Skip to main content

9789401432641

Page 1

Seance


Š 2015 Kevin Valgaeren en uitgeverij Lannoo, Tielt Omslagontwerp Wil Immink design

D/2016/45/20 – NUR 335 ISBN 978 94 014 3264 1 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen.


Voor Eveline


Round her she made an atmosphere of life, The very air seemed lighter from her eyes, They were so soft and beautiful, and rife With all we can imagine from the skies; Her overpowering presence made you feel It would not be idolatry to kneel. – Sir William Crookes naar Don Juan van Lord Byron

Scientists are trained to believe what they see in the lab. Magicians claiming psychic powers, however, are trained to deceive others by fooling their visual senses. As a result, scientists have been poor observers of psychic phenomena. – Michio Kaku uit Physics of the Impossible


Deel 1

Een avond in Hackney


Proloog

Het leven is een reis die aanvangt met een lege koffer. Het gewicht dat we bij het verglijden der jaren met ons meenemen, is dat van onafgeloste schuld. Het was 4 april van het jaar 1919 en in Londen wachtte men al weken op de lente. De middag was bijna voorbij en over een uur zou het gaan schemeren, maar het leek alsof de nacht reeds over de stad was gevallen. Regendroppels wierpen zich als naalden van ijs tegen de grauwe gebouwen, en er was niemand binnen de denkbeeldige stadsomwalling die geloofde dat de zon ooit terugkeren zou. De elegante stadswoning, die was opgetrokken in de classicistische stijl van de zeventiende eeuw, bevond zich in het midden van de City, op een door regenplassen geteisterd plein dat zich verschool achter de drukkerijen van Fleet Street. De voorgevel bestond uit donkerbruine baksteen en elke verdieping telde vier ramen in witte kozijnen. In het midden van de benedenverdieping zat een robuuste, zwarte deur waar een leeuwenkop, die met snerende tanden op een ijzeren ring beet, de wacht hield. Sinds nummer 17 Gough Square voor het eerst werd betrokken, zo’n tweehonderd jaar geleden, had het herenhuis onderdak geboden aan wetenschappers en hun families, te beginnen bij Dr Samuel Johnson, de schrijver en redacteur van woordenboeken die ook bekendstond om zijn snedige commentaren op de maatschappij van 11


weleer. Ook die vroege avond in 1919 woonde er een belangrijk denker in dat huis, hoewel gezegd moet worden dat zijn leven op dat moment nagenoeg voorbij was. Als men die middag door het tweede raam van links op de derde verdieping had gegluurd, dan had men in de eerste plaats de rug waargenomen van een oude dame, die op een stoel zat. Haar gelaat was vanuit het raam niet te zien, maar uit het schokken van haar schouders kon men afleiden dat ze huilde. De oorzaak van haar verdriet lag in het hemelbed: een oude man met een lange, grijze, uitgedunde baard en een witte haardos, die te vergelijken viel met de stoffige restanten van een verwaarloosde spinnendraad. Zijn huid was als perkament rond zijn beendergestel gespannen. Hij ademde traag en diep door piepende longen en zijn ogen waren gesloten. Het sniffen van zijn vrouw, zijn raspende ademhaling en het tikken van een porseleinen pendule waren de enige geluiden in de slaapkamer. Vergis u niet, de man was er zich van bewust dat hij niet lang meer te leven had, maar in tegenstelling tot zijn vrouw en zijn kinderen, had hij zijn lot aanvaard. Zijn leven had tachtig jaar mogen duren, iets wat op zich al een hele prestatie was. Natuurlijk had hij er nog graag enkele jaren bij gehad – zijn hoofd was allesbehalve leeggedacht en er was nog een hele reeks ideeën die hij het bestuderen waard achtte – maar tijdens de vorige winter had de kanker zijn lichaam weten te vinden en nu teerde de ziekte op het weinige gezonde weefsel dat hij nog bezat. Hij was moegestreden. Het was beter zo. Die late namiddag dacht hij echter niet aan de dood. Hij dacht ook niet aan zijn vrouw, ofschoon hij zich terdege bewust was van haar aanwezigheid in de kamer, net zoals hij besefte dat zijn volwassen geworden kinderen buiten op de overloop stonden te wachten op het nieuws van zijn overlijden. Hij dacht ook niet aan zijn vruchtbare en gerespecteerde carrière als fysicus en chemicus. Hij dacht evenmin aan de vele onderscheidingen die hij voor zijn werk in ontvangst had mogen nemen, noch aan de dag dat wijlen 12


koningin Victoria met een zwaard op zijn schouders had getikt, noch aan die keer toen men hem tot voorzitter benoemde van de Royal Society of London for Improving Natural Knowledge. Nee, de laatste minuten van zijn leven waren gereserveerd voor de beelden van het enige meisje waar hij ooit echt van had gehouden. Hij kon de geur van bloesem ruiken in haar lange, blonde lokken, meende de stevige malsheid van haar boezem tegen zijn wang te voelen, en was ervan overtuigd dat het kind zo-even haar lippen op zijn andere wang had gedrukt. Hij verkoos om zijn laatste momenten op aarde door te brengen met herinneringen aan haar; zijn grote liefde, die hem alles had geschonken wat hij maar wensen kon, maar het ook even snel weer had afgenomen. Ja, zijn leven was mooi geweest tijdens de korte periode waarin hij haar had mogen kennen, en neen, die grote liefde had niet dezelfde naam gedragen als het oude vrouwtje dat aan het voeteneind van zijn bed bad voor zijn spoedige vertrek en zijn veilige aankomst. Toen hij daar zo lag te dromen, geborgen in haar liefdevolle omhelzing, had hij nooit durven aannemen dat zijn naderende dood een ware helle­ strijd zou worden.

Het begon toen de ijzeren ring in de vervaarlijke leeuwenbek tweemaal tegen de voordeur werd geslagen. ‘Mijn lieve man,’ snikte het oude dametje, terwijl ze haar dooraderde hand op zijn bleke vingers legde. ‘Daar is de dominee.’ De stem van zijn vrouw rukte hem uit de ingebeelde omhelzing van zijn geliefde en met grote inspanning opende hij zijn ogen. Hij hoorde hoe iemand de trap besteeg en hoe zijn kinderen in de hal opstonden om hun respect te betuigen aan de clericus. En toen kwam het Kwaad. De temperatuur in de slaapkamer zakte plots, hoewel zijn vrouw daar niets van scheen te merken, en de man begon over zijn hele lichaam te rillen, alsof hij zonder kleren aan buiten stond tijdens een barre winterochtend. Zijn laatste pogingen om naar lucht te happen waren zichtbaar in de vorm van dichte wolkjes, die niet 13


door zijn echtgenote werden opgemerkt, omdat zij zich van het bed had gekeerd en met gekromde rug naar de deur van de kamer schuifelde. De wetenschapper tuurde door het raam, waar een grote zwarte vogel op de vensterbank schuilde voor het druilerige weer. Het dier was zich niet bewust van de gebeurtenissen die zich aan de andere kant van het glas afspeelden, alsof het raam een scheiding vormde tussen twee werelden die niets met elkaar gemeen hadden: een wereld waarin het leven genadeloos verderging en een wereld waarin het leven genadeloos werd weggenomen. Op de vensterbank in de slaapkamer stond een vaas van Delfts blauw met daarin drie narcissen. De bedlegerige wist niet goed wat hij zag, toen de gele kroonbladen voor zijn ogen uitdroogden. De vrolijke kleuren van de prille lentebloemen verfletsten tot leven­ loze pastels, waarna de stengels doorbogen en ten slotte als dorre twijgen knakten. De restanten van de narcissen vielen op de vensterbank en verpulverden tot een fijn stof. Angstig en machteloos aanschouwde de stervende het onwaarschijnlijke tafereel, dat enkel en alleen voor hem bestemd was. Als man van het positivisme, trachtte hij een sobere verklaring aan het fenomeen te geven, ofschoon hij in zijn leven meermaals getuige van het onnatuurlijke was geweest. Hij gaf zijn poging tot rationalisering op, toen uit het dwarrelende stof een zwarte mist opsteeg die zich in een mum van tijd vermenigvuldigde en dreigend neerdaalde langs de muur, over de plint en op de vloer. Hij probeerde zijn echtgenote te waarschuwen voor het naderend onheil, maar zijn stembanden weigerden dienst. Zijn vrouw negeerde hem en opende de deur van de slaapkamer om de geestelijke binnen te laten. De kinderen, dacht de fysicus. Sluit de deur en bescherm de kinderen. Laat ze niet besmet worden door het Kwaad. Hij realiseerde zich maar al te goed wat de zwarte substantie was die als een deken van laaghangende nevel over de vloer kroop en langs de poten van het bed omhoog kronkelde tot aan het voeteneind. 14


Ergens ver weg en tegelijk dichtbij hoorde de stervende stemmen: een bestiaal hoongelach vermengd met kreten van angst en folterende pijn. ‘Luister,’ wilde hij zeggen. ‘Hij komt. Hij komt voor mij. Help mij, alstublieft. Laat me niet ontvoeren door dat beest,’ maar zijn woorden bleven steken in zijn door de kanker stukgevreten keel. Hij trok zijn benen op – niet meer dan twee verdroogde takken – maar kon niet verhinderen dat de zwarte mist naar zijn voeten graaide en steeds dichterbij kwam. Zijn vrouw schudde de hand van de dominee, die op zijn beurt zachtjes in haar schouder kneep; een gebaar van troost en medeleven. ‘Ik ben bang dat er niet veel tijd meer is,’ fluisterde ze, opdat haar man haar niet horen zou – alsof hij niet besefte dat het einde weldra daar was. Het feit was echter dat de stervende zich nauwelijks bewust was van de aanwezigheid van zijn vrouw en de geestelijke. Zijn onderlichaam werd inmiddels bedekt door de zwarte mist, die nog kouder aanvoelde dan de wintertemperatuur die in de kamer hing. De stemmen – het sardonische gelach en het panische gehuil – werden steeds luider. Het liefst wilde hij zich uit het bed werpen, maar de ziekte had hem zodanig verzwakt dat iedere poging om zich te bevrijden van de wurgende nevel bij voorbaat voor niets was. Hij kon geen kant op en moest lijdzaam toekijken hoe de zwarte massa zijn onderbuik en vervolgens zijn torso bedekte. Het oude vrouwtje nam de dominee mee naar het hemelbed, gekalmeerd nu haar man weldra met een gerust gemoed beoordeeld kon worden aan de poorten van de Heer. Hoe onschuldig! Hoe onwetend! Niets had zij geweten van het geheim dat haar man voor het leeuwendeel van zijn bestaan voor zich had gehouden. Ze slaakte een kreet toen ze hem daar zag liggen: zijn dunne beentjes opgetrokken – krijtwitte kuiten onder een nachthemd van gebroken wit – zijn uitgeholde gelaat als een marmeren standbeeld verkrampt in een grimas van horror. Met knikkende knieën zocht ze steun bij de arm van de geestelijke, die op zijn beurt een kruis15


teken sloeg met zijn rechterhand, want ook hij – geoefend in het aanschouwen van de vele gezichten van de dood – had iets dergelijks nog nooit gezien. ‘Vader,’ huilde het dametje. ‘Wat is er met mijn man?’ De dominee moest haar het antwoord schuldig blijven en kon slechts samen met haar toekijken hoe de zieke zijn laatste ogenblikken met afgrijzen beleefde: alleen. De zwarte wolk kuste zijn kin. Als versteend bleef hij liggen, tevergeefs happend naar adem. De mist drong zijn mondholte en zijn neusgaten binnen. Zijn adem stokte, terwijl schilfers van ijs zich vastklemden aan de binnenkant van zijn longen. Net voor het Kwaad zijn ogen bedekte, wierp hij nog een laatste blik op zijn onwetende vrouw die onvoorwaardelijk aan zijn zijde had gestaan, ofschoon hij zoveel goedheid nooit had verdiend. Ze had haar gelaat begraven in de arm van de dominee, niet langer in staat om te kijken naar het lijden van haar man. De geestelijke, daarentegen, observeerde de stervende man met een blik van angst, afschuw en fascinatie, alsof hij voor het eerst oog in oog stond met de duivel. Enige tijd geleden had hij reeds vrede genomen met het onafwendbare, maar die middag, toen het dichte zwart over zijn ogen gleed en via zijn oren zijn geniale brein infecteerde, moest hij erkennen dat hij zich zijn overlijden volkomen anders had voorgesteld. De komst van de dominee om het laatste sacrament toe te dienen was overbodig geweest; zijn lot was reeds lang geleden bezegeld. Terwijl het duister hem verzwolg, begon hij te gillen en zijn stemgeluid was ditmaal niet onhoorbaar voor zijn vrouw en de clericus. Zijn kreten voegden zich bij het demonische hoongelach en het pijnlijke gejammer van de anderen. Het Kwaad had hem helemaal ingepakt. En net op het moment dat zijn hart voor de laatste maal zijn zieke bloed door zijn lichaam stuwde, kreeg het Kwaad een gezicht. En het gezicht was een verschrikking.

16


Francis Whitman was de naam van de beroemde wetenschapper die geboren werd op 12 januari 1839 en tachtig jaar later, tijdens de namiddag van 4 april 1919, op gruwelijke wijze van ons heenging. Ik was Francis Whitman. En dit is mijn verhaal.

17


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401432641 by Uitgeverij Lannoo - Issuu