Skip to main content

9789401428675

Page 1

Zoon in Congo


MWANA_TLblz2_Opmaak 1 31/08/15 09:17 Pagina 2

LE E N VAN D E N BE RG

Zoon in Congo L EZoektocht E N V A Nnaar D Eeen N vader BERG

Zoon in Congo Zoektocht naar een vader


www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen.

Tekst: Leen van den Berg Opmaak: ZetSpiegel, Best Coverontwerp: Leen Depooter, Quod Auteursfoto: Kristof Ghyselinck

Als u opmerkingen of vragen heeft, dan kunt u contact nemen met onze redactie: redactielifestyle@lannoo.com

Š Leen van den Berg en Uitgeverij Lannoo, Tielt, 2015 D/2015/45/513 – NUR 301 ISBN: 978 94 014 2867 5 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


De auteur ontving voor het schrijven van deze roman een schrijfbeurs van het Vlaams Fonds voor de Letteren


The mind of man is capable of anything – because everything is in it, all the past as well as all the future. Joseph Conrad, Heart of Darkness (1902) The truth is rarely pure and never simple. Oscar Wilde, The Importance of Being Earnest (1895)


Proloog

Sommigen zijn in staat zo onvoorwaardelijk lief te hebben dat ze eraan ten onder dreigen te gaan. Elias Francken was zo iemand. Hij hield zo veel van zijn moeder dat hij voor haar de Schelde heen en terug had willen overzwemmen, zelfs onder water, als dat had gekund. Zijn moeder had hem jaren geleden naar het weeshuis gebracht, het Knechtjeshuis. Waarom ze dat had gedaan, wist Elias niet. Wat hij wel wist, was dat hij voor de rest van zijn leven geen ‘knechtje’ wilde blijven, geen onnozelaar waarop iedereen kon schijten. Hij wilde later de wereld zien. En hij wilde werk waarbij hij liever niet zijn handen en zijn rug, maar wel zijn broek zou verslijten. Daarom was het dat hij die ochtend onder de dekens zijn Franse woordjes lag in te oefenen voor de overhoring op school. Toen de surveillant in de deuropening van de slaapzaal verscheen en hem sommeerde naar het kantoor van de directeur te gaan, moffelde hij zijn schoolboek weg. Hij keek even naar de Kromme, die in het bed naast het zijne nog stevig lag te pitten, en begon zich in zeven haasten aan te kleden. Hij zag haar meteen zitten, met haar rug naar hem toe. Elias was verrast: zijn moeder daar? En op dit vroege uur? Haar wollen sjaal hing los over haar schouders, die hoekiger leken dan anders. Of beeldde hij zich dat in? ‘Kom binnen, jongen.’ De directeur wees naar de lege stoel naast haar. Hij vergat haar zelfs een hand te geven. Elkaar kussen deden ze nooit. Moeders die hun zonen kusten, was een gewoonte die niet paste bij een tijd waarin vrouwen nog geen rechten hadden, 9


vooral niet het recht om weekhartig te zijn. En kussen paste al helemaal niet bij een vrouw als Elias’ moeder, die alleen mannen kuste om brood op de plank te krijgen. Ze sloeg haar ogen even op naar haar zoon toen die naast haar ging zitten, maar borg ze meteen weer op in de handtas op haar schoot. Elias pijnigde zijn hoofd over wat zijn moeder hier kwam doen. Bezoek was alleen toegestaan op zondag, één keer om de twee maanden. En nu zat ze hier in het midden van de week op een uur waarop de halve stad nog sliep. Het kon niet anders of het moest een abuis zijn. ‘We moeten even praten,’ begon de directeur. Hij tikte de kop van zijn pijp uit in de asbak op zijn bureau. Dat deed hij altijd als hij iets belangrijks te zeggen had, alsof hij door dat tikken niet alleen de opgebrande tabak uit zijn pijpenkop klopte, maar ook de gedachten die vastgeklonterd zaten in zijn eigen kop. ‘Uw moeder heeft me laten weten dat ze graag wil dat ge terug thuis gaat wonen.’ Elias zat met zijn billen vastgenageld aan de stoel. Thuis? Hij kon zich niet eens voorstellen dat hij ergens een thuis had en hoe die er dan wel mocht uitzien. ‘U bedoelt,’ stotterde hij, ‘dat ik…’ Hij keek verdwaasd naar de directeur, toen naar zijn moeder die even kuchte in haar zakdoek. ‘Wilt u ons even alleen laten, mevrouw Francken?’ vroeg de directeur. Elias’ moeder knikte, stond aarzelend op en liep geruisloos naar de deur. Zelf bleef hij stom staren naar haar lege stoel, alsof het een geest was die hier had gezeten, alsof hij zich alles maar had ingebeeld. De directeur schraapte zijn keel. ‘Ge zijt niet verplicht mee te gaan. Als ge wilt, probeer ik haar ervan te overtuigen u hier te laten. Ge zijt een uitzonderlijk goede leerling, daarom hebt ge ook die kans gekregen op het atheneum. Ik ben bang dat ge die kans nooit meer krijgt als ge met uw moeder meegaat.’ 10


Elias opperde dat hij toch net zo goed naar school kon gaan als hij bij zijn moeder woonde. Moeder wist toch dat hij altijd een goede bulletin had? En ze wilde toch een schone toekomst voor haar zoon? ‘Ik heb haar doen beloven dat ze u niet van school haalt,’ zei de directeur, maar hij kon hem niks verzekeren. Als Elias de deur van het Knechtjeshuis achter zich dichttrok, zat het er dik in dat dit het einde van zijn studie aan het atheneum betekende en daarmee het einde van zijn vooruitzicht op een beter leven, waarschuwde hij Elias. Elias had het gevoel dat zijn linker- en rechtervoet in twee wankele schuiten stonden en dat die schuiten elk een andere kant op wilden. Of erger nog: dat iemand probeerde hem met een bot mes doormidden te snijden, van zijn kruin tot aan zijn tenen. Als hij met zijn moeder meeging, was het gedaan met de plagerijen van de Vlieg en de Mosterd. Dan was hij verlost van het Paterke en zijn slagen met de nesteltros. En het belangrijkste van al: als hij met zijn moeder meeging, was hij eindelijk geen wees meer. Dan was hij als alle andere kinderen op school. Maar wat als zijn moeder hem niet langer naar school liet gaan? Hij wilde een toekomst en hij genoot bovendien van al het nieuwe dat hij leerde in de klas. Hij hield ervan de Franse woordjes in te oefenen – mère, père, mouchoir – de ‘r’ moest vanuit de keel komen, zei de meester altijd. Elke avond, in bed, herhaalde hij de woordjes stilletjes onder zijn deken. Op de een of andere manier maakte het hem rustig. Hij hield ervan ingewikkelde sommen of delingen te ma­ken en als de leraar geschiedenis vertelde over de Romeinen en de Grieken, dan hing hij aan diens lip. Moest hij dat allemaal opgeven? Hij draaide zich om en keek door het binnenraam dat uitgaf op de gang waar zijn moeder stond te wachten; haar vingers kneedden zenuwachtig het handvat van haar versleten tas. Op datzelfde moment gebeurde er iets vreemds met hem, alsof er een kachel werd opgepookt binnen in zijn buik en zijn hele lijf naar haar toe werd gezogen. 11


‘Ik ga met haar mee,’ zei hij, nog voor hij zich terug had omgedraaid naar de directeur. ‘Als dat uw beslissing is…’ De directeur stond op, riep zijn moeder weer naar binnen en liep zelf de gang in, naar het kantoor van de econoom. Zijn moeder ging weer naast hem zitten en keek hem met vragende, bijna smekende ogen aan. Er zat angst in haar blik, of was het radeloosheid? Een drenkeling die zich vastklampt aan een stuk wrakhout. ‘Ik heb ja gezegd,’ zei hij en hij bedacht of hij haar zou omhelzen, maar hij wist niet hoe daaraan te beginnen. Zijn arm hing in de lucht – op weg naar haar schouder – toen de directeur weer binnenkwam met in zijn hand een boekje dat Elias al eerder had gezien. Een jaar of wat geleden waren ze met z’n allen naar de Harmonie gegaan en hadden er in de feestelijk versierde zaal gezongen voor de Vrienden der Wezen. Elias had er zijn ogen uitgekeken bij het zien van de dikke tapijten en de bloemen die er feestelijk overheen waren uitgestrooid. De hele zaal rook naar een rozentuin. Bij het buitengaan moesten ze hun pet afnemen voor het bestuur en kregen ze elk een marsepeinen vent en een spaarboekje. Dat spaarboekje gaf de directeur nu aan zijn moeder. ‘Er staat niet veel op,’ zei de directeur terwijl hij haar het boekje overhandigde. ‘Bij de jongens die in de leer zijn bij een stielman storten we er een kwart van hun loon op, maar Elias gaat naar school zoals u weet. Het is in elk geval voldoende voor de kosten van dit schooljaar.’ En toen tegen Elias: ‘Ga uw spullen maar halen.’ ‘Ja, mijnheer de directeur.’ Elias schoot het kantoor uit, de trap op naar de slaapzaal. Nu hij zijn besluit had genomen, kon het niet snel genoeg gaan. ‘Zorg ervoor dat we trots op u kunnen blijven.’ Met die woorden liet de directeur hen uit door de brede voordeur. Elias met zijn 12


boekentas, moeder met zijn doos met kleren. Het leek of hij zweefde toen hij de vier arduinen treden afliep. Hij was niet langer nummer 16 uit het gesticht voor wezen en verwaarloosde kinderen. Hij was Elias, de zoon van Louise Francken. Het hoofd rechtop liep hij, naast zijn moeder, de Durletstraat uit. In zijn rug voelde hij de ogen van de andere jongens, die met hun neus tegen de vensters plakten. Hij had een moeder. Hij wel. Een moeder die van hem hield en die hem nooit vergeten was. Nog even draaide hij zich om. Achter het raam van de refter zag hij de jaloerse blikken van de andere jongens. De wraakzuchtige grijns van de Vlieg en de Mosterd. En toen zag hij de Kromme, die aarzelend een hand opstak en naar hem zwaaide. Hij slikte. Hoe het voelde om een broer te hebben, wist hij niet, maar wat hij voelde voor de Kromme kwam beslist dicht in de buurt. De Kromme was de enige die hij zou missen en hij had niet eens afscheid van hem genomen. Hij zette zijn boekentas neer, zwaaide terug, maar zijn arm ging amper de lucht in of zijn moeder trok hem met zich mee. ‘Kom, straks valt ge nog, kiekenkop. Kijk waar ge loopt.’ Terwijl hij haar volgde naar zijn nieuwe huis, zag hij in zijn verbeelding een gevel met een glimmende pui en een woonkamer waar de haard gezellig brandde. Maar toen ze over de Veemarkt liepen en de stank van rot vlees en bloed in zijn neus kroop, brandde de haard al wat minder gezellig. Toen zijn moeder even later een smalle steeg in liep en zei ‘Hier is ’t’, trok er een ijzige kou door zijn lijf. Het paleis van zijn dromen bleek een scheefgezakt krot in een nauwe steeg die stonk naar verrotting en pis. ‘’t Gemak is daar,’ wees ze naar een gammele deur wat verder­ op in de steeg en ze trok hem mee de trap op naar een kamertje met twee strozakken, een wankele stoof, een krakkemikkige tafel en twee stoelen.

13


‘Kort is de illusie, lang de spijt.’ Elias had het kunnen weten, maar hij had nog niet de leeftijd om Schiller te lezen. En zelfs al had hij dat gedaan, dan nog zou ‘spijt’ niet het gevoel zijn geweest dat bij hem opkwam. ‘Kou’ en ‘honger’, dat waren de enige woorden waaraan hij dacht, die eerste nacht daar op zijn strozak, terwijl de vrieskou in zijn botten kroop. Hij durfde niet te denken aan de winter die straks zou komen en probeerde het grommen van zijn maag niet te horen, die klonk als een lege voorraadkast. Als hij even indommelde, lag hij weer in het zachte bed in de slaapzaal van het gesticht of zat hij in de refter achter een vol bord pap. Hij droomde van een warm bad terwijl de opzichter zijn rug schoonschrobde en als hij dan wakker schrok, beten de kou en de honger nog erger dan tevoren. Tot hij in de andere hoek van de kamer zijn moeder hoorde ademen en kuchen. Die ademhaling en dat kuchje waren de warmste stoof die hij zich kon inbeelden. Ze deden hem alle ontbering vergeten. Hij was bij zijn moeder en waar wil een kind liever zijn? Jarenlang had hij ervan gedroomd in haar armen in slaap te vallen en nu lag ze op een armlengte van hem vandaan. Veel dichter kon hij niet komen. Ze zag hem graag, ze was hem niet vergeten. Hij staarde in het duister naar haar rug en schrok toen ze weer een hoestbui kreeg; ze hapte naar adem en toen ze eindelijk weer lucht had, schuurde haar stem: ‘Ik heb een goed woordje voor u geplaceerd bij een foreman in de haven. Morgen kunt ge beginnen.’ Het plafond van de kamer viel op zijn hoofd. ‘En mijn school?’ Zijn hart kneep samen terwijl hij in het donker de woorden tussen hen in schoof. ‘Ik ben ziek, Elias. Iemand moet de kost verdienen. Of wilt ge soms dat uw moeder crepeert van de honger?’

14


deel 1

geloof


1 ‘Het spijt me, ze is een half uur geleden overleden.’ De ziekenhuiszuster liet het klinken alsof het haar echt speet. Met haar grote, witte kap deed ze hem denken aan een valse engel die uit de hemel naar de aarde was gezonden om mensen slecht nieuws te brengen, verpakt in zalvende woorden. ‘Het spijt me,’ herhaalde ze nog een keer. Elias hapte naar adem. Hij was het hele eind van de dokken hierheen komen rennen en werd ijl in zijn hoofd van de snijdende geur van jodoform. Met de tip van zijn schoenen schuifelde hij heen en weer over de kraaknette vloer van de ziekenhuisgang, alsof hij daarmee de woorden van de zuster weg kon vegen. De zuster legde haar hand op zijn schouder. Met haar vinger onder zijn kin dwong ze zijn hoofd omhoog. Ze keek hem meelevend aan. ‘“Deense kapitein… voer op de Congo.” Dat waren haar laatste woorden. Of toch iets dat daarop lijkt. Gij zult wel weten wat ze daarmee bedoelde?’ Hij wrong zich los uit de greep van de non, trok zijn schouders op en telde in gedachten de tegels van de ziekenhuisvloer, want als hij zijn hoofd niet bezighield, zou hij gaan janken. ‘Die woorden waren toch voor u bestemd?’ drong de zuster aan. Deze keer keek hij op, omdat hij niet als een ongemanierde boerenpummel wilde overkomen, maar hij ontweek haar blik. Hij telde de vakken in het raam achter haar, de deuren in de gang, de borden op een voorbijrijdende ziekenhuiskar… Even overwoog hij te vragen of hij zijn moeder nog kon groeten, maar 17


hij wist dat hij geen kans maakte. Sinds ze tien dagen geleden door de gezondheidsinspectie hiernaartoe was gebracht, had hij haar niet meer gezien. De toegang tot de zaal voor difterielijders was ten strengste verboden voor bezoekers, een noodzakelijke maatregel wilde men de epidemie onder controle krijgen. Dát men de epidemie de kop zou indrukken, stond als een paal boven water, beweerden de bazen van dit nieuwe ziekenhuis. Stuyvenberg was gebouwd volgens de laatste inzichten op het vlak van gezondheid. Ronde zalen die ervoor zorgden dat de lucht er vrij kon bewegen zodat bacteriën geen kans kregen om zich te verbergen in een of andere hoek. Er was zelfs een laboratorium waar ze die vreemde beestjes onderzochten. Het beest dat zijn moeder en al zoveel stadsgenoten had gedood, was duidelijk nog niet getemd. Hij knikte naar de zuster. Natuurlijk waren die woorden voor hem bestemd, maar wat moest hij ermee? ‘Hoe moet het met de… begrafenis?’ stotterde hij. ‘Ik heb geen euh…’ Hij zocht naar de juiste woorden om te zeggen dat hij geen rooie cent bezat, geen nagel om aan zijn gat te krabben. Wat voor een armoelijder was hij, wat voor een zoon die zijn moeder zelfs geen kist kon betalen, zodat ze straks als een hond in de grond zou worden gestopt? ‘Maak u geen zorgen, dat wordt geregeld,’ zei de zuster met de bleke tederheid die eigen is aan vrouwen die zich het lot der zwakken en zieken aantrekken. Hij prevelde een bedankje, zette zijn pet op, trok de kraag van zijn vest omhoog en liep naar buiten waar hij de voortuin dwarste. De jonge bomen, die al in blad stonden, moesten de indruk wekken dat alles achter deze ziekenhuismuren sprankelde van leven, maar hij verwenste de idioot die het in zijn hoofd had gehaald die bomen hier neer te poten. Hij verwenste de jonge bladeren die gretig de lucht opzogen, terwijl zijn moeder daarbinnen in haar eigen slijmen was gestikt. Telkens opnieuw probeerde hij het beeld weg te duwen: hoe ze allicht piepend en hortend die 18


laatste woorden had gefluisterd, haar ogen bol en wijd open alsof ze door die ogen lucht naar binnen probeerde te krijgen: ‘Deense kapitein… voer op de Congo.’ De woorden dreunden in zijn hoofd bij elke stap die hij zette. ‘Deense kapitein…’ Die woorden gingen over zijn vader… Zijn vader was een Deense kapitein… En hij voer op de Congo. Nadat hij de poort van het gasthuis achter zich had gelaten, liep hij naar huis, de wijk vermijdend waar de burgerij zich ophield. Daar waren kerels als hij niet welkom; dat gaven die welgestelde burgers, die rijke stinkerds die op een dikke zweer zaten, duidelijk te verstaan. Toen hij nog in het gesticht zat en soms met de Kromme om sla of tomaten moest naar de Crié, was hij er weleens geweest. Op de Meir hadden de dames met hun parasolletjes en Franse maniertjes hen met opgetrokken neuzen nagekeken vanuit hun rijtuig of automobiel. En toen hij, met de Kromme op zijn schouders, door het hek van de zoölogie gluurde om een glimp van een exotisch dier op te vangen, werden ze prompt weggestuurd. Eén enkele keer waren ze met alle bewoners van het Knechtjeshuis naar de zoölogie geweest, op de dag van de plechtige prijsuitreiking. Een uitzondering die zich geen tweede keer had voorgedaan, want het vertier van de dierentuin was er alleen voor wie een goedgevulde geldbeugel had. De enige dag dat ze in de wijk van de Meir werden geduld, was op de dag van de fête nationale. Dan mochten alle wezen en verlaten kinderen opdraven achter het rode vaandel met het zilveren wapenschild van de fanfare. Hun pet met bruine bies rechtop, de twee rijen knopen van hun donkerblauwe frak netjes geknoopt; als marionetten in de Poesjenellenkelder liepen ze daar. Alsof de stad elk jaar opnieuw een stuk opvoerde om de stedelingen te laten zien hoe goed ze voor haar wezen zorgde. En hij was niet eens een wees geweest. Bij het Knechtjeshuis, in de Durletstraat, hield hij even halt. Het lag niet op zijn weg, maar iets had hem ernaartoe gedreven. Hij 19


besefte het niet, maar was op zoek naar iets om zich aan vast te grijpen, zoals elkeen die een dierbare verliest. Een blouse of een armband van de overledene of wat dan ook, voordien nog onbeduidend en banaal, plots kostbaar als een fetisj. Een veilige kapstok uit het verleden om het lijf van nu overeind te houden, een reddingsboei om niet te verzuipen. Elias had weinig of niks om zich aan vast te houden, behalve een vader die misschien ergens rondzwalkte op een boot, maar die waarschijnlijk niet eens van zijn bestaan afwist. Onbewust was hij naar zijn laatste en enige reddingsboei gezwommen: het Knechtjeshuis, een boei die hij twee jaar eerder had losgelaten. Hij keek naar de trapgeveltjes van het gebouw dat ooit zijn thuis was geweest. Eerst had hij in het oude Knechtjeshuis gewoond op de Paardenmarkt. Ze zeggen dat de oudste herinneringen van een mens niet verder reiken dan een leeftijd van drie tot vier jaar, maar hij kon zich haarscherp de vloertegels in de gang voor de geest halen waarop hij zijn eerste wankele stapjes had gezet aan de hand van een opvoedster. Daarna, toen hij een jaar of acht was, waren ze verhuisd naar het nieuwe gesticht, naar dit huis met trapgeveltjes dat leek op een pièce montée zoals in de etalage van een chique patissier. Hier was hij ‘de professor’ geweest, de enige kostganger die naar het atheneum mocht. En als zijn moeder hem hier twee jaar geleden niet was komen halen, dan had hij hier nog steeds gewoond. Al bij al had hij er een schone tijd gehad. De pesterijen van de Vlieg en de Mosterd leken nu klein bier na alles wat hij daarna te verduren had gekregen. Hier had hij tenminste een bed gehad met frisse, gesteven lakens; elke dag te eten en af en toe een bad. Dat was meer dan hij de voorbije twee jaren had gekend. Hij keek naar het raam van de refter en zag in gedachten weer die jaloerse blikken toen hij hier aan de hand van zijn moeder naar buiten stapte. De Kromme die aarzelend had staan wuiven. Hoe moeder in haar zakdoek had gekucht, toen in het kantoor van de directeur, en haar schouders die hem hoekiger hadden 20


geleken dan bij een eerder bezoek. De ziekte had toen al in haar lijf gezeten. Hij doolde voort in de richting van het Schipperskwartier en dacht terug aan zijn moeders laatste woorden. Waarom had ze hem die boodschap absoluut nog willen meegeven? Waarom had ze hem niet eerder verteld wie zijn vader was? Toen hij hun steeg in liep, stond de onderbuurvrouw zoals elke dag voorovergebogen over haar wasteil. Het warme sop dampte in de koude voorjaarslucht. Hij wilde rechtsomkeert maken want hij had geen zin in een gesprek, maar Mariette moest hem vanuit haar ooghoek hebben zien aankomen. Kreunend kwam ze overeind en wreef haar blauwe, gezwollen handen warm aan haar schort. Ze draaide haar wollen sjaal rond haar hoofd, die door het schuren en schrobben was losgekomen. ‘En, manneke? Is het gebeurd?’ vroeg ze zorgelijk. Hij knikte. ‘En hebt ge haar nog kunnen spreken?’ Hij zweeg. Moeders laatste woorden hield hij voor zichzelf. Daar had niemand affaires mee. Zelfs Mariette niet, ook al was ze moeders enige en beste vriendin. ‘En wat moet er nu met u gebeuren?’ Hij trok zijn schouders op. Wat er met hem moest gebeuren? Hoe moest hij dat weten? Hij stond daar als een postpakket zonder bestemmeling. Mariette zuchtte. Ze stroopte haar mouwen nog wat verder op, boog zich voorover en zette zich weer aan het schrobben. ‘Ge zijt welkom,’ zei ze zonder verpinken. ‘Als onze Maurice en onze Jef wat opschuiven, kunt ge naast hen op de strozak. En een mond minder of meer…’ ‘Ik trek mijn plan wel,’ onderbrak Elias haar en liep de trap op, het gat ontwijkend van de derde en de vierde trede, die ontbraken. Hij opende de deur van het hok waar hij de afgelopen twee jaar met zijn moeder had gewoond en legde zich neer op 21


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401428675 by Uitgeverij Lannoo - Issuu