Skip to main content

9789401433013

Page 1

Passend voortgezet onderwijs


D/2016/45/38 – 978 94 014 3301 3 – nur 840 Vormgeving omslag: Nanja Toebak, ’s-Hertogenbosch Vormgeving binnenwerk: Studio Lannoo, Tielt Foto omslag: Imageselect-Grady Reese/Corbis © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2016 Dit boek is een uitgave van Uitgeverij LannooCampus (Houten). LannooCampus maakt deel uit van Uitgeverij Lannoo nv. Alle rechten voorbehouden. Behoudens de uitdrukkelijk bij de wet bepaalde uitzonderingen mag niets van deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Uitgeverij LannooCampus p/a Papiermolen 14-24 3994 DK Houten (Nederland) Postbus 97 3990 DB Houten (Nederland) www.lannoocampus.nl


Peter Mol

Passend voortgezet onderwijs pedagogisch vakmanschap in de klas


Motto’s: Achteraf wist je dat het er steeds al was, maar toch, heel even, dacht je: dit is een ­wonder. (geïnspireerd op Tommy Cooper) I have come to a frightening conclusion. I am the decisive element in the classroom. It is my personal approach that creates the climate. It is my daily mood that makes the weather. As a teacher I possess tremendous power to make a child’s life miserable or joyous. I can be a tool of torture or an instrument of inspiration. I can humiliate or humor, hurt or heal. In all situations it is my response that decides whether a crisis will be escalated or de-escalated, and a child humanized or dehumanized. (H. Ginott, Teacher and Child)

Het is één van onze opdrachten om de werkers in het veld te inspireren en steeds weer duidelijk te maken, dat zij er toe doen, dat zij het verschil kunnen maken! (Willem de Jong)


Inhoud Voorwoord van Ivo Mijland  11 Er staat een paard in de gang Inleiding 15 Eric Structuur van dit boek  21 1. Puberteit  27 1.1 De puber in de context van de school  27 1.2 Aanpassen  30 Je doet niet achterlijk hoor! 1.3 Gedragsproblemen en puberteit  32 Tweeling 1.4 Taal  35 Rukker 1.5 Leiden 36 Stappen 1.6 Relatie leraar-puber  37 Visnet 1.7 Samenvatting  39 Dubbele witte, zonder draad 2. Passend Onderwijzen  42 2.1 Basisonderwijs versus voortgezet onderwijs  42 Zusje 2.2 Test of advies basisschool  44 Oortje 2.3 Diagnose stellen  46 Nare niertjes 2.4 Proactief handelen  49 Praktisch denken 2.5 Reactief handelen  51 Kip 2.6 Maatwerk  54 Pim, Frits en Ida 2.7 Gepersonaliseerd onderwijs  56 Lever maar in! Inho ud

5


2.8 Individuele behoeften  58 Joeri is normaal 2.9 Samenvatting: van maatwerk naar vakmanschap  59 Gneupie 3. Afwijkend gedrag als handicap  62 3.1 Ja maar  62 Ze moeten toch leren dat… 3.2 Bedreiging  64 Hij moet meedoen 3.3 Conflict met ouders  65 Die lastige ouders 3.4 Opvoeding en onderwijs  67 3.5 Publieke opinie  68 4. Een kritische beschouwing, belemmerende factoren  70 4.1 Inleiding en verantwoording  70 Schoensmeer 4.2 Verevening  73 Anselmus 4.3 Anti-inclusie  76 Wegzetplek 4.4 Onverenigbare wensen van de overheid  78 Motivatie 4.5 Kwaliteitsbepaling  80 Piloot 4.6 Dubbele petten  82 Algemeen belang 4.7 Lokale aansturing  84 Passend aanbod 4.8 Geld  89 Perverse prikkels 4.9 21st century skills  91 Morgen of vandaag 4.10 Samenvatting  94 Meenemen 5. De vier dimensies  97 5.1 Inleiding 97 De Wiekslag 5.2 Drie dimensies  99

6

pa ssend vo or t ge ze t onder wijs


5.3 De Vierde Dimensie  101 De buurtsuper 5.4 Pedagogische tact  103 Huiswerk Tamara 5.5 Hakken in het zand  106 Rookruimte 5.6 Ontmoeten  109 Aap 5.7 Meedoen en zeker weten  111 Groeien! 5.8 Problematische opvoedingssituatie  114 Albert Einstein en anderen 5.9 Balans  117 Hoe lang moet je nog? 5.10 Het spel  119 Evalueren 5.11 Bewuste en onbewuste beïnvloeding  120 5.12 Ontwikkelingsperspectiefplan  120 5.13 Samenvatting  121 6. Leerling en leraar  123 6.1 Inleiding  123 Rotjoch 6.2 Emotie  126 Uitlokken 6.3 De context  127 Klerezooi 6.4 Dezelfde taal  130 Het witte paard 6.5 Communicatie  132 Schaken 6.6 Regels  135 Vaatwasser 6.7 Samenvatting  138 7. Passend Voortgezet Onderwijzen; pedagogisch vakmanschap in de klas  139 7.1 Inleiding  139 7.2 Probleemgedrag, oorzaken  140 Amrat 7.3 Frustratie  141 Erwtensoep Inho ud

7


7.4 Omgeving  143 7.5 Onduidelijkheid  144 7.6 Normaal  145 Collega 7.7 Interpretatie door de leraar  147 Hij let niet op 7.8 Psychologiseren  149 Contact 7.9 Planmatigheid  151 7.10 Uitlokken van ongewenst gedrag  152 Passend 7.11 Goochelen  155 Limonade 7.12 Organisatie  157 Audi 7.13 Emotie als trigger  159 7.14 Samenvatting  160 8. Communicatie  161 8.1 Inleiding  161 8.2 Vangen  161 Amsterdammers 8.3 Doof-blind  164 Boodschap 8.4 Meedoen en zeker weten, de kern  167 Rood 8.5 Communicatie is begrijpen  168 8.6 Zoek de eend, vang!  169 9. Stoornissen  170 9.1 Inclusie  170 9.2 Kennis  171 Barbecue 9.3 Cursussen  174 Afgesproken 9.4 Wat kun je doen  175 9.5 Gedrag in de context  176 9.6 Instructie  177 9.7 Ordening  178 9.8 Wat verwacht je?  179 9.9 Collegiale consultatie  180

8

pa ssend vo or t ge ze t onder wijs


9.10 De leerling die niet opvalt  181 Niks aan de hand Texel 10. Ouders en school  186 10.1 Effectieve relatie  186 Het gesprek 10.2 Investeren  188 Twitter 10.3 Reageren  190 Rolstoel 10.4 Grenzen stellen  192 Armpjes 10.5 Strijd  193 Piet 10.6 Thuiszitters  196 11. Veranderplan  199 11.1 Reflectie versus systeem  199 Koekjes 11.2 Systemen  201 Inclusie 11.3 Bij ons op school  202 11.4 Oefenen  204 Appels 11.5 Evaluatie  205 12. Snel aan de slag  207 12.1 Inleiding  207 Vliegtuig 12.2 Lesopbouw  208 12.3 Voorkomen van en reageren op ongewenst gedrag  209 12.4 Het spel, de lol  211 13. Nabeschouwing  213 Geraadpleegde en aanbevolen literatuur  217 Dankwoord 219 Over de auteur  223

Inho ud

9


Voorwoord Er staat een paard in de gang Hoe ga je om met leerlingen met gedragsproblemen? Hoe kun je ‘Passend Onderwijzen’? Deze vraag wordt vaak gesteld, vooral door leerkrachten en leraren die er met alle liefde voor bijzondere kinderen het beste van willen maken. Helaas worden veel antwoorden gezocht in het verkeerde winkelschap. Namelijk bij het uitgangspunt dat de leraar goed functioneert als de leerling zich aanpast aan zijn verlangens. Als het kind doet wat er verwacht wordt, kan de leraar goed functioneren. Een begrijpelijke manier van winkelen, maar niet de meest effectieve. In dit boek gaat de lezer winkelen op de afdelingen pedagogiek en attitude. Het kind doet niet wat de leraar nodig heeft, de leraar doet wat het kind nodig heeft. Passend Onderwijs veronderstelt dat alle kinderen gezien willen worden, maar dat je meerdere brillen moet opzetten om ze allemaal te kunnen zien. In mijn lezing maak ik dat duidelijk met André van Duin. Een zaal vol mensen zit te wachten op mijn visie: hoe om te gaan met al die ingewikkelde kinderen. In plaats daarvan krijgen ze luid en duidelijk ‘Er staat een paard in de gang’ te horen en geeft leraar Ivo opdracht om massaal de polonaise in te zetten. Tijd voor de invoering van ‘Passend carnaval’. Gek genoeg doet bijna iedereen altijd mee. En voor je het weet hossen honderd, soms wel duizend, leraren en leraressen door de zaal. Sommigen zingen zelfs luidkeels mee. En dan zet ik de muziek af en verklaar ik de mensen voor gek. Zonder enige reflectie accepteerden ze zojuist de invoering van Passend carnaval. De regels van carnaval zijn duidelijk: iedereen in polonaise! Of het je nu past of niet. “Jullie zijn hartstikke gek! Je was net in een collegezaal serieus in polonaise aan het lopen, jullie zwaaiden met jullie armen en gingen zelfs mee met de tekst over een paard, een gang en een buurvrouw.” Ik stel de mensen daarna gerust. Als carnaval je niet past, kun je zonder dat de staatssecretaris je dat verbiedt, met de auto naar Oostenrijk voor een weekje ‘Passend Wintersporten’. Als het je niet past, doe je niet mee. Vo or wo or d

11


Dan stel ik de vraag: ‘Wie vindt carnaval eigenlijk helemaal niet leuk?’ In Amsterdam heb ik doorgaans meer afhakers dan in Oeteldonk. Toch blijken de Amsterdammers ook best interesse te hebben in onderdelen binnen Passend carnaval. Een biertje drinken, lekker slap ouwehoeren en even de boel de boel laten. Klinkt als muziek in de oren. Maar polonaise lopen op Van Duin, dat gaat te ver. En ‘Alaaf’ roepen al helemaal. Wat blijkt, carnaval is prima, maar als carnaval geprotocolleerd wordt, smaakt het ineens een stuk minder goed voor een deel van het volk. Het grote verschil tussen onderwijs en carnaval, is dat onderwijs een plichtmatig karakter heeft. Je móét meedoen met de protocollen, ook als ze niet bij je passen. Wat vraag je aan kinderen, als ze bij voorkeur op een stil plekje wat mijmeren over de lesstof, terwijl je het kind wilt beoordelen op zijn motorische mogelijkheden tijdens de polonaise? Dit boek is een ode aan alle lerende kinderen in Nederland. Hierin komen de mooiste praalwagens in optocht aan de lezer voorbij. Met veel pakkende voorbeelden krijg je te zien dat Passend Onderwijs pas kansrijk is, als je rekening houdt met verschillen. Gerard van Maasakkers schreef daar een prachtig en aangrijpend lied over. Een kleuter krijgt van de juf te horen dat bloemen rood zijn, blaadjes groen en de lucht blauw. Pas als het kind voldoet aan de vooraf gestelde norm, krijgt het erkenning. In de tweede klas krijgt het kind een andere leerkracht. Deze vraagt hem waarom hij bloemen toch steeds rood kleurt. Tsja, omdat bloemen rood zijn, zo heeft hij geleerd. Juist dat vecht Peter Mol terecht aan. Protocollen kunnen helpen, maar als ze rigide worden toegepast op alle kinderen, dan doe je een deel van hen onrecht aan. Je doodt latent aanwezig talent. Je vraagt kinderen om niet zichzelf te zijn. Je doet dan niet aan Passend Onderwijs maar aan Aanpassend Onderwijs. Dat terwijl iemand het goed naar zijn zin kan hebben als hij tijdens carnaval geen enkele keer alaaf laat schallen. En een kind kan prachtige bloemen tekenen, zonder ook maar een keer het rode potlood te gebruiken. De visie van Peter Mol zal de lezer bevallen. Je krijgt namelijk te zien dat je echt iets kunt doen als je contact wilt hebben met de leerlingen in je klas. Net zoals een conducteur echt iets kan doen met de klanten in zijn trein. De klanten die het protocol moeiteloos naleven, maar ook de klanten die daar wat anders in staan. En zo heb je naast Passend carnaval en Passend Onderwijs ook Passend Conducteuren. Een conducteur heeft in zijn werk ook regelmatig te maken met gasten die gedragsmatig opvallen in de trein. Zo zit er een jongen die het met zijn oortjes in toch voor elkaar krijgt om geluidsoverlast te veroorzaken. Passend Conducteuren betekent dat je met pedagogische tact reageert op de situatie. Omdat je vaak leert van hoe het niet moet een voorbeeld uit de praktijk.

12

pa ssend vo or t ge ze t onder wijs


De conducteur stopt bij de jongen, trekt een van de oortjes uit en zegt: ‘Ben je gek geworden? Je veroorzaakt met je onaangepaste gedrag een boel overlast.’ De jongen reageert: ‘Wat nou man. Dit is toch geen stiltecoupé! Zoek een baan, gast.’ De conducteur reageert, inmiddels bozer: ‘Nog effe jongen en ik schrijf je een bekeuring uit. Wat zul jij het nog moeilijk krijgen in deze maatschappij met je onaangepaste gedrag.’ Passend Conducteuren? Nee. Want net als bij Passend Onderwijs is het niet zo dat je het goed doet als je de onaangepasten aanspreekt en oproept zich aan te passen. Passend Conducteuren is zoeken naar pedagogische slimheid. ‘He jongen. DJ Tiësto. Toch? Ik geef toe, die muziek zet je niet makkelijk zachter. Maar niet iedereen vindt Tiësto even leuk. Wil je hem wat zachter zetten? Je zou me er geweldig mee helpen. Fijne dag nog he!’ Of Passend Onderwijs een succes wordt, is volledig afhankelijk van het vakmanschap van de leerkracht, de leraar. Zijn attitude, zijn creativiteit, zijn mensenliefde, zijn oog voor verschillen… Niet de ‘andere leerling’ maakt het ­verschil, de leraar die de leerling ontmoet doet dat. Protocollen of ontwikkelingsprofielen vormen niet de basis van Passend Onderwijs. Het is de omgeving die de leerkracht creëert, de wijze waarop hij het gedrag van de leerling interpreteert, de manier waarop leerkracht en leerling met elkaar omgaan. Passend Onderwijs gaat niet over leerlingen met een beperking, maar over het voorkomen van (gedrags)problemen, door het kind in elke leerling te zien. Peter Mol verwoordt die kunst op enthousiasmerende, humoristische en prikkelende manier. Hij geeft op heldere en inspirerende wijze weer hoe je onderwijs aantrekkelijk maakt voor alle kinderen. Soms is daar een gek hoedje voor nodig, soms een bakje schmink. Soms ga je in polonaise, soms sta je stil. Soms zing je luidkeels, soms luister je aandachtig. Soms ben je streng, soms de grootste mafketel van het stel. Soms roep je alaaf. Soms betekent alaaf ‘alles aan de kant’, soms is het een verbastering van het getal elf. Ik breng een proost uit op dit voortreffelijke boek. De inhoud van het glas is afhankelijk van het tijdstip dat u mijn proost leest. Tot 22.00 uur vind ik koffie passend, daarna ben ik meer van een passende Westmalle Tripel. En natuurlijk hoop ik dat de staatssecretaris, de minister en alle schoolbazen van Nederland met mij het glas willen heffen. Dat heeft Peter Mol verdiend. Ivo Mijland Oirschot, maart 2016

Vo or wo or d

13


Inleiding Eric Het gezin Van N. was bekend op de school, Pius X college Beverwijk, HBS-B. Niet alleen de leraren kenden Eric en zijn oudere broer, wij, de leerlingen ook. Toen Eric werd aangemeld moeten de leraren gedacht hebben ‘O, nee… Niet nóg een Van N. …’ De broer van Eric stond bekend als lastig. Een oproerkraaier met lastige ouders, die nooit kwamen als ze uitgenodigd werden voor een gesprek, maar wel soms onaangekondigd op de stoep stonden. Wij merkten al gauw dat Eric door de leraren met een bepaald gevoel werd ontvangen. ‘Ik ben benieuwd wat we nu weer in huis hebben gehaald’, zei meneer Huisintveld met een vergoelijkend grimlachje. Als Eric zijn vinger op stak, wat hij overigens vaak niet deed voordat hij een opmerking het lokaal in slingerde, voelden we allemaal een lichte siddering door het lokaal trillen. Je wist… Er kwám iets! In een lokaal in een wat afgelegen deel van het gebouw gaf meneer Zweigmann catechese. Zoals in die tijd als modern gezien werd, stonden er geen leerlingsets in het lokaal, maar banken en leunstoelen. Er lagen veel kussens en er stonden ook twee zitzakken. Er was thee en er werd in het lokaal veel gediscussieerd en over de zware vragen van het leven gesproken. Het rook er naar jaren 60-wierook. Ook in deze les moest Eric regelmatig even wat extra aandacht krijgen. In de regel ging dat goed, maar op een keer werd het de catecheseleraar te veel. ‘Hou op Eric en wel ogenblikkelijk!’ brieste meneer Zweigmann toen Eric een pingpongballetje in zijn mond propte en probeerde te fluiten. Eric nam het balletje uit zijn mond, ging staan, klikte zijn hielen tegen elkaar, salueerde en brulde terug ‘Jawohl, meneer Eichmann!’ ‘Ik heet Zweigmann en niet anders!’ De leraar was duidelijk zeer boos en reageerde met een zeer harde stem. Met een heel zoet stemmetje reageerde Eric: ‘Ach, excuses mijnheer. Was ik toch zomaar de Zwu vergeten’. De klas lag in een deuk. Meneer Zweigmann liep rood aan en beende weg. Hij was woedend en hij kwam niet meer terug. De klas bleef nog even wachten, maar toen het stil bleef, gingen we maar weg. De les catechese duurde dit keer kort. Wij dropen af. Niet als recalcitrante leerlingen. We snapten eigenlijk niet wat er gebeurd was, maar het hield ons niet echt lang bezig. Inl eid ing

15


We gingen naar de volgende les. Proefwerk Frans. Meneer Zweigmann wilde Eric niet meer in zijn les. Hij kon hem niets meer leren zei hij. Eric berustte. Tommy Cooper was een heel goede goochelaar, weinigen is dat bekend. Hij beheerste de magie als geen ander. Het was een toptalent, te vergelijken met Hans Klok. Een heel enkele keer liet hij dat zien op het toneel. Toch is hij vooral beroemd geworden met ‘mislukte trucs’. Hij droeg een fez op zijn hoofd. De humor moet je aanspreken. Ik ben een fan! Het publiek lag flauw van het lachen als een truc mislukte omdat je in de zaal heel duidelijk kon zien hoe hij manipuleerde. ‘Vavavavoom…’ was zijn toverwoord. Een duif zat ineens in een andere kooi, wat je niet kon zien omdat er een doek over de kooi was gelegd, en hij maakte zijn truc helemaal af door de duif weer terug te toveren. Ik beken, ik kon zijn humor enorm waarderen! Van niets maakte hij een volledige show. Ergens heb ik in een artikel gelezen dat hij in het dagelijkse leven net zo was: zijn vrouw vertelde dat hij elke dag een kwartier voor zijn verzameling stropdassen stond en uiteindelijk elke dag voor dezelfde das koos. In een van zijn optredens bouwde Cooper de spanning op. Er was niets anders op de toneelvloer dan hijzelf, behalve op vier meter afstand een tafel met allerlei onduidelijke spullen erop. Iedereen zag dat en hij zorgde ervoor dat de aandacht van het publiek gericht was op hem. Er stond verder niks op het toneel, het was volledig leeg. Hij pakte een grote doek en liet dat allerlei bewegingen maken die een magische sfeer gaven. Hij zwaaide de doek vanaf zijn middel voor zijn benen heen en weer. ‘Vavavavoom…’ Wat gaat er gebeuren? De spanning stijgt in de zaal, terwijl iedereen flauwekul verwacht. Tussendoor zijn typerende schaterlach: ‘Whahahahaha…’ en dan plotseling weer zijn serieuze blik. ‘Vavavavoooom….’ Het bijzondere van Tommy Cooper was dat hij telkens opnieuw spanning wist te creëren, en het publiek wist te verleiden om heel even verbaasd te denken ‘het is hem tóch gelukt’, waarna de truc steevast mislukte. Zo was er die truc waarbij hij iets tevoorschijn ‘toverde’. Ook deze truc gaat mislukken dacht het publiek. En met een theatraal gebaar en een blik van ‘kijk eens, een wonder!’ stapte hij naar links, zwaaide de doek opzij en… Daar stonden ineens twee dingen op het toneel. Eerste reactie van het publiek: verbazing! Er was echt iets gelukt! Hij heeft iets op het toneel laten verschijnen wat er eerst niet was! Na enkele seconden drong het door tot het publiek: het waren twee schoenen. Met een smakelijk ‘Whahaha… ’ liep Tommy, op zijn sokken, over het toneel. Achteraf wist je dat het er steeds al was, maar toch, heel even, dacht je: dit is een wonder! Ik hoop dat dit boek u deze verbazing gaat geven: het is er al, en toch ben je een moment enorm verbaasd… Over wat je eigenlijk al in huis hebt als leraar. Geen truc, simpel, maar o zo effectief! Ontdek wat je als leraar in huis hebt en ontwik16

pa ssend vo or t ge ze t onder wijs


kel dat. Koester het en pas het toe. Oefen het in en je bent verbaasd dat je dit al niet jaren eerder hebt toegepast. Ik hoop dat dit boek de leraar inspireert. Want alleen met inspiratie, vakbekwaamheid en motivatie van leraren zal Passend Onderwijs werkelijkheid kunnen worden. Ik ontkom er daarbij niet aan om in dit boek belemmerende factoren te noemen die eigenlijk de mensen voor de klas zouden moeten ondersteunen. Vaak zijn ze bedoeld om richting te geven, maar in de praktijk dienen ze minstens sterk verminderd worden. De leraar kan dit niet alleen. Maar door met z’n allen te wijzen op deze onbedoelde, maar foute invloeden kunnen we een eerste stap maken. Na het verschijnen van mijn boek Passend Onderwijzen, Pedagogisch vakmanschap in de klas kreeg ik van veel collega’s uit voortgezet onderwijs (vo) de vraag dieper in te gaan op het onderwijs aan jongeren. Blijkbaar is er daar ook een grote behoefte aan praktische suggesties. ‘Jaap gooit zijn tafel om, wat doe ik dan?’ Ik kreeg via de e-mail, en na trainingen of lezingen in het land, steeds weer het verzoek om een vervolgboek te schrijven. Bij deze! Ik hoop van harte dat het een antwoord op de vele vragen uit het vo is. Dit boek gaat over gedrag. Niet alleen over leerlingen met een gedragsstoornis, maar over leerlingen die ongewenst gedrag vertonen. Ook leerlingen die slechtziend, lager begaafd, doof of lichamelijk gehandicapt zijn, vertonen op den duur gedragsproblemen, als het onderwijs onvoldoende aansluit. Gedrag kan storend zijn, voor de leraar, de groep en de ouders. En voor de leerling zelf. Leraren weten hier vaak niet mee om te gaan. Veel scholen zijn bereid leerlingen met gedragsproblemen aan te nemen maar sluiten daarbij leerlingen met ‘externaliserend gedrag’ uit. Passend Onderwijs is vrijwel een synoniem geworden van omgaan met gedragsproblemen in de klas. Gedragsproblematiek vraagt veel van de leraar. Met wat meer of andere instructie, of met wat hulpmiddelen, zoals bij leerlingen met dyslexie, is veel goed te realiseren. Maar het omgaan met, of het voorkomen van, ongewenst gedrag vraagt meer van de leraar. Het vraagt reflectie op het eigen gedrag en emoties. Daarbij spelen ook andere elementen mee: de ouders van ‘gewone’ jongeren, het imago van de school, schoolresultaten, de inspectie, overlast … Passend Onderwijs is geen systeem dat vooral bestaat uit het opstellen en schrijven van ontwikkelingsperspectiefplannen, vergaderen over vereveningen of het voortdurend toetsen van de vorderingen van de leerlingen. Helaas verwordt het praten over Passend Onderwijs soms tot het creëren van tussenvoorzieningen, terwijl de kern zou moeten zijn dat we jongeren waar iets mee is, niet apart zetten. Inl eid ing

17


Integratie. Ik verbaas me erover hoeveel aparte settingen er de laatste jaren zijn uitgevonden, terwijl het streven erop gericht zou moeten zijn regulier onderwijs geschikt te maken voor zoveel mogelijk leerlingen. Ja, maar daar komt mijn hoogbegaafde jongere niet tot zijn recht. Dan wordt het hoog tijd het reguliere systeem aan te passen, in plaats van een aparte hoogbegaafdheidsklas te maken. Ik realiseer me dat ouders die een kind hebben dat opbloeit in zo’n aparte klas protesteren tegen deze opmerking. Begrijpelijk, want wanneer het reguliere systeem deze integratie niet waar kan maken, ben je blij dat de jongere in zo’n klas wel voldoende aandacht krijgt. Maar toch … het is een noodsprong, een kit in de scheur in je uitlaat, waardoor je kunt zeggen: het werkt nog steeds, niets aan de hand. Maar jongeren worden apart gezet, in klassen voor hoogbegaafdheid, autisme met hoger uitstroomprofiel of jongeren die meer aandacht nodig hebben. Als vertaling van het Salamanca Verdrag (Unesco, 1994) waarin inclusie als doel wordt gesteld, is het op zijn minst een tegengestelde beweging. In een poging elke leerling te geven waar hij recht op heeft, wordt hij toch in een apart hokje gezet. Of zoals Finkers in zijn oudejaarsconference 2015 vertelde: de Surinaamse jongen mocht geen Zwarte Piet spelen, want Zwarte Pieten mogen niet meer zwart zijn. Goed bedoeld, fout uitgewerkt. Jongeren apart zetten geeft ze een aparte status in een apart hokje. Goed bedoeld, maar volkomen anti-Salamanca. Passend Onderwijs is een activiteit van en tussen school, ouders en leerlingen. Een zoeken vanuit een overtuiging, het soms intuïtief zeker weten dat je als leraar het goede op het juiste moment doet, ook in de ogen van de leerling.1 Passend Onderwijzen geeft als werkwoord die activiteit duidelijker aan. Passend Onderwijzen is het voorkomen dat een situatie problematisch wordt. Samen met de partners vanuit de jeugdhulp en andere betekenisvolle volwassenen voor de jongere. In tussenevaluaties van Passend Onderwijs (door het ministerie van OCW)2 wordt regelmatig gesteld dat we op schema liggen. Tegelijkertijd wordt vermeld dat we geduld moeten hebben. Passend Onderwijs moet de tijd krijgen. Ik vraag me af of we daarmee accepteren dat leerlingen intussen uitvallen en nogniet-helemaal-Passend-Onderwijs krijgen, met alle gevolgen van dien. De regelgeving is vaak knellend als het om Passend Onderwijzen gaat. De focus ligt op het invoeren van een systeem, kostendekkend en zonder thuiszitters. Wat er op de werkvloer gebeurt, wordt onderbelicht, terwijl daar Passend Onderwijs juist vorm moet krijgen. Als ouders en school het niet eens worden, wordt gewezen op commissies, bezwaarprocedures en steun van onderwijsconsulenten. Niet geïnvesteerd wordt in de communicatie tussen leerlingen en leraren, 1 Pedagogische tact (Stevens, 2014). 2 www.passendonderwijs.nl

18

pa ssend vo or t ge ze t onder wijs


laat staan in de relatie tussen ouders en de school. School en ouders moeten werken binnen de regelgeving om niet te maken te krijgen met eindeloos durende en slepende ‘casussen’. Een professionele houding en betrokkenheid van school bij het welzijn van leerlingen en ouders, door de individuele leraren en schoolteams, kan dit voor een groot deel voorkomen. Dat vraagt veel van de leraar én de ouders. Niet het gelijk krijgen staat voorop, maar het welzijn van de leerling. Dat vraagt naast die betrokkenheid echter ook grenzen te stellen. Tenslotte: het aanschaffen en uitvoeren van een gedragsprogramma kan effect hebben. Er wordt leerlingen gedrag aangeleerd. Telkens benadruk ik in het boek dat het toepassen van technieken resultaat kan hebben, maar het totaal veranderen van de moeilijke situatie vraagt een verandering van lerarengedrag. Dat gaat niet van vandaag op morgen. Dat vraagt oefening en volhouden. Je haalt dat niet uit een boekje, ook niet uit dit boek als je het leest en het glimlachend weglegt. Ik kom op scholen en in klassen tegen dat er succesjes worden behaald, maar dat men te vroeg afhaakt. ‘Dit werkt niet voldoende’. Of dat er na verloop van een jaar opgemerkt wordt dat het is ‘weggezakt’ en dat het ‘weer eens opgepakt moet worden’. Een echte verandering van de situatie vraagt van de leraar en het team een langdurig proces van reflectie, duiding en oefenen. Collegiale consultatie kan helpen om vol te houden en het gedrag jezelf echt eigen te maken. Het moet de ziel worden van het team, de school. Zo doen we dat hier op onze school. Al lezende komt u erachter dat ik een groot voorstander van Passend Onderwijs ben, maar kritisch op de manier van implementeren. Er zijn beren op de weg, belemmerende factoren die het systeem ingebakken lijken. Passend Onderwijs lukt als we in het onderwijs niet meer praten over het aantal zorgleerlingen in de klas, maar over de manier waarop we nog beter contact kunnen maken met de leerlingen. Passend Onderwijs lukt als de leraar het gedrag van de leerling begrijpt vanuit de jongere of puber, met of zonder gedragsstoornis. Dat begrijpen is iets anders dan ‘begrip hebben voor’ moge duidelijk zijn. Begrijpen en communiceren en contact zoeken betekent ook grenzen stellen. De volwassene stelt grenzen aan de jongere. Dat komt voort uit de opdracht te onderwijzen of op te voeden, en niet vanuit de persoonlijk emotie van de leraar. Op het boek Passend onderwijzen, Pedagogisch vakmanschap in de klas, kreeg ik heel veel positieve reacties van collega’s die het onderwijs dagelijks vormgeven. Dank daarvoor. En ik ben er trots op, want de man of vrouw voor de klas (of het nou in het basisonderwijs is, of in het vo, of in het (v)mbo) máákt het onderwijs passend of laat Passend Onderwijs mislukken. Dit boek is een oproep aan al mijn collega’s die met leerlingen werken om het te laten lukken. Want hoeveel er ook wordt vergaderd en geproduceerd door de overheid, de vo-raad, of anderen die ‘het’ bedenken, met alle goede bedoelinInl eid ing

19


gen, ú bent en blijft de sleutel tot succes. Niet als uitvoerder, maar als ontdekker, vertaler en inspirator. Uiteraard ben ik verheugd over de vele positieve recensies. Maar de mail van een collega nadat die een van mijn lezingen had bijgewoond en mijn boek had gelezen koester ik: ‘Bedankt Peter, je inspireerde me en ik kijk anders tegen de leerlingen en mijn werk aan. Hier heb ik nu eens iets aan.’ In een aantal paragrafen stel ik de vraag aan de orde of ‘dit’ nuttig is. Ik worstel met het antwoord, maar ook met de vraag. Moet onderwijs, het handelen van de leraar altijd nuttig zijn, nut hebben? Is alles in het leven nuttig? Hoe zou de wereld eruit zien als we alleen zouden doen wat nuttig is? Stellen we het criterium nuttig niet onterecht? Ja maar, de leerlingen komen toch naar school om iets te leren? Wat leren ze dan? Misschien dat het leven niet helemaal uit te drukken is in termen van nut en meetbare resultaten? In neig naar de opvatting dat onderwijs nuttig moet zijn, maar dat veel handelen van de leraar niet bedoeld is als nuttig. Het is leuk, spannend, ontspannend en…gewoon even samen dollen. Een leraar die dit soms doet, zonder bijbedoeling, zonder echt doel, dát is de vakman of vakvrouw. Vanuit een behoefte samen met de leerlingen te zijn, zonder al dat SMART-gedoe, wat overigens niet zinloos is, heeft naar mijn diepste overtuiging nut. Veel nut. Onschatbaar veel nut. Er zijn samenwerkingsverbanden waar het invoeren van Passend Onderwijs goed verloopt, waar leerling en leraar als onderwerpen op vergaderingen vaker voorkomen dan begrotingen en ‘zeggenschap van besturen’. Deze verbanden zullen zich gelukkig niet herkennen in de soms wat cynische verhaaltjes en beschouwingen. Anderen zullen zich, hoop ik, geprikkeld voelen zich in te spannen om het onderwijs in de klassen daadwerkelijk passend te maken. Dit boek is ook een vervolgopdracht voor mijzelf. Zie het verhaal ‘Erwtensoep’. Onzichtbaar, ongewenst gedrag, dus gedrag waar de leraar geen last van heeft, maar waaronder de leerling lijdt en langdurige sporen achterlaat in het leven, verdient veel meer aandacht in het onderwijs. Ik ga deze uitdaging in een vervolguitgave aan. Peter Mol Voorjaar 2016

20

pa ssend vo or t ge ze t onder wijs


Structuur van dit boek Verbaan beschrijft in zijn boek De Drie Dimensies Van Succes hoe je een werknemer kunt beoordelen. Net als alle werknemers geldt ook voor een leraar dat hij niet per definitie succesvol is als zijn prestaties (of die van de leerlingen) goed zijn. De leraar is onderdeel van een team en de verbondenheid, de cohesie binnen het team, is van minstens even groot belang. Tevens moet de leraar bereid zijn om veranderingen te omarmen in plaats van star vast te houden aan het ging toch altijd goed zo. Ik voeg in dit boek een vierde dimensie toe: de touch, een moeilijk SMART3 te omschrijven begrip. Dit boek bevat veel praktisch toepasbare technieken, maar is vooral een poging om de lezer te laten ontdekken dat de relatie leerling-leraar van voorwaardelijk belang is om de leerling tot leren te laten komen. De praktische aanwijzingen kun je al dan niet toepassen. Maar werken aan jezelf als leraar is lastiger, en vraagt meer van je. Je bent er als persoon meer bij betrokken. Er wordt gevraagd te reflecteren op jezelf als persoon. Niet om een beter mens te worden, maar een betere leraar. Onderwijzen is niet hetzelfde als lesgeven. De genoemde dimensies worden onderscheiden, maar kunnen in de praktijk niet van elkaar gescheiden worden. Het model is de werkelijkheid niet. In de dagelijkse werkelijkheid spelen didactiek, pedagogisch handelen, communicatie, bewust en onbewust beïnvloeden, relatie en de touch door elkaar. In dit boek vind je de dimensies dan ook niet strikt gescheiden beschreven, maar duiken ze soms ineens weer op. Als je een nieuwe tv aanschaft, of een ander apparaat, krijg je daar een handleiding bij. Zelf blader ik altijd direct naar het hoofdstukje ‘Snel aan de slag’. Het echte werk lees ik later wel, ik wil gewoon dat zo’n apparaat snel werkt. Later moet ik later toch regelmatig bladeren in het instructieboekje om het apparaat en de mogelijkheden echt te leren kennen. Na een paar jaar ontdek ik ineens de mogelijkheden van een knopje in mijn toentertijd nieuw aangeschafte auto. 3 SMART: Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Tijdgebonden

St r u c t uur van d i t b oek

21


Voor al die collega’s die net zo ongeduldig zijn als ik, heb ik achterin hoofdstuk 12 ‘Snel aan de slag’, ingevoegd. Deze tips zullen misschien vooral voor startende collega’s zeer welkom zijn. Maar lees de rest ook, want er is zo veel te ontdekken in de wereld van het onderwijs. Leer de mogelijkheden van de verschillende knopjes kennen. Dit hoofdstuk is een start, een scherp stellen, een beginnetje met techniekjes, basisvaardigheden. Maar er is meer nodig dan basisvaardigheden om een goede leraar te worden. In dit boek ‘behandel’ ik niet allerlei verschillende gedragsstoornissen. Ik vertel niet hoe leraren het beste kunnen reageren op een leerling met ADHD, autisme of CD. Het is ook geen handleiding of receptenboek, waarin de diverse stoornissen alfabetisch gerangschikt staan, met bijbehorende gedragskenmerken en beschrijvingen van afwijkende hersenprocessen. Daarvoor bestaan boeken die de diverse stoornissen en de daarvoor beste wijzen van aanpak veel beter beschrijven. Dit boek gaat niet over stoornissen, maar over het gedrag van de leraar. Over wat Passend Onderwijs in de kern is: lerarengedrag om problemen te voorkomen, ook bij leerlingen in de klas met een gedragsstoornis. Na het lezen van dit boek heeft u huiswerk. Het begint met het voornemen om morgen iets anders te gaan doen. Een verandering in uw waarnemen, werkwijze, uw gedrag. En dat vraagt oefening en volharding. ‘Dit werkt niet’ is de makkelijkste manier om door te gaan zoals u altijd al deed. Ik hoop dat u zichzelf meer tijd gunt, om echt, daadwerkelijk een verandering te bewerkstellingen. Stap voor stap. Een ding tegelijk. In Passend Onderwijzen, Pedagogisch vakmanschap in de klas (Mol, 2015) geef ik aan dat het niet verstandig is om een probleem alleen aan een leerling te koppelen. Het gaat niet om een ‘leerling met een probleem’, maar om een problematische situatie. De situatie wordt gevormd door de leerling, de leraar, de ouders en de omgeving. De puber is anders dan een leerling van de basisschool. Het boek start dan ook met de beschouwing van die pubersituatie. Ik beschrijf in hoofdstuk 1 enkele elementen van de pubersituatie die belangrijk zijn om te begrijpen wat er in de jongere omgaat. De puber heeft ruimte nodig om zich los te maken van de opvoeder, maar ook een tactisch leidende en beschermende hand. Externe factoren, zoals de organisatie van de school, de relatie met de groep, enzovoort, zijn van grote invloed op het gedrag van de puber. Dit vraagt van de volwassene een tactisch schakelen tussen leiden en ruimte geven. De puber verwacht ander gedrag van de volwassene dan een jonger kind, maar heeft dit ook nodig. Net zoals de volwassene van de jongere ander gedrag verlangt dan van het basisschoolkind. In het tweede hoofdstuk ga ik dieper in op termen en vraagstukken die de laatste jaren veelal in het kader van Passend Onderwijs de revue passeren: de ­overgang van basisonderwijs naar voortgezet onderwijs, testen en adviezen, 22

pa ssend vo or t ge ze t onder wijs


diagnoses, proactief of preventief handelen, reactief handelen, maatwerk, individuele behoeften en gepersonaliseerd onderwijs. De wet Passend Onderwijs suggereert dat individueel onderwijs mogelijk is binnen een groep leerlingen. Is dit waar te maken en is dat sowieso verstandig? In hoofdstuk 2 becommentarieer ik dit Passend-Onderwijs-discours om de weg vrij te maken voor wat naar mijn idee de kern van Passend Onderwijs echt is of zou moeten zijn: de relatie leraar-leerling. Het is daarbij goed om afstand te nemen van het heersende beeld van Passend Onderwijs. Onderwijs kan niet gericht zijn op elke individuele leerling. Het handelingsgericht werken met een wantrouwen richting diagnoses is niet alleen onverstandig, maar ook schadelijk voor leerlingen. Maar niet alleen het blindelings volgen van populaire termen, maar ook het kritiekloos volgen van het kader dat soms rond Passend Onderwijs wordt geconstrueerd, is belemmerend voor succes. Hier doel ik op het ontstaan van allerlei groepen of klassen die tegemoet zouden komen aan de behoeften van groepen leerlingen. Dat is nu juist niet de bedoeling van Passend Onderwijs! Passend Onderwijs is inclusie, integratie en niet het bouwen van klasjes speciaal onderwijs, vastgeplakt aan scholen voor regulier voortgezet onderwijs. Waarom denk je bij Passend Onderwijs snel aan leerlingen met moeilijk gedrag? Hoofdstuk 3 gaat dieper in op de status van de gedragsmoeilijke leerling of de leerling met een gedragsstoornis. Het is voor een leraar makkelijker om met ouders te praten over hun kind met een lichamelijke handicap, dan over een puber met zeer moeilijk gedrag. Op een of andere manier omvat het signaleren van moeilijk gedrag iets van een beschuldiging richting de ouders als opvoeder. Onbedoeld, maar wel aanwezig. Slechtziendheid valt niet te ontkennen. Het is vastgesteld en de ouders hebben een acceptatieproces doorgemaakt. Gedragsproblematiek is een subjectiever gegeven. Hoezo lastig; zijn uw eisen niet te stringent? Houdt u wel rekening met‌? Gedragsproblematiek is geen objectief vastgesteld gegeven, zeker als er geen diagnose is gesteld. Toch is het zeer aanwezig in de klas. Epilepsie is een gegeven wat een kind overkomt. Maar bij gedragsproblemen wordt de opvoeding van de ouders ook ter discussie gesteld, al was het maar door televisieprogramma’s als The Nanny. De ouder en de manier waarop die met het kind om gaat is uitdrukkelijk onderwerp van gesprek en onderzoek. Minder dan bij een handicap als een lichamelijke handicap zoals een groeistoornis wordt de ouder als ervaringsdeskundige gezien. De ouder is immers eventueel een deel van de oorzaak van het afwijkende gedrag. In een aantal gevallen is dat ook daadwerkelijk zo is. Maar zeker niet in alle gevallen waar gedragsproblematiek de ontwikkeling van de jongere belemmert. Op dat moment denk ik er even goed aan te doen even tijd te nemen om de belemmerende factoren te bespreken. Ik besteed hoofdstuk 4 aan de context van St r u c t uur van d i t b oek

23


Passend Onderwijs. Waarom lijkt het nog niet zo te lukken, terwijl toch van iedereen (terecht) betrokkenheid bij het welzijn van leerlingen kan worden verwacht? Op sociale media worden scholen en/of besturen als boosdoener gezien als Passend Onderwijs niet helemaal lukt. Als er leerlingen thuiszitten wordt er met de vinger gewezen naar scholen en besturen. Tegelijkertijd ligt de uitval door overspannenheid en stress bij leraren hoog. Is dat inderdaad omdat leraren zeuren, teveel vrij hebben? Moeten ze wat harder werken en niet zeuren, zoals Ton Elias enkele jaren geleden te pas en te onpas naar buiten bracht? In dit hoofdstuk probeer ik op een beschouwende manier te verwoorden wat er leeft in ‘het veld’. Mijn mening is gebaseerd op vele jaren ervaring in regulier en speciaal onderwijs. Maar, ook al ben ik vanaf het begin bij Passend Onderwijs betrokken, het is en blijft een subjectieve mening. Dit hoofdstuk is kritisch, soms zeer kritisch. Maar die kritiek komt uit mijn hart en ik heb het idee dat dit kan bijdragen aan een positieve ontwikkeling van Passend Onderwijs. In de volgende hoofdstukken geef ik positieve en opbouwende suggesties om ondanks de belemmeringen het onderwijs nog beter in te richten. Passend Onderwijs bereik je niet door de structuren in je school aan te passen. Een aparte klas of ruimte waar leerlingen opgevangen kunnen worden die even extra aandacht nodig hebben, is in een aantal gevallen te verantwoorden. En dat leraren cursussen volgen over autisme, ADHD en hoogbegaafdheid is zeker geen weggegooid geld. Maar het is ook beslist geen garantie op succes. Er spelen nietmeetbare factoren mee die wel van grote invloed zijn op het succes van de school. Contact, loyaliteit, bewust zijn van eigen onbedoelde invloed op de leerling, de manier van communiceren, reageren, betrokkenheid, verbondenheid met de rest van het team… In hoofdstuk 5 ga ik dieper in op de dimensies van Verbaan. Daarnaast bespreek ik de ideeën van Mijland, Stevens en Spiecker die naar mijn mening een extra, vierde dimensie, verdienen. De relatie leraar-leerling is een alles bepalende succesfactor voor goed onderwijs in het algemeen, waaraan ik graag een heel hoofdstuk 6 wijd. De niet-meetbare elementen komen hier concreter in terug, toegespitst naar de deze relatie. Daarna geef ik in hoofdstuk 7 suggesties ter verdere ontplooiing van het pedagogisch vakmanschap van de leraar. In dit hoofdstuk geef ik direct toepasbare tips ter inspiratie. De suggesties zijn soms simpel, maar vragen oefening in de praktijk om effectief te kunnen zijn. Deze suggesties zijn toegespitst op de situatie van pubers, die ik in het eerste hoofdstuk beschrijf. Hoofdstuk 8 lijkt een vreemde eend in de bijt. De reflecterende moedertaalmethode van Van Uden wordt gebruikt in het onderwijs aan doven en slechthoren24

pa ssend vo or t ge ze t onder wijs


den. Het begrip communicatie krijgt meer inhoud als onderwijs aan doof-blinde jongeren wordt beschreven. In hoofdstuk 9 staan gedragsstoornissen centraal, maar deze worden niet uitgebreid omschreven. Een jongere met een gedragsstoornis is een jongere en de wijze van professioneel omgaan met leerlingen geldt ook voor hem. Enige kennis vergaren over de meest voorkomende stoornissen is verstandig. Als volwassene kun je daardoor het gedrag van een jongere beter duiden en begrijpen. Maar dat betekent niet dat je het gedrag als een onveranderbaar gegeven accepteert. Aanpassen van onderwijs aan een leerling betekent niet dat je de jongere niet mag uitdagen of stimuleren tot ander gedrag. Net zoals bij leerlingen zonder gedragsproblematiek of een gedragsstoornis, mag en moet je van leerlingen met afwijkend gedrag een gedragsverandering verwachten. Geen veroordeling, geen totale herschepping van de leerling, maar wel een positieve ontwikkeling stimuleren. De leuze kijk naar wat de leerling wél kan is naar mijn idee een ondoordachte kreet. Onaanvaardbaar gedrag mag je niet vergoelijken door alleen te kijken naar wat de leerling wel goed doet. De volwassene heeft de verantwoordelijkheid jegens de jongere om onacceptabel gedrag om te buigen, waarbij je uiteraard kunt discussiëren over wat onacceptabel is. Ouders maken deel uit van de problematische situatie. Vandaar dat hoofdstuk 10 gewijd wordt aan ouders. Hoe kan de leraar, de school samen met de ouders, stimuleren dat er een effectieve relatie ontstaat zodat jonge mensen in zo’n optimale omgeving door kunnen groeien? In hoofdstuk 11 geef ik een kapstok om te komen tot een veranderplan in de school. Passend Onderwijs begint bij het accepteren dat er niets verandert als u als leraar niet reflecteert op uw eigen handelen en dit bespreekbaar maakt. In Passend Onderwijs bent u de belangrijkste schakel. Ook al is het systeem Passend Onderwijs niet ideaal geconstrueerd, toch bent en blijft u de belangrijkste persoon om er een succes van te maken. Soms niet dankzij, maar vaak ook ondanks de wettelijke aanwijzingen, constructies en regeltjes. Waar ik in dit boek hij of leerling schrijf, vraag ik u ook hij of zij en leerling of leerlinge te lezen. Ook bij woorden als vakman of leraar wordt ook de vrouwelijke variant bedoeld. Voor leraar mag u ook docent lezen. De termen leraar en docent worden naast elkaar en willekeurig gebruikt. Ik heb de voorkeur voor leraar. Die titel heeft iets wederzijds: leraar en leerling. En daar gaat Passend Onderwijs over. Contact, echt contact tussen leraar en leerling.

St r u c t uur van d i t b oek

25


1 Puberteit 1.1 De puber in de context van de school ‘Jullie beweren: “Met kinderen omgaan is vermoeiend.” Gelijk hebben jullie. Jullie zeggen: “Want we moeten een treetje lager om hun ideeën te vatten.” Een treetje lager, neerbuigen, bukken, je kleiner maken…? Jullie vergissen je. Dat is het niet wat ons dwarszit, maar we moeten ons uitrekken om bij hun gevoelens te komen. Je uitrekken, omhoog komen, op je tenen gaan staan, reikhalzen. Om niet te kwetsen.’

‘Kinderen zijn niet de mensen van morgen, maar mensen van vandaag!’ Janusz Korczak (1878 – 1942)

In dit hoofdstuk komen enkele elementen van de puberteit aan de orde. Daarbij pretendeer ik zeker niet volledig te zijn. Veranderingen, gevoelsleven, seks, ouders, gevaar voor slechte vrienden, gescheiden ouders die anders met hun puber omgaan, studie, andere culturen, enzovoort, het zijn allemaal belangrijke te bespreken onderwerpen in het kader van puberteit. Ik heb gekozen voor enkele elementen die belangrijk zijn in relatie tot Passend Onderwijzen aan oudere kinderen. Vormgeven aan Passend Onderwijs in vo kan niet op dezelfde manier als op de basisschool. De fase in het leven van de jongere vraagt om een andere aanpak en ander gedrag van de volwassene. De leerling die het vo instapt is geen basisschoolleerling meer. Maar niet alleen die puberteit vraagt om andere manieren van onderwijs geven. Voortgezet onderwijs is geen verlengd basisonderwijs. De organisatievorm is anders, de niveaus van de leerlingen liggen door de indeling in schoolvormen minder ver uit elkaar en de jongere wisselt zijn meester of juf in voor verschillende leraren en leraressen. De basis blijft echter hetzelfde: Passend Onderwijs levert enkel en alleen resultaat op als Passend Onderwijs, Passend Onderwijzen wordt. Het is een activiteit van de leraar en het team als geheel. En dat vraagt kennis, creativiteit, motivatie,

1 • P ub e r te it

27


competenties en vooral: veranderingsbereidheid van de volwassenen. Regelmatig spreek ik met leerkrachten uit het basisonderwijs die niet begrijpen dat het vo niet kan voortzetten wat er in het basisonderwijs op het gebied van Passend Onderwijs is bereikt. Waarom vallen leerlingen ineens uit terwijl ze het op de basisschool goed deden? Al jaren bespreken we de overgang van basisonderwijs naar voortgezet onderwijs op vergaderingen en proberen we leerlingen voor te bereiden. Er worden bezoeken gebracht aan de school voor voortgezet onderwijs en een ‘warme overdracht’ van basisschool naar vo is een must. De leerlingen worden voorbereid op wat komen gaat, vaak in een week. Waarom lukt het dan vaak toch niet om voort te bouwen op wat we in het basisonderwijs hebben bereikt? Het zal wel aan de opleiding van de leraren liggen… Ze kennen hun vak, maar niet de manier om goed om te gaan met de leerling – dat hoor ik vaak. Deze mening gaat voorbij aan de totale verandering van de gehele situatie als een jongere naar het vo gaat. Hoe kun je jongeren voorbereiden op een totaal ander leven? Van één leerkracht naar meerdere leraren. Van schoolkind naar puber. Van dichtbij huis naar verder weg op de fiets of met de bus. Naar een situatie waarin de belangrijkste personen in hun leven, hun ouders, aan invloed inboeten ten gunste van leeftijdgenoten, vrienden en mede-pubers. Hoe bereid je een kikkervisje, zonder poten en met staart, voor op een toekomst mét pootjes en zonder staart? Hoe leer je ze te overleven, wanneer ze opeens buiten het water moeten ademen? In de puberteit vinden drie opvallende veranderingen plaats: –– Lichamelijke veranderingen. –– Veranderingen in het denken en voelen. –– Veranderingen in de omgang en interactie met anderen: wie ben ik en wie is die ander? Hoe krijg ik hier greep op? (Baartman e.a., 2011)

Baartman en zijn coauteurs spreken hier over de veranderingen van de leerling. Maar de veranderingen van tempo, verwachtingen, ordening, en omgeving zijn minstens van even groot belang. Leerlingen zijn maar ten dele voor te bereiden op het werken met roosters, meerdere leraren en het plannen van huiswerk. Hoe bereid je jongeren voor op een grote verandering in hun leven, inclusief een verandering in hunzelf? Wanneer er sprake is van gedragsproblematiek, krijgt het voortgezet onderwijs ook te maken met die bijkomende veranderingen. Het is niet verwonderlijk dat leerlingen met gedragsproblematiek in het vo nog meer inspanning vragen van de leraar dan op de basisschool. In de leeftijdsfase dat de jongere, op weg naar volwassenheid, streeft naar zelfstandigheid, zijn gedragsproblemen niet alleen een uitdaging voor de leraar, maar ook een hobbel in de weg naar onafhankelijkheid. Wanneer afwijkend gedrag gezien wordt als onvermogen (en niet als 28

pa ssend vo or t ge ze t onder wijs


onwil) valt te begrijpen dat het gedrag van de jongere een frustratie voor hemzelf is in zijn streven naar onafhankelijkheid en zelfbepaling. Passend Onderwijs is niet het aanpassen van de jongere aan het onderwijs, het repareren van afwijkingen. Passend Onderwijs in vo is, net als in het basisonderwijs, voor een groot deel afhankelijk van het gedrag van degene die voor de klas staat. Zelfs wanneer we het vo zouden herstructureren en bijvoorbeeld een en dezelfde leraar voor de klas zouden zetten, dan nog krijgt Passend Voortgezet Onderwijs te maken met andere uitdagingen dan in het basisonderwijs. Passend Onderwijs gaat niet alleen over de leerling, maar over de totale situatie die verandert. Ineens hebben ouders een jongere op het vo. Het gebouw is anders. De leerlingen zijn anders geordend, naar niveau. Ze kijken anders naar zichzelf en naar elkaar. We verwachten van jongeren in vo ander gedrag dan van kinderen in groep 7 van de basisschool. Alles is anders en dat hoeft geen probleem te zijn. Wat ook direct na de vakantie veranderd is, is de samenstelling van de groep. Leerlingen hebben soms jaren lang bij elkaar in de klas op de basisschool gezeten. In de nieuwe groep spelen groepsdynamische aspecten. De groep moet zich nog vormen en ontwikkelt zich via verschillende fasen: –– oriëntatie of kennismaking; –– strijd om de macht; –– samenwerking; –– strijd om de intimiteit; –– harmonie (Oomkes, 2004)

Binnen deze groepsontwikkeling moeten leerling hun plek vinden. Door de nadruk te leggen op de ontwikkeling van de leerling als individu worden de groepsprocessen niet altijd onderkend. Toch hebben ze grote invloed op hoe de leerling zijn nieuwe school beleeft, en dus ook op zijn gedrag. Jongeren zijn flexibel en de meesten kunnen de veranderingen goed aan. De leraren weten dit en begeleiden de leerlingen in de nieuwe fase in hun leven. Dat heet groot worden. De mens kent meerdere van deze overgangen in het leven. Het leven kent fases. Je trouwt, krijgt een baan, je wordt vader of moeder, je kind groeit van baby naar puber en adolescent. Weinigen worden voorbereid op deze overgangen, maar het is bijzonder prettig als je enige steun en begrip krijgt van betekenisvolle anderen die je inleiden en bijstaan in de nieuwe fase. Passend Onderwijs in het vo is niet het kopiëren van de structuren en protocollen vanuit het basisonderwijs. Wat wel hetzelfde zou moeten zijn: de zelfreflectie van de leraar op zijn eigen gedrag en handelen. Het vakmanschap van Passend Onderwijzen vereist gedrag dat gericht is op de zich ontwikkelende mens. 1 • P ub e r te it

29


Het vereist kennis, intuïtie, gevoel en ervaring. Kortom, het stelt eisen op het gebied van communicatie, begrip en geduld.

1.2 Aanpassen Je doet niet achterlijk hoor! De school van mijn dochter heeft een avond georganiseerd rond het thema ‘keuzes maken’. Het is de bedoeling dat ouders en leerlingen geïnformeerd worden over de mogelijkheden die de school aanbiedt. Er zijn vakkenpakketten, stagemogelijkheden, verschillende studierichtingen en niveaus. Mijn dochter vindt het maar niks dat wij ook uitgenodigd zijn. Als enig voordeel ziet zij dat ze nu mee kan rijden. Op de fiets, ’s avonds met dit weer, dat trekt haar niet zo. Maar dat we erbij zitten, in de klas, dat vindt ze maar niks. ‘Ik kan het gerust zelf. Morgen vertel ik wel wat er is gezegd.’ Op een vorige voorlichtingsavond stelde ik wat vragen en dezelfde avond thuis werd me duidelijk gemaakt dat dochter zich rot had geschaamd. Waarom, dat kon ze me niet duidelijk maken en toen ik naar voren bracht dat ik haar nu kon helpen keuzes te maken kreeg ik de duidelijke reactie ‘Ja, duh!’ Maar de boodschap van mijn dochter toen we naar de informatieavond reden was duidelijk: ‘Je doet niet achterlijk hoor!’ Naast de vele veranderingen die ik eerder noemde, verandert ook het denken en voelen van de puber. Aan de ene kant wil de puber niet opvallen, maar aan de andere kant is hij blij met de ondersteuning van de ouders, ook al zal hij dat niet snel toegeven. De puber groeit naar zelfstandigheid en de volwassenen (school en ouders) moeten daar de ruimte voor geven. De puberteit is de periode waarin de jongere experimenteert, ruimte zoekt, uitprobeert.

‘Het is een periode waarin zij (pubers, PM) zich ontwikkelen tot een persoonlijkheid die gelijk komt te staan met de ouders en volwassenen. De puber heeft de neiging steeds de confrontatie op te zoeken, vaak in discussie te gaan. De discussies kunnen dan een hoog “ja-maar”-gehalte hebben. Het onderhandelen is begonnen.’ (Baard, e.a. 2011).

Omdat de puber in zijn ontwikkeling anders gaat denken en voelen moet de volwassene, de leraar zich aanpassen. Als je tenminste problemen wilt voorkomen. Van de volwassene wordt gevraagd dat de puber ruimte krijgt om zich vrij te vechten. Dat is wat anders dan loslaten. Van de volwassene wordt ook 30

pa ssend vo or t ge ze t onder wijs


leiding gevraagd, steun en bescherming, hoezeer de puber zich daar wellicht ook tegen verzet (‘Ja, duh! Doe niet zo stom!’). Het afstraffen van dit brutale gedrag lijkt logisch, maar werkt vaak averechts. Positief stimuleren, belonen in plaats van afstraffen geeft ouders en jongeren niet alleen een goed gevoel, maar stimuleert de puber ook om het juiste gedrag te herhalen en uit te breiden. Aanpassen speelt ook in het leven van een puber. De puber wil niet afwijken maar bij een groep horen. Voor het vormen van een eigen identiteit is die groep belangrijk. Het erbij horen kan leiden tot meedoen aan activiteiten, waar de puber zelf niet achter staat. Ook hier geldt: het afstraffen van ongewenst, door de groep gestimuleerd gedrag, werkt averechts en duwt de jongere juist richting die groep. De groep geeft hem een goed gevoel, hij hoort erbij, maar de boosheid van de volwassene niet. De keuze is dan makkelijk. Van Essen zet de puber in zijn context: ‘We weten nu dat tijdens de puberjaren de hersenen voor een groot deel gevormd en opnieuw geprogrammeerd worden. Daarnaast is de puberteit een langdurig proces van lichamelijke, emotionele en cognitieve veranderingen.’ (Van Essen, 2014)

Ontwikkelingstaken De puber weekt zich los van de veilige omgeving van het ouderlijk huis en de ouders. Dit gaat niet altijd even soepel en het is een uitdaging voor de puber om zich te ontwikkelen tot een evenwichtige volwassene. –– Ontwikkelen van een eigen identiteit. De meest invloedrijke personen zijn de ouders, vrienden en leraren. Pubers willen ‘het zelf doen’, daarentegen hebben ze behoefte aan erkenning en begrip. –– Zelfbeeld. Voor een positief zelfbeeld is zelfvertrouwen nodig. De volwassene heeft de taak dit zelfvertrouwen te stimuleren of soms het te herstellen. –– Sociaal cognitieve ontwikkeling. Het denkvermogen van de puber wordt groter. De puber wil serieus genomen worden. Aan de volwassene de taak nieuwsgierig te zijn en de puber niet te ‘overrulen’ met de eigen mening. –– Peergroep. De eigen identiteit van de puber wordt mede gevormd door het meten van de eigen opvattingen aan die van leeftijdsgenoten. Het is de van de taak van de volwassene om de jongere voor verkeerde keuzes te behoeden, maar een even grote taak is het geven van de ruimte om zich te ontwikkelen. Gedrag de kop indrukken of het constant wijzen op regels kan voor korte tijd effectief zijn, maar leert de jongere niet zelf de verantwoordelijkheid te nemen voor zijn gedrag. In de relatie leraar – leerling zal de volwassene die zelfverantwoordelijkheid moeten stimuleren.

1 • P ub e r te it

31


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401433013 by Uitgeverij Lannoo - Issuu