De suzemienenboom van mijn oma
julien van remoortere
De suzemienenboom van mijn oma
© 2015 Julien Van Remoortere en uitgeverij Lannoo, Tielt Omslagontwerp Studio Lannoo D/2015/45/577 – NUR 301 ISBN 978 94 014 2869 9
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen.
OVERZICHT VAN DE VERTELLINGEN
De boeken open De suzemienenboom van mijn oma De kunst om suzemienenthee te zetten Mijn schrijfboek Mijn oma als kind Toen mijn oma vrijde met Peteren Sies Bitter verlies Het verschil: het geloof Amai mijne rug‌ De zuringsoep van Pitte Matiel Ons Deniesken De seskes Onze RenÊ De tijd van de twijfels Een middeltje tegen wratten en een ander tegen een valling Onze nagelenbuik De eerste vrijdag van de maand De duiven van nonkel Leon Er zit oorlog in de lucht Ik als misdienaar Onze familie onder vuur Hamsteren Kanonnenvlees Den abri Hoe ge paraplusaus moet maken
De oorlog aan onze deur De dood door breinaalden in uwe kop Op de vlucht En toen was het onze toer Het stoofvlees van ons moeder De nacht in den abri De vrouw met een schrappenel in haar buik en een man met een losse teen En toen begon de bezetting De schildersjongen Ons eten in de oorlog Hoe ge de karamellen van Pitte Matiel kunt maken Van katten wordt ge sterk Porei als ge niet goed meer ziet Nonkel Dies: een held En de terugkeer van nonkel Prosper Soep van tingelen Op rantsoen De zwarte markt Toebak die eigenlijk geen toebak is De botersmokkelaars Onze wereldkaart, de bloknagelkes en de kopspellekes De erwtenpluk En zo kunt ge koken op zijn oorlogs De catechismusles De bittere winter van 1942 Onze vaders en onze moeders De grote droom: wit brood De trekzak van kozijn Marcel Moet er nog vis zijn? De val van mijn vriend, de Zozef Somers De kruisweg van Peteren Sies De nachtmis Onze RenĂŠ naar Duitsland
De Gestapo Lili Marleen en andere liekes De benen van Melanie Ze trekken weer strepen Wie met Gods klokken schiet, die wint den oorlog niet Onze polders verzopen in het water Hoe ge eieren maandenlang en nog langer kunt bewaren Een spookachtig woud Briefjes en dinges uit den hemel Nieuwjaren bij de andere kant Dietse en Duitse liekes De laatste lente in bezet land Zuul Het wafelijzer van Pitte Mie Meindoonk Bevrijd De kwaadheid van de mensen De bevrijding van de Kaasman Het been van nonkel Dies Het trage herstel De Duitsers komen terug! De vliegende bommen V-Dag Het wederzien
DE BOEKEN OPEN
Zekere dag zei mijn oma me: ‘Manneken, zoudt ge misschien iets over mij willen schrijven vooraleer ik helemaal vergeten zal zijn?’ Ik antwoordde: ‘Pitte Matiel, wat zoudt ge graag hebben dat ik over u schrijf? Ge zijt al meer dan zestig jaar dood en begraven. Ik sta al zo dikwijls half gebogen, alsof ik in gedachten voor uw lievelingskip Kiek wat maïs of wat tarwe strooi op het erf van onze oude blokmakerij, en niet goed weet wat ik nog samen kan scharrelen over vroeger.’ ‘Vraag aan Urbain, de stambomer van onze familie, of hij nog eens kan onderduiken in de kelders van het gemeentehuis van Beveren, om daar in de oude boeken een en ander uit te zoeken, de brave ziel.’ En dat deed mijn neef Urbain. En dit liet hij me weten via zijn computer, want de oude tijden waren voorgoed voorbij. Dierickx Marie Mathilde werd geboren in Beveren, op de zesde dag van september van het jaar 1869, om één uur in de nacht, thuis op het Halfdreef. 1869 was, volgens de christelijke jaartelling, het negenenzestigste jaar van de negentiende eeuw. In februari van dat gezegende jaar maakte de Rus Dmitri Mendelejev een grote lijst op van alle stoffen waaruit alles is opgebouwd, 92 elementen, en hij bracht ze onder in families die ik hier niet ga opsommen, omdat ge daar toch niets aan hebt als ge 9
geen hele of halve geleerde bent. De plezierige dingen van het jaar 1869 waren twee openingen: ten eerste, in Brussel, die van de eerste paardentramlijn van dit scheve land, en ten tweede de feestelijke opening van het Suezkanaal, de slagader tussen de Middellandse Zee – waarvan elke golfslag een fantastisch verhaal uit de geschiedenis vertelt – en de Rode Zee, een smalle, langgerekte binnenzee, nu nog, maar ooit zal ze zo breed worden als de Atlantische Oceaan, ze denken over vierhonderd miljoen jaar. Af en toe kleurt ze rood, wanneer de rode blauwwieren in haar schoot tot bloei komen. Zo weet ge dat blauw ook rood kan uitslaan. Gelijk in de politiek, zeg maar. 1869 was tevens het jaar waarin Zénobe Gramme de dynamo uitvond. Wie noemt nu zijn kind Zénobe? Die moet wel een kleine slag van de molen hebben. Op mijn ouderwetse fiets stond een dynamo. Die deed mijn fietslamp branden. Op een keer, toen ik nog aan de hoogovens van de Zilver van Hoboken werkte, fietste ik op een ijzige winterdag van Beveren naar de overzet in Kruibeke. Soms slingerde ik over de verse sneeuw, maar eindelijk kwam ik bij de Schelde aan. Daar stonden twee gendarmen en die ene riep: ‘Halt!’ en ik stopte natuurlijk. ‘Uw licht brandt niet!’ riep de andere. Ik zei: ‘Mijn licht brandt wel.’ ‘En ik zeg dat het níét brandt!’ Ik tilde het voorwiel van mijn fiets op, de dynamo tegen de zijkant van de fietsband, en ik deed met een felle ruk het voorwiel zoeven, en kijk, daar straalde mijn licht triomfantelijk door de flauwe winterlucht. Maar de deugnieten van gendarmen zeiden dat het daareven toch niet brandde, en naderhand moest ik een boete betalen van 200 frank en daar moest ik meer dan drie dagen voor werken in de Zilver van Hoboken, aan de hoogovens die het vergif van gesmolten, heet lood uitwasemden, en waar de hoogovenwerkers per dag een halve liter melk aangeboden kregen door de fabriek, zogezegd omdat daarmee de kwalijke wasems van het kokende lood tenietgedaan werden. Wie ook nog in 1869 geboren werd, was Gandhi. Toen hij nog 10
maar elf was, trouwde hij al, maar ja, dat gebeurde dan ook in een ver land, in India. ‘Wie te jong trouwt, schept er al het vet af vooraleer het kookt,’ was een van de spreuken van Pitte Matiel, maar het duurde heel lang voor ik die spreuk goed begreep. De vader van mijn oma was Frederik Dierickx, geboren op het Eyveld in Beveren, op 29 oktober 1836. Zijn vader heette Joannes Dierickx, geboren in 1798, zijn moeder was Josepha Rooms, geboren in 1804. Overgrootvader Frederik trouwde op de negende mei van 1866, om acht uur in de ochtend, met de zes jaar jongere Maria Elisabeth Rogiers. ‘Ja,’ knikte mijn oma, ‘arme mensen moesten toen vroeg opstaan om te trouwen, nu mogen ze langer slapen. Maar wie arm was, werd ook vroeg op den dag begraven en de kist met het lijk bleef achter in de kerk staan. Vooraan, vlak onder de vier enorme pilaren van de toren, was de plek voor de rijken, de graaf van ’t kasteel en de notaris en de burgemeester. Dat was zo en als ze het nu nog konden arrangeren, ze zouden het nog doen. Het duurt jaren en jaren vooraleer het eruit gesleten is.’ Overgrootvader Frederik en overgrootmoeder Maria Elisabeth kregen zes kinderen. Eduard, hun eerste kind, kwam op de wereld op de dag dat in 1867 de lente begon. Ge zoudt kunnen denken: dat is een zonnekind en een gelukzak, maar hij is nooit getrouwd. In de boeken staat niet te lezen waarom; zoiets hielden de mensen voor zichzelf, maar nu vragen ze niet beter dan alles open en bloot te vertellen voor de televisie of op facebook – dat ik zelf graag ‘het smoelenboek’ noem. Het is alsof niemand nog in staat is om iets broos of intiems voor zichzelf te houden. Het tweede kind van Frederik en Maria Elisabeth was dan, goed twee jaar later, mijn liefste oma Marie Mathilde, een geluk van ons Heer dat haar roepnaam Mathilde was, zodat ze dan later, toen ik geboren werd, Pitte Matiel kon worden. Dat is toch schoner dan Pitte Marie, vind ik. Na haar volgden nog vier zussen: Rosalia in 1872, Marie Cle11
mentina in 1874, Anna Hortensia in 1877 en Maria Josephina in 1881. Zodat vader Frederik en moeder Maria Elisabeth in het totaal vijf meisjes en één zoon kregen. Eén enkele zoon, die dan, zoals gezegd, nooit getrouwd is, en de naam niet heeft voortgezet. Waarom? Geheim, mysterie, maar soms heb ik, wellicht helemaal ten onrechte, gedacht dat Eduard Dierickx een homo is geweest. Nu kunt ge dat in het openbaar zeggen. Alleen de heel oude mensen en de rijstkakkers zouden er nu nog schande over spreken. Maar van Eduard weet ik alleen nog dat hij werkman is geweest en dat hij op 25 november 1904, om twee uur in de middag, gestorven is op het Halfdreef in Beveren, en verder is er niets van hem overgebleven, niet eens een vage schim. En ja, dan mijn vier groottantes. Later heb ik ontdekt dat de zus van uw vader of uw moeder vroeger ‘moei’ werd genoemd – dus bijvoorbeeld moei Rosalie of moei Clementien – en dat is, zo voel ik het aan, heel wat schoner dan een Franse ‘tante’ en ge vraagt u af waarom ze dat veranderd hebben, misschien wel voor de Franse chique, of omdat alles in die taal iets heeft dat zich meerwaardig voelt en dus een soort heerszucht inhoudt, maar nu in niet te stuiten afbraak is, zodat over vijf of tien eeuwen alleen nog het Amerikaans – dat zo vaak mijn oren teistert – zal overblijven, althans wat de zogezegde westerse beschaving betreft. Voilà, tot zover toch iets over het verre verleden van mijn familie, met dank aan het opzoekingswerk van neef Urbain. Ik had nog graag véél verder kunnen teruggaan in de geschiedenis, echt naar het allereerste beginpunt van mijn familie. Maar dat kunt ge niet vinden, denk ik, zeker niet als ge van bescheiden afkomst zijt, of zonder een voorvader die toch iets of wat beroemd was, onder andere als leerjongen bij de uitvinder van den elentriek, of bij iemand die alle sterren kent die in een donkere, heldere nacht boven uw kop staan, ik zeg maar wat.
12
DE SUZEMIENENBOOM VAN MIJN OMA
Zo’n suzemienenboom hebt ge nog nooit gezien. Hij groeide in een hoek van de hof, ja, daar rechts, waar nu dat tuinhuisje staat. Hij was drie- of viermaal zo groot als ik. Al van zodra er nog maar één sprankeltje lente in de lucht zat, kwamen uit zijn takken nieuwe scheutjes tevoorschijn. Helemaal boven in de boom las ik zijn verlangen om bloempjes te maken, dat was nogal een strijd tegen de winterkou die nog nahaperde, en ik las eveneens de eerste geschriften van de lente. Want toen al zag ik alles in geschriften, in wat geschreven werd voor wie het kon lezen, en wie dat niet kon, die werd door de Goden verworpen. Toen geloofde ik, bijna zonder dat ik het wist, nog in de Goden, de superieure wezens die met één vingerknip een doolaard van u maakten of een fijne meneer/madam. Maar ik wilde noch het een noch het ander en bad opdat wat mijn oma, mijn liefste Pitte Matiel, me voorhield, echt waar zou zijn: gelukkig zijn met wat ge hebt, met iets kleins en dus klein geluk, maar niet altijd. En iets wat groter is, ja, dan wist ge het nooit, dan was het mogelijk dat ge kondt vergaan in een waas van dichte mist die in het voorjaar komt aansluipen over het land, en alles in slaap houdt, met harde, koude hand, en hoe ge daartegen moet vechten, dat weet geen mens. De buurman van mijn oma beweerde dat haar suzemienenboom te veel zon wegnam van zijn leiperenboompjes en hij wilde dat haar boom het leven benomen zou worden, zo werd dat door mijn oma genoemd. Zij sprak haar hele leven lang een ouderwetse 13
taal, die ge niet meteen kondt begrijpen, maar ik wel, dankzij de Goden van toen, en ik bewaar ze als een zuinige schatbewaarder, als een verzamelaar van niks-dinges, als een schim van ooit, misschien wel uit de oertijd. Wanneer niemand het zag, knielde ik bij valavond naast de gaas draad die de tuin van mijn oma scheidde van die van de buurman. Met een scherp schepje groef ik een gat, onder de draad door, tot ik bij de wortels van een leiperenboompje kon en ik knipte ze stuk met de snoeischaar van Peteren Sies, ik strooide er nog een handvol keukenzout bovenop en vulde het putje weerom en het regende en niemand kon nog zien dat ik geknoeid had met de lievelingsboompjes van de buurman, en kijk, ze kregen wel blaadjes en witte bloemetjes, maar al gauw zat de plaag erin en wat de buurman ook strooide, krachtstof voor de boompjes of een geheim mengsel van Charlowie de Puist, ze vergingen terwijl ge erop stondt te kijken. ‘Kijk es aan,’ riep de buurman met klaag in zijn stem, ’mijn mooie boompjes die doodgaan… Zou dat niet zijn van uw suzemienenboom die veel en veel te groot wordt?’ ‘Ach,’ antwoordde mijn oma met berusting in haar stem. ‘Ooit gaat het allemaal dood, buurman. De plaag, buurman. Dat ze maar niet overslaat op mijn paasbloemen en mijn dronkaardspluimen.’ ‘Hoe kan dat toch…’ zuchtte hij. ‘Misschien zijn mijn leiperenboompjes wel vervloekt.’ ‘Hebt gij soms zout nodig gehad?’ wilde mijn oma weten toen we terug in de keuken stonden. ‘Ik? Zout?’ viel ik zogezegd uit de lucht. ‘Waarom zou ik in godsnaam zout nodig gehad hebben?’ ‘Omdat ik bijna zonder zit,’ zei ze. ‘En ik dacht dat ik nog een pak in reserve had. Dus nee. Ach, ik begin alles te vergeten, manneken. Loop maar eens naar de winkel van Corduul om een… ja, wat wilde ik nu ook alweer?’ ‘Zout,’ wist ik. ‘Maar wat heb ik daarstraks horen zeggen? Iets van dronkaards of zo?’ 14
‘O,’ lachte ze, ‘ge wilt zeggen: dronkaardspluimen? Dat is het oude woord voor suzemienenbloemen. Als ge ze afsnijdt en in een vaas zet, dan zuigen en zuipen ze al het water op voordat ge drie keren dronkaardspluimen hebt gezegd.’ Dat was dus alweer een heel oud woord, dat ik zorgvuldig opborg in mijn geheugen. Maar op het geheugen van mijn oma kwam sleet. Dat merkte ik niet altijd, maar ze begon soms te dolen. Dan herinnerde ze zich niet meer wat ze tien minuten tevoren nog gezegd had, dan stond ze, een beetje voorovergebogen, met gesloten ogen en met een soort krampje dat haar gezicht vertekende, te scharrelen gelijk Kiek, haar oude leghen, in de brokjes geheugen daar ergens voor haar neus op het erf van de klompenmakerij van haar man, Peteren Sies. Die was de wreedste dood gestorven die ik ooit in mijn leven heb meegemaakt, nog in de tijd dat er geen doktoor klaarstond met een spuitje, waarvan ge al weg zijt nog voor hij gespoten heeft. Misschien voert het u kortstondig het grote licht achterna, maar uiteindelijk leidt het u de volstrekte duisternis in, zo denk ik nu. En ik hoop dat het allemaal niet waar zal zijn, wanneer het mijn beurt is. ‘Gij zijt zot,’ vermaande mijn oma me. ‘Kijk naar de zon, kijk naar de sterren. Dan zult ge weten wat het is.’ De sterren van mijn oma: dat was nog zoiets aparts. Ze had maar tot haar 12de jaar schoolgelopen. Ze leerde er kantklossen op een kussen, maar daar was een non, zuster Magnolia of zoiets, die aan de kinderen vreemde verhalen vertelde terwijl ze zaten te klossen. Sterrenverhalen. En daardoor kende mijn oma een heel pak sterrenbeelden uit haar hoofd, zoals de Beeldhouwer en de Hagedis, en het Hoofdhaar en de Luchtpomp, en verder de Raaf en het Veulen en het Schild van… van wie was dat schild ook alweer, Pitte Matiel? ‘Van Sobieski,’ antwoordde ze. Gek, om zich die vreemde naam te herinneren stond ze nooit te scharrelen gelijk Kiek; die naam rolde er vanzelf uit. 15
‘En wie was dat wel, die Sob… ge weet wel, Pitte Matiel, dié?’ ‘Hij was de koning van Polen,’ antwoordde ze met eerbied in haar stem. ‘En hij heeft bij Wenen, die schone stad, de duivelsmuzelmannen overwonnen. Daarom staat hij aan de hemel, met zijn schild. En als ge last hebt van verstopping of spoelwormen, dan roept ge hem aan, want hij is zeker en vast heilig, en hij laat u nooit in de steek. Dat heb ik zelf al ondervonden.’ Daar stond ik van te kijken. ‘Maar het schoonste sterrenbeeld is Orion,’ zei ze nog. ‘Toen Orion nog bij leven was, heeft hij de dode koning van Egypte weer tot leven gewekt. Een snoderik (weer een van haar ouderwetse woorden) had die koning in stukken gesneden met een mes, zoals Peteren Sies er een gebruikt op het snijpaard, en alle stukken werden overal rondgestrooid. Tot Orion ze opraapte en bij elkaar paste en hij blies er zijn asem over en kijk, de koning kwam terug tot leven.’ ‘Dat is gelijk God,’ knikte ik. ‘Toen hij over het slijk van Adam blies. Hoe weet ge dat allemaal, Pitte Matiel?’ ‘Door mijn ogen en mijn oren goed open te houden, jongen. En curieuzeneus te zijn.’ ‘Maar ge zegt toch altijd dat curieuzeneuzen niet in de hemel komen?’ merkte ik fijntjes op. ‘Ge moogt niet alles geloven wat ze over de hemel vertellen,’ antwoordde ze met iets wat op een knipoog gelijkt, hoewel knipogen meer iets voor mannen is dan voor vrouwen, vind ik. ‘Kunt ge me naar Orion leren kijken, Pitte Matiel?’ vroeg ik haar nog. ‘In januari,’ knikte ze. ‘Dat is de beste tijd, als de stenen uit de grond vriezen, dan staat hij te pinkelblinken aan de hemel, daar zo,’ en ze wees naar een van de hoeken van de woonkamer, waar Peteren Sies de klompen neerzette die nog geschraapt moesten worden, avondwerk voor de hele familie. ‘En,’ voegde mijn oma daar nog aan toe, ‘een van zijn sterren is Betelgeuze, en ze zeggen dat die de dikke teen is van een soort god 16
uit een land, ver van hier. Van de vijf tenen van zijn rechtervoet waren er vier volledig vervrozen. Die werden dan maar afgebroken door de oppergod van dat land, want ze dienden toch tot niets meer.’ ‘Ze konden die tenen toch nog laten bekomen?’ veronderstelde ik. ‘Bij een vuurtje of zo?’ ‘Onmogelijk, jongen. Als ge tenen of andere stukken van uw lichaam heel diep laat vervriezen en dan weer ontdooien, dan houdt ge op den duur iets over als kwalijke kinnekenspap, die zelfs de varkens niet meer lusten. En nu ga ik suzemienenthee brouwen. Hebt ge goesting?’ ‘Mm, mm,’ zoemde ik tevreden. ‘Laat maar komen, Pitte Matiel.’
17
DE KUNST OM SUZEMIENENTHEE TE ZETTEN
Als de suzemienenboom in zijn volste bloei staat, dan plukt ge enkele takken met dronkaardspluimen, ge wrijft de geurende bloempjes los met de hand en ge mengt ze met eenzelfde hoeveelheid jonge blaadjes van de boom. Dat mengsel laat ge goed drogen. De blaadjes nemen de heerlijke geuren van de bloemen op en als dat gebeurd is, verwijdert ge de bloemblaadjes, en houdt ge dus de suzemienenthee over. Voor een kopje suzemienenthee neemt ge een theelepel gedroogde blaadjes, ge overgiet die met kokend water, ge laat dat vijf minuten trekken, ge vist de blaadjes uit het water en ge roert, als ge daar goesting in hebt, wat honing door de groene, sterk geurende thee. ‘En nog iets dat ge moet weten,’ zei mijn oma toen ze van haar thee had geslurpt. ‘En dat is dit: als ge suzemienen riekt zonder dat er ook maar iemand in de omtrek van twintig vadems van de boom is geweest, of dat de wind met zijn takken heeft geschud, dat is het godallemachtig zeker dat op die plek een engel voorbij is gekomen.’ Ik vroeg me in stilte toch af of dat niet een soort spreuk was van oude vrouwen, die overal om zich heen wel engelen en ook duivels zagen, alsof ze in twee of zelfs in drie werelden tegelijk woonden: de hemel, de hel en het dagelijkse bestaan op aarde. Toen ik groot was, heb ik dat ook eens geprobeerd, en ik ben altijd in maar één enkele wereld uitgekomen. En als die het me moeilijk maakte, dan probeerde ik van die moeilijkheden los te komen en daarna wat rond te zweven in een vriendelijker versie 18
van die wereld om weer op asem te komen. In die ene wereld had ik geleerd dat de geur van suzemienen ook nog een afrodisiacum is. En ik heb dat uitgeprobeerd, natuurlijk. En ’t is waar. Maar toen was mijn oma al lang dood.
19