat vindt Ping Wing zo gezellig! Ze heeft cake gebakken. Pluim neemt er een plakje van. ‘Dit is echt een fijn hok’, babbelt Ping Wing. ‘Wat leuk dat ik het mag huren. Wat lief van je!’
9
Pluim verslikt zich. Er schoot een kruimel in haar keel. ‘Een fijn hok?’ kucht ze. ‘Dit is geen hok! Dit is een keurig buitenhuis. Weet je wel hoe duur het was? Ik gaf er veel geld voor. Heel veel geld. Maar wat weet jij daarvan? Jij huurt alleen maar. Dat kost je haast niets.’
10
Ping Wing schrikt een beetje. En ze bloost ook. Want zij betaalt de huur niet! Dat doet Ping Ping, haar broer. Ping Ping is erg rijk. En ook erg deftig.
Maar toch niet zo deftig als Pluim. Pluim is een dame. Een dame van stand!
11
Pluim pakt nog een plakje cake. Dat doet ze heel netjes. Ze eet met een vorkje. En ze praat niet met volle mond. Dus slikt ze eerst een hap door. Dan zegt ze: ‘Het is een mooi huis, dat wel. Ik kocht het voor de rust. Zo af en toe wil ik dat. Een beetje rust, snap je?’ Ping Wing knikt. Ze vult de kopjes bij. ‘Een bos is erg rustig’, legt Pluim uit. ‘Dat is goed voor even. Maar niet voor altijd.
Stel je voor, zeg! Hier is helemaal niets!’
12
Ping Wing kijkt zo verbaasd! Haar bek valt open. ‘Niets? En… dit hok dan? Ik bedoel, dit buitenhuis? En het hol van Vos en Haas? En de boom van Uil?’
Pluim lacht schel. Ze zet haar kopje neer. Ze draait met haar ogen. Ze slaakt een diepe zucht.
13
‘Ach, een boom! Wat is daar zo bijzonder aan? Heel het bos staat vol bomen. Saai hoor! Geef mij de stad maar. Daar woon ik. Heb je mijn kaartje al?’ Ping Wing schudt haar kop. Dus geeft Pluim het haar.
Ping Wing leest het kaartje. ‘Beuk 3’, mompelt ze. ‘Een beuk is toch ook een boom? Of niet soms?’
14
Pluim knikt. Haar oorbellen tinkelen. ‘Ik woon in een prachtige boom. Veel hoger dan die eik van Uil. En met een veel beter uitzicht. Want een park is echt geen bos. Er zijn wel wat bomen en struiken. Maar er is ook een vijver met een fontein. Daar zwemmen witte zwanen in. Overal staan bankjes. In de zomer speelt de fanfare. In de winter wordt er geschaatst op het ijs. Er is van alles te doen.’
15
Ping Wing slikt. ‘IJs…’ fluistert ze. Haar ogen glanzen. Ze denkt aan thuis, aan de Zuidpool. Daar is altijd ijs. Overal, het hele jaar door!
Pluim kijkt Ping Wing strak aan. ‘Ik zie het al’, zucht ze. ‘Heimwee! Je wilt naar huis!’ Ping Wing knikt. Haar keel doet pijn. Er rolt een traan over haar wang. ‘Kom kom, zo erg is dat niet’, sust Pluim. ‘Heimwee gaat vanzelf weer over. Je moet iets leuks doen. Dan denk je er niet meer aan.’
16
Weer knikt Ping Wing. En Pluim knikt ook. Ze wil zo graag dat Ping Wing blijft. Want wie gaat anders het buitenhuis huren? Maar wat voor leuks kan Ping Wing doen? In het bos is niets! Pluim denkt hard na. En dan klopt er iemand aan.
17