MARC DE VOS
ONGELIJK MAAR FAIR WAAROM ONZE SAMENLEVING ONGELIJKER IS DAN WE VREZEN, MAAR RECHTVAARDIGER DAN WE HOPEN
D/2015/45/341 – ISBN 978 94 014 2878 1 – NUR 781 Vormgeving binnenwerk: Sarah Schrauwen Vormgeving omslag: Gert Degrande | DE WITLOFCOMPAGNIE © Marc De Vos & Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2015.
Uitgeverij LannooCampus maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv. Alle rechten voorbehouden.Niets van deze uitgave mag verveelvoudigd worden en/of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Uitgeverij LannooCampus Erasme Ruelensvest 179 bus 101 3001 Leuven, België www.lannoocampus.be
‘Ongelijkheid is de bepalende kwestie van onze tijd’ 6
Deel 1
Ongelijkheid: wat is dat nu eigenlijk? 16 Goede en slechte ongelijkheid 19 Marktkapitalisme vergt en geeft (meestal) goede ongelijkheid 31 Winst: immoreel of moreel? 42 Hoe kijken we nu best naar ‘ongelijkheid’? 51
Deel 2
Worden we almaar ongelijker, of juist niet? 60 De samenleving polariseert 63 De ene ongelijkheid is de andere niet 71 De terugkeer van kapitaal 83 De ladder voor mobiliteit staat nog 99 Ongelijker in de economie, gelijker in het leven 111 Het bos door de bomen 127
Deel 3 Waar komt ongelijkheid vandaan? 132 Het is de economie, domoor! 135 Dansen met computers 147 Made in Chindia 159 Superster of farao 169 Het is de politiek, domoor! 185 Belasting(r)evolutie 199 Menskapitalisme 213 Deel 4 De mens is de ongelijkheid 228 Vrouw zkt man 231 Tijgers en Adelaars 241 Diplomatosis 249 Ongemakkelijke waarheden 261 Deel 5
Ongelijkheid: kwaal of zondebok? 276 Ongelijkheid schaadt de economie? 279 Ongelijkheid geeft schulden en crisis? 291 Ongelijkheid doodt democratie? 303 Ongelijkheid schaadt de samenleving? 317
Ongelijk maar fair 326
Dankwoord 350 Eindnoten 351 Bibliografie 368 Index 384
De ongelijkheid tussen arm en rijk is de oudste en noodlottigste ziekte van alle naties. — Plutarchus Niet ongelijkheid is het echte ongeluk, maar afhankelijkheid. — Voltaire
‘Ongelijkheid is de bepalende kwestie van onze tijd’
7
Waarom iedereen de ongelijkheid wantrouwt.
ongelijkheidsangst een crisisfenomeen is.
er veel soorten ongelijkheid zijn.
alle westerse landen hetzelfde ongelijkheidsverhaal delen.
Waarover dit boek gaat Mocht je het nog niet weten: in de westerse wereld neemt economische ongelijkheid al decennia toe. En daar ligt stilaan iedereen wakker van. Sinds de crisis is de polarisatie tussen ‘arm’ en ‘rijk’ brandend actueel. De Amerikaanse president Obama vindt ongelijkheid de ‘bepalende kwestie van onze tijd’.1 Hij wijdt zijn tweede ambtstermijn daarom aan ‘een betere deal voor de middenklasse’, met hogere belastingen voor wie beter boert.2 Zijn gedoodverfde opvolgster, Hillary Clinton, voert haar presidentscampagne voor diezelfde modale Amerikaan en tegen dezelfde ongelijkheid.3 Obama dankte zijn herverkiezing trouwens onder andere aan het feit dat de republikeinse tegenstander een succesvol zakenman was. Wat in de VS altijd een troef was, werd voor Mitt Romney een handicap: Amerika vreest namelijk de kloof tussen de fameuze 1% en de 99% anderen. In Europa hebben sociaaldemocratische en socialistische partijen zowat overal ongelijkheid officieel de strijd aangebonden. De Franse president Hollande verklaart ‘niet van de rijken te houden’ en belast hen navenant. Ongelijkheid was de zweep waarmee SPD en Groenen in Duitsland Angela Merkel en haar CDU tot een ruk naar links dwongen in de kanseliersverkiezingen van 2013. De Britse socialisten vinden in het bestrijden van ongelijkheid ‘het nieuwe centrum van de politiek’ en hebben daarop hun kiescampagne van 2015 gevoerd.4 Ze stonden in dat centrum niet alleen: hun conservatieve rivalen trokken namelijk evenzeer de kaart van de werkende mens en de middenklasse, alweer uit ongelijkheidsbekommernis.5 Premier David Cameron wil ‘terug naar het pad van welvaart waarin iedereen kan delen’.
‘Ongelijkheid is de bepalende kwestie van onze tijd’
9
Ook in België en Nederland is de verontwaardiging over de bankencrisis omgeslagen in een discours van rechtvaardige strijd tegen onrechtvaardige ongelijkheid. Luid uitgebazuind door extremistische partijtjes, maar ook stiller doorgedrongen in meer gematigde kringen, broeit een cultuur van afkeer of wantrouwen tegenover rijkdom, met revoltes tegen toplonen of megawinsten als terugkerend mediaschouwspel. Over partij- en landsgrenzen heen, groeit de zorg over verlies aan sociale mobiliteit, de angst dat het lot van de ouders steeds meer dat van hun kinderen bepaalt, en het deprimerende vermoeden dat onze kinderen het niet beter zullen hebben dan wijzelf. Jan en Mieke Modaal delen in de malaise. Opiniepeilingen tonen somberheid over de toekomst en ongemak bij het succes van de happy few. Grote meerderheden zien zichzelf als crisisslachtoffers en vinden andermans hoge inkomens onrechtvaardig. Velen ervaren ongelijkheid als een groot probleem dat om politieke interventie schreeuwt.6 Een parfum van onvrede en afgunst hangt over veel ontwikkelde landen. Dat ongelijkheid als problematisch geldt en dat de bestrijding ervan de agenda’s kleurt, is veel meer dan een voorspelbaar politiek modeverschijnsel in een crisistijdperk. Internationaal bulken de boekenplanken van recente rampenliteratuur die ongelijkheid tot een schier Bijbelse plaag uitroept. Ongelijkheid zou de democratie kapotmaken7, hele samenlevingen in ongeluk en onheil storten8, de economie torpederen9, financiële crises veroorzaken10, de wereld overleveren aan een mondiale kaste ongenaakbare grootkapitalisten11 die leven van een permanente onderlaag van onderdrukten12 en voorbestemd zijn om een almaar groter deel van de rijkdom te claimen13: het zijn slechts lichte overdrijvingen van de prominente ongelijkheidslitanieën. De onheilsretoriek is ook tot de officiële kringen doorgedrongen. Het Internationaal Monetair Fonds (IMF) ziet ongelijkheid als een mogelijke bedreiging voor economische groei en stabiliteit.14 De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) – de officiële denktank van alle westerse landen – maakt zich zorgen over toenemende maatschappelijke verdeeldheid door ongelijkheid.15 De Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) klaagt steen en been over het dalende loonaandeel voor de werknemers in de nationale inkomenskoek.16 De Rooms-Katholieke Kerk, althans bij monde van Paus Franciscus, is verontwaardigd over ongelijkheid en wil daarom ons hele economische model veranderen.17 Zelfs de grootkapitalisten van het World Economic Forum (WEF) in Davos krabben zich achter de oren over de ongelijkheid waarvan zij nochtans levende voorbeelden zijn.18
10
Ongelijk maar fair
Dit boek tapt uit een ander vaatje. Het wil enige duiding en perspectief bieden bij wat stilaan uitgroeit tot een ongelijkheidsobsessie. Daarvoor moeten we eerst teruggaan naar de basis: is economische ongelijkheid op zich nu goed of slecht? Is (on)gelijkheid wel een goede maatstaf voor het beoordelen van de staat van onze samenleving? En hoe moeten we ‘ongelijkheid’ dan precies begrijpen? We zullen zien dat deze fundamentele premissen, die in de hedendaagse ongelijkheidspers nauwelijks aandacht krijgen, al enige opbeuring toelaten. Vervolgens moeten we goed begrijpen waar de moderne trends in ongelijkheid precies vandaan komen. Zowat alle schrijvers die over groeiende ongelijkheid klagen, vergelijken onze tijd met de jaren 1950–1970. Maar de wereld is niet meer die van de vervlogen naoorlogse gouden jaren van een Westen in heropbouw, een communistische wereld in isolement en een derde wereld in armoede. Er zijn fundamentele veranderingen – economisch, technologisch, demografisch, sociologisch, cultureel – die ik in kaart breng en waarvan ik aantoon dat ze de recente toename van ongelijkheid niet alleen verklaren, maar ook deels rechtvaardigen. Groeiende ongelijkheid hoeft ons dan niet noodzakelijk zorgen te baren. Maar dat belet niet dat er terechte vragen gesteld kunnen worden over de risico’s van grote ongelijkheid voor de werking van de moderne samenleving en haar economie. Ik zal deze vragen niet uit de weg gaan, maar wel beargumenteren dat de economische ongelijkheid in zowat alle probleemgevallen niet de echte grondoorzaak maar veeleer een symptoom is. Ongelijkheid is dus veeleer gevolg van onheil dan oorzaak van onheil. Dat is een cruciaal onderscheid voor iedereen die zich afvraagt welke beleidskeuzes er pragmatisch en praktisch gemaakt kunnen worden om een ontsporing van ongelijkheid te vermijden. Want daar is het uiteindelijk om te doen: wanneer het geschreeuw is verstomd en de frustraties zijn geventileerd, welke realistische maatregelen kunnen wij dan overwegen om groeiende ongelijkheden met negatieve gevolgen voor onze samenleving beter te beheersen? Ook daarvoor wil dit boek een aanzet geven.
Waarover dit boek niet gaat Een groot deel van het discours en de literatuur over ongelijkheid gooit nogal wat zaken op een hoop. Het is daarom belangrijk te onderstrepen waarover dit boek niet gaat. Dit boek gaat niet over armoede in de zin van ontbering en marginalisering. Natuurlijk kan extreme ongelijkheid ook armoede betekenen, of kan de mate van economische ongelijkheid in een samenleving afstralen op het lot van de armen. Natuurlijk hangt armoede vaak samen met kansarmoede, die zelf een
‘Ongelijkheid is de bepalende kwestie van onze tijd’
11
sterke voorspeller van ongelijkheid is. Ongelijkheid en armoede overlappen dus gedeeltelijk. Maar we moeten een conceptueel onderscheid maken tussen relatieve verschillen in inkomen of rijkdom aan de ene kant – zijnde ongelijkheid – en absolute armoede aan de andere kant.19 Ik zal in dit boek de termen ‘arm’ en ‘rijk’ wel hanteren als expressies van ongelijkheid. Ze bekken gemakkelijk en worden ook courant in die betekenis gebruikt. Maar de aanhalingstekens zullen er staan om je ervoor te behoeden ongelijkheid met armoede te vereenzelvigen. De ongelijkheidsproblematiek waaraan dit boek is gewijd, is er niet één waarin sommigen rijker worden en anderen armer, maar wel één waarbij sommigen sneller of veel sneller rijker worden dan anderen. Dat is een hemelsbreed verschil. Ongelijkheid en herverdeling zijn twee handen op één buik: veel van de ongelijkheidsverhalen die de ronde doen, zijn wezenlijk pleidooien voor meer of andere belastingen. Ik zal de evolutie van ongelijkheid uitleggen en verklaren, zal daarbij ook de rol van herverdeling aanstippen, maar ik schrijf geen belastingboek noch een boek over de verzorgingsstaat. Wanneer ik ongelijkheid verdedig, val ik dus belastingen niet aan. Wanneer ik de ongelijkheid respecteer, onteer ik dus niet de solidariteit. Ik ben er diep van overtuigd dat we behoefte hebben aan een fundamentele belastinghervorming waarin belastingrechtvaardigheid moet worden heruitgevonden, zowel nationaal als internationaal. Mijn duiding van de ongelijkheid kan daarvoor als een vertrekpunt en ankerpunt dienen, maar verder reikt mijn ambitie niet. Dit boek gaat evenmin over de financiële, economische, monetaire en budgettaire crises die elkaar sinds de bankencrisis van 2008 zijn opgevolgd. Heel wat ongelijkheidsliteratuur fulmineert over het lot van de minstbedeelden in ons wrange crisisgewricht. Ik deel die frustratie en voel die verontwaardiging ten volle. Veel van het courante ongelijkheidsressentiment is zeker een crisisfenomeen. Een samenleving heeft het altijd makkelijker met ongelijkheid wanneer iedereen er merkbaar op vooruitgaat dan wanneer de indruk heerst – of minstens gewekt kan worden – dat ‘het systeem’ enkelen laat winnen en velen doet verliezen. Mijn analyse gaat echter niet over de crisis zelf, maar over fundamentele trends van meer dan drie decennia ongelijkheidsevolutie sinds pakweg 1980. Die trends zijn wel deels verbonden met de crisis en we zullen daarom ook even de tenen in het crisismoeras steken, maar meer niet. Elke crisis beïnvloedt de economische ongelijkheid. Een beurscrisis treft verhoudingsgewijs meer de rijken en vermindert dan – al dan niet tijdelijk – de ongelijkheid. Dat was ook zo in 2008–2009, maar de beurs herstelde nadien verrassend
12
Ongelijk maar fair
snel. Een economische crisis treft de zwaksten meer dan zij die, ondanks de crisis, nog voldoende opportuniteiten kunnen maken of grijpen. Dat is nu niet anders.20 De crisis en het crisisbeleid – denk maar aan het strenge besparingsregime voor de zuidelijke probleemlanden van de eurozone – hebben de trends van uitdiepende ongelijkheid dus deels versterkt. Ze komen zo ook op onze radar, maar ze zijn als zodanig niet het thema van dit boek. Ongelijkheid bestaat in vele vormen en maten. Er is ongelijkheid in onderwijs, sport, cultuur, technologie, gezondheid, religie, toerisme, veiligheid, voeding, vrije tijd, pensioenen, nationaliteit, etniciteit, huisvesting, mobiliteit, en ga zo maar door. De lijst is lang en iedereen kan hem gemakkelijk nog langer maken. Dit boek handelt over de economische ongelijkheid die volgt uit verschillen in werk, economische positie, inkomen en vermogen. Het handelt niet over andere variaties van ongelijkheid. Uiteraard zijn de verschillende ongelijkheden niet noodzakelijk eilandjes zonder bruggen. Economische ongelijkheid doordesemt veel andere soorten ongelijkheid, en vice versa. Maar onze focus ligt op het economische. De andere dimensies komen alleen zijdelings en selectief aan bod, wanneer ze instructief zijn voor de economische dimensie. Economische ongelijkheid is overal en altijd eerst de expressie van de economische realiteit van elk individueel land, die zelf de expressie is van grote grondstromen in geschiedenis, bevolking, geografie, cultuur, ontwikkeling, instellingen, en zo meer. Elke vergelijking tussen landen is daarom onvermijdelijk een vergelijking tussen appelen en peren. Toch gaan we die vergelijking maken, omdat onze appelen en peren in dezelfde boomgaard groeien. Dit boek focust namelijk op grote ongelijkheidstrends die, door vele nationale variaties en gradaties heen, in het hele Westen waarneembaar zijn. West-Europese en Noord-Amerikaanse landen verschillen enorm, maar ze delen ook een graad van economische ontwikkeling en verwevenheid, een democratische traditie en rijpe welvaartsstaten die hen allemaal tot spelers maken in hetzelfde ongelijkheidsverhaal. Verder reikt ons internationale blikveld niet. De grote groei-economieën van onze tijd – bijvoorbeeld China, India, Brazilië, Indonesië of Turkije – kennen ook elk hun eigen ongelijkheidsdynamiek. Hoewel die via de globalisering ook met de onze verbonden is en zo ook op ons bord komt, blijft zij hier verder buiten beschouwing. Dat de Indiërs of de Chinezen gebaat zijn bij investeringen in pakweg onderwijs, infrastructuur of gezondheidszorg, die hun welvaart zullen spreiden en hun economische opstoot kunnen onderhouden, zullen weinigen betwisten. Iets helemaal anders is de vraag van welvaartsspreiding in westerse landen die de fase van opbouw en bescherming al decennia achter zich hebben. Daarover gaat dit boek.
‘Ongelijkheid is de bepalende kwestie van onze tijd’
13
Ongelijkheid is een gevoelig onderwerp dat passie oproept, ook bij mij. Velen hebben een ingebouwde afkeer tegenover rijkdom en rijkdomsverschillen, zeker in continentaal Europa, waar het inzicht in de markteconomie en de bewondering voor zakelijk succes cultureel veel minder voorradig zijn dan in de Angelsaksische landen. Ongelijkheid leent zich daarom ook snel voor politiek populisme. Het is heel gemakkelijk om op bankiers te schelden, grootverdieners verdacht te maken, of om de oude slogan ‘laat de rijken de crisis betalen’ te recyclen. Het levert veel sympathie en ook stemmen op. Maar het gaat niet naar de bron van meer dan dertig jaar groeiende economische ongelijkheid. Het biedt geen antwoord op de vraag hoe en waarom ongelijkheid blijft toenemen in samenlevingen met de grootste herverdeling en sociale bescherming op de planeet. Dit boek zal dat wel proberen te doen. Het zit dus niet in de val van vooringenomenheid of egalitarisme. Het wil niet meedoen met de scheldkanonnades, noch opgaan in de groeiende polarisering. Het wil ongelijkheid rationeel wikken en wegen, niet emotioneel te lijf gaan, maar gaat daarbij de confrontatie met de spontane ongelijkheidsaversie niet uit de weg. Wie die spontane aversie koestert, zal dit boek bijwijlen oncomfortabel lezen. Ik raad je aan vooral te blijven lezen en jouw eindoordeel pas aan het einde te vormen, wanneer ik alle draden samenbreng in conclusies en aanbevelingen. Ik hoop dat je daarbij enige afstand kunt nemen en mijn argumenten inhoudelijk kunt overdenken. Wie met open geest inzicht wil verwerven in de staat van de moderne westerse samenleving en daarover een persoonlijk oordeel wil vormen, zal aan dit boek eten en drinken hebben. Beschouw het vooral niet als het laatste woord. Ik wil voornamelijk een breed beeld bieden van een problematiek die uitermate gelaagd en complex is. Veel ongelijkheidsteksten analyseren deelaspecten van de ongelijkheid of verliezen zich in microscopisch gecijfer. Ik ga proberen het volledige verhaal van de ongelijkheid te vertellen in brede trekken, zodat we overzicht en inzicht kunnen krijgen. Dat vergt reductie en conceptualisering, wat onvermijdelijk een verlies aan nuances en details betekent. Ons blikveld is ruim: we bestuderen hier niet het proces van één specifiek land, maar speuren integendeel naar grote onderliggende trends die de algemene toename van economische ongelijkheid in zowat alle westerse landen drijven. Discussie over ongelijkheid is van alle tijden, maar we moeten onze tijd goed begrijpen om over zijn ongelijkheid te kunnen oordelen.
14
Ongelijk maar fair
15
Deel 1
Ongelijkheid: wat is dat nu eigenlijk?
17
Waarom ongelijk natuurlijk is.
gelijke kansen ongelijke resultaten geven.
ongelijkheid zowel moreel als economisch goed of slecht kan zijn.
merite geen toeval is.
markteconomie via prijzen meritocratische ongelijkheid geeft.
Hoofdstuk 1 Goede en slechte ongelijkheid In een samenleving die haar werk goed doet, is ongelijkheid eerder het succes van gelijke kansen voor ongelijke talenten en ongelijke wensen. —
Emotie of ratio Wie zich aan het thema ongelijkheid waagt, moet kleur bekennen: vind je economische ongelijkheid intrinsiek slecht, intrinsiek goed, of ergens daartussenin? Je kunt niet voorbijgaan aan een voorafgaand waardeoordeel over ongelijkheid als je de groeiende ongelijkheid aan een beoordeling wilt onderwerpen. Zowat alle onheilsschrijvers over ongelijkheid die internationaal in de mode zijn, getroosten zich die moeite niet: ze hebben een uitgesproken of verholen oordeel of vooroordeel tegen ongelijkheid. Ze zijn gewoon kwaad over groeiende ongelijkheden1, vinden ongelijkheid a priori onrechtvaardig2, achten de groeiende ongelijkheid vanzelfsprekend excessief3 of gevaarlijk4, gewagen van een ongelijkheidscrisis5, zien superrijken zonder meer als de grootste sociale bedreiging6 en beschouwen een toename in ongelijkheid meteen als sociale achteruitgang.7 Ze ijken ongelijkheid op een ethische Richter-schaal: hoe groter, hoe catastrofaler. Het lijkt alsof economische gelijkheid de natuurlijke of wenselijke staat van de mensheid zou zijn, en economische ongelijkheid een afwijking daarvan. Het alarmdiscours van de geleerden is intussen overgeslagen op media en politici. Gecultiveerde ongelijkheidsverontwaardiging domineert stilaan het debat en overtuigt almaar meer mensen, wereldleiders inbegrepen.8
Goede en slechte ongelijkheid
19
Het ongelijkheidsdebat wordt dus bezet door wat ik de ‘ongelijkheidscritici’ en de ‘gelijkheidsstrijders’ zal noemen: door denkers, schrijvers, activisten en politici die ongelijkheid per definitie kritisch bejegenen en spontaan voor gelijkheid strijden. Zit er ratio achter hun emotie van evidente en soms bittere weerstand tegen ongelijkheid? Het lijdt geen twijfel dat de luidste ongelijkheidscriticasters de verschillen in rijkdom en inkomen cultureel minder aanvaardbaar en politiek meer aanvechtbaar willen maken: dat is hun hele opzet.9 Ik zie daarin weinig anders dan de aloude egalitaire verlokking – weliswaar niet meer in de extreme gedaante van weleer – van een maatschappij met zoveel mogelijk gelijkheid, en dus met zo weinig mogelijk ongelijkheid. De achterliggende ideologie is dan een lightversie van het pure socialisme en zijn communistische verbastering uit vervlogen eeuwen, die zich niet meer bekommert over het socialiseren van de economie als zodanig, maar wel om het socialiseren van de economische resultaten. We staan voor de zoveelste incarnatie van het egalitarisme, dat ongelijkheid per definitie als ‘unfair’ ziet en meer gelijkheid dus per definitie als ‘fair’. Alle respect daarvoor: eenieder zijn of haar versie van de ideale samenleving. Ik begrijp ook dat veel mensen argwanend naar ongelijkheid kijken. Het is ‘des mensen’ om zich ongemakkelijk te voelen bij grote menselijke verschillen: het wringt met onze menselijke aard.10 Maar achter die nogal oppervlakkige en voorspelbare ideologische wensen of natuurlijke instincten, zitten ook wel diepere gedachten. De wortels van de moderne twijfel bij economische ongelijkheid zijn oud. Je proeft een afkeer van de markteconomie en haar mechanisme van prijs en winst, die nu eenmaal economische ongelijkheid tussen mensen faciliteert en genereert, en die zelf als problematisch wordt ervaren.11 De ‘markt’ geldt als een amoreel instrument, het winstmotief als schadelijk of schandelijk, en het resultaat van grotere ongelijkheid derhalve als immoreel. Dezer dagen moet vooral het kwalijke ‘neoliberalisme’ het ontgelden: een boeman die van veel problemen van onze tijd de schuld krijgt, groeiende ongelijkheid inbegrepen.12 In de nazinderende woede over de bankencrisis en getergd door de aanslepende economische malaise, dreigt stilaan een populistische opstand die – in de meest virulente variant van protestbewegingen à la ‘Occupy’ of ‘Indignados’ – zelfs het kapitalistische systeem tot doelwit heeft.13 Er is ook de erfenis van Karl Marx – nog altijd het intellectuele DNA van velen – voor wie arbeid geen koopwaar kan zijn en de winst van de ‘kapitalist’ per definitie de uitbuiting van de ‘arbeider’ is. In een modern jasje gestoken, is toegenomen ongelijkheid dan profitariaat van enkelen ten koste van velen. Veel aanklachten tegen de ongelijkheid in onze tijd zijn inderdaad doorspekt met de
20
Ongelijk maar fair
overtuiging dat alleen een economische elite nog vooruitgang boekt.14 Economen noemen dat rent-seeking: waarde bij anderen uitzuigen, eerder dan zelf waarde te scheppen. Winnaars zijn dan bedriegers. De een zijn rijkdom is de ander zijn verlies. Voor de hele samenleving is het een zero-som, of zelfs een negatief resultaat. In elk geval is het per definitie verwerpelijk: een vorm van diefstal die weliswaar niet bij wet verboden is. Mijn principiĂŤle kijk op ongelijkheid is principieel verschillend. Mijn uitgangspunt is dat elke mens met unieke biologische en genetische kenmerken op aarde komt, om vervolgens op te groeien in een evenzeer unieke familiale, culturele en maatschappelijke context. Mensen zijn per definitie verschillend en dus ongelijk. Het gezin en de samenleving waarin kinderen volwassen worden en waarin volwassenen leven, zijn dat ook. Ze zijn de vrucht van wat vorige en huidige generaties hebben opgebouwd en overgedragen, ontsproten aan de fundamentele drijfveer van elke generatie om beter te doen voor de volgende generatie dan wat de vorige voor haar deed. Ongelijkheid is de essentie van de menselijke natuur en van het menselijke bestaan. Noem het eerder onderscheid of verschil, want ongelijkheid insinueert iets negatiefs. Het is positief. Het is de kleuring van het leven en de brandstof voor menselijke vooruitgang.
Kansen of resultaten Nu kun je het natuurlijk unfair vinden dat mensen verschillen: dat de een lelijk is en de ander mooi, de een slim en de ander dom, de een handig en de ander klunzig, de een lui en de ander gedreven, dat de een goed tegen een voetbal kan schoppen en de ander niet, de een kerngezond is en de ander ziekelijk, de een het geluk heeft in ScandinaviĂŤ te zijn geboren en de ander de pech in pakweg Congo of Zimbabwe te leven, enzovoort. Je kunt het evenzeer unfair vinden dat de een opgroeit in een stabiel gezin met ouders die veel tijd en energie steken in hun kinderen, terwijl de ander ouders heeft die geen ouders zijn. Het leven is niet fair. Maar wat is het alternatief? Mijn ethisch vertrekpunt is persoonlijke vrijheid: de vrijheid voor elke mens om zijn unieke persoonlijke gaven en talenten te kunnen ontplooien, in een samenleving waar elke ongelijke mens niettemin gelijk is voor overheid en wet, en waarin iedereen maximaal gelijke kansen krijgt ongeacht afkomst en identiteit.15 Mijn morele waardemeter is die van gelijke kansen, niet die van gelijke resultaten. In de appreciatie van ongelijkheid wil ik de invloed van inspanning aanvaarden en die van omstandigheden verwerpen of verminderen. Daarin sta ik niet alleen.
Goede en slechte ongelijkheid
21
Gelijke kansen, eerder dan gelijke resultaten, zijn het leidmotief van zowat het hele sociaal beleid in de westerse wereld. In Europa is dat ons zogenaamd ‘sociaal model’, in de VS is het ‘de Amerikaanse droom’.16 We bestrijden niet zozeer economische ongelijkheid, maar benutten die ongelijkheid voor sociale bescherming op basis van rechten. We beogen een juridische, geen economische gelijkheid. Heel de westerse wereld kiest al decennialang voor een of andere variant van sociaal-gecorrigeerde markteconomie, waarin niet de absolute gelijkheid van alle burgers maar wel de maximale gelijkheid van kansen de kernwaarde is.17 Nu zijn ‘gelijke kansen’ zelf een rekbaar begrip: je kunt werkelijk tot in het oneindige filosoferen over wat inspanning en toeval is, over waar keuze begint en (on)geluk eindigt. Voor sommigen staan gelijke kansen dicht bij gelijke resultaten, hetzij omdat ze met ‘effectieve’ gelijke kansen willen eindigen, hetzij omdat ze alleen op basis van voorafgaande grote herverdeling ‘gelijke kansen’ mogelijk achten, hetzij omdat ze daarvoor alle natuurlijke verschillen tussen mensen willen compenseren.18 Oude gewoonten slijten slecht. De verleiding van het egalitarisme is groot. Ik sta ook voor reële gelijke kansen, maar mijn uitgangspunt van persoonlijke vrijheid brengt mij daarvoor tot beleid dat meer algemeen ondersteunt dan dat het rechtstreeks intervenieert. Een beleid dat meer de hefbomen voor het grijpen van kansen wil verbeteren dan dat het de uitkomst daarvan wil corrigeren. Een beleid dat talentverschillen aanvaardt en vooral de benutting daarvan wil verbeteren en belonen. Dat zal ook de invalshoek van dit boek zijn. Wie die invalshoek niet deelt, moet even stilstaan bij de consequenties. Ga je alleen materiële ongelijkheid aanpakken? Hoe, waar, bij wie en tot op welke hoogte? Wat te doen met sociale ongelijkheid? Wat met de invloed van ouders? Wat met genetische factoren? Wat met fysieke kenmerken? Wat met culturele ongelijkheid? Wat met geografische verschillen? En ga zo maar door. Elke samenleving die gelijke resultaten beoogt voor de zeer ongelijke menselijke natuur en cultuur, kan niet anders dan op een georganiseerde en dwingende manier ingrijpen en inbreken in de persoonlijke levens en vrijheid van iedereen, ten bate van een gelijkheidsidee dat finaal door politieke machthebbers zal worden bepaald. Dat is geen faire of rechtvaardige samenleving, maar een vorm van totalitarisme, hoe nobel de intenties ook mogen zijn.19 Elke samenleving die geen respect koestert voor de verantwoordelijkheid van ouders en de rol van het gezin, is een samenleving die het morele fundament ondergraaft waarop de voortgang van de mensheid sinds het begin der tijden heeft gesteund. Elke samenleving die ouders of families wil vervangen door de sturende en controlerende hand van een
22
Ongelijk maar fair