GALGENLIED
James Oswald
GALGENLIED High crime from the Lowlands
Deze is voor Zos, Dregs, Fergus, Felix en natuurlijk ‘Dokter’ Eleanor Austin
1 ‘Het belangrijkste is dat je de valhoogte goed krijgt. De rest doet er eigenlijk niet zoveel toe.’ Op de toppen van zijn tenen zoekt hij zijn evenwicht op de wankele stoel, zijn handen achter zijn rug als een brave jongen. Zijn vingers beven licht, alsof ze vol verwachting zijn, maar hij werkt niet tegen. Ik wist dat hij dat niet zou doen. Niet nu. Want dit is wat hij wil. ‘Om die te berekenen moet ik uiteraard je lengte, je gewicht, je postuur kennen.’ Ik ruk aan het touw. Prima, stevige hennepdraad; geen nylon rotzooi voor een klus als deze. Het was niet makkelijk om het touw over de balk te krijgen, maar nu zit het stevig vast, klaar. Zijn oogleden trillen als ik de lus over zijn hoofd haal, hem zachtjes onder zijn oor rond zijn nek leg en de rest van het touw op zijn naakte schouder laat vallen. ‘Lengte? Nee, de lengte is makkelijk, zolang je geen sleehakken draagt. Maar kleren kunnen bedrieglijk zijn, want soms doen ze een magere man er dik uitzien. En laten we de lichaamsbouw niet vergeten.’ Hij antwoordt niet, maar waarom zou hij ook? Hij is hier niet meer. Ik zie zijn ogen bewegen onder de gesloten leden, flits-flitsflits, terwijl hij iets bekijkt in een verre uithoek van zijn geest. Ik steek mijn hand uit, streel met de rug van mijn vingers zijn wang, zijn arm, de spieren van zijn strakke buik. Wat is hij nog jong. Nauwelijks een man en toch heeft de wereld hem al te grazen. Een jonge huid is nog zo zacht en puur, nog onbezoedeld door de kankers en vlekken van de ouderdom. Jammer dat niet hetzelfde gezegd kan worden van jonge geesten. Die zijn zo broos, zo hopeloos. ‘Spieren zijn zoveel compacter dan vet. Een gespierd lichaam
5
weegt meer dan een lui lichaam. Daar moet je zeker rekening mee houden.’ De geest huivert in me, neemt een gulzige slok van de bron van wanhoop die deze kamer vult. Hier is niets wat de moeite van het redden waard is, hier heerst slechts vreugde om de verlossing uit een leven dat het niet waard was om geleefd te worden. ‘Een handdruk is gewoonlijk al voldoende. Je kunt zoveel afleiden uit iemands hand, uit zijn greep. Zodra ik je ontmoette, wist ik hoeveel touw we nodig zouden hebben.’ Ik laat mijn hand langzaam zakken terwijl ik hem met mijn nagels streel. Zijn pik richt zich op, hoe subtiel ook, en een zacht gekreun ontsnapt aan zijn lippen als ik een hand uitsteek, ze om zijn nauwelijks ingedaalde testikels leg en ze kietel met mijn vingertoppen. De aanraking is tegelijk opwindend en weerzinwekkend, alsof een walgelijke seksdaad even intiem zou kunnen zijn als wat wij hebben, deze jongen en ik. Hij rilt, hetzij van de kou hetzij van de opwinding – ik zal het nooit weten. Ik trek mijn hand terug, zet een stap achteruit. Eén à twee seconden lang bouwt de druk zich op naarmate de drang in me opkomt. Ik zie het touw, de knoop, de stoel, de tafel. Kleren netjes gevouwen en op het nabije bed gelegd. Op het moment dat ik de stoel wegduw, is alles mogelijk. Hij zweeft in de lucht als een zweefvlieg die blijft hangen. En dan volgt de val, val, val, waarbij de lussen touw zich langzaam, als in slow motion, ontrollen tot er niets meer over is. En daarna. Knak.
6
2 ‘Zeker weten, Tony?’ Hoofdinspecteur van de recherche Jo Dexter staarde vanuit de passagiersstoel van de Transitbestelwagen door een groezelige voorruit naar de industriële woestenij rond Leith Docks. Straatlampen schenen als oranje draden, wegen die nergens heen leidden. Het eerste ochtendlicht kleurde de onderrand van de wolken, die naar het noorden en het oosten over de Forth naar Fife trekken. De hoogbouw die opgeschoten was langs de noordelijke kustlijn vormde donkere silhouetten die geschonden werden door het incidentele licht van een thuiskomende ploegwerker. Zo vroeg in de morgen was er nog niet veel bedrijvigheid, en zeker niet bij het donkere gevaarte van het vrachtschip dat ze in de gaten hielden. Het schip had twee dagen geleden aangemeerd na een routinereis vanuit Rotterdam met aggregaten voor de nieuwe verkeersbrug. Alsof ze in Schotland niet genoeg rotsen en zand hadden. Een team had het schip de klok rond in de gaten gehouden, op basis van betrouwbaar geachte informatie. Maar behalve het uitladen van een enorme hoeveelheid grind was er niets interessants gebeurd. ‘Volgens Forth Ports vaart het uit bij vloed. Over twee uur, dus.’ Recherche-inspecteur Anthony McLean keek op zijn horloge, hoewel de klok op het dashboard hem vertelde dat het bijna vijf uur in de ochtend was. ‘Als er dan niets gebeurt, hebben ze ons voor de gek gehouden. En ik durf te wedden dat het niet de eerste keer is.’ ‘Jij hebt makkelijk praten. Jij moet de overuren niet verantwoorden.’ McLean keek zijn compagnon aan. Hij kende Jo Dexter al jaren. Ze was tegelijk met hem in dienst gekomen, maar had de promotieladder sneller beklommen. McLean was blij voor haar, maar gaf toch de voorkeur aan zijn eigen terrein: een carrière van jagen op prostituees en pornografen had Jo Dexters ooit zachte trekken
7
verhard, zodat ze er veel ouder uitzag dan haar negenendertig jaar. Dit is wat de Zedenpolitie doet met een mens, had hij zich laten vertellen. En nu ondervond hij het zelf uit de eerste hand dankzij die verdomde Dagwood, zoals iedereen hoofdinspecteur Duguid informeel noemde. ‘Ach, jij bent degene die dacht dat de tip bruikbaar was.’ De temperatuur daalde een aantal graden. Zelfs in het donker zag McLean dat hij dit beter niet had kunnen zeggen, hoe waar het ook was. Op de eerste dag van zijn overplaatsing naar het team van Jo Dexter in de Eenheid voor Seksmisdrijven lag de brief in zijn invakje. Er zat geen stempel op en niemand wist hoe hij daar beland was. Niettemin bewees de informatie die erin stond dat wie hem ook had geschreven heel wat wist over de gore onderbuik van Edinburghs seksindustrie, en het laatste goudklompje ging over een perfect georganiseerde mensensmokkel en dit schip. ‘Het is gewoon zo dat zulke zaken normaal plaatsvinden in containerhavens. Hoe smokkel je in godsnaam ongemerkt mensen uit een schip als dit?’ ‘Ik weet het net zomin als jij.’ McLean verplaatste zijn aandacht van zijn tijdelijke baas naar het lege terrein waar een grote bestelwagen was verschenen bij het securityhek. Na een korte pauze liet de bewaker de auto door. Hij vervolgde langzaam zijn weg rond de schijnbaar toevallige hopen steen, zand en ander niet-geïdentificeerd materiaal die de bedrijfsvoorraad van de haven vormden, en zette koers richting het schip. McLean pakte zijn radio-ontvanger en nam contact op met het wachthuisje. ‘Wie was dat?’ ‘Een cateringbedrijf. Voorraden voor de scheepskeuken. Die mannen moeten ook eten, hè.’ De bewaker klonk verveeld. Nauwelijks verrassend gezien zijn shift. ‘Waren hun papieren in orde?’ vroeg McLean. ‘Volgens het rooster wel, ja.’ ‘Oké dan. Blijf uitkijken naar ongewone zaken.’ Hij legde de radio terug op het dashboard terwijl de bestelwagen naast het schip tot stilstand kwam. In het halfduister, met alleen de verre gebouwen als referentie, had het schip er klein uitgezien.
8
Maar nu de bestelwagen ernaast stond, zag McLean hoe groot het was, nu hoog in het water zonder zijn lading stenen. ‘Denk je dat ze hier iets zullen proberen?’ Jo Dexter rekte zich zo ver mogelijk uit in de krappe ruimte. Ze had beter achterin kunnen plaatsnemen, als daar al niet een stuk of wat agenten zacht lagen te snurken. McLean pakte de verrekijker die hij eerder die dag in een warenhuis had gekocht, en stelde hem scherp op de bestelwagen, waar de chauffeur net uitstapte. Eén enkele lamp verlichtte de trap die leidde van de kade naar het dek, maar die wierp vooral schaduwen. ‘Ook al houden wij hier niet de wacht, niets verlaat dit deel van de haven zonder dat de accijnsjongens het controleren. Onmogelijk om hier iemand naar buiten te smokkelen zonder iemand om te kopen.’ ‘Er zijn al vreemdere zaken gebeurd, Tony. Zie je iets?’ De chauffeur opende de achterdeur van de bestelwagen en kroop de duisternis in. Enige tijd later sprong hij er weer uit, greep een doos en droeg die de trap op. Althans, dat is wat McLean dacht dat hij deed. Want de bestelwagen stond zo geparkeerd dat hij de voet van de trap aan het zicht onttrok, terwijl de bovenkant in de schaduw lag. Slechts een klein stukje in het midden was zichtbaar, maar tegen de tijd dat hij had gefocust, was de chauffeur verdwenen. ‘Een man die kruidenierswaren uitlaadt, zo te zien. Yep, daar is hij weer.’ Beweging achter in de bestelwagen, en de chauffeur greep weer een doos en stapte richting trappen. McLean draaide de verrekijker een fractie scherper en ving nog net een glimp op van iemand voordat de duisternis hem opslokte. Het was niet veel, maar iets klopte niet. Hij kon het niet meteen aanwijzen – misschien de manier waarop de chauffeur bewoog? Een ogenblik later verscheen de man weer in zijn blikveld. Hij klauterde de trap op met een broodkrat in zijn handen. Maar dit klopte niet, toch? Waarom had hij niet gezien dat de chauffeur de trap afdaalde? Tenzij er twee personen in de bestelwagen zaten. Dat lag trouwens meer voor de hand. Nog een gedaante liep door de kleine lichtbundel. Hij droeg een grote kartonnen doos en worstelde met het gewicht en de omvang
9
ervan. McLean gluurde door de verrekijker en wenste dat de kijker meer kon vergroten. Deze gedaante leek anders dan de eerste en de tweede. Maar er kunnen toch geen drie personen de bestelwagen aan het uitladen zijn? En hoeveel voorraad had een vrachtschip trouwens nodig om van Leith naar Rotterdam te varen? McLean legde de verrekijker weg, startte de motor, ramde de Transit in de eerste versnelling en schoot vooruit. Naast hem greep Jo Dexter naar het handvat boven het portier, te verbaasd om iets te zeggen. ‘Ze smokkelen hen niet het land binnen. Ze brengen hen de haven uit. Wakker worden jullie. Tijd om te werken’, riep McLean naar het team achterin. Een gedempt gekreun en een hoog gejank waren het enige antwoord dat hij kreeg terwijl hij zo veel mogelijk gas gaf en de afstand tot het schip in een halve minuut overbrugde. De laadruimte van de bestelwagen stond open. Toen hij eromheen reed, verdreven de lampen van de Transit de schaduwen en onthulden wat er zich binnenin bevond. ‘Go! Go! Go!’ Het team stormde de laadruimte van de Transit uit, verspreidde zich en hield de bestelwagen onder schot. Een commotie op het dek werd gevolgd door iemand die schreeuwde: ‘Gewapende politie. Laat jullie wapens vallen!’ McLean en Dexter keken vanuit de Transit toe hoe een grote kartonnen doos naar beneden viel, en na een, twee buitelingen in een explosie van sinaasappelen te pletter sloeg op het beton van de kade. In een paar seconden was het voorbij. De brigadier die de leiding had van het gewapende-interventieteam, naderde de Transit en gaf het signaal ‘alles veilig’. McLean hoefde het niet te horen; hij zag het met zijn eigen ogen. Vanuit de laadruimte van de bestelwagen begonnen ze het licht in te klimmen. Bleek, sommigen bijna lijken, nauwelijks gekleed ondanks de kou en allen met dezelfde uitdrukking op hun gezicht. Een dozijn of meer jonge vrouwen, nog meisjes, hoewel hun gezicht verraadde dat ze al meer hadden gezien dan een meisje van hun leeftijd zou mogen zien. ‘Dit is niet echt wat ik verwacht had.’ McLean leunde buiten tegen de koele betonnen muur aan de
10
achterkant van het politiebureau en keek toe hoe de laatste jonge vrouw naar binnen werd geleid. De dageraad had de betrokken hemel oranje en paars geschilderd, als belofte tot regen later op de dag. Een snelle blik op zijn horloge leerde hem dat het bijna tijd was voor de ploegenwissel. Niet dat hij nog in ploegen werkte. ‘Nee, dit had ik ook niet verwacht.’ Jo Dexter zoog hard aan haar sigaret, hield de rook lang genoeg binnen om zijn verwoestende werk te verrichten, en blies hem toen opwaarts uit terwijl ze haar hoofd licht tegen de muur tikte. ‘Hoe zat dat ook alweer met die tip?’ De brief. McLean voelde in zijn zak en haalde de kopie tevoorschijn die hij van het forensisch team had gekregen. Hij wist dat het onderzoek van het origineel niets had opgeleverd, maar toch kreeg hij het nog niet terug. Dat gaf ook niet, want de woorden waren dezelfde. Datum, tijdstip, plaats, naam van het schip, alles stond erin. Hij vermoedde zelfs dat hij wist wie de afzender was, maar hij hield dit vermoeden liever voor zichzelf. Hij sloeg de rand van de gevouwen brief tegen zijn hand. ‘Het klopt allemaal. Dat weet je net zo goed als ik, anders had ik nooit toestemming gekregen voor dit gedoe.’ Hij knikte naar de Transitbestelwagen, waar het laatste lid van het gewapende-interventieteam, met losgemaakt, bungelend kevlarharnas, rinkelend het politiebureau in stapte. ‘Je hebt gelijk. Ik dacht dat het legitiem was. Maar dit? Prostituees uit de stad wegvoeren en hen naar Rotterdam en God weet waar brengen?’ Dexter schudde haar hoofd en zoog weer aan de sigaret alsof het antwoord daar ergens zat. Maar de rook die omhoog kringelde in de helder wordende lucht bood geen antwoorden. ‘Ik…’, begon McLean, maar hij werd onderbroken door de zoemende telefoon in zijn zak. Hij had tijdens het waken en toezicht houden de hele tijd op stil gestaan. Toen hij een snelle blik op het scherm wierp, zag hij een nummer dat hij onmiddellijk herkende. Dexter moest iets hebben gelezen in de uitdrukking op zijn gezicht, maar zei niets toen hij de oproep beantwoordde. Het gesprek duurde niet lang, zelfs niet lang genoeg om haar sigaret op te roken.
11
‘Slecht nieuws?’ vroeg ze door een walm van rook. ‘Misschien. Ik moet gaan.’ Hij zag hoe een fronsende blik zich op haar gezicht vormde. ‘Het zal niet lang duren. Het is gewoon… Ik moet gaan.’ En hij repte zich weg voor ze hem kon tegenhouden.
12
3 McLean wachtte zelfs niet tot dokter Wheeler hem had begroet, maar holde onmiddellijk de gang door, in de verwachting dat ze zou volgen. Hij kende haar nu al… bijna zes maanden? Ze was stil, competent en onmogelijk jong voor iemand met zoveel gedetailleerde kennis van het menselijk brein. Deze vrouw had hem de hoop gegeven dat Emma uiteindelijk wakker zou worden en had hem beloofd hem te waarschuwen zodra er iets gebeurde. En nu was er iets gebeurd. Hij werd verteerd door schuld sinds de dag van haar ontvoering, toen die arme, gekke brigadier Needham haar hoofd had ingeslagen, alleen omdat hij Emma te dicht in zijn buurt had laten komen. Hij had haar elke dag bezocht, ook al was het soms maar voor vijf minuutjes. Hij had bij haar gewaakt, zoals hij bij zijn grootmoeder had gewaakt toen die beetje bij beetje wegkwijnde, haar geest ergens anders, haar lichaam in leven gehouden door machines. Dag na dag, terwijl de hoop werd weggemalen zoals een berg zwicht onder de aanslagen van het weer. Hij had zichzelf gehard, de muren weer opgebouwd die zij als eerste in een decennium had gesloopt. Zichzelf gehard voor het geval hij een ander zou moeten begraven. Maar er was iets gebeurd. ‘Je zei aan de telefoon dat iets was veranderd?’ ‘Er is inderdaad iets veranderd, inspecteur. Maar wees niet te hoopvol. Ze is nog altijd bewusteloos.’ De weg naar de zaal stond in McLeans geheugen gegrift, maar hij moest nog altijd langs het hele gamma patiënten, die infusen aan een stander op wieltjes meesleepten of meer vlees onthulden dan aangenaam was om te zien vanwege schrale, rugloze schortjes. Hoewel hij het gevoel had dat hij er al zijn halve leven in had doorgebracht, kon hij maar niet wennen aan ziekenhuizen met hun
13
stank van ontsmettingsproducten, lichaamsvochten en wanhoop. De saaie beige muren hielpen niet, evenmin als de bizarre collectie kunstwerken die aan de muren prijkte. Ongetwijfeld gekozen door een of andere psychotherapeut om de optimale omgeving te creëren om te genezen. Of door een kind van zes jaar. ‘Bewusteloos is niet hetzelfde als in coma. Binnenkort wordt ze wakker.’ Klonk er uitzichtloze hoop in zijn stem, of vermoeide berusting? ‘Ik denk van wel. Ja. En inderdaad, bewusteloos is niet hetzelfde als in coma. Om te beginnen zijn de patronen van de hersengolven anders. Er gebeurt meer. Ze verschuift naar een toestand die eerder op slaap lijkt.’ Ze hadden de deur van de zaal bereikt, maar voordat McLean die kon openduwen, stak de dokter een hand uit en hield hem tegen. ‘Inspecteur… Tony. Je moet onder ogen zien dat er permanente schade kan zijn. Er zal bijna zeker permanente schade zijn.’ ‘Weet ik. Maar dit is mijn schuld. Ik ga haar niet in de steek laten.’ McLean wilde net de deur openduwen toen die zich uit eigen beweging van hem verwijderde. Een geschrokken verpleegster stond aan de andere kant. ‘Oh, dokter. Ik wilde u net komen halen. De patiënt begint te praten. Ik denk dat ze ieder ogenblik wakker kan worden.’ Net zoals McLeans grootmoeder tijdens de achttien maanden die haar lichaam nodig gehad had om te sterven, was Emma omringd door de machines die haar in leven hielden. Men had haar rechtop gezet. Zelfs tegen de witte kussens van het ziekenhuisbed stak haar gekrompen lichaam bleek af. Een goedbedoelende verpleegster had haar onhandelbare zwarte, piekerige haar getemd, dat veel langer was dan ze het ooit zou hebben gedragen. Terwijl hij naderde, zag McLean onmiddellijk hoe ze veranderd was. Haar ogen trilden onder oogleden, trekjes in haar gezicht herinnerden hem bijna aan haar ondeugende glimlach, maar verkreukelden toen in een frons. En de hele tijd bleef ze mompelen, stille jammerkreetjes van angst. Hij wilde haar hand grijpen zoals hij elke dag deed sinds ze hierheen was gebracht, maar dokter Wheeler hield hem weer tegen.
14
‘Het is beter gewoon te wachten. Een aanraking zou haar te snel wakker kunnen maken. Laat haar in haar eigen tempo terugkomen.’ ‘Wat is er met haar aan de hand? Ze ziet er bang uit.’ ‘Dat kunnen we moeilijk zeker weten, maar waarschijnlijk herbeleeft ze de laatste momenten voordat ze bewusteloos werd geslagen.’ Dokter Wheeler raadpleegde het klembord aan het uiteinde van haar bed, haalde toen een pieper uit haar jaszak. McLean had hem niet eens horen piepen. ‘Ik moet ervandoor. Ik kom zo snel mogelijk weer kijken.’ Het was een speciaal soort foltering, daar zitten wachten, toekijken hoe de emoties over Emma’s gezicht heen gleden en zich afvragen wat Needy, zoals brigadier John Needham vroeger door zijn collega’s werd aangesproken, haar had aangedaan. Alleen de dreun op haar schedel of was er nog iets? McLean vond het zelf moeilijk om de gebeurtenissen helder te reconstrueren. Te veel ingeademde rook en klappen op zijn eigen hoofd. Te veel bezig met het verleden dat hij afgesloten dacht te hebben maar dat hem niet los wilde laten. ‘Oh, mijn god. Nee.’ De stem bracht nauwelijks gefluister voort, maar het was de hare. McLean keek rond om te zien of een van de verpleegsters in de zaal het had gehoord. Maar ze hadden het te druk met andere patiënten en hun machines. Hij reikte voorover naar Emma’s hand, die op de lakens lag en waarvan ze de vingers nauwelijks merkbaar samentrok. Maar voor hij de kans kreeg ze te grijpen, trok ze haar hand weg. ‘Nee, nee, nee, nee. Nee!’ Harder nu, en Emma begon te schudden. Haar hartslagmeter waarschuwde met een ‘ping’, maar nog steeds waren de verpleegsters zich van niets bewust. McLean sprong overeind om hulp te gaan halen, maar een nietige hand schoot uit en greep zijn vuist verbazend stevig beet. Hij draaide zijn hoofd met een ruk om en zag Emma rechtop zitten met wijd opengesperde ogen. ‘Het nam hun zielen. Sloot ze allemaal op. Ze waren verloren. Ik was verloren.’
15
Waarna ze hem losliet. Haar ogen zonken in haar hoofd en ze liet zich weer in de kussens zakken. McLean kon slechts toekijken hoe de verpleegsters zich om haar bed verzamelden, gealarmeerd door de monitor. Hij kon niet bewegen, alleen maar staren naar Emma’s gezicht terwijl ze om haar heen druk in de weer waren, monitors controleerden, de druppeltoevoer aanpasten, elkaar dringende boodschappen toefluisterden. Gebeurde dit altijd als een patiënt uit een coma ontwaakte? Was er een procedure die ze volgden? Langzaam nam de commotie af. Alles wat gecontroleerd kon worden, was gecontroleerd. De patiënt sliep, haar hartslag was regelmatig. Alles was oké. Alles zou goed komen. Toch bleef hij zitten kijken, zich niet bewust van de voorbijglijdende tijd. Minuten, uren, het kon hem niet schelen. Dit was tenslotte zijn schuld. Hij zou zich niet onttrekken aan die verantwoordelijkheid. Nu niet. Nooit. De tweede keer werd ze langzamer wakker. Er verscheen een blos op haar gezicht toen haar ademhaling veranderde van diep en regelmatig in oppervlakkig en gejaagd. Haar ogen gingen langzaam open, een hand reikte naar haar hoofd alsof ze de opgelopen schade wilde meten. Toen zag ze de slang die op haar arm vastgeplakt was, de naald. ‘Hé, rustig maar’, zei McLean in de hoop dat een bekend gezicht en dito stem de paniek kon afwenden. ‘Je bent in het ziekenhuis. Je bent bewusteloos geweest.’ Emma draaide zich langzaam in zijn richting, haar hoofd te zwaar voor de verzwakte nekspieren om het te kunnen dragen. Ze kneep haar ogen tot spleetjes tegen het toch al gedempte licht in de zaal en het duurde even voordat ze hem scherp zag. Het duurde nog langer voordat ze iets kon zeggen. Hij had op een glimlach gehoopt, maar kreeg slechts een frons als beloning. Toen ze uiteindelijk sprak, was haar stem schor en droog. De woorden waren even afschuwelijk als onvermijdelijk. ‘Wie ben jij?’
16