lenny
roy
c la r a
Ge ne ra al vo or Ka as
ma e D
Paulien Clara Lilith Smit
ludmilla
sc h r a m m e n jack
tom
n
bart
paul
Row ina
Miguel
Louise
Pit
Mona
jules
Luciano
Mevr. Pinkepank
Meester Van den Muggenheuvel
LdK
de kronieken van de kroon
Jennifer A. Nielsen
Vertaald door Esther Ottens
www.lannoo.com Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2016 ISBN 978 94 014 2964 1 D/2016/45/246 NUR 283/284 Oorspronkelijke titel: Die erstaunlichen Abenteuer der Maulina Schmitt – Volume 2: Warten auf Wunder Oorspronkelijke uitgever: Carl Hanser Verlag, 2014 The translation of this work was supported by a grant from the Goethe-Institut which is funded by the German Ministry of Foreign Affairs.
© Carl Hanser Verlag, 2014 © Nederlandse editie Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2016 Vertaling Esther Ottens Vormgeving cover Rán Flygenring & Emma Thyssen Vormgeving binnenwerk Rán Flygenring, Emma Thyssen & Mieke Smalle
Ik zie een draaikolk. Van boven kijk ik erop. Precies in de trechter die het donker in gaat, misschien helemaal tot op de bodem.
Ik zie een hand, ik zie:
ste nge ls,
wortels.
e een pan, zie dam Ik zi bruinige brou p, wsel het , zie
es, , j en d d a ansende bla iden
kru
Ik zie een tweede hand en daarin een pollepel, ik zie de hand roeren, ik zie verbaasd: die
tussen duim en wijsvinger vandaan dwarrelen haren in het nat, meteen worden ze door de draaikolk gegrepen en omlaag gezogen.
Wat maak ik hier van wortels en haren, denk ik nog, en dan doe ik mijn ogen open.
hand ! is mijn hand
Ik kijk naar het kale witte plafond boven mijn bed.
an De soep v het leven k. nlij waarschij
Het is een stuk dichterbij dan vroeger in het koninkrijk MauwritaniĂŤ.
Twee van de kamerpalmen, die precies zo oud zijn als ik, stoten zich er al tegen.
Superheldenstrip ‘Duim omhoog’, zegt mama om me gerust te stellen. Ze zegt het er inmiddels altijd bij, om het te versterken of omdat ze denkt dat misschien niet goed te zien is wat voor gebaar ze maakt. Ze kan haar rechterhand niet goed bewegen. Misschien is ze wel bang dat mensen niet eens begrijpen dat ze een gebaar maakt, dat zij denken dat ze een spastische hand heeft, want wat heeft haar situatie ook eigenlijk met ‘duim omhoog’ te maken? Haar situa tie in het algemeen, en hoe ze er nu bij ligt in het bijzonder? ‘Duim omhoog’, zegt ze nog een keer, en ze glimlacht voor mij. Ik knijp met mijn ogen, moet wennen aan het felle badkamer licht. Een lange weg van in soep gedrenkte dromen naar hier. Mama ligt naast de wc, houdt één hand tegen de muur en laat me met de andere haar duim zien. ‘Alles goed, niets gebeurd’, zegt ze. Ik doe de klep van de wc dicht. Met een voet tegen de betegelde muur trek ik haar omhoog. ‘Gaat dat met je rug?’ vraagt mama terwijl ik haar op de wc laat zakken. Het is in tijden niet zo goed met haar gegaan. ’s Ochtends kan ze met kleine tussenpozen en bijna zonder zich ergens aan vast te houden weer ongeveer vijfhonderd meter afleggen. Het linkerbeen doet het veel beter, het rechter verkrampt nog steeds snel, maar ze komt vooruit. Hoewel we weten dat de verbetering alleen maar een voorbode is van een
4
verslechtering, hopen we allebei dat we misschien toch geluk hebben en toevallig een behandeling vinden die helpt of een dieet of iets anders, en dat er niet opnieuw een fase komt die haar weer verder haar lichaam uit jaagt. Over die halve kilo meter doet ze een klein halfuur, ’s avonds redt ze nog geen vijftig meter. En ’s nachts is de wc soms al te ver. Vroeger, helemaal niet lang geleden, was het zo:
Tussen de bovenste streep (A) (lengte van nu) en de onderste streep (B) (lengte van toen) op de deurpost in Mauwritanië zit maar dertig centimeter.
Basilicum in pot
De poot van hond Tom
Mama en ik met z’n tweeën thuis, de man was met het orkest op tournee en speelde in grote boerenschuren de Water muziek. Mama en ik lagen op de bank en bleven extreem lang op, aten overdreven veel ijs met koekjes. Bij het opstaan en naar bed gaan trokken we gekke gaapbekken, een leuk en heel simpel spel dat vreemd genoeg bijna niemand kent:
Het gaat zo: Als je merkt dat je moet gapen, hou je je gezicht vlak voor de neus van je medespeler en probeer je het gapen tegen te houden. In slow motion trek je dan (vanzelf) een gekke bek om je krom te lachen. 5
Mama las me voor van de kaarten en brieven die af en toe binnendruppelden, en op een ochtend hoorden we opeens geschreeuw van buiten. We vlogen naar het raam. Pal voor ons huis stonden twee mannen elkaar te duwen en uit te schelden, en opeens gingen ze met elkaar op de vuist. Mama rende de deur uit en de trap af. Ik hoorde haar klos sen en ik zag hoe de mannen beneden elkaar op het gezicht sloegen, vochten, naar elkaar trapten. Ik had zoiets nog nooit gezien, mensen die andere mensen naar de keel vlogen. Was ik bang? Ik begreep niet wat er gebeurde. De ene man had de an dere in een houdgreep, hij sloeg hem aan één stuk door op zijn hoofd, tot de ander zich los wist te rukken en wild om zich heen begon te schoppen. Dan, opeens, zie ik mijn moeder het beeld in stappen. In pyjama, op rubberlaarzen en met die veel te lange sjaal om haar nek rent ze over het tuinpad de straat op naar die dolgedraaide mannen. Ze stort zich precies tussen hen in, daar waar de vuisten en de voeten terechtkomen. Met een schreeuw duwt ze de twee uit elkaar. Maakte ik me zorgen om haar? Niet echt. Ik zat boven in het mauwwarme koninkrijk als in een veilig holletje en keek neer op het spektakel. Ik was benieuwd hoe het zou aflopen, hoewel ik dat eigenlijk wel wist. Het was een soort opgewonden bladeren in een superheldenstrip. Natuurlijk wint
6
de held. Ik wist het zeker: als er iemand op de wereld onkwets足 baar was, dan was het mama. Als iemand de wereld stuurde, dan was zij het. Liep er ergens op de wereld iets mis, mama kwam er al aan om het te regelen. En als om dat te bewijzen deden die dolle mannen op straat precies wat ze zei. Ze lieten elkaar los en liepen allebei een an足 dere kant op, licht voorovergebogen alsof ze zich schaamden. Mama keek naar me op en knipperde met haar ogen. Met haar linkerhand hield ze de zon uit haar gezicht, met de rechter stak ze haar duim op. Dat was het laatste plaatje van mijn strip, paginagroot, in kleur: hoe mama daar stond, die houding, die ik van boven zag, ik als baas van de superheld. Missie volbracht, seinde de zonderlinge superheld naar het koninkrijk boven. Op haar eigen bijzonde足 re manier droeg mama zelfs een superheldenpak: pyjama en rubberlaarzen, het haar een warrige helm van slaapklitten, de sjaal een cape. Die pyjama heeft ze nog steeds, de sjaal draag ik meestal.
7